CO GB 1 – 4 APRIL 2019 – Overgangsmaatregelen krachtens artikel 39 van de ordonnantie tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag
Betreft: Overgangsmaatregelen krachtens artikel 39 van de ordonnantie tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag
1. Inleiding: context
Vanaf 1 januari 2020 zal de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag van kracht worden en de algemene kinderbijslagwet (AKBW) en de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag (GGB-wet), die worden opgeheven, vervangen, onverminderd de artikelen 12, 26 en 39 van de ordonnantie waarvan de toepassing in deze omzendbrief wordt behandeld.
Deze wijziging van de wetgeving gaat alle Brusselse gezinnen aan.
De nieuwe kinderbijslagregeling is onmiddellijk van toepassing voor de gezinnen als de kinderbijslag evenveel of meer bedraagt dat wat nu op basis van de AKBW of de GGB-wet wordt uitgekeerd. De meeste gezinnen zullen dus vanaf 1 januari 2020 onder de meer voordelige nieuwe regeling vallen.
Opdat de begunstigde Brusselse gezinnen op het moment van de overgang van de huidige regeling naar de nieuwe Brusselse regeling met betrekking tot hun kinderbijslag niets zouden verliezen, komt er een systeem van verworven rechten. Voor de gezinnen die voor december 2019 een hogere kinderbijslag ontvangen dan die waarin de nieuwe Brusselse regeling voorziet, blijven de bepalingen van de AKBW en van de GGB-wet van toepassing.
Zij behouden zo hun rechten onder bepaalde voorwaarden en regels, die in artikel 39 van de ordonnantie worden omschreven.
Deze omzendbrief beoogt de in artikel 39 van de ordonnantie bepaalde praktische overgangsregels uiteen te zetten. Dat artikel is van toepassing voor de minderheid van gezinnen die in de nieuwe regeling niet rechtstreeks een meer voordelige bijslag krijgen. Hun aantal zal in de loop van de maanden afnemen. Merk dus op dat de voorbeelden ter illustratie van de beginselen die in deze omzendbrief worden uiteengezet maar een beperkt aantal gevallen van die minderheidscategorie betreffen.
2. Basisregels
De ordonnantie bepaalt dat elk gezin de nieuwe regeling zal genieten als die gelijk of voordeliger is. De basisbeginselen worden in de ordonnantie beschreven.
Vooreerst valt het begin van de uitbetaling van de kinderbijslag, ongeacht de toepasselijke regels in de nieuwe en in de oude regeling, onder de toepassing van artikel 28 van de ordonnantie. (vroegere artikel 48 AKBW), dat wil zeggen met een vertraging van een maand.
Om de nieuwe Brusselse regeling toe te lichten zullen we drie soorten regels uitleggen: de regels van de nieuwe regeling, de regels van de verworven rechten en ten slotte hoe de twee regelingen met elkaar moeten worden vergeleken.
Deze regels worden in de volgende drie punten toegelicht en hun praktische toepassing wordt vervolgens door voorbeelden geïllustreerd.
3. Basisregels in de nieuwe regeling
De volgens de nieuwe regeling toe te kennen bedragen zijn vastgelegd in artikel 7 tot 17 van de ordonnantie, en ook in artikel 35 (overgangsperiode van 1 januari 2020 tot 31 december 2025 voor kinderen geboren vóór 1 januari 2020).
Ze zijn duidelijk omschreven en kunnen met de rekenmachine op de website van Iriscare worden berekend. (www.iriscare.brussels).
Vanaf 1 januari 2020 gelden de nieuwe bedragen voor alle Brusselse kinderen1Onverminderd de toepassing van het recht van de Europese Unie en van de internationale overeenkomsten, moet het rechtgevend kind op 31 december 2019 in de zin van de ordonnantie gedomicilieerd zijn (woonplaats en effectieve verblijfplaats) op het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad onder de door de AKBW of de GGB-wet vastgestelde voorwaarden..
Krachtens artikel 39 van de ordonnantie zullen de bedragen maar aan het gezin worden toegekend als ze minstens gelijk of voordeliger zouden geweest zijn als die in de opgeheven regeling.
3.1. Sociale toeslagen en gezinsgrootte
Sociale toeslagen hangen voortaan af van twee inkomensgrenzen2De maximumbedragen van de jaarlijkse gezinsinkomens en de kinderbijslag, het kraamgeld en de adoptiebijslag zijn gekoppeld aan de schommelingen van de afgevlakte gezondheidsindex en verbonden aan de spilindex 105,10 (basis 2013 = 100). , namelijk die van het jaarlijkse gezinsinkomen tot 31.000 euro en die tot 45.000 euro3In de zin van artikel 3, 7° van de ordonnantie: het belastbaar inkomen, verbonden aan de uitgeoefende beroepsactiviteit en het belastbare vervangingsinkomen, voor aftrek van beroepskosten, met betrekking tot het fiscale jaar in kwestie, van de bijslagtrekkende, en, in voorkomend geval, van de echtgenoot met wie hij samenwoont of de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt; het beroepsinkomen van een zelfstandige is datgene dat bedoeld wordt in artikel 11, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende de inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, vermenigvuldigd met een breuk gelijk aan 100/80; en de toeslagen variëren naargelang de gezinsgrootte.
Er worden drie gezinsgroottes onderscheiden: het gezin met een enig kind, het gezin met twee rechtgevende kinderen en het gezin met drie of meer rechtgevende kinderen. De grootte is het resultaat van de hergroepering van de rechtgevende kinderen rond de bijslagtrekkende4In de zin van artikel 19 van de ordonnantie (vroegere artikel 69 AKBW).
Als er meerdere bijslagtrekkenden zijn, wordt de gezinsgrootte bepaald rond de verschillende bijslagtrekkenden volgens de cumulatieve voorwaarden bedoeld in artikel 11 a) en b) van de ordonnantie.
De grootte en het inkomen van het gezin bepalen de toepasselijke schaal.
3.2. Andere bijzonderheden
Artikel 8 van de ordonnantie voorziet in een wezentoeslag en maakt een onderscheid tussen het bedrag voor een kind van wie een van de ouders is overleden en het bedrag voor een kind van wie beide ouders overleden zijn of van wie de enige bekende ouder overleden is.
Daarnaast is de voorwaarde uit de AKBW waarbij de overlevende ouder niet hertrouwd mag zijn of geen feitelijk gezin mag vormen niet meer van toepassing. Een overlevende ouder die met een nieuwe partner gaat samenleven na 1 januari 2020 behoudt dus het recht op de wezentoeslag. Met andere woorden, de schaal 50bis van de AKBW toegekend op 31 december 2019 wordt niet stopgezet als de overlevende ouder trouwt of een feitelijk gezin vormt na 1 januari 2020.
De wezentoeslag bedoeld in artikel 8 van de ordonnantie kan worden gecombineerd metde sociale toeslag bedoeld in artikel 9 van de ordonnantie, indien aan de inkomensvoorwaarden is voldaan. Een gezin waarvan de overlevende ouder een nieuw gezin heeft gevormd vóór de inwerkingtreding van de ordonnantie kan, vanaf 1 januari 2020, dus recht hebben op de toeslagen bedoeld in zowel artikel 8 als 95In dat geval mag de sociale toeslag niet een eenoudergezin betreffen. van de ordonnantie.
Artikel 14 van de ordonnantie voorziet in een forfaitair bedrag als het kind in een instelling is geplaatst voor wie een derde van de kinderbijslag op een spaarrekening wordt gestort. Deze bepaling geldt voor alle betrokken kinderen. Voor deze situatie is overigens in geen enkele overgangsmaatregel voorzien. De ordonnantie is rechtstreeks van toepassing.
De jaarlijkse leeftijdstoeslag bedoeld in artikel 15 van de ordonnantie geldt ook voor alle kinderen, met inbegrip van de kinderen die het systeem van verworven rechten genieten. Enkel de in dat artikel bedoelde bedragen zijn verschuldigd vanaf de datum van inwerkingtreding van de ordonnantie. De in het kader van de AKBW vastgestelde jaarlijkse leeftijdstoeslag is dus niet meer van toepassing. Die bedragen zijn trouwens uitgesloten van de vergelijking van de bedragen tussen de nieuwe regeling en het systeem van verworven rechten.
4. Basisregels in het systeem van verworven rechten.
Er is een systeem van verworven rechten ingevoerd voor de Brusselse gezinnen die, voor de maand december 2019, recht hadden op een hogere kinderbijslag dan die waarop ze krachtens de ordonnantie recht zouden hebben gehad.
