25 OKTOBER 2007 – Besluit betreffende de erkenning en de subsidiëringswijze van de centra en diensten voor personen met een handicap
TITEL II. - Procedure betreffende de voorlopige werkingsvergunning, de erkenning, de weigering en de intrekking van de erkenning en de sluiting van centra en diensten voor personen met een handicap.
Art. 2.
Deze Titel stelt de procedurevoorschriften vast waaraan de centra en diensten moeten voldoen om door de Ministers te worden erkend.
HOOFDSTUK I. - Voorlopige werkingsvergunning.
Art. 3.
De voorlopige werkingsvergunning bedoeld in artikel 8 van de ordonnantie wordt overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk door de Ministers toegekend.
Art. 4.
De organiserende instantie richt aan de Ministers een erkenningsaanvraag samen met een administratief dossier dat volgende stukken omvat :
1° een document met vermelding van de naam van de vertegenwoordigers van de organiserende instantie en van de directeur van het centrum of de dienst, ondertekend door voormelde betrokkenen;
2° een actueel afschrift van de in het Nederlands en in het Frans opgestelde statuten van het centrum of de dienst alsook de samenstelling van zijn bestuursorganen, zoals bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Als de organiserende instantie een ziekenfonds of een landsbond van ziekenfonds, of een openbare overheid zoals bedoeld in artikel 4 ordonnantie is, betreft het een afschrift van de beslissing van het bevoegde orgaan dat het centrum of de dienst opricht;
3° a) wanneer het een bestaand centrum of een bestaande dienst betreft : het organogram en de lijst van de tewerkgestelde personen met hun kwalificatie en de werkelijk gepresteerde arbeidsduur tijdens het vorige kwartaal;
b) wanneer het een centrum of dienst betreft dat/die voor de eerste keer wordt uitgebaat : het organogram en de verbintenis om te voldoen aan de personeelsnormen, in functie van het aantal gebruikers, en om per semester aan de Ministers de lijst toe te sturen van de tewerkgestelde personen met hun kwalificatie en de wekelijkse arbeidsduur;
4° een plan dat de interne verbindingswegen van het centrum of de dienst en, in voorkomend geval, van zijn antennes aanduidt, alsmede de bestemming van de lokalen en, in voorkomend geval, het aantal bedden in de kamers;
5° in voorkomend geval, een afschrift van de overeenkomst die gesloten werd tussen het centrum of de dienst waarvoor de erkenning wordt aangevraagd en de instellingen waarmee een functionele binding moet aangegaan worden overeenkomstig de geldende erkenningsnormen;
6° een afschrift van het verslag opgesteld door de dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulpverlening van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de brandveiligheid van het centrum of de dienst.
Dit verslag mag niet ouder zijn dan zes maanden op het ogenblik van de indiening van de aanvraag;
7° een bewijs van goed zedelijk gedrag van de directeur en van het personeel van het centrum of de dienst, dat niet ouder mag zijn dan drie maanden op het tijdstip van de indiening van de aanvraag;
8° een document met onder meer de omschrijving van :
a) de door het centrum of de dienst nagestreefde doelstellingen;
b) de aangewende middelen om die te bereiken;
c) de taken van de personeelsleden;
d) het profiel van de gehuisveste of opgevangen personen met vermelding van de categorie, de aard van de stoornis, hun leeftijd en hun aantal;
9° de behoorlijk ingevulde en ondertekende vragenlijst voor de identificatie van het centrum of de dienst, te dien einde afgegeven door de administratie.
Art. 5.
Wanneer alle documenten die het administratieve dossier bedoeld in artikel 4 samenstellen zijn ontvangen, betekent de administratie aan de organiserende instantie dat de erkenningsaanvraag volledig is.
De ambtenaren behandelen het dossier en vergewissen zich ervan dat het centrum of de dienst kan werken in omstandigheden verenigbaar met de normen waaraan moet worden voldaan en overeenkomstig de inlichtingen vervat in het administratief dossier.
Art. 6.
