CO GB 24 – 25 APRIL 2024 – Toepassing van de verordeningen 883/2004 en 987/2009 en export kraamgeld of adoptiebijslag op basis van de verordening 492/2011

Table of contents

CO GB 24

Betreft : Toepassing van de verordeningen 883/2004 en 987/2009 en export kraamgeld of adoptiebijslag op basis van de verordening 492/2011


INLEIDING

Deze omzendbrief geeft toelichting bij de coördinatie van de kinderbijslagstelsels op grond van de verordeningen 883/20041Verordening (EG) Nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, PB L 200 van 7 juni 2004 (hierna "Verordening 883/2004" genoemd). en 987/20092Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, PB L 284 van 30 oktober 2009 (hierna "Verordening 987/2009" genoemd). .

Deze verordeningen strekken er met name toe om het recht op vrij verkeer in de EU te waarborgen door belemmeringen te verhelpen die voortvloeien uit de toepassing van verschillende nationale socialezekerheidswetgevingen. Bijgevolg hebben de verordeningen enkel betrekking op situaties die gekenmerkt worden door een grensoverschrijdende band met meer dan een lidstaat.

Daartoe laten de verordeningen onder meer de export van het recht op kinderbijslag toe in hoofde van sociaal verzekerden ten behoeve van kinderen die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte (EER) of in Zwitserland wonen3Voor het territoriaal toepassingsgebied van de verordeningen 883/2004 en 987/2009, zie punt 4., en vermijden ze tegelijk het cumuleren van rechten in verschillende lidstaten, met naleving van de prioriteitsregels in kwestie4Zie artikel 67 en 68 van Verordening 883/2004 en overweging 15 en 35 van die verordening. .

In wat volgt wordt de toepassing van de verordeningen 883/2004 en 987/2009 toegelicht ten opzichte van de Brusselse kinderbijslagregelgeving, waarin het recht op kinderbijslag wordt toegekend aan het rechtgevend kind zelf op grond van zijn verblijfplaats in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Daarbij wordt ook de interactie toegelicht met het samenwerkingsakkoord van 6 september 20175Samenwerkingsakkoord van 6 september 2017 betreffende de aanknopingsfactoren, het beheer van de lasten van het verleden, de gegevensuitwisseling inzake de gezinsbijslagen en de praktische regels betreffende de bevoegdheidsoverdracht tussen de kinderbijslagfondsen, BS 26 januari 2018 (hierna "samenwerkingsakkoord" genoemd)..

Als bijlage 1 gaat een overzicht dat de toekenning van de Brusselse kinderbijslagprestaties onder de toepassing van verordening 883/2004 op schematische wijze weergeeft. In wat volgt wordt waar nodig naar deze bijlage verwezen.

Daarnaast wordt in punt 10 ook de export van het kraamgeld en de adoptiebijslag op grond van de verordening 492/20116Verordening (EU) Nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, Pb L 141/1 van 27 mei 2011 (hierna "Verordening 492/2011" genoemd). toegelicht.

Een inhoudstafel van deze omzendbrief vormt de bijlage 2.

Deze omzendbrief treedt onmiddellijk in werking en annuleert en vervangt de MO 583 van 6 oktober 2003, de MO 613 van 2 februari 2011 (uitgezonderd voor de toepassing van de CO 1423 van 1 januari 20197Zie punt 5.2 en 7.5 hieronder. ), de omzendbrief 1383 van 11 mei 2010 en de bijlagen ervan.
Voor verdere vragen kunt u contact opnemen met Iriscare via admin.ctrl@iriscare.brussels

1 ALGEMENE PRINCIPES

Hierna worden de algemene principes van de socialezekerheidsverordeningen kort toegelicht.

1.1 Rechtstreekse werking - hiërarchie der rechtsnormen

Het Unierecht wordt gekenmerkt door een supranationaal karakter dat gepaard gaat met de voorrang van het Unierecht ten opzichte van de nationaalrechtelijke bepalingen8Zie ook arrest HvJ 15 juli 1964, Costa v. Enel..

De Europese verordeningen hebben bovendien een rechtstreekse werking en zijn dus rechtstreeks toepasselijk en bindend in elke lidstaat, zonder bijkomende omzetting9Artikel 288 VWEU..