Het rechtgevende kind en de bijslagtrekkende moeten hun hoedanigheid ononderbroken behouden. Die voorwaarde geldt echter niet voor de rechthebbende: die stelt het recht vast en speelt enkel een rol bij de momentopname van december 2019. Men hoeft dus niet te weten of hij door het behoud van zijn socio-professionele situatie rechthebbende blijft. Hetzelfde geldt voor de aanvrager krachtens de GGB-wet waarbij het behoud van die hoedanigheid in de loop van de periode van de verworven rechten niet onderzocht wordt.
De rechtssituatie in december 2019 is dus essentieel om te bepalen of de nieuwe regeling van toepassing is.
Voorbeeld: een kind geboren op 28.12.2007 (12e verjaardag in december 2019) geniet in december 2019 geen verhoogde leeftijdstoeslag omdat het een gebeurtenis betreft die een wijziging van de kinderbijslag tot gevolg heeft die krachtens artikel 48 AKBW maar op de volgende maand uitwerking heeft. Die gebeurtenis zal dus het bedrag van de kinderbijslag van december 2019 niet wijzigen. Daarentegen verzet artikel 28 van de ordonnantie zich niet tegen de uitbetaling, vanaf
1 januari 2020, van kinderbijslag voor een 12-jarig kind aangezien de gebeurtenis (de verjaardag) vóór 1 januari 2020 plaatsvond.
De krachtens de AKBW of de GGB-wet wettelijk verschuldigde (geïndexeerde) bedragen (buiten elke eventuele inhouding) voor december 2019 worden vergeleken met de bedragen die krachtens de ordonnantie vanaf 1 januari 2020 in de nieuwe regeling verschuldigd zijn.
Als het recht met betrekking tot december 2019, vanaf 1 januari 2020, moet worden herzien (positieve of negatieve regularisatie) moet de vergelijking van de bedragen voor/na de hervorming dus worden overgedaan.
Voorbeeld: Een gezin ontving gedurende maanden of zelfs jaren kinderbijslag in de nieuwe regeling en zijn recht van december 2019 moet worden herzien. Men zal moeten nagaan of het krachtens artikel 396Nieuw gegeven, administratieve fout, laattijdige ontvangst van een P7, herziening van de handicap van het rechtgevende kind, enz. niet opnieuw aanspraak kan maken op het systeem van verworven rechten.
Krachtens artikel 39 van de ordonnantie gebeurt de vergelijking van de rechten zolang de bijslagtrekkende en het rechtgevende kind die hoedanigheid behouden. (Zie supra.) Zo heeft elke verandering van bijslagtrekkende tot gevolg dat de nieuwe bijslagtrekkende voor de rechtgevende kinderen in de nieuwe regeling terechtkomt. Ook als een van de rechtgevende kinderen, opgevoed door de bijslagtrekkende in december 2019 niet meer in Brussel is gedomicilieerd of na zijn 18e geen student meer is, of de band met de bijslagtrekkende verliest, zelfs tijdelijk, komt het niet meer voor in het systeem van verworven rechten, wat ertoe kan leiden dat het gezin in de nieuwe regeling terechtkomt (zie infra).
De precieze regels voor de vergelijking tussen de twee systemen worden hierna in punt 6 uiteengezet.
Zodra is vastgesteld dat de kinderen krachtens artikel 39 van de ordonnantie onder het systeem van verworven rechten vallen, moeten de bepalingen van de AKBW en van de GGB-wet met betrekking tot de uitbetaling van de kinderbijslag worden toegepast om de aan het gezin toe te kennen bedragen te kunnen vergelijken, met dien verstande dat het behoud van de hoedanigheid van rechthebbende of aanvrager van gewaarborgde gezinsbijslag vanaf 1 januari 2020 niet meer wordt onderzocht.
Artikel 39, 4° van de ordonnantie bepaalt dat het aantal rechtgevende kinderen waarmee rekening wordt gehouden op 31 december 2019 en dat de krachtens de AKBW en de GGB-wet verschuldigde bedragen in geen geval kunnen verhogen.
Het aantal kinderen waarvoor artikel 42 van de AKBW wordt toegepast en het aantal kinderen dat wordt bepaald volgens de wet van 20 juli 1971 mag niet toenemen. In de praktijk betekent dit dat soms minder kinderen aanspraak zullen kunnen maken op het systeem van verworven rechten dan er kinderen zijn in het gezin.
Zo zal een gezin van 6 kinderen, waarvan een van de kinderen in december 2019 geen recht had omdat het kind nog niet geboren was of omdat er een onderbreking was van zijn recht, worden beschouwd als een gezin van 5 kinderen voor de verworven rechten, terwijl dit gezin in het nieuwe systeem 6 kinderen zal tellen.
Het verschuldigde bedrag (na indexering overeenkomstig artikel 76bis van de AKBW) voor de maand december 2019 is een maximale schaal die moet worden toegekend vanaf de inwerkingtreding van de ordonnantie.
In het systeem van de verworven rechten kunnen de toegekende bedragen bijgevolg alleen maar verminderen en nooit toenemen. Wanneer bijvoorbeeld in een gezin van 6 kinderen het oudste van de kinderen van rang 1 het gezin verlaat, zal de halvering van de leeftijdstoeslag van toepassing zijn op het kind van rang 2 dat rang 1 wordt voor de toepassing van de vergelijking bedoeld in artikel 39, tweede lid, 2°, van de ordonnantie.
Ander voorbeeld: een werkende alleenstaande moeder blijft in het systeem van verworven rechten en geniet de rechten krachtens artikel 41 van de AKBW. Ze kan geen recht verkrijgen op grond van artikel 50ter van de AKBW na een periode van 6 maanden ziekte. Het recht is begrensd tot de schaal die van toepassing was voor de maand december 2019.
De leeftijdstoeslagen worden bevroren in het systeem van verworven rechten. In die regeling worden de kinderen niet ouder. Wanneer bijvoorbeeld geen enkele leeftijdstoeslag werd toegekend in december 2019 zal dit kind achteraf bij de berekening van de verworven rechten geen leeftijdstoeslag kunnen genieten.
De in artikel 41 van de AKBW bedoelde schaal blijft toegekend zolang de bijslagtrekkende een eenoudergezin vormt, onverminderd de toepassing van het mechanisme van trimestrialisering.
In het systeem van verworven rechten bestaat er slechts één inkomstenbovengrens. De in de artikelen 42bis en 50ter van de AKBW bedoelde sociale toeslagen blijven toegekend zolang de jaarlijkse gezinsinkomsten niet hoger zijn dan 31.000 euro7Die voorwaarde is niet van toepassing op de rechthebbenden bedoeld in de artikelen 56quater en 56quinquies van de AKBW die voor december 2019 die sociale toeslagen ontvingen. .
Voorbeeld: de langdurig zieke alleenstaande moeder behoudt het recht op de in 50ter bedoelde schaal voor eenoudergezinnen wanneer ze opnieuw gaat werken en de jaarlijkse gezinsinkomsten nog altijd lager zijn dan 31.000 euro.
De toeslag voor een kind met een aandoening is begrensd tot het bedrag waarop het recht had in december 2019, rekening houdende met een eventuele latere herziening van een periode die de maand december 2019 omvat.
Voorbeeld: wanneer het kind naar aanleiding van een ambtshalve herziening in een hogere puntenschaal wordt geëvalueerd, zal deze nieuwe evaluatie enkel gelden in de nieuwe regeling, tenzij de ambtshalve herziening uitwerking heeft op een periode uit het verleden die de maand december 2019 omvat. Een erkenning die ingaat op 01.01.2020 heeft enkel uitwerking in de nieuwe regeling.
De artikelen 48 en 54, §4 van de AKBW blijven van toepassing voor de toekenning van de in artikel 41, 42bis en 50ter van de AKBW bedoelde schalen zolang het systeem van verworven rechten van toepassing is op een bepaald gezin. De overgang naar de nieuwe regeling kan erdoor worden vertraagd.
Voorbeeld: een moeder die haar kinderen alleen opvoedt en waarvan de gezinsinkomsten niet hoger liggen dan 31.000 euro geniet in december 2019 de in artikel 41 van de AKBW bedoelde eenoudertoeslag. Ze vormt op 15.05.2020 een feitelijk gezin. De in artikel 41 van de AKBW bedoelde schaal kan per kwartaal worden vastgesteld tot 30.09.2020 als het inkomen van de moeder nog steeds voldoet aan de voorwaarden in 2020.
Alle maatregelen voor het behoud in het systeem van verworven rechten zijn cumulatief.
5. Kinderen ouder dan 25 in artikel 63 van de AKBW
Krachtens artikel 26, tweede lid, van de ordonnantie behouden kinderen ouder dan 25 jaar hun recht op het bedrag van de kinderbijslag waar ze recht op hadden in december 2019. Met uitzondering van de indexering worden de toegekende bedragen voor deze begunstigden gehandhaafd binnen de voorwaarden bepaald door en krachtens artikel 63 van de AKBW. Deze kinderen worden zowel in het systeem van verworven rechten als in de nieuwe regeling meegerekend bij de berekening van de rechtgevende kinderen .
