2 MAART 2009 – Ministerieel besluit houdende bepaling van de [werkingskosten] van de centra en de diensten voor Bijstand aan Personen
Artikel 1.
[§ 1. Voor de toepassing van dit artikel moet worden verstaan onder:
1° Centra en diensten voor personen met een handicap: de centra en diensten voor personen met een handicap, zoals bedoeld in artikel 3, 4°, van de ordonnantie van 7 november 2002 betreffende de centra en diensten voor bijstand aan personen;
2° Meerjareninvesteringsplan: het meerjarenplan 2017-2023 betreffende investeringen in infrastructuur voor het beleid inzake bijstand aan personen, zoals goedgekeurd bij beslissing van het Verenigd College van 8 juni 2017;
3° Huisvestigingskosten: de afschrijvingen of huur, namelijk de uitgaven voor de aankoop of de huur van een gebouw en voor bouw-, renovatie- of uitbreidingswerken van een gebouw.]1
[§ 1/1.]1 [De werkingskosten van de centra en diensten voor Bijstand aan Personen worden bepaald als volgt:
1° voor de centra en diensten voor personen met een handicap wordt per erkende plaats een maximumbedrag toegekend, zoals hierna bepaald:
a) Verblijfscentrum: een maximumbedrag van 5.715,95 euro wordt toegekend per erkende plaats;
b) Verblijfscentrum (voor zwaar zorgbehoevenden): een maximumbedrag van 7.641,68 euro wordt toegekend per erkende plaats die wordt bezet door een zwaar zorgbehoevend persoon met een handicap;
c) Dagcentrum: een maximumbedrag van 2.751,01 euro wordt toegekend per erkende plaats;
d) Dagcentrum (voor zwaar zorgbehoevenden): een maximumbedrag van 3.056, 69 euro wordt toegekend per erkende plaats die wordt bezet door een zwaar zorgbehoevend persoon met een handicap;
e) Diensten voor begeleid wonen voor personen met een handicap: een maximumbedrag van 6.858,95 euro wordt toegekend, per [voltijdsequivalent]2, voor de eerste drie opvoeders en 4.928,61 euro voor de andere opvoeders;
f) ADL-diensten: een maximumbedrag van 2.938,00 euro wordt toegekend per erkende plaats.
Naast deze werkingskosten ontvangen de centra zoals bedoeld in het eerste lid, a) tot d) extra werkingskosten voor de financiering van de huisvestingskosten, die als volgt zijn vastgelegd:
- een jaarlijks maximumbedrag van 3.636 euro wordt toegekend per erkende plaats aan de verblijfscentra zoals bedoeld in a) en b) van het eerste lid;
- een jaarlijks maximumbedrag van 1.818 euro wordt toegekend per erkende plaats aan de dagcentra zoals bedoeld in het eerste lid, c) en d).
Wanneer de huisvestingskosten tegelijkertijd voor de huur en voor de afschrijvingen worden toegekend, mag de som van beide bedragen die op grond van het vorige lid zijn verkregen niet hoger zijn dan de in dit lid vastgelegde bedragen.
In afwijking van lid 2 en 3 ontvangen de centra zoals bedoeld in het eerste lid, a) tot d) extra werkingskosten voor de financiering voor 100% van de huisvestigingskosten in de volgende gevallen:
- voor de financiering van de afschrijvingskosten van de projecten die zijn opgenomen in het meerjareninvesteringsplan voor 15 februari 2021;
- voor de financiering van de lopende afschrijvingskosten van de centra die voor 15 februari 2021 erkend zijn;
- voor de financiering van huurkosten van de erkende centra, die zijn vastgelegd krachtens een op 15 februari 2021 lopende of na die datum verlengde huurovereenkomst.
In afwijking van § 1, 3°, omvatten, voor de centra, zoals bedoeld in het voorgaande lid, de huisvestigingskosten ook de onroerende voorheffing en de vermogensbelasting.
De dagcentra, zoals bedoeld in het eerste lid, c) en d) ontvangen een financiering voor 100% van de mobiliteitskosten.]1
2° [...]1
3° [...]3
4° voor de centra voor justitieel welzijnswerk wordt een [maximumbedrag]2 van 6.858,95 EUR toegekend, per [voltijdsequivalent]2, voor de drie eerste maatschappelijk assistenten en 4.928,61 EUR voor de andere maatschappelijk assistenten;
5° a) voor de centra voor maatschappelijk werk die niet van een mutualiteit afhangen wordt een [maximumbedrag]2 van 6.858,95 EUR toegekend, per [voltijdsequivalent]2, voor de drie eerste maatschappelijk assistenten en 4.928,61 EUR voor de andere maatschappelijk assistenten;
b) voor de centra voor maatschappelijk werk die van een mutualiteit afhangen :
een [maximumbedrag]2 van 3.860,65 EUR wordt, per [voltijdsequivalent]2, voor de drie eerste maatschappelijk assistenten toegekend en 1.930,33 EUR voor de andere maatschappelijk assistenten.
6° [...]3
7° [...]3
8° [...]1
[9° Voor de centra voor gezinsplanning wordt een maximumbedrag van 6.250 EUR per gesubsidieerde voltijdsequivalent toegekend.]4
§ 2. De centra en diensten voor Bijstand aan Personen hebben recht op een subsidie van 1 % op het totaal gesubsidieerd [brutoloon]2 en de RSZ-werkgever voor de permanente opleiding van het gesubsidieerd personeel.
§ 3. De centra en diensten voor Bijstand aan Personen hebben recht op een subsidie van 4 % op het totaal gesubsidieerd [brutoloon]2 en de RSZ-werkgever voor het dekken van de beheerskosten voor het gesubsidieerd personeel, met name de wetsverzekering, de arbeidsgeneeskunde, het sociaal secretariaat, de woon-werkverplaatsingen en de aanwervingskosten.
§ 4. Deze bedragen worden toegekend na voorlegging van de bewijsstukken die erop betrekking hebben.
Art. 2.
Het ministerieel besluit van 25 september 2007 houdende bepaling van de werkingkosten van de centra en de diensten voor Bijstand aan Personen wordt opgeheven.
Art. 3.
De werkingskosten worden jaarlijks geïndexeerd op basis van de gezondheidsindex die geldig is in januari van dat jaar.
Art. 4.
Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2009.
Art. 5.
De Leidend ambtenaar van de Diensten van het Verenigd College wordt belast met de uitvoering van dit besluit.
[In afwijking van het voorgaande lid, wordt de leidend ambtenaar van de bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslag belast met de uitvoering van artikel 1, § 1/1, 1° en §§ 2 tot 4, van dit besluit voor de centra en diensten voor personen met een handicap.]5
Brussel, 2 maart 2009.
- 1 <MB 2021-01-22/05, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 15-02-2021>
- 2 <BESL 2022-10-06/14, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2022>
- 3 <BESL 2019-05-09/25, art. 143, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2020>
- 4 <BESL 2022-10-06/14, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2022>
- 5 <MB 2021-01-22/05, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 15-02-2021>