De lidstaten hoeven geen aanvullende maatregelen te nemen om de bindende elementen ervan om te zetten in hun nationaal recht.

Artikel 2 van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag10Ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag, BS 8 mei 2019, hierna ordonnantie van 25 april 2019 genoemd. herinnert aan deze principes.

In de praktijk uit de hiërarchie der rechtsnormen zich met name door de voorafgaandelijke toepassing van de verordeningen 883/2004 en 987/2009, gevolgd door het samenwerkingsakkoord en ten slotte de bepalingen van de deelentiteiten (ordonnanties, decreten, uitvoeringsbesluiten, enz.). zie ook bijlage 1.

Bijvoorbeeld: Artikel 4, 1°, van de ordonnantie van 25 april 2019 bepaalt dat enkel het kind met woonplaats in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad een recht op kinderbijslag kan openen. Artikel 67 van verordening 883/2004 zorgt ervoor dat deze internrechtelijke voorwaarde niet kan worden toegepast ten aanzien van het kind dat in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte (EER) of in Zwitserland woont en waarvoor de sociaal verzekerde in België een recht opent (zie infra, punt 6).

1.2 Noodzaak van een grensoverschrijdend element

Zoals aangegeven in de inleiding is de toepasselijkheid van Verordening 883/2004 intrinsiek verbonden met de uitoefening van het recht op vrij verkeer van personen in de Europese Unie.

Daaruit vloeit onder meer voort dat verordening 883/2004 niet van toepassing is op zuiver interne situaties die zich beperken tot één en dezelfde lidstaat11Cfr. arrest HvJ 1 april 2008, nr. C-212/06 m.b.t. de 'Vlaamse Zorgverzekering', punt 38..

Vanuit juridisch oogpunt bestaat het internationale karakter uit de vaststelling van een grensoverschrijdend element, dat voortvloeit uit een specifieke situatie die een band vaststelt met een of meer andere lidsta(a)t(en) van de Europese Economische Ruimte (EER) of Zwitserland. Het kan bijvoorbeeld gaan om:

  • de vaststelling van het recht op kinderbijslag voor de in Frankrijk opgevoede kinderen van de Nederlandse onderdaan die in Brussel tewerkgesteld is (vestigingseenheid) als werknemer;
  • het bepalen van de voorrang en de regeling van de samenloop wanneer de Duitse moeder van de kinderen in Brussel werkt (vestigingseenheid) als werknemer en de Portugese vader is tewerkgesteld als zelfstandige in Nederland.

1.3 Coördinatieprincipe

De fundamentele doelstelling van Verordening 883/2004 is de coördinatie van de verschillende socialezekerheidsstelsels in de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland. Daarbij is het niet de bedoeling om de nationale socialezekerheidsstelsels te uniformeren of te harmoniseren, noch om "de inhoud van de nationale stelsels aan te tasten"12OMARJEE, I., Manuel de droit européen de la protection sociale, 2e uitgave, Brussel, Bruylant, 2021, p. 65. .

De bedoeling van de Europese wetgever is dus zeer duidelijk: de kenmerken en voorwaarden van de toepasselijke nationale wetgeving bepalen of er al dan niet een recht bestaat13Zie overwegingen 4 en 17bis van verordening 883/2004..

Zo wordt bijvoorbeeld de persoon aan wie de kinderbijslag moet worden uitbetaald, bepaald door de nationaalrechtelijke regels daartoe14Onverminderd artikel 68bis van de verordening 883/2004, dat bepaalt: "Indien degene aan wie gezinsuitkeringen moeten worden verleend, deze niet voor het onderhoud van de gezinsleden besteedt, betaalt het bevoegde orgaan, op verzoek en door tussenkomst van het orgaan van de lidstaat waar zij wonen dan wel van het orgaan dat of de instelling die daartoe door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar zij wonen, is aangewezen, die uitkeringen uit aan de natuurlijke persoon of de rechts persoon te wiens laste de gezinsleden in feite komen, hetgeen volledige kwijting van het bevoegde orgaan inhoudt"..