6. Basisregels voor de vergelijking tussen de twee regelingen
De maand december 2019 vormt de basis voor het verworven recht. De uit het recht voortvloeiende bedragen worden per bijslagtrekkende, natuurlijke persoon, vergeleken.
Daaruit volgt dat de bedragen van december 2019 voor elke bijslagtrekkende worden opgeteld en vergeleken met de nieuwe bedragen. Als het nieuwe bedrag minstens gelijk of voordeliger is zal het gezin definitief overstappen naar de nieuwe regeling.
De eerste vergelijking betreft de rechten van de maand januari 2020.
Als een gezin in januari 2020 definitief recht heeft op een hoger bedrag in de nieuwe regeling zal het gezin definitief overstappen naar deze nieuwe regeling. Deze eerste beweging zal invloed hebben op de betalingen van 8 februari 2020. Een groot deel van de gezinnen zal dan de nieuwe gunstigere regeling genieten.
7. Toepassing in de praktijk
7.1. Recht in de maand december 2019
Hierna volgen een aantal voorbeelden om te illustreren hoe het mechanisme van de overgangsmaatregelen in de praktijk werkt.
Een koppel met 2 kinderen: Miet (01.01.2016) en Griet (01.01.2006) in de gewone schaal. Voor de maand december 2019 heeft het gezin recht op 298,48 euro kinderbijslag. De jaarlijkse gezinsinkomsten moet worden beschouwd als hoger dan 45.000 euro. In de nieuwe regeling heeft het gezin vanaf 01.01.2020 recht op 290 euro. Het gezin blijft in het systeem van verworven rechten (artikel 39) omdat de nieuwe regeling niet voordeliger is.
Een koppel met 2 kinderen, Miet (01.01.2016) en Griet (01.01.2015) in de gewone schaal. Voor de maand december 2019 heeft het gezin recht op 273,07 euro kinderbijslag. De jaarlijkse gezinsinkomsten moet worden beschouwd als hoger dan 45.000 euro. In de nieuwe regeling zou het gezin vanaf 01.01.2020 recht hebben op 280 euro. Het gezin stapt definitief over naar de nieuwe regeling vanaf januari 2020.
Een koppel met 2 kinderen, Miet (01.12.2019) en Griet (01.01.2000), wiens vader langdurig ziek is, verkrijgt het recht op de schaal vermeld in artikel 50ter van de AKBW. De jaarlijkse gezinsinkomsten liggen lager dan 31.000 euro. Voor de maand december 2019 heeft het gezin recht op 265,39 euro kinderbijslag voor Griet. Miet is geboren in december en heeft dus pas vanaf januari 2020 recht op kinderbijslag. Ze komt dan ook niet in aanmerking voor het systeem van verworven rechten. Het gezin stapt vanaf 01.01.2020 over naar de nieuwe regeling en ontvangt
440 euro (150 euro + 140 euro basiskinderbijslag + 80 euro + 70 euro sociale toeslagen voor een gezin met 2 kinderen).
Opmerking! Was het kind geboren in november 2019 dan had het gezin de in artikel 39 bedoelde overgangsmaatregelen kunnen genieten en had het 472,89 euro ontvangen.
Een gezin met twee weeskinderen, Miet (01.01.2001) en Piet (01.01.2000), wiens vader is overleden en die bij de overlevende moeder wonen. Omdat we het inkomen van de moeder niet kennen, gaan we ervan uit dat de jaarlijkse gezinsinkomsten hoger liggen dan het grensbedrag van 45.000 euro. Voor de maand december 2019 had dit gezin recht op 865,38 euro. Dit bedrag is voordeliger dan het bedrag dat het gezin zou ontvangen in de nieuwe regeling (450 euro). Het gezin blijft dus in het systeem van verworven rechten krachtens artikel 39 van de ordonnantie. In januari 2020 ontvangt het kinderbijslagfonds het bericht dat voor Piet de 240 uren-norm is overschreden tijdens het laatste kwartaal 2019. De betaling voor december was dus niet correct. Er wordt in dit dossier een debet betekend voor het vierde kwartaal 2019. Piet heeft opnieuw recht op kinderbijslag vanaf januari 2020. Omdat Piet in december 2019 geen recht had op kinderbijslag kan met hem geen rekening worden gehouden in het systeem van verworven rechten. Daarom zal het gezin vanaf januari 2020 maandelijks een bedrag van 450 euro ontvangen in de nieuwe regeling.
Een gezin met weeskinderen, John (12.09.2014) en Paul (18.07.2016), waarvan de vader is overleden in april 2018, de overlevende moeder voedt alleen de twee kinderen op, vormde geen gezin en hertrouwde niet. Het jaarlijks gezinsinkomen is hoger dan 45.000 euro. Voor december 2019 heeft het gezin recht op 736,06 euro aan schaal 50bis van de AKBW. In de nieuwe regeling zou het gezin 420 euro krijgen. Het gezin blijft in de regeling van de verworven rechten.
Eind augustus 2020 vormt de moeder een gezin met een nieuwe partner. In weerwil daarvan behoudt ze de schaal 50bis van de AKBW omdat dit in december 2019 bepaalde bedrag voordeliger is dan dat van de nieuwe regeling.
Deze voorbeelden illustreren het mechanisme waarbij de rechten voor de maand december 2019 het referentiepunt vormen voor de initiële vergelijking. Om de vergelijking te maken is het van essentieel belang ervan uit te gaan dat wanneer een gezin overstapt naar de nieuwe regeling de overgang definitief is, tenzij een later feit noopt tot een herziening van de rechten voor december 2019.
7.2. Opvolging in het systeem van verworven rechten.
Afdeling 7.1 geeft toelichting bij de initiële vergelijking tussen de twee systemen. Na de eerst initiële vergelijking in januari 2020 blijft voor alle volgende maanden een verdere vergelijking tussen de twee bedragen noodzakelijk.
7.2.1. Factoren op het niveau van het kind
Voor de gezinnen die de in artikel 39 van de ordonnantie bedoelde overgangsmaatregelen genieten moet de vergelijking in punt 7.1 worden uitgevoerd vanaf januari 2020. Elke wijziging in de situatie van het kind kan ertoe leiden dat het toe te kennen bedrag even gunstig of voordeliger wordt in de nieuwe regeling ten opzichte van de geldende regeling van de AKBW of de GGB-wet.
7.2.1.1. Het leeftijdseffect in de nieuwe regeling
Op het niveau van het kind zullen de leeftijdstoeslagen voor kinderen die de verworven rechten genieten worden bevroren op de verschuldigde bedragen voor december 2019. Concreet gezien betekent dit dat wanneer een kind geen recht had op een leeftijdstoeslag in december 2019 er nooit een leeftijdstoeslag zal worden toegekend krachtens de verworven rechten. Bovendien zal het bedrag worden bevroren (maar wel geïndexeerd) wanneer de leeftijdstoeslag reeds is toegekend.
Het bedrag van de leeftijdstoeslag kan evenwel verminderen in het kader van de verworven rechten (een rang 2 wordt bijvoorbeeld een rang 1). In de nieuwe regeling kan de kinderbijslag worden vermeerderd met de leeftijdstoeslag wanneer het kind 12 jaar is en wanneer het hogere studies volgt. Dit betekent dat, in het kader van de transitie, een gezin kan overstappen naar de nieuwe regeling omdat een kind de leeftijd van 12 jaar bereikt of hogere studies volgt8Dit gebeurt automatisch, uitgezonderd voor enige rechtgevende kinderen die geen sociale toeslag, wezentoeslag of een toeslag voor een erkende aandoening kunnen genieten. .
Voorbeeld: een gezin dat bestaat uit een koppel met twee kinderen, Jérôme geboren op 04.06.2001 en Amélie geboren op 24.10.2002. Jérôme volgt geen hogere studies. De vader is werkloos en de moeder is zonder beroep. Het gezin ontvangt de in artikel 42bis bedoelde toeslag. Voor de maand december 2019 ontvangt het gezin een bedrag van 467,59 euro. Het gezin zou in de nieuwe regeling een maandelijks bedrag van 460 euro krijgen en blijft dus recht hebben op artikel 39 omdat de nieuwe regeling minder voordelig is.
Amélie wordt 18 op 24.10.2020. In dezelfde periode komt een P7-document binnen waarin melding wordt gemaakt van een inschrijving in het hoger onderwijs.
