22 OKTOBER 2009 – Besluit betreffende de erkenning van personen met een handicap en hun opname in centra en diensten die afhangen van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie

HOOFDSTUK II. - De erkenning van personen met een handicap

Art. 2.

Om door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie erkend te zijn als een persoon met een handicap, dient de persoon met een handicap door een andere deelstaat erkend te zijn of tegemoet te komen aan de voorwaarden die in artikel 3 van dit besluit worden opgesomd.

Hiertoe dient de persoon met een handicap een erkenningsaanvraag bij de administratie in te dienen via een formulier bedoeld in bijlage I.

Art. 3.

De persoon met een handicap die een erkenning bij de administratie aanvraagt, dient aan volgende voorwaarden te beantwoorden :

1° een handicap vertonen die het resultaat is van een vermindering van ten minste 30 % van de fysieke of sensoriele capaciteiten of van ten minste 20 % van de mentale of psychische capaciteiten;

2° op het ogenblik van het indienen van de aanvraag minder dan 65 jaar oud zijn;

3° van Belgische nationaliteit zijn, lid van een land van de Europese Gemeenschap, staatloos, erkende vluchteling zijn of een ononderbroken verblijf van vijf jaar of een onderbroken verblijf van tien jaar in België achter de rug hebben vóór het indienen van het verzoek.

Art. 4.

De aanvraag bedoeld in artikel 2 moet samengaan met volgende documenten :

1° een gezinssamenstelling;

2° een psycho-medisch-sociaal getuigschrift van type I, bedoeld in bijlage II van dit besluit, ingevuld en ondertekend.

HOOFDSTUK IV. - Gemeenschappelijke bepalingen aan hoofdstukken II en III

Art. 9.

De aanvragen om erkenning worden door de persoon met een handicap of zijn wettelijke vertegenwoordiger ingediend.

De aanvragen om toelating worden door de persoon met een handicap, zijn wettelijke vertegenwoordiger of door de directie van het centrum of de betrokken dienst ingediend.

Dit gebeurt via een aangetekend schrijven aan het adres van de administratie of via een schrijven dat bij de zetel van de administratie tegen een ontvangstbewijs wordt overhandigd.

Art. 10.

De administratie onderzoekt of het dossier volledig is en of tegemoet wordt gekomen aan de erkennings- of toelatingsvoorwaarden.

Art. 11.

De Leidend Ambtenaar ondertekent de beslissingen van erkenning en toelating van de personen met een handicap.

De beslissing van de erkenning wordt aan de persoon met een handicap en zijn/haar wettelijke vertegenwoordiger betekend.

De beslissing van de toelating wordt aan de persoon met een handicap, zijn/haar wettelijke vertegenwoordiger en aan de directie van het centrum of de dienst in kwestie betekend.

Art. 12.

In het geval van een weigering van erkenning of toelating, kan een beroep bij de Raad van State aangetekend worden, binnen de zestig dagen na de bekendmaking van de beslissing.

Art. 13.

Elke latere wijziging van de situatie van de persoon met een handicap moet onmiddellijk aan de administratie worden bekendgemaakt.

Elke toelage die wordt toegekend op basis van bedrieglijke, onjuiste of onvolledige inlichtingen, kan aanleiding geven tot een terugbetalingactie ofwel ten laste van de begunstigde, ofwel ten laste van zijn erfgenamen of legatarissen of zijn onderhoudsplichtigen.

Bijlagen

Bijlage I. - Aanvraag tot erkenning als persoon met een handicap

(zie B.St. van 07-01-2010, p. 483-488)

Bijlage II. - Psycho-medisch-sociaal attest Type I
(zie B.St. van 07-01-2010, p. 495-497)
<Gewijzigd door BESL 2013-03-15/12, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 26-04-2013>