De coördinatie van de socialezekerheidsstelsels concretiseert zich in de volgende basisprincipes15Zie overwegingen 5, 13 en 15 van Verordening 883/2004. :

  • de toepassing van één enkel socialezekerheidsstelsel van een lidstaat per sociaal verzekerde (uniciteitsbeginsel, zie infra punt 1.3.1) ;
  • de gelijke behandeling ten opzichte van de verschillende nationale wetgevingen (zie infra punt 1.3.2);
  • de samentelling van tijdvakken (zie infra punt 1.3.3);
  • de export van rechten (zie infra punt 1.3.4 en punt 6).

1.3.1 Uniciteitsbeginsel

Om de coördinatie van de stelsels mogelijk te maken, stelt artikel 11, lid 1, van verordening 883/2004 het uniciteitsbeginsel voorop: elke sociaal verzekerde is slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen.

Zo is een werknemer of zelfstandige in principe onderworpen aan de wetgeving van de lidstaat waar de werkzaamheden worden verricht. Meer toelichting vindt men onder meer in de praktische gids van de Europese Commissie16https://ec.europa.eu/social/BlobServlet?docId=11366&langId=en& .

Bijvoorbeeld: Een gezin woont in Brussel en bestaat uit de moeder (gepensioneerd na een tewerkstelling als werknemer in Vlaanderen), de vader (tewerkgesteld als werknemer in Duitsland) en de kinderen.

Gelet op zijn beroepsactiviteit is de vader onderworpen aan de Duitse sociale zekerheid. Bijgevolg is enkel de moeder een sociaal verzekerde in de zin van artikel 3, eerste lid van het samenwerkingsakkoord van 6 september 2017. Indien er zich een samenloop met een Duits recht op kinderbijslag voordoet (zie punt 7 infra), wordt het Belgische recht gekwalificeerd als een recht verkregen op grond van een pensioen in de zin van art. 68, 1), a), van verordening 883/2004.

1.3.2 Gelijkheids- en assimilatiebeginsel

Het gelijkheidsbeginsel verzekert dat de personen die onder het personeel toepassingsgebied van de verordening 883/2004 vallen, aanspraak maken op de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de nationale wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.

Dit principe is nauw verbonden met de assimilatie (of gelijkstelling) van feiten, gebeurtenissen, inkomsten of socialezekerheidsprestaties:

Indien de nationale wetgeving bepaalde rechtsgevolgen toekent aan bepaalde feiten of gebeurtenissen, moet er ook rekening worden gehouden met soortgelijke feiten of gebeurtenissen die zich in een andere lidstaat voordoen alsof zij zich op het eigen grondgebied hebben voor gedaan. Hetzelfde geldt voor socialezekerheidsprestaties of andere inkomsten, die krachtens de wetgeving van een andere lidstaat zijn toegekend of, respectievelijk, verworven.

Bijvoorbeeld: voor het vervullen van de voorwaarde inzake opleiding of onderwijs bepaald in artikel 25, § 2, b), van de ordonnantie van 25 april 2019, wordt ook het onderwijs of opleiding dat het rechtgevend kind in een andere lidstaat geniet in aanmerking genomen17Dit principe wordt geconcretiseerd in artikel 8, § 1, vierde lid, van het besluit van 9 juli 2019 van het Verenigd College tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van kinderen die lessen volgen of een opleiding doorlopen, BS 8 augustus 2019..

1.3.3 Samentelling van tijdvakken

Als het recht op gezinsbijslag afhankelijk is van de vervulling van een tijdvak van verzekering, van werkzaamheden in loondienst of als zelfstandige, moet ook rekening worden gehouden met de in een andere lidstaat vervulde tijdvakken alsof die tijdvakken vervuld werden op het grondgebied van de lidstaat waarvan de wetgeving die voorwaarde stelt18Artikel 6 verordening 883/2004..