Alhoewel ze 18 is geworden kunnen de krachtens artikel 39 toegekende bedragen niet naar boven worden herzien omdat de kinderen niet ouder worden in het systeem van verworven rechten. Het bedrag blijft op 467,59 euro. In de nieuwe regeling moet 10 euro extra worden toegekend voor Amélie, die nu 18 is geworden en hogere studies volgt. Vanaf 01.11.2020 krijgt het gezin dus
470 euro in de nieuwe regeling. Op deze datum maakt het gezin de definitieve overstap naar de nieuwe regeling.
7.2.1.2. Herziening van het recht van het kind met een handicap (aantal punten)
Enkel in de nieuwe regeling wordt rekening gehouden met de erkenning van de handicap van een kind die plaatsvindt na 1 januari 2020 en geen aanleiding geeft tot een herziening van het recht voor december 2019. Zoals uitgelegd in de basisregels moet, voor bestaande erkenningen van vóór januari 2020, enkel rekening worden gehouden met de vroegere schaal in het systeem van verworven rechten voor de vergelijking met de nieuwe schaal in de nieuwe regeling. Dit element zal bewegingen veroorzaken tussen de verworven en de nieuwe rechten.
Voorbeeld 1.
Een gezin bestaat uit een koppel met twee kinderen, Jérôme geboren op 04.06.2011 en Amélie geboren op 24.10.2014. De ouders oefenen beide een beroep uit. Voor de maand december ontvangt het gezin een bedrag van 289,76 euro. In de nieuwe regeling zou het gezin maandelijks 280 euro ontvangen als de jaarlijkse gezinsinkomsten lager zijn dan 45.000 euro. Het gezin blijft recht hebben op artikel 39 omdat de nieuwe regeling minder voordelig is.
Op 12.04.2020 krijgt het kinderbijslagfonds te horen dat Jérôme sedert 01.02.2020 erkend is als kind met een aandoening van 6 tot 8 punten (< 4 in de eerste pijler). Het krachtens artikel 39 toegekende bedrag kan niet naar boven worden herzien. En blijft dus op 289,76 euro. In het nieuwe systeem moet echter overeenkomstig de graad van de aandoening van Jérôme een toeslag van 111,89 euro worden toegekend.
Vanaf 01.03.2020 loopt het bedrag dus op tot 391,89 euro. Op deze datum maakt het gezin de definitieve overstap naar de nieuwe regeling.
Voorbeeld 2.
Een gezin bestaat uit een koppel met drie kinderen: Jérôme (geboren op 04.06.2014), Amélie (geboren op 24.10.2015) en Julie (geboren op 08.08.2017). De ouders oefenen allebei een beroepsactiviteit uit. Sinds zijn geboorte lijdt Jérôme aan een handicap van 6 tot 8 punten
(< 4 Pijler 1) die erkend is tot 31.03.2020. Voor december 2019 ontvangt het gezin 649,63 euro. In de nieuwe regeling zou het gezin 531,89 euro ontvangen als het jaarlijks gezinsinkomen meer dan 45.000 euro bedraagt. Het gezin blijft recht hebben op artikel 39 omdat de nieuwe regeling minder voordelig is.
De handicap van Jérôme wordt met ingang van 01.04.2020 herzien van 6-8 naar 9-11 punten, hetgeen correspondeert met een hogere toeslag. Het krachtens artikel 39 toegekende bedrag kan niet naar boven worden herzien. Het blijft dus geblokkeerd op 649,63 euro. In de nieuwe regeling verhoogt de toeslag voor de aandoening van Jérôme echter van 111,89 euro naar 261,1 euro en bedraagt het totaalbedrag van de kinderbijslag bijgevolg 681,1 EUR vanaf 01.04.2020. Vanaf die datum gaat het gezin definitief over naar de nieuwe regeling.
Voorbeeld 3.
Een gezin bestaat uit een koppel met een kind, Charlie, geboren op 05.06.2000. De beide ouders werken en het jaarlijks gezinsinkomen ligt hoger dan 45.000 euro. Charlie volgt hoger onderwijs maar kreeg een erkenning van een aandoening van 6 tot 8 punten (< 4 Pijler 1) tot 30.09.2019, de datum vanaf wanneer het fonds een ambtshalve herziening heeft gevraagd. In december 2019 was er nog geen antwoord ontvangen en bedraagt het toegekende bedrag 125,09 euro. In de nieuwe regeling zou het gezin maandelijks 140 euro ontvangen (enig kind). Het valt dus onder de nieuwe regeling.
In maart 2020 ontvangt het fonds een flux waaruit blijkt dat de aandoening van 6 tot 8 punten van Charlie vanaf 01.10.2019 aanhoudt.
Uit de herberekening van de kinderbijslag voor december blijkt dat, op basis van artikel 39, de oude regeling voordeliger is dan de nieuwe regeling : 272,35 euro tegen 271,89 euro. Het gezin behoudt dus sinds 01.01.2020 zijn verworven recht en ontvangt 272,35 euro.
7.2.1.3.Nieuwe kinderen in het gezin
De kinderen die er in een nieuw gezin bijkomen en voor wie er in december 2019 geen enkel recht was kunnen voor de berekening van het bedrag alleen in de nieuwe regeling in aanmerking worden genomen. Doorgaans betekent dat in de praktijk dat een gezin in het systeem van verworven rechten met een nieuw kind meestal onder de nieuwe regeling zal vallen.
De volgende voorbeelden illustreren dergelijke situaties.
Voorbeeld 1.
Een gezin bestaat uit een koppel met een kind, Naira, geboren in 2014. De vader is invalide en de moeder is zonder beroepsactiviteit. Het jaarlijks gezinsinkomen bedraagt minder dan 31.000 euro. Voor december 2019 ontvangt het gezin 200,74 euro. In de nieuwe regeling zou het gezin maandelijks 180 euro kinderbijslag ontvangen. Het gezin blijft recht hebben op artikel 39 omdat de nieuwe regeling minder voordelig is.
Op 12.05.2020 breidt met de geboorte van Jade het gezin uit. Het krachtens artikel 39 toegekende bedrag kan niet naar boven worden herzien. Het blijft dus vastgesteld op 200,74 euro.
Maar in de nieuwe regeling wordt wel rekening gehouden met de geboorte van Jade; vanaf 01.06.2020 is er dus een bedrag 430 euro verschuldigd. Op die datum valt het gezin definitief onder de nieuwe regeling.
Voorbeeld 2.
Een gezin bestaat uit een koppel met 4 kinderen, geboren op 15.05.2012, 03.06.2014, 10.03.2016 en 29.09.2017. Beide ouders werken en het jaarlijks gezinsinkomen bedraagt meer dan 45.000 euro. Voor december 2019 ontvangt het gezin 819,10 euro (gewone schaal). In de nieuwe regeling zou het gezin maandelijks 560 euro ontvangen. Het gezin blijft recht hebben op artikel 39 omdat de nieuwe regeling minder voordelig is.
Op 12.05.2020 breidt met de geboorte van een vijfde kind het gezin uit.
Het krachtens artikel 39 toegekende bedrag kan niet naar boven worden herzien: het blijft dus vastgesteld op 819,1 euro. In de nieuwe regeling wordt echter wel rekening gehouden met de geboorte van het vijfde kind om het bedrag te berekenen. Dat bedraagt nu 710 euro. Aangezien het krachtens artikel 39 toegekende bedrag nog altijd voordeliger is, blijft het gezin vanaf 01.06.2020 een bedrag van 819,10 euro ontvangen.
Voorbeeld 3.
Een gezin bestaat uit een alleenstaande invalide moeder met haar kind Julia, geboren in augustus 2002. Het jaarlijks gezinsinkomen bedraagt minder dan 31.000 euro. Voor december 2019 ontvangt het gezin 251,59 euro. In de nieuwe regeling zou het gezin maandelijks 200 euro ontvangen. Het gezin blijft recht hebben op artikel 39 omdat de nieuwe regeling minder voordelig is.
Martin, geboren op 08.02.2000, de oudere broer van Julia, woont sinds 15.03.2020 bij zijn moeder. Voordien woonde hij bij zijn vader in Wallonië. Hij volgt hoger onderwijs.
Het krachtens artikel 39 toegekende bedrag kan niet naar boven worden herzien. Het blijft dus vastgesteld op 251,59 euro. In de nieuwe regeling daarentegen wordt voor de berekening van het bedrag ermee rekening gehouden dat Martin deel uitmaakt van het gezin van zijn moeder,
of 490 euro vanaf 01.04.2020. Op die datum valt het gezin definitief onder de nieuwe regeling.
Voorbeeld 4.