De voorlopige werkingsvergunning wordt toegekend wanneer aan alle in artikel 4 opgesomde vereisten is voldaan en indien het centrum of de dienst kan werken in omstandigheden verenigbaar met de normen waaraan moet worden voldaan
De voorlopige werkingsvergunning is geldig voor een termijn van één jaar en is één keer hernieuwbaar.
HOOFDSTUK II. - Erkenning.
Art. 7.
Tijdens de duur van de voorlopige werkingsvergunning gaan de ambtenaren na of het centrum of de dienst werkt overeenkomstig alle normen waaraan moet worden voldaan.
De ambtenaren stellen een verslag op met betrekking tot de erkenningsaanvraag uiterlijk zes maanden vóór het einde van de voorlopige werkingsvergunning, waarbij zij, in voorkomend geval, hun opmerkingen verduidelijken. Het dossier en dit verslag worden aan de Ministers bezorgd. Het verslag wordt tegelijkertijd aan de organiserende instantie bezorgd die over een termijn van één maand beschikt om haar opmerkingen betreffende de inhoud van het verslag bij de Ministers en de afdeling te kennen te geven.
Art. 8.
§ 1. De Ministers bezorgen het administratief dossier, de erkenningsaanvraag, de verslagen van de ambtenaren en de desbetreffende opmerkingen van de organiserende instantie aan de afdeling die de aanvraag onderzoekt.
§ 2. De afdeling brengt binnen drie maand volgend op de aanhangigmaking een advies uit op de erkenningsaanvraag. Dit advies wordt aan de Ministers en aan de organiserende instantie betekend.
De organiserende instantie beschikt over een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de kennisgeving om haar opmerkingen aan de Ministers toe te sturen.
§ 3. Na ontvangst van het advies van de afdeling, formuleren de Ministers binnen zes maand na het verstrijken van de voorlopige werkingsvergunning, ofwel een erkenningsbeslissing die vervolgens aan de organiserende instantie wordt betekend, ofwel een voorstel tot weigering van erkenning.
Indien de Ministers een voorstel tot weigering van erkenning formuleren, wordt de in de artikelen 12 en 14 bepaalde procedure toegepast.
§ 4. De erkenning wordt verleend voor een hernieuwbare termijn van ten hoogste vijf jaar.
Art. 9.
Indien de organiserende instantie van een centrum of dienst de vrijwillige sluiting beslist van het centrum of de dienst, wordt deze beslissing drie maanden vooraleer zij uitwerking heeft aan de Ministers meegedeeld. De organiserende instantie stuurt binnen dezelfde termijnen een afschrift van de beslissing aan de gebruikers en, in voorkomend geval, aan zijn wettelijke vertegenwoordiger en het personeel.
HOOFDSTUK III. - Hernieuwing van de erkenning.
Art. 10.
§ 1. Met het oog op de hernieuwing van de erkenning stuurt de administratie uiterlijk zes maanden vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de erkenning een vragenlijst naar de organiserende instantie van de dienst.
Deze vragenlijst dient, behoorlijk ingevuld en ondertekend, binnen dertig dagen na ontvangst te worden teruggestuurd, samen met volgende documenten :
1° die welke bedoeld zijn in artikel 4, 1° en 7°;
2° die welke bedoeld zijn in artikel 4, 2°, 3°, 4° en 8°, indien er wijzigingen werden aangebracht;
3° een nieuw verslag van de brandweer indien :
het vorige verslag meer dan vijf jaar oud is;
b) de gebouwen of de uitrustingen het voorwerp uitmaakten van aanpassingen die de veiligheid in de dienst in het gedrang kunnen brengen.
§ 2. Wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, wordt de erkenning voorlopig hernieuwd tot de Ministers een beslissing hebben genomen.
Art. 11.
De in artikelen 7 en 8 omschreven procedure is van toepassing op de procedure tot hernieuwing van de erkenning.
HOOFDSTUK IV. - Weigering en intrekking van erkenning.
Art. 12.
Indien uit het in artikel 7 bedoelde onderzoek blijkt dat de erkenningsnormen geheel of gedeeltelijk niet worden nageleefd, betekenen de Ministers een voorstel tot weigering van erkenning aan de organiserende instantie en sturen er een afschrift van naar de afdeling. De organiserende instantie licht het personeel in over dit voorstel tot weigering.