Voorbeelden:

  • In bepaalde gevallen moet voor de toekenning van de wezenbijslag voor een kind in het buitenland voldaan zijn aan de 6 maandelijkse forfaitaire bijslagen bedoeld in 56bis AKBW.19Zie artikel 3, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 september 2017 en de bijlage bij dat akkoord. Voor de vaststelling van deze forfaitaire bijslagen kan desgevallend een beroep worden gedaan op de tijdvakken die in een andere lidstaat zijn vervuld. Zie daartoe echter punt 8.3 infra en de aldaar vermelde voorwaarden;
  • De 6 maandelijkse forfaitaire bijslagen bedoeld in artikel 56 AKBW die zijn vereist in hoofde van de sociaal verzekerde die geen uitkering voor arbeidsongeschiktheid ontvangt in de wetgeving over de ziekte- en invaliditeitsverzekering noch een uitkering ontvangt zoals vermeld in de wetgeving over arbeidsongevallen of over beroepsziekten, maar die ten minste 66 % arbeidsongeschikt of in bevallingsverlof is kunnen volledig in een andere lidstaat van de EER of in Zwitserland worden vervuld20Zie artikel 3, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 september 2017 en de bijlage bij dat akkoord.;
  • De 6 maandelijkse forfaitaire bijslagen bedoeld in artikel 57 AKBW die zijn vereist in hoofde van de gepensioneerde werknemer of zelfstandige kunnen volledig in een andere lidstaat van de EER of in Zwitserland worden vervuld21Zie artikel 3, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 september 2017 en de bijlage bij dat akkoord..

1.3.4 Export van rechten

Artikel 67 van verordening 883/2004 bepaalt dat een sociaal verzekerde recht op kinderbijslag overeenkomstig de wetgeving van de bevoegde lidstaat, ook voor de kinderen die in een andere lidstaat wonen (zie punt 6).

2 PERSONEEL TOEPASSINGSGEBIED VAN VERORDENING 883/2004

De verordening 883/2004 is van toepassing op de volgende personen die op het grondgebied van een lidstaat verblijven en op wie de socialezekerheidswetgeving van één of meer Lidstaten van toepassing is of geweest is, evenals op hun gezinsleden en hun nabestaanden:

  1. onderdanen van één van de lidstaten van de EU;
  2. onderdanen van Zwitserland, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein;
  3. op het grondgebied van één van de voormelde Staten wonende staatlozen of vluchtelingen;
  4. de gezinsleden en de wezen van de categorieën vermeld in 1, 2 en 3.

De verordening 883/2004 is voorts ook van toepassing op de nabestaanden van personen - ongeacht de nationaliteit van die personen - die onderdanen zijn van één van de voormelde Staten, staatlozen of vluchtelingen en in één van de voormelde Staten wonen.

Tot slot is de verordening 883/2004 ook van toepassing op de onderdanen van derde landen die hierboven niet worden vermeld en die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze bepalingen vallen.22Verordening (EU) nr. 1231/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot uitbreiding van Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009 tot onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze verordeningen vallen, Publ L 344/1 van 29 december 2010. Deze uitbreiding is niet van toepassing op Denemarken, Zwitserland, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein.

De uitbreiding tot onderdanen van een derde land is slechts van toepassing voor zover zij op een legale manier op het grondgebied van een lidstaat van de EU verblijven.

Bovendien mogen deze personen zich niet in een situatie bevinden die in alle opzichten geheel in de interne sfeer van een enkele lidstaat ligt.

Enkele voorbeelden ter verduidelijking:

De verordeningen 883/2004 en 987/2009 zijn wel van toepassing:

  • bij de vaststelling van het recht op kinderbijslag voor de in Frankrijk opgevoede kinderen van de onderdaan van Japan die in Brussel tewerkgesteld is als werknemer (vestigingseenheid);
  • voor het bepalen van de samenloop, wanneer de Turkse moeder die met haar kinderen in Brussel verblijft de Brusselse kinderbijslag ontvangt en de Turkse vader in Nederland is tewerkgesteld als werknemer. Deze situatie wordt voor alle duidelijkheid niet geregeld door de bilaterale overeenkomst betreffende de sociale zekerheid met Turkije23Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen de regering van het koninkrijk België en de regering van de republiek Turkije van 11 april 2014. ;

De verordeningen 883/2004 en 987/2009 zijn niet van toepassing:

  • wanneer de kinderen van de in Brussel werkende Turkse onderdaan in Turkije worden opgevoed. In dit geval kan de bilaterale overeenkomst betreffende de sociale zekerheid met Turkije onder bepaalde voorwaarden wél van toepassing zijn.