Een gezin bestaat uit een koppel met vier kinderen, Lulu (12.05.1998), de tweeling Marie en Sam (18.08.2010) en Luc (23.04.2015). Lulu volgt hoger onderwijs. De ouders werken. Het jaarlijks gezinsinkomen bedraagt meer dan 45 000 euro. Er is recht op kinderbijslag aan de gewone schaal. Voor december 2019 ontvangt het gezin 898,26 euro kinderbijslag. In de nieuwe regeling zou het gezin maandelijks 580 euro ontvangen. Het gezin blijft dus recht hebben op de bedragen krachtens artikel 39 omdat de nieuwe regeling minder voordelig is.
Als het koppel op 15.03.2021 een drieling heeft, Louis, Janine en Odette, kan het aantal gegroepeerde kinderen krachtens artikel 42 AKBW op de momentopname van december 2019 niet verhogen. Door toepassing van de nieuwe regeling krijgt men een bedrag van 1.030 euro. Het gezin zal dus het bedrag van de nieuwe regeling ontvangen.
Als het koppel op 15.03.2021 een kind krijgt, Louis, kan het aantal gegroepeerde kinderen krachtens artikel 42 AKBW niet verhogen. De nieuwe regeling voorziet in 730 euro. Het gezin zal dus het krachtens artikel 39 verschuldigde bedrag blijven ontvangen.
7.2.1.4. Behoud van de hoedanigheid van het rechtgevende kind.
De onderbreking van het recht van een van de kinderen is een van de beslissende factoren voor de overgang naar de nieuwe regeling. Zodra een kind gedurende een maand geen recht op kinderbijslag heeft, verdwijnt voor dat kind het voordeel van artikel 39, zelfs als het kind daarna opnieuw recht heeft op kinderbijslag.
Concreet betekent dat voor de kinderen die onder het systeem van verworven rechten vallen dat ze vanaf december 2019 een ononderbroken recht op kinderbijslag moeten behouden om als zodanig in het systeem van verworven rechten te blijven.
Als het recht voor een kind wordt onderbroken9Opschorting of einde van het recht (het kind verlaat het gezin of is niet langer rechtgevend of is overleden). komt het niet meer voor in de vergelijking voor de AKBW- of GGB-regeling, wat dikwijls tot de definitieve overgang van het systeem van verworven rechten naar de nieuwe regeling leidt.
Voorbeeld 1.
Een gezin bestaat uit een koppel met drie kinderen, Sam (01.02.2000), Chris (01.03.2002) en Marie (01.03.2003). Sam volgt hoger onderwijs. De ouders werken. Het jaarlijks gezinsinkomen bedraagt meer dan 45 000 euro. Voor december 2019 ontvangt het gezin 668,75 euro (gewone schaal). In de nieuwe regeling zou het gezin vanaf 01.01.2020 maandelijks 460 euro ontvangen. Het gezin blijft dus recht hebben op de bedragen krachtens artikel 39 omdat de nieuwe regeling minder voordelig is.
Sam en Chris zetten hun studies in september 2020 stop. Het gezin zal dus de bedragen van de nieuwe regeling ontvangen (140 euro) omdat de nieuwe regeling voordeliger is.
Chris hervat op 05.12.2020 zijn studies / schrijft zich laattijdig in als werkzoekende. Het gezin zal de bedragen van de nieuwe regeling blijven genieten (310 euro).
Voorbeeld 2.
Een gezin bestaat uit een koppel met twee kinderen, Sam (01.02.2000) en Chris (01.03.2002). Sam volgt hoger onderwijs. Het jaarlijks gezinsinkomen bedraagt meer dan 45 000 euro. Voor december 2019 ontvangt het gezin 353,22 euro (gewone schaal). In de nieuwe regeling zou het gezin vanaf 01.01.2020 maandelijks 310 euro ontvangen. Het gezin zal dus de bedragen krachtens artikel 39 ontvangen omdat de nieuwe regeling minder voordelig is.
Sam werkt in de loop van het tweede kwartaal van 2020 meer dan 240 u/kwartaal. Bijgevolg wordt de uitbetaling van de kinderbijslag in dat kwartaal opgeschort. Het gezin zal dus de bedragen van de nieuwe regeling ontvangen (140 euro) omdat de nieuwe regeling voordeliger is.
Sam wint op 01.07.2020 zijn recht op kinderbijslag terug. Het gezin zal de bedragen van de nieuwe regeling blijven genieten (310 euro).
Voorbeeld 3.
Een gezin bestaat uit een moeder en haar kind, Nathalie (10.01.2002). De moeder werkt. Het jaarlijks gezinsinkomen overschrijdt de grens van 45.000 euro. Voor december 2019 ontvangt het gezin 121,21 euro (gewone schaal). In de nieuwe regeling zou het gezin vanaf 01.01.2020 maandelijks 140 euro ontvangen. Het gezin zal dus de bedragen van de nieuwe regeling ontvangen omdat de nieuwe regeling voordeliger is.
Op 03.03.2020 wordt het fonds via een flux ervan ingelicht dat een tweede kind, Jean (geboren op 10.01.2005) in het gezin is ingeschreven, met uitwerking op 01.11.2019. Het gezin zal dus de bedragen krachtens artikel 39 blijven ontvangen (349,34 euro) omdat de nieuwe regeling minder voordelig is.
7.2.1.5. Geval van een geplaatst kind
Het gezin bestaat uit de loontrekkende ouders, Myriam en Julien, en hun vier kinderen, Charly geboren op 12.05.2012, Achille geboren op 22.06.2014, Julia geboren op 12.01.2017 en Line geboren op 28.08.2019. In december 2019 ontvangt Myriam 819,10 euro. In de nieuwe regeling bedraagt de bijslag 560 euro (als het jaarlijkse gezinsinkomen hoger ligt dan 45.000 euro). Het gezin blijft recht hebben op het voordeliger bedrag krachtens artikel 39.
Charly is sinds 18.05.2020 in een instelling geplaatst; het derde wordt aan zijn moeder betaald. Myriam zal na toepassing van de evenredige verdeling op basis van vier kinderen krachtens artikel 39, 674,23 euro ontvangen. De nieuwe regeling kent haar een bedrag toe van 466,66 euro. Het krachtens artikel 39 verschuldigde bedrag blijft nog steeds voordeliger.
Op 18.09.2020 mag Charly de instelling verlaten. Het rechtgevende kind en de bijslagtrekkende hebben ononderbroken hun hoedanigheid behouden en het gezin bleef in de oude regeling. Het bedrag dat moet worden uitbetaald in het systeem van verworven rechten neer op het aan de bijslagtrekkende toegekende bedrag vóór hij in de instelling werd geplaatst, hetzij 819 euro (momentopname van de maand december 2019). In de nieuwe regeling zou ze recht hebben op 560 euro. Het gezin blijft recht hebben op artikel 39.
7.2.2. Factoren op het niveau van de samenstelling van het gezin
Voor een eenoudergezin (MONO) dat verandert in een gezin met minstens twee samenwonenden (DUO) kan het verlies van de eenoudertoeslag, na vergelijking van de twee regelingen, leiden tot de overstap naar de nieuwe regeling (onder voorbehoud van de toepassing van artikel 54).
Bovendien, bijvoorbeeld in geval van een echtscheiding, is het mogelijk dat het gezin dat een eenoudergezin werd eveneens een mogelijk recht kan laten gelden op een sociale toeslag, wat kan leiden tot de overstap van het systeem van verworven rechten naar de nieuwe regeling.
7.2.2.1.DUO-MONO-gezinnen
Scheiding
Voorbeeld 1.
Een gezin bestaande uit een koppel met drie kinderen, Sam (10.05.2006), Chris (05.06.2014) en Marie (06.08.2018). Het jaarlijkse gezinsinkomen bedraagt meer dan 45.000 euro. Voor de maand december 2019 krijgt het gezin een bedrag van 563,15 euro (gewone schaal). In de nieuwe regeling zou het gezin vanaf 01.01.2020 maandelijks 430 euro ontvangen. Het gezin zal bijgevolg de krachtens artikel 39 verschuldigde bedragen genieten omdat de nieuwe regeling minder voordelig is.
Op 01.07.2020 verandert het beroepsstatuut van de moeder: dit heeft geen invloed op de oude regeling.
Op 01.08.2020 scheiden de ouders. De alleenstaande moeder blijft bijslagtrekkende voor de drie kinderen. Onder voorbehoud van haar inkomsten zou ze in de oude regeling krachtens artikel 41 van de AKBW aanspraak kunnen maken op de eenoudertoeslag. Omdat de uitkering die ze ontving op 31.12.2019 echter niet kan stijgen blijft dit bedrag geblokkeerd in de gewone schaal in het systeem van verworven rechten.
