4 JULI 2019 – Besluit betreffende de administratiekosten van de kinderbijslagfondsen

Artikel 1.

De globale jaarlijkse toelage om de administratiekosten van de kinderbijslagfondsen te dekken wordt enerzijds op kwantitatieve en anderzijds op kwalitatieve basis vastgesteld via het responsabiliserings-mechanisme bedoeld in artikel 4.

Art. 2.

De in artikel 1 bedoelde globale jaarlijkse toelage wordt voor het jaar 2020 vastgesteld op 12.400.000 euro.

Voor de daaropvolgende jaren wordt het bedrag van de globale jaarlijkse toelage jaarlijks herzien rekening houdend met de ontwikkeling van het totale aantal dossiers dat door de gezinsbijslagregeling wordt betaald.

De globale jaarlijkse toelage wordt verdeeld over de kinderbijslagfondsen in verhouding tot het bedrag van de gezinsbijslag dat door elk van hen wordt betaald.

Art. 3.

De federale kinderbijslagfondsen die in 2019 voor rekening van de GGC optreden, ontvangen een eenmalig, niet-geïndexeerd bedrag van 389.090 euro voor de aanpassing van hun beheer en betaling van de gezinsbijslag vanaf 2020.

Dat bedrag wordt over die federale fondsen verdeeld afhankelijk van de bedragen van de gezinsbijslag die in 2018 door hen werden betaald, en, eventueel, door de federale fondsen die aan hen een subportefeuille van dossiers hebben doorgegeven ten laste van de GGC op basis van het samenwerkingsakkoord van 6 september 2017 tussen de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschaps-commissie en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de aanknopingsfactoren, het beheer van de lasten van het verleden, de gegevensuitwisseling inzake de gezinsbijslagen en de praktische regels betreffende de bevoegdheidsoverdracht tussen de kinderbijslag-fondsen.

Art. 3/1.

[Er wordt een eenmalig en niet-geïndexeerd bedrag van 60.133,55 euro gestort aan de kinderbijslagfondsen met het oog op de compensatie van de uitzonderlijke kosten die in 2020 gepaard gingen met het verzenden van de informatiebrieven aan de betreffende gezinnen in verband met de eenmalige toekenning van een verhoging van de bedragen van de sociale toeslagen die worden toegekend op grond van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van gezinsbijslag in het kader van de COVID-19-crisis.

Dat bedrag wordt verdeeld onder de kinderbijslagfondsen op grond van de reële kosten die door hen werden gedragen.]1

Art. 4.

Het gedeelte van de globale jaarlijkse toelage in verband met de kwaliteit van de prestaties van de kinderbijslagfondsen waarop zij ten hoogste aanspraak kunnen maken, wordt als volgt vastgesteld:

1° 5 % voor 2022;

2° 7,5 % voor 2023;

3° 10 % voor 2024;

4° 15 % vanaf 2025.

Art. 5.

Om de kwaliteit van de prestaties van de kinderbijslagfondsen te evalueren, wordt het technische, administratieve en financiële beheer van de kinderbijslagfondsen geëvalueerd op basis van de volgende criteria:

1° de naleving door de kinderbijslagfondsen van de wettelijke, regelgevende en administratieve bepalingen, zowel op technisch, financieel als op boekhoudkundig vlak en de snelheid waaraan ze de vastgestelde tekortkomingen verhelpen;

2° de organisatorische, boekhoudkundige en financiële kwaliteit van de kinderbijslagfondsen. De mate waarin de tekortkomingen doeltreffend verholpen worden. Een doeltreffend beheer van de terugvordering van debetten en een verantwoord beheer van de aanrekening van de bedragen aan het reservefonds;

3° de naleving door de kinderbijslagfondsen van termijnen voor administratieve, boekhoudkundige, financiële en statistische documenten, de juistheid van die documenten en de correcte en tijdige bijwerking van de gegevens in de registers die door de Bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslag, hierna de 'Dienst' genoemd, worden beheerd;

4° de initiatieven, en de kwaliteit ervan, die de kinderbijslagfondsen nemen om de gezinnen te informeren over de kinderbijslag-regelgeving in het algemeen en hun kinderbijslagdossier in het bijzonder, met inachtneming van de verplichtingen in de ordonnantie van 4 april 2019 tot vaststelling van het betaalcircuit voor de gezinsbijslag;

5° de correcte integratie van de actoren van het recht op kinderbijslag in het repertorium van de personen bedoeld in artikel 6 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid (kadaster), en de correcte bijwerking van de gegevens in dat repertorium.

Art. 6.

De in artikel 5 vermelde evaluatiecriteria krijgen de volgende wegingscoëfficiënten:

1° het criterium in 1° : 50 %

2° het criterium in 2° : 25 %

3° het criterium in 3° : 15 %

4° het criterium in 4° : 5 %

5° het criterium in 5° : 5 %

Art. 7.

De Beheerraad voor Gezinsbijslag van de Dienst, hierna 'de Beheerraad' genoemd, bepaalt het gedeelte van de globale toelage in verband met de werklast dat aan ieder kinderbijslagfonds toekomt en beoordeelt de kwaliteit van hun prestaties.

De controle die voorafgaat aan die evaluatie, voor een jaar X, wordt uitgevoerd in het jaar X + 1 en de toelage wordt uiterlijk op 1 december van het jaar X + 2 bepaald. De Beheerraad beslist over de voorlopig te betalen bedragen voordat de toelage wordt toegekend. De eerste controle zal betrekking hebben op 2022.

Het gedeelte van de toelage dat aan elk kinderbijslagfonds is verschuldigd, wordt betaald door middel van maandelijkse voorschotten die zijn gebaseerd op de financiële rapportage die elke fonds uitvoert.

Art. 8.

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2020, met uitzondering van artikel 3 dat in werking treedt de dag waarop het belsuit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 9.

De Leden van het Verenigd College, bevoegd voor het Gezinsbeleid, zijn belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 4 juli 2019.