LC Regl 01 – 15 JUNI 2020 – tijdelijke opheffing van de plafonds van winstgevende activiteiten of sociale uitkeringen voor rechtgevende kinderen – praktische richtlijnen

LC Regl 01

Betreft: tijdelijke opheffing van de plafonds van winstgevende activiteiten of sociale uitkeringen voor rechtgevende kinderen - praktische richtlijnen


Met de omzendbrief CO GB 11 van 23 april 2020 werden de kinderbijslagfondsen ingelicht over de tijdelijke maatregel om, in de huidige crisissituatie veroorzaakt door COVID-19, de begrenzingen op winstgevende activiteiten of sociale uitkeringen voor rechtgevende kinderen op te heffen. Het doel van deze maatregel is voorkomen dat gezinnen met kinderen die werken in deze uitzonderlijke tijden van pandemie zouden worden benadeeld wat betreft de kinderbijslag. Aanvullend bij voornoemde omzendbrief volgen hierna de praktische richtlijnen voor de toepassing van de genomen maatregel. Die wijken af van de procedure uiteengezet in CO GB 6 van 10 oktober 2019.

1. OPHEFFING VAN DE 240-UURNORM VOOR WINSTGEVENDE ACTIVITEITEN IN HET 2DE EN 3DE KWARTAAL VAN 2020

A) Jongeren die lessen of een opleiding volgen

Overeenkomstig de procedure van CO GB 6 van 10 oktober 2019 wordt de winstgevende activiteit opgevolgd op basis van de DMFA-berichten. Een RIP-in-bericht leidt niet tot de schorsing van de betalingen. Door de tijdelijke maatregel van CO GB 11 kunnen voor alle jongeren die lessen of een opleiding volgen de betalingen vanaf april 2020 worden verdergezet. Bovendien leiden DMFA-berichten van het 2de en 3de kwartaal (respectievelijk ontvangen in mei 2020 en november 2020) die meer dan 240 werkuren per kwartaal aangeven niet tot een terugvordering. Als een DMFA-bericht een overschrijding van de 240-uurnorm meldt, wordt het gezin wel ingelicht over de tijdelijke opheffing van die norm. Als de betalingen al waren geschorst door een eerdere overschrijding van de urennorm in een voorgaand kwartaal, worden de betalingen hernomen vanaf april en wordt het gezin eveneens ingelicht over de tijdelijke maatregel (briefmodule 1 student). Het schematisch overzicht van de procedure en de daarbij horende motiveringsmodules staan in de bijlagen van deze dienstbrief.

Voorbeeld:

Een student die ingeschreven is in het hoger onderwijs voor het academiejaar 2019-2020 oefent een winstgevende activiteit uit van 15 januari 2020 tot 30 juni 2020.

Het RIP-bericht leidt niet tot een schorsing, de betalingen worden voortgezet tot aan de ontvangst van de DMFA met betrekking tot het eerste kwartaal 2020 (ofwel ontvangen op 15 mei 2020).

De betalingen werden dus tot eind april 2020 uitgevoerd (uitbetaling ten laatste op 9 mei 2020). Als de DMFA meer dan 240 uur vermeldt voor het eerste kwartaal van 2020, wordt de bijslagtrekkende ingelicht over het onverschuldigde bedrag voor januari, februari en maart 2020 en over de uitzonderlijke, tijdelijke maatregel door de COVID-19-pandemie met briefmodule 1.

De kinderbijslag blijft verschuldigd voor de volgende betaling (mei 2020) door de tijdelijke maatregel om de begrenzing van winstgevende activiteiten op te heffen. Ze worden al dan niet uitbetaald naargelang de voorwaarden en het terugvorderingspercentage die worden toegepast.

B) Werkzoekende schoolverlaters

In afwijking van de procedure van CO GB 6 moeten de betalingen naar aanleiding van een RIP-in-bericht voor een werkzoekende schoolverlater in het 2de en 3de kwartaal van 2020 niet worden geschorst. De DMFA-berichten van het 2de en 3de kwartaal 2020 die meer dan 240 werkuren aangeven leiden niet tot de terugvordering van de kinderbijslag. Voor alle dossiers van werkzoekende schoolverlaters worden de betalingen vanaf april 2020 verdergezet of hernomen als die al waren geschorst. Als er vanaf april 2020 een RIP-in-bericht wordt ontvangen, of wanneer de betalingen vanaf april 2020 worden hervat als die al waren geschorst, wordt het gezin ingelicht over de tijdelijke maatregel met de briefmodule 2 in de bijlage. Bij elke nieuwe inschrijving D043 als werkzoekende schoolverlater in het 2de en 3de kwartaal wordt ook de briefmodule over de tijdelijke maatregel in het kader van COVID-19 toegevoegd aan het formulier P20 en aan het (hybride) afsluitend formulier P20 aan het einde van de toekenningsperiode in het 2de en 3de kwartaal van 2020.