Wanneer de jaarlijkse gezinsinkomsten echter minder bedragen dan 31.000 euro zou ze de in de nieuwe regeling voorziene sociale toeslagen kunnen genieten, waardoor het gezin zou overstappen naar de nieuwe regeling (in dit geval zou de kinderbijslag 830 euro bedragen).
Voorbeeld 2.
De ouders wonen samen en voeden samen hun vier kinderen op, Lulu (12.05.1998), de tweeling Marie en Sam (18.08.2010) en Luc (23.04.2015). Het gezinsinkomen bedraagt meer dan
45.000 euro. Voor december 2019 krijgt het gezin 898,26 euro (gewone schaal). In de nieuwe regeling zou het gezin vanaf 01.01.2020 maandelijks 570 euro ontvangen. Het gezin geniet bijgevolg de krachtens artikel 39 verschuldigde bedragen omdat de nieuwe regeling minder voordelig is.
Het koppel scheidt op 02.04.2020. De vader wordt bijslagtrekkende voor 3 kinderen en de moeder blijft bijslagtrekkende voor de het jongste kind. De moeder die op 31.12.2019 bijslagtrekkende was krijgt een uitkering volgens de nieuwe regeling (140 euro), die voordeliger is dan het systeem van de verworven rechten voor dit kind (95,80 euro), onder voorbehoud van het recht op een sociale toeslag.
De vader zal automatisch de in de nieuwe regeling voorziene bedrage ontvangen (430 euro) omdat hij op 31.12.2019 geen bijslagtrekkende was.
Op 10.10.2020 vormt het koppel opnieuw een gezin. Omdat de 2 bijslagtrekkenden in de nieuwe regeling zitten kunnen ze niet terug naar de oude regeling.
Voorbeeld 3.
Zelfde situatie, maar bij de scheiding wordt de vader bijslagtrekkende voor het oudste en het jongste kind. De moeder blijft bijslagtrekkende voor de tweeling. De moeder die bijslagtrekkende was op 31.12.2019 behoudt haar verworven rechten met een bedrag van 323,04 euro, voordeliger dan de nieuwe regeling die 280 euro biedt.
De vader krijgt automatisch de bedragen bepaald in de nieuwe regeling (290 euro), omdat hij geen bijslagtrekkende is op 31.12.2019.
Het koppel vormt een nieuw gezin op 10.10.2020. De moeder wordt dus weer enige bijslagtrekkende vanaf 1.11.2020. De vergelijking wordt gemaakt tussen het bedrag van de verworven rechten voor twee kinderen (323,04 euro) en de nieuwe regeling voor vier kinderen
(570 euro). Het gezin gaat over naar de nieuwe regeling.
Voorbeeld 4.
Zelfde situatie, maar bij de scheiding blijft de moeder bijslagtrekkende voor het oudste kind en de tweeling. De vader wordt bijslagtrekkende voor het jongste kind.
De moeder krijgt 633,59 euro in artikel 39 tegen 430 EUR in de nieuwe regeling, blijft dus in verworven rechten.
De vader gaat echter over naar de nieuwe regeling (140 euro), omdat hij voordien geen bijslagtrekkende was.
Nadat het koppel weer een gezin vormde in oktober 2020, wordt de moeder weer de enige bijslagtrekkende vanaf 1.11.2020. De vergelijking wordt gemaakt tussen het bedrag van
633,59 euro in verworven rechten voor drie kinderen en het bedrag bepaald voor vier rechtgevende kinderen in de nieuwe regeling, namelijk 570 euro. Het gezin blijft in verworven rechten.
Samenwoning - Feitelijk gezin
Voorbeeld.
Een bezoldigde moeder woont samen met haar kind Max (01.02.2000) dat geen hogere studies volgt. Op 31.12.2019 ontvangt ze een eenoudertoeslag. Het jaarlijkse gezinsinkomen bedraagt minder dan 31.000 euro. Voor de maand december 2019 krijgt het gezin 209,23 euro. In de nieuwe regeling zou het gezin vanaf 01.01.2020 maandelijks 200 euro ontvangen. Het gezin geniet bijgevolg de krachtens artikel 39 verschuldigde bedragen omdat de nieuwe regeling minder voordelig is.
Op 01.05.2020 vormt ze een gezin met iemand die geen inkomen heeft. De eenoudertoeslag wordt niet langer toegekend. Wanneer we het bedrag van 125,09 euro dat het gezin zou ontvangen in het systeem van verworven rechten (onder voorbehoud van de trimestrialisering) vergelijken met het bedrag van 200 euro in de nieuwe regeling, blijkt de nieuwe regeling het voordeligst.
Groepering
De AKBW hergroepeert alle kinderen rond de bijslagtrekkende of rond de verschillende bijslagtrekkenden in geval van groepering. Hetzelfde geldt voor de ordonnantie. Voor de berekening van het aantal kinderen in gegroepeerde gezinnen, waarbij sommigen onder de nieuwe regeling en anderen onder het systeem van verworven rechten vallen, mag het aantal kinderen dat onder het systeem van verworven rechten valt echter niet toenemen. Er kan een (andere) groepering komen van het gezin dat is overgestapt en de groepering kan enkel plaatsvinden voor het bepalen van de gezinsgrootte in de nieuwe regeling.
Voorbeeld.
Een bijslagtrekkende moeder (bijslagtrekkende 1) woont samen met haar vier kinderen, Max (01.02.2000), Liam (01.03.2002), Helen (01.03.2007) en Laurent (01.03.2009). Max volgt hoger onderwijs. Het jaarlijkse gezinsinkomen bedraagt meer dan 45.000 euro. Voor de maand december 2019 krijgt het gezin een bedrag van 966,70 euro. In de nieuwe regeling zou het gezin vanaf 01.01.2020 maandelijks 600 euro ontvangen. Het gezin geniet bijgevolg de krachtens artikel 39 verschuldigde bedragen omdat de nieuwe regeling minder voordelig is.
Op 01.06.2021 gaat ze officieel samenwonen met haar zuster (bijslagtrekkende 2) die in de nieuwe regeling 140 euro kinderbijslag ontvangt voor haar dochter Amanda (01.02.2004). Het jaarlijkse gezinsinkomen bedraagt meer dan 45.000 euro.
De krachtens artikel 42 van de AKBW uitgevoerde groepering kan niet worden herberekend in de oude regeling. Bijslagtrekkende 1 blijft recht hebben op 966,70 euro kinderbijslag.
Voor bijslagtrekkende 2 wordt rekening gehouden met de kinderen van bijslagtrekkende 1 en stijgt het basisbedrag van 140 euro naar 150 euro (stijging doordat ze nu in de schaal vallen voor gezinnen met meer dan één kind).
7.2.3.Wijziging van de bijslagtrekkende
Door tal van wijzigingen in de samenstelling van het gezin op het niveau van de ouders kan het gezin in de nieuwe regeling terechtkomen. Artikel 39 bepaalt dat het systeem van verworven rechten eindigt wanneer er een wijziging is van de bijslagtrekkende.
Voorbeeld 1.
Sonia voedt haar twee kinderen alleen op. John is geboren op 12.09.2014 en Paul op 18.07.2016. Beide kinderen zijn vaderloze wezen sedert april 2018. De overlevende ouder vormt geen gezin en oefent een deeltijdse winstgevende activiteit uit. In december 2019 ontvangt ze 736,06 euro kinderbijslag. Ze blijft het verworven recht genieten krachtens artikel 39 omdat ze in de nieuwe regeling 420 euro krijgt.
Eind februari 2020 vertrouwt ze haar twee kinderen voor enkele maanden toe aan haar zuster Louisa (DUO).
Eind augustus 2020 trekken John en Paul terug in bij hun moeder.
In maart 2020 verliest Sonia de hoedanigheid van bijslagtrekkende en haar verworven recht eindigt voorgoed. In de nieuwe regeling geniet haar zuster Louisa vanaf 01.03.2020 kinderbijslag voor de twee weeskinderen (het bedrag wordt bepaald in functie van het jaarlijkse gezinsinkomen: 560 euro indien inkomen minder dan 31.000 euro - 470 euro indien minder dan 45.000 euro of 420 euro indien meer dan 45.000 euro).
Vanaf september 2020 wonen de kinderen terug bij Sonia en is ze opnieuw bijslagtrekkende.
Door de wijziging van bijslagtrekkende zijn enkel de bedragen van de nieuwe regeling toepasbaar op Sonia. Het bedrag wordt bepaald in functie van het jaarlijkse gezinsinkomen: 560 euro indien inkomen minder dan 31.000 euro - 470 euro indien minder dan 45.000 euro of 420 euro indien meer dan 45.000 euro).