3 MATERIEEL TOEPASSINGSGEBIED VAN VERORDENING 883/2004

Gelet op de uiteenlopende invullingen in de nationale wetgevingen van het begrip 'gezinsbijslag', bepaalt de verordening 883/2004 zelf welke uitkeringen voor haar toepassing in aanmerking moeten worden genomen.

Artikel 1, z), van de verordening omschrijft het begrip "gezinsbijslag" als "alle verstrekkingen en uitkeringen ter tegemoetkoming van de gezinslasten, met uitzondering van voorschotten op onderhoudsbijdragen en de in bijlage I vermelde bijzondere uitkeringen bij geboorte en adoptie".

Voor de Brusselse kinderbijslagregeling stemt dit overeen met de volgende kinderbijslagprestaties uit de ordonnantie van 25 april 2019: de basiskinderbijslag (art. 7), de wezentoeslag (art. 8), de sociale toeslag (art. 9 en 10), de toeslag naargelang de ernst van de gevolgen die voortvloeien uit een aandoening van het kind (art. 12), de forfaitaire bijslag voor de plaatsing bij een privépersoon (art. 13), de forfaitaire bijslagen voor de plaatsing in een instelling (art. 14) de jaarlijkse leeftijdstoeslag (art. 15) en de bedragen die in het kader van de overgangsmaatregel worden toegekend op basis van artikel 39, tweede lid.

De uitkeringen bij geboorte of adoptie opgenomen in bijlage 1 bij de verordening 883/2004, behoren echter niet tot de gezinsbijslagen in de zin van verordening 883/2004. Wat Brussel betreft gaat het om het kraamgeld en de adoptiebijslag.

Deze uitkeringen vormen echter 'sociale voordelen' die daarentegen conform de verordening nr. 492/2011 kunnen worden geëxporteerd voor kinderen die in een andere lidstaat van de EER worden geboren of geadopteerd. Zie daartoe punt 10 infra.

4 TERRITORIAAL TOEPASSINGSGEBIED VAN VERORDENING 883/2004

De verordening 883/2004 is van toepassing op het grondgebied van de Europese Unie.

Actueel wordt de Europese Unie gevormd door de volgende landen: België, Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Kroatië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Zweden.

Op 1 februari 2020 heeft het Verenigd Koninkrijk de EU verlaten.

Tot 31 december 2020 gold een overgangsperiode waarin de Europese coördinatieverordeningen onverminderd van toepassing bleven op het Verenigd Koninkrijk24Art. 126 Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, 2019/C 384 I/01.. In bepaalde grensoverschrijdende situaties inzake de verblijfplaats, de beroepsactiviteit of de onderwerping van de sociaal verzekerde die ten aanzien van de sociaal verzekerde reeds bestonden op 31 december 2020, kent het Terugtrekkingsakkoord echter verworven rechten toe waarbij de socialezekerheidsverordeningen onder bepaalde voorwaarden van toepassing blijven. Zie daartoe de omzendbrief CO GB 15 van 14 januari 2021, zoals aangepast op 18 november 2021.

De verordening 883/2004 is bovendien van toepassing op Liechtenstein, Noorwegen, IJsland, zodat de verordening geldt voor alle landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER)25Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 76/2011 van 1 juli 2011 tot wijziging van bijlage VI (Sociale zekerheid) en Protocol nr. 37 bij de EER-overeenkomst, Pb L 262/33 van 6 oktober 2011 en Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 133/2011 van 2 december 2011 tot wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) bij de EER-overeenkomst, Pb L 76/17 van 15 maart 2012., alsook op Zwitserland26Besluit nr. 1/2012 van het Gemengd Comité ingesteld krachtens de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen van 31 maart 2012 tot vervanging van bijlage II bij die Overeenkomst betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, Pb L 103/51 van 13 april 2012..

5 WELKE PERSONEN VERKRIJGEN EEN RECHT OP DE GEZINSBIJSLAG VOOR DE TOEPASSING VAN VERORDENING 883/2004?

De personen die een recht verkrijgen op gezinsbijslag voor de toepassing van verordening 883/2004 worden aangeduid met de term 'sociaal verzekerden' (artikel 3, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord).