Voorbeeld 1:

Een werkzoekende die in augustus 2019 is ingeschreven, oefent een voltijdse winstgevende activiteit uit van 15 april 2020 tot eind juli 2020.

Ondanks het RIP-bericht dat de start van de activiteit meldt, gaan de betalingen stipt door tot eind juli 2020, ongeacht het aantal gepresteerde uren in het 2de en 3de kwartaal. De familie moet echter worden ingelicht over de uitzonderlijke, tijdelijke maatregelen die het Verenigd College heeft genomen door de COVID-19-pandemie met briefmodule 2.

Voorbeeld 2:

Een werkzoekende, ingeschreven eind juni 2019, werkt halftijds sinds 3 juli 2019 en ontvangt elke maand een loon van 700 euro.

Hij heeft geen recht op kinderbijslag tot eind december 2019 maar een potentieel recht vanaf 1 januari 2020 op basis van het aantal driemaandelijkse tewerkstellingsuren.

De kinderbijslag wordt geschorst vanaf 1 januari 2020, maar de DMFA voor het 1ste kwartaal van 2020 moet worden onderzocht bij ontvangst. Door de tijdelijke afschaffing van de beperking op winstgevende activiteiten, moet de uitbetaling van de kinderbijslag worden hervat vanaf 1 april 2020 als de activiteit inderdaad de 240-uurgrens overschrijdt. De familie wordt erover ingelicht via module 2.

2. DE ZELFSTANDIGE ACTIVITEIT IN HOOFDBEROEP IN HET 2DE EN 3DE KWARTAAL LEIDT NIET TOT SCHORSING VAN DE KINDERBIJSLAG

De opheffing van de 240-uurnorm in het 2de en 3de kwartaal geldt zowel voor de winstgevende activiteit in loondienst als voor de zelfstandige activiteit. Een zelfstandige activiteit in hoofdberoep, die per definitie wordt geacht meer dan 240 uur per kwartaal te worden uitgeoefend, verhindert in het 2de en 3dekwartaal van 2020 dus niet langer de kinderbijslag toe te kennen. De berichten D047 met bijdragencodes 2 en 3 (respectievelijk de student-zelfstandige met verminderde en met volledige bijdragen) of code A (inschrijving als zelfstandige in hoofdberoep) leiden niet tot de schorsing van de kinderbijslag in het 2de en 3de kwartaal. Als de betalingen al waren geschorst door de ontvangst van een bericht D047 in een voorgaand kwartaal, moeten ze vanaf april worden hernomen. Als in het 2de of 3de kwartaal een bericht D047 met code A, 2 of 3 wordt ontvangen, worden de betalingen voortgezet en wordt het gezin ingelicht over de tijdelijke maatregel met de briefmodules in de bijlage. Het gezin wordt ook ingelicht over het hervatten van de betalingen vanaf april 2020 als die al waren geschorst, namelijk met de briefmodule over de tijdelijke maatregel door COVID-19 (module 1 voor de studenten en module 2 voor de werkzoekende schoolverlater).

Voorbeeld:

Het kinderbijslagfonds ontving op 28 januari 2020 een bericht D047 dat stelde dat de werkzoekende (ingeschreven in augustus 2019) met ingang van 1 januari 2020 gestart is met een zelfstandige activiteit. Omdat het een bericht met code A betrof, werden de uitbetalingen meteen geschorst.

Door de tijdelijke maatregel om de beperking op winstgevende activiteiten op te heffen, moet de kinderbijslag opnieuw worden toegekend vanaf 1 april 2020. De familie wordt erover ingelicht via module 2.