7.2.4.Twee bijslagtrekkenden
Om de rang van een kind in het systeem van verworven rechten te bepalen, wordt uitsluitend rekening gehouden met de kinderen die hiervoor in aanmerking genomen werden voor de bepaling van het recht op kinderbijslag voor de maand december 2019. De rangorde blijft ongewijzigd zolang de kinderbijslag voor de kinderen uit deze oorspronkelijke groepering zonder onderbreking aan de toenmalige bijslagtrekkende(n) toegekend wordt in toepassing van de ordonnantie van 25 april 2019, en deze bijslagtrekkenden zonder onderbreking voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 42 AKBW. Het is hierbij van geen tel of de kinderbijslag voor deze kinderen zelf toegekend wordt met toepassing van artikel 39 van de ordonnantie.
De rangorde wordt bijgevolg herzien:
- indien de bijslagtrekkenden voor ten minste één maand niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 42 AKBW
- indien de kinderbijslag voor een kind uit de oorspronkelijke groepering voor ten minste één maand niet verschuldigd is in toepassing van de ordonnantie van 25 april 2019
- indien de kinderbijslag voor een kind uit de oorspronkelijke groepering voor ten minste één maand verschuldigd is aan een andere persoon dan de bijslagtrekkende voor de maand december 2019
Elke herziening van de rangorde is definitief. De oorspronkelijke rangen worden dus niet hersteld als de hiervoor vermelde voorwaarden na een onderbreking opnieuw vervuld zijn.
Voorbeeld.
Een gezin bestaat uit 2 bijslagtrekkenden en 6 kinderen. Agnès is bijslagtrekkende voor drie rechtgevende kinderen. Het eerste is geboren op 10.02.1998 (hoger onderwijs), het tweede op 08.07.2003 en het derde op 31.05.2008. Het jaarlijks gezinsinkomen bedraagt meer dan
45.000 euro.
Robert is bijslagtrekkende voor drie rechtgevende kinderen. Het eerste is geboren op 15.10.1999 (hoger onderwijs), het tweede op 30.03.2002 en het derde op 24.04.2005. Het jaarlijks gezinsinkomen bedraagt meer dan 45.000 euro.
Agnès ontvangt, in de volgorde van de geboorten, kinderbijslag voor een eerste en twee derde rangen. Robert ontvangt kinderbijslag voor een tweede en twee derde rangen.
Op 31.12.2019 zou Agnès in het systeem van verworven rechten recht hebben op 738,57 euro en op 450 euro in de nieuwe regeling van de ordonnantie.
Robert zou in het systeem van verworven rechten recht hebben op 872,77 euro en op 460 euro in de nieuwe regeling van de ordonnantie.
De bijslagtrekkenden Agnès en Robert blijven in het systeem van verworven rechten.
Op 10.10.2020 heeft het oudste kind van Agnès geen recht meer op kinderbijslag.
In het systeem van verworven rechten, en rekening houdend met de kinderen van Robert, ontvangt Agnès het equivalent van de twee derde rangen, hetzij 613,48 euro (opgelet: het kind geboren op 31.05.2008 van Agnes kan niet “verouderen” en de leeftijdstoeslag van meer dan 12 jaar krijgen).
Robert krijgt een eerste, tweede en derde rang, hetzij 668,75 euro (opgelet: het kind geboren op 30.03.2002 van Robert kan niet “verouderen” en een leeftijdstoeslag van meer dan 18 jaar krijgen).
In de nieuwe regeling ontvangt Agnès 300 euro kinderbijslag en Robert ontvangt er 460 euro. Zij blijven de verworven rechten genieten.
In november 2020 herwint het oudste kind van Agnès zijn kinderbijslag en vertrekt het tweede kind geboren op 30.03.2002 van Robert naar het buitenland. De bijslagtrekkende Robert heeft het equivalent van een eerste rang en van een derde rang, hetzij 440,62 euro (het tweede kind in de volgorde van de geboorten heeft het gezin verlaten).
Aangezien het oudste kind in het systeem van verworven rechten zijn rang niet kan terugkrijgen, kan de bijslagtrekkende Agnès enkel een tweede en een derde rang genieten, hetzij 526,08 euro.
Volgens de ordonnantie ontvangt Agnès voor haar drie kinderen 460 euro, en ontvangt Robert voor zijn twee nog rechtgevende kinderen 310 euro.
Agnès en Robert blijven in het systeem van verworven rechten.
Eind november 2020 komt een kind van Robert, dat tot dan in het buitenland verbleef, terug in het gezin. Dat kind is geboren op 17.06.2004. Die gebeurtenis heeft geen enkele invloed op de bedragen in de verworven rechten.
Agnès behoudt in het systeem van verworven rechten het voordeel van 526,08 euro.
Robert heeft in het systeem van verworven rechten recht op 440,62 euro.
Volgens de ordonnantie hebben Agnès en Robert nu allebei recht op 460 euro.
Agnès blijft in het systeem van verworven rechten. Robert komt echter in de nieuwe regeling van de ordonnantie terecht.
7.2.5.Terugkantelprincipe
De gegeven voorbeelden illustreren dat het gezin al of niet onder de nieuwe regeling valt, onder andere naargelang het jaarlijkse gezinsinkomen, en volgens de op dat moment beschikbare informatie.
Als gevolg van een gewijzigd element van het dossier moet de situatie van december 2019 soms worden herzien. Elementen die aan de basis liggen van een dergelijke herziening zijn onder andere de ontvangst van een fiscale flux (T10) en de erkenning van een handicap van het kind (zie voorbeeld in punt 4, pagina 5).
In dat geval wordt het initiële recht van december 2019 herzien, zoals uit de volgende voorbeelden blijkt. Het gebeurt dat een gezin onder de nieuwe regeling is gevallen terwijl de bijgewerkte gegevens aantonen dat, op basis van de herziene rechten van december 2019, het dossier de maatregel van artikel 39 geniet en op dat moment niet onder de nieuwe regeling viel.
Voorbeeld 1.
Een gezin bestaat uit een koppel met vier kinderen, Sam (10.05.2006), de tweeling Sacha en Chris (05.06.2014) en Marie (06.08.2018). De vader is langdurig werkloos en de moeder is zonder beroep. Het jaarlijks gezinsinkomen bedraagt minder dan 31.000 euro. Schaal 42bis wordt toegekend. Voor december 2019 heeft het gezin 942,89 euro kinderbijslag ontvangen. In de nieuwe regeling zou het gezin vanaf 01.01.2020 maandelijks 1.020 euro ontvangen. Het gezin zal dus de meer voordelige bedragen van de nieuwe regeling ontvangen.
In juli 2021 ontvangt het fonds de authentieke flux T010 (betreffende de inkomsten van 2019) waaruit blijkt dat de situatie van 2019 moet worden herzien.
De situatie van december 2019 wordt herberekend. Het gezin heeft recht op 827,82 euro. Als men dat bedrag vergelijkt met de 570 euro die in de nieuwe regeling kan worden toegekend, met een jaarlijks gezinsinkomen van meer dan 45.000 euro, kantelt het gezin van de nieuwe regeling terug naar het systeem van verworven rechten.
Ter illustratie van de impact van het in 2020 gekende jaarlijks gezinsinkomen, zouden de volgende opties mogelijk zijn:
- Als het jaarlijks gezinsinkomen minder dan 31.000 euro bedraagt, kent de nieuwe regeling 1.020 euro kinderbijslag toe (artikel 39 kent een kinderbijslag van 827,82 euro toe).
- Als het jaarlijks gezinsinkomen tussen 31.000 en 45.000 euro bedraagt, kent de nieuwe regeling 858,00 euro kinderbijslag toe (artikel 39 kent een kinderbijslag van 827,82 euro toe).
- Als het jaarlijks gezinsinkomen meer dan 45 000 euro bedraagt, kent artikel 39 een kinderbijslag van 827,82 euro toe (de nieuwe regeling kent 570 euro kinderbijslag toe).
Voorbeeld 2.
Een gezin bestaat uit een alleenstaande moeder met drie kinderen, Lulu (12.05.1998), Sam (18.08.2010) en Luc (23.04.2015). Lulu volgt hoger onderwijs. Het jaarlijks gezinsinkomen bedraagt minder dan 31.000 euro. Het gezin ontvangt de eenoudertoeslag. Voor december 2019 ontvangt het gezin 739,06 euro. In de nieuwe regeling zou het gezin vanaf 01.01.2020 maandelijks 840 euro ontvangen. Het gezin zal dus de meer voordelige bedragen van de nieuwe regeling ontvangen.
In juli 2021 ontvangt het fonds de authentieke flux T010 (betreffende de inkomsten van 2019) waaruit blijkt dat de situatie van 2019 moet worden herzien. Het fonds herberekent de momentopname van december 2019, hetzij 600,31 euro; vergeleken met het maandelijks bedrag van 440 euro in de nieuwe regeling valt het gezin, met een jaarlijks gezinsinkomen van meer dan 45.000 euro, onder het systeem van verworven rechten.