Art. 13.
Wanneer een centrum of dienst niet meer voldoet aan de erkenningsnormen, betekenen de Ministers een voorstel tot intrekking van erkenning aan de organiserende instantie en sturen er een afschrift van naar de afdeling. De organiserende instantie licht het personeel in over dit voorstel tot intrekking.
Art. 14.
In de gevallen bedoeld in de artikelen 12 en 13 deelt de afdeling binnen vijftien dagen volgend op de kennisgeving van de voorstellen tot weigering of tot intrekking van erkenning aan de organiserende instantie de datum mede waarop de zaak zal worden onderzocht en nodigt haar uit om haar opmerkingen te kennen te geven en voor de afdeling te verschijnen, eventueel bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat of door een derde die houder is van een bijzondere volmacht.
De afdeling onderzoekt het voorstel tot weigering of intrekking van erkenning, ongeacht het gevolg dat aan de uitnodiging tot verschijnen wordt gegeven, en deelt haar advies mede aan de Ministers binnen drie maanden na de mededeling van het voorstel.
De beslissing van de Ministers houdende weigering of intrekking van erkenning wordt per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst ter kennis gebracht van de organiserende instantie en van de burgemeester van de gemeente waar het centrum of de dienst is gevestigd.
HOOFDSTUK V. - Sluiting.
Art. 15.
De beslissing van de Ministers houdende weigering of intrekking van erkenning heeft de sluiting van het centrum of de dienst tot gevolg op de datum van de kennisgeving.
Vanaf die dag mogen er geen personen met een handicap meer in het centrum of de dienst verblijven.
Als de beslissing betrekking heeft op een centrum of dienst dat/die personen huisvest, ziet de organiserende instantie erop toe dat deze personen binnen drie maanden na de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, het centrum of de dienst hebben verlaten.
Art. 16.
De organiserende instantie moet de gebruikers of zijn wettelijke vertegenwoordiger alsmede het personeel op de hoogte brengen van de ministeriële beslissing tot weigering of intrekking van erkenning alsmede van de gevolgen van de sluiting van het centrum of de dienst en moet op de gevel van het centrum of de dienst een bericht, overeenkomstig het als bijlage I bij dit besluit gevoegde model, zichtbaar aanplakken met de datum waarop de beslissing uitwerking heeft.
Art. 17.
Hoofdstuk IV en de artikelen 15 en 16 zijn van toepassing op de procedure tot sluiting van een centrum of dienst dat/die uitgebaat wordt zonder een voorlopige werkingsvergunning of de erkenning te hebben verkregen.
Art. 18.
In geval van onmiddellijke sluiting bij wijze van bewarende maatregel, bedoeld in artikel 12, § 4, van de ordonnantie, deelt de afdeling van de Adviesraad binnen vijftien dagen volgend op de kennisgeving van deze beslissing aan de organiserende instantie de datum mede waarop de zaak zal worden onderzocht en nodigt haar uit om haar opmerkingen voor te dragen en voor de afdeling te verschijnen, in voorkomend geval bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat of door een derde die houder is van een bijzondere volmacht.
De afdeling beraadslaagt binnen dertig dagen nadat zij door de Ministers is geadieerd, ongeacht het gevolg dat aan de uitnodiging tot verschijnen wordt gegeven; zij bezorgt binnen vijftien dagen haar advies aan de Ministers die binnen dertig dagen na ontvangst van het advies definitief over de sluiting beslissen.
HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen.
Art. 19.
De beslissing tot toekenning, tot weigering, tot intrekking van erkenning worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
In voorkomend geval, moet dit bericht verplicht de datum van de sluiting van het centrum vermelden.
Art. 20.
De aanvraag tot erkenning, de kennisgevingen, alsmede de procedurehandelingen geschieden per aangetekend schrijven of via neerlegging van de documenten door het centrum of de dienst bij de administratie tegen ontvangstbewijs.
Inzake termijnen zijn de artikelen 84 en 88 van het Regentsbesluit van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van toepassing.
Bijlagen
Bijlage I. Bericht van sluiting.
(Zie B.S. 01-02-2008, p. 5607).