3. EEN SOCIALE UITKERING VOORTVLOEIEND UIT EEN WINSTGEVENDE ACTIVITEIT IN HET 2DE EN 3DE KWARTAAL VERHINDERT NIET DAT DE KINDERBIJSLAG WORDT TOEGEKEND

Omdat er in het 2de en 3de kwartaal geen beperking geldt op het aantal werkuren en elke winstgevende activiteit dus toegelaten is, kan ook een sociale uitkering die voortvloeit uit een winstgevende activiteit uitgeoefend in het 2de en 3de kwartaal niet verhinderen dat de kinderbijslag wordt toegekend. Een sociale uitkering die voortvloeit uit een winstgevende activiteit uitgeoefend in het 2de of 3de kwartaal kan, in voorkomend geval, pas worden toegekend na die periode.

Voorbeeld:

De werkzoekende, ingeschreven op 12 november 2019, vat op 25 maart 2020 een winstgevende activiteit aan en ontvangt ziekte-uitkeringen vanaf 15 juni 2020 tot eind november 2020. Ook al bedraagt de in het 2de kwartaal uitgeoefende activiteit meer dan 240 uur, toch verhindert dat niet dat de kinderbijslag wordt toegekend voor de periode waarin de ziekte-uitkering werd ontvangen die voortvloeit uit de activiteit. De kinderbijslag wordt dus zonder onderbreking uitbetaald van 1 april tot eind november 2020. De familie moet echter worden ingelicht over de uitzonderlijke, tijdelijke maatregel die het Verenigd College heeft genomen door de COVID-19-pandemie (module 2).

4. KIND MET EEN AANDOENING: WINSTGEVENDE ACTIVITEIT ONDERWORPEN AAN DE SOCIALE ZEKERHEID IN HET 2DE EN 3DE KWARTAAL VERHINDERT DE TOESLAG OVEREENKOMSTIG ART. 47 AKBW NIET

Door de opheffing van de begrenzingen van de winstgevende activiteit en de sociale uitkering blijft de toeslag voor een kind met een aandoening, bedoeld in art. 47 AKBW, in het 2de en 3 kwartaal verschuldigd.

Een tewerkstelling1behalve een tewerkstelling in een beschutte werkplaats onderworpen aan de sociale zekerheid in het 2de en 3de kwartaal, meegedeeld door een RIP-in-bericht of bericht D047, schorst de toeslag bedoeld in art. 47 AKBW2in afwijking van de procedure beschreven in dienstbrief 996/98 van 24 mei 2011 niet.

De DMFA-berichten die meer dan 240 uur aangeven voor een kind met een aandoening dat ook rechten heeft als student of werkzoekende schoolverlater, leiden niet tot een terugvordering van de toeslag bedoeld in art. 47 AKBW.

Na ontvangst van het bericht over de tewerkstelling moet het kinderbijslagfonds het gezin wel inlichten over de tijdelijke maatregel door COVID-19 (modules 3A,3B en 3C in de bijlagen). De FOD Sociale Zekerheid moet ook worden ingelicht over de tewerkstelling van een kind met een handicap, maar met vermelding van de tijdelijke vrijstelling.

Voorbeeld:

Een kind met een aandoening is werkzoekend sinds augustus 2019 en oefent een activiteit uit die onderworpen is aan de sociale zekerheid van 15 januari 2020 tot en met 30 juni 2020. De beperking van het kind is erkend tot en met 31 maart 2021, wat het kind onvoorwaardelijk recht geeft op kinderbijslag tot en met die datum. De toeslag bedoeld in art. 47 is daarentegen meteen geschorst na ontvangst van het RIP-bericht dat de start van de activiteit meldt in januari 2020. De toekenning van die toeslag voor het 1ste kwartaal van 2020 moet worden onderzocht bij ontvangst van de DMFA in mei 2020. De toeslag bedoeld in art. 47 AKBW zal echter moeten worden toegevoegd wanneer de uitbetalingen worden hervat vanaf 1 april 2020. Het gezin wordt hierover ingelicht met de module 3B.

Naargelang de evolutie van de pandemie kunnen de bovenstaande maatregelen in voorkomend geval worden verlengd.

Bedankt voor uw medewerking.

Hoogachtend,

 

 

 

Tania Dekens
Leidend ambtenaar

Bijlagen:

  1. Samenvattende tabel van de situaties waarop de COVID-19-maatregel betrekking heeft met informatiemodules in de bijlagen
  2. LC Regl 01 - P20 met info maatregelen COVID19 - TR- NL