7.2.6.Principe van de laattijdige inkanteling
In het vorige punt wordt gezegd dat wegens de herziening van het recht van december 2019 het mogelijk is dat een gezin retroactief van de nieuwe regeling naar het systeem van verworven rechten overgaat. De omgekeerde situatie kan zich echter ook voordoen. In sommige gevallen zal de herziening van het recht van december 2019 ervoor zorgen dat men van het systeem van verworven rechten naar de nieuwe regeling overgaat. Dat heet dan een laattijdige kanteling.
Voorbeeld.
Een gezin bestaat uit een koppel met een kind, Soumaya, geboren op 12.05.1998. Het jaarlijks gezinsinkomen bedraagt minder dan 31.000 euro. Het gezin ontvangt een sociale toeslag 42bis AKBW. Voor december 2019 ontvangt het gezin 209,23 euro. In de nieuwe regeling zou het gezin vanaf 01.01.2020 maandelijks 200,00 euro ontvangen. Het gezin blijft het systeem van verworven rechten genieten omdat de nieuwe regeling minder voordelig is.
In juli 2021 ontvangt het fonds de authentieke flux T010 (betreffende de inkomsten van 2019) waaruit blijkt dat de situatie van 2019 moet worden herzien. Het jaarlijkse gezinsinkomen ligt tussen 31.000 en 45.000 euro. Het fonds herberekent de toestand van de 2019, hetzij 125,09 euro; vergeleken met wat vanaf 01.01.2020 zou kunnen worden toegekend, namelijk 140 euro, kantelt het gezin dus, laattijdig, in de nieuwe regeling.
7.2.7.Trimestrialisering van de toeslagen bedoeld in de AKBW
Zoals hoger toegelicht, dooft het systeem van de verworven rechten onmiddellijk en definitief uit voor de betrokken bijslagtrekkende wanneer de berekening van de verworven rechten voor een bepaalde maand geen aanleiding geeft tot de toekenning van een hoger bedrag in vergelijking met hetgeen wordt bepaald door de artikelen 7 tot 13 van de ordonnantie.
Daarbij moet men er rekening mee houden dat indien een bijslagtrekkende voor een bepaalde maand niet voldoet aan de voorwaarden die in artikel 39 van de ordonnantie gesteld worden voor de verdere toekenning van het verworven recht op de toeslagen bedoeld in de artikelen 41, 42bis en 50ter AKBW10Bemerk dat de inkomensvoorwaarde bepaald in artikel 39, tweede lid, 7°, van de ordonnantie niet geldt voor de verworven rechten die gestoeld zijn op artikel 56quater of artikel 56quinquies AKBW., het recht op deze toeslagen eerst nog wordt uitgeput in toepassing van het principe van de trimestrialisering, bepaald in de artikelen 48 en 54 AKBW.
Voorbeeld 1.
Een gezin bestaat uit de moeder en haar enig kind, geboren op 24.01.2000. Het jaarlijks gezinsinkomen bedraagt minder dan 31.000 euro. Het kind volgt geen hoger onderwijs.
Voor december 2019 heeft de bijslagtrekkende recht op een bedrag van 209,23 euro. Deze som omvat naast het basisbedrag en de leeftijdsbijslag ook de toeslag voor eenoudergezinnen (artikel 41 AKBW). In toepassing van de nieuwe regeling maakt de bijslagtrekkende vanaf de maand januari 2020 aanspraak op een bedrag van 200 euro. De bijslagtrekkende kan dus in toepassing van artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019 genieten van het systeem van verworven rechten.
Op 25.02.2020 vormt de moeder een gezin met een partner die geen enkele professionele activiteit uitoefent. Het gezinsinkomen blijft bijgevolg onder het laagste grensbedrag.Deze wijziging in de gezinssituatie heeft tot gevolg dat het verworven recht op de eenoudertoeslag definitief uitdooft. In toepassing van artikel 54 AKBW kan het recht op deze toeslag evenwel uitgeput worden tot en met juni 2020. De kinderbijslag waarop de bijslagtrekkende aanspraak maakt in het systeem van de verworven recht, daalt bijgevolg pas vanaf de maand juli 2020 naar een bedrag van 125,09 euro. Het recht in toepassing van de nieuwe regeling bedraagt nog steeds 200 euro. Aangezien het systeem van verworven rechten niet langer aanleiding geeft tot de toekenning van een hoger bedrag, wordt de kinderbijslag vanaf de maand juli 2020 definitief toegekend in toepassing van de nieuwe regeling.
Voorbeeld 2.
Een gezin bestaat uit de moeder en haar enig kind, geboren op 24.01.2000.Het jaarlijks gezinsinkomen bedraagt minder dan 31.000 euro. Het kind volgt geen hoger onderwijs.
Voor december 2019 heeft de bijslagtrekkende recht op een bedrag van 209,23 euro. Deze som omvat naast het basisbedrag en de leeftijdsbijslag ook de toeslag voor eenoudergezinnen (artikel 41 AKBW). In toepassing van de nieuwe regeling maakt de bijslagtrekkende vanaf de maand januari 2020 aanspraak op een bedrag van 200 euro. De bijslagtrekkende kan dus in toepassing van artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019 genieten van het systeem van verworven rechten.
Op 25.02.2020 vormt de moeder een gezin met een partner die geen enkele professionele activiteit uitoefent. Het gezinsinkomen blijft bijgevolg onder het laagste grensbedrag. Die partner verlaat het gezin opnieuw op 28.05.2020. Het einde van de eenoudersituatie heeft tot gevolg dat het verworven recht op de eenoudertoeslag definitief uitdooft. Het gegeven dat de eenoudersituatie in de loop van de maand mei 2020 hersteld wordt, heeft hierop geen impact. In toepassing van artikel 54 AKBW kan het recht op deze toeslag evenwel uitgeput worden tot en met juni 2020. De kinderbijslag waarop de bijslagtrekkende aanspraak maakt in het systeem van de verworven recht, daalt bijgevolg vanaf de maand juli 2020 naar een bedrag van 125,09 euro. Het recht in toepassing van de nieuwe regeling bedraagt nog steeds 200 euro. Aangezien het systeem van verworven rechten niet langer aanleiding geeft tot de toekenning van een hoger bedrag, wordt de kinderbijslag vanaf de maand juli 2020 definitief toegekend in toepassing van de nieuwe regeling.
Voorbeeld 3.
Een gezin bestaat uit de moeder en haar enig kind geboren op 24.01.2000. Het jaarlijks gezinsinkomen bedraagt minder dan 31.000 euro. Het kind volgt geen hoger onderwijs. Voor december 2019 heeft de bijslagtrekkende recht op een bedrag van 209,23 euro. Deze som omvat naast het basisbedrag en de leeftijdsbijslag ook de toeslag voor eenoudergezinnen (artikel 41 AKBW). In toepassing van de nieuwe regeling maakt de bijslagtrekkende vanaf de maand januari 2020 aanspraak op een bedrag van 200 euro. De bijslagtrekkende kan dus in toepassing van artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019 genieten van het systeem van verworven rechten.
Op 25.02.2020 vormt de moeder een gezin met een partner die geen enkele professionele activiteit uitoefent. Het gezinsinkomen blijft bijgevolg onder het laagste grensbedrag.
Deze wijziging in de gezinssituatie heeft tot gevolg dat het verworven recht op de eenoudertoeslag definitief uitdooft. In toepassing van artikel 54 AKBW kan het recht op deze toeslag evenwel uitgeput worden tot en met juni 2020.
Op 20.03.2020 verlaat het enig kind het gezin van de moeder. Als gevolg hiervan wordt de kinderbijslag vanaf april 2020 niet langer aan haar toegekend. Vanaf 17.05.2020 maakt het kind opnieuw deel uit van het gezin van de moeder, waardoor de kinderbijslag vanaf de maand juni 2020 opnieuw aan haar toekomt. Deze onderbreking in de hoedanigheid van bijslagtrekkende betekent voor haar het definitieve einde van de toepassing van artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019. Het verworven recht op een bedrag van 209,23 euro, dat volgens het principe van de trimestrialisering uitgeput kon worden tot eind juni 2020, kan dus niet hernomen worden. De bijslagtrekkende heeft voor de maand juni in toepassing van de nieuwe regeling recht op een bedrag van 200 euro.
8. Inwerkingtreding
Deze circulaire treedt in werking op 01/01/2020, samen met de ordonnantie van 25 april 2019.
Met dank voor medewerking.
Hoogachtend.
Tania Dekens
leidend ambtenaar