Daarnaast openen bij wijze van overgangsmaatregel en onder bepaalde voorwaarden ook bepaalde voormalig rechthebbenden een recht op kinderbijslag voor de toepassing van verordening 883/2004 (artikel 4 samenwerkingsakkoord).

Deze 2 categorieën worden toegelicht in onderstaand punt 5.1.

De beide categorieën moeten zich in een bepaalde socioprofessionele situatie bevinden (zie punt 5.2).

Daarnaast kan echter ook het rechtgevend kind zelf in bepaalde situaties een recht op gezinsbijslag verkrijgen voor de toepassing van verordening 883/2004. Zie daartoe punt 5.3.

5.1 Sociaal verzekerden en overgangsmaatregel voor voormalig rechthebbenden

Het samenwerkingsakkoord wijst in artikel 3, eerste lid, limitatief de sociaal verzekerden aan die, voor de toepassing van de verordening 883/2004 het recht verkrijgen in het kader van de gezinsbijslagen.

Deze groep van sociaal verzekerden is beperkt tot de ouder van het kind, tot de persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad van die ouder en met wie de ouder feitelijk of wettelijk samenwoont en tot de echtgeno(o)t(e) van de ouder met betrekking tot hun eigen of gemeenschappelijke kinderen.

Daarnaast bevat artikel 4 van het samenwerkingsakkoord een overgangsmaatregel die erin bestaat de verkregen rechten op basis van artikel 51 AKBW te behouden zolang de situatie die bestond op 31 december 2019 en waardoor het recht werd verkregen, voortduurt. Het recht blijft dus behouden totdat:

  1. de gezinssituatie van de voormalige rechthebbende wijzigt;
  2. de socioprofessionele situatie in die zin wijzigt dat de voormalige rechthebbende voortaan, overeenkomstig de bijlage bij het samenwerkingsakkoord (zie punt 5.2), onder een andere categorie valt.

De voormelde wijzigingen hebben uitwerking op de eerste dag van de maand na de maand waarin de gebeurtenis valt.

5.2 …die zich in een bepaalde socioprofessionele situatie bevinden

Artikel 3, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord bepaalt dat de personen bedoeld in punt 5.1 zich in een limitatieve lijst van socioprofessionele situaties moeten bevinden om een recht op gezinsbijslagen te kunnen verkrijgen.

Deze limitatieve lijst vormt de bijlage bij het samenwerkingsakkoord27https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/loi_a1.pl?imgcn.x=55&imgcn.y=7&DETAIL=2017090611%2FN&caller=list&row_id=1&numero=1&rech=&cn=2017090611&table_name=WET&nm=2018010056&la=N&sql=dd+%3D+date%272017-09-06%27+and+nm+contains+%272018010056%27&language=nl&tri=dd+as+rank&fromtab=wet#LNK0009 .

Het is belangrijk te benadrukken dat de CO 142328CO 1423 van 1 januari 2019 - Richtlijnen met betrekking tot het samenwerkingsakkoord van 6 september 2017 tussen de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de aanknopingsfactoren voor de verdeling van de bevoegdheden, het beheer van de lasten van het verleden en de gegevensuitwisseling inzake de gezinsbijslagen. van 1 januari 2019 verduidelijkt dat die socioprofessionele situaties identiek zijn aan diegene waarmee rekening werd gehouden onder de AKBW ingevolge de richtlijnen in de MO 613 van 2 februari 2011 en de CO 1383 van 11 mei 2010 en de bijlagen.

Voor wat betreft het recht op de wezenbijslag, zie echter punt 8.

Dit betekent dat ook de categorie van op basis van de woonplaats verkregen rechten, die in de bijlage bij het samenwerkingsakkoord op residuaire wijze wordt omschreven, verwijst naar een limitatief aantal socioprofessionele situaties, die worden opgesomd in de MO 613 van 2 februari 201129Het gaat om de socioprofessionele situaties bedoeld in de artikelen 55, 56quinquies, 56, § 2, 3°, 56sexies, 56septies, 56novies, 2°, 56decies, 56duodecies en 102 AKBW, evenals de socioprofessionele situaties waarvoor er onder de federale regeling gewaarborgde gezinsbijslag werd toegekend..

Bijvoorbeeld: De moeder van de rechtgevende kinderen woont in Brussel maar bevindt zich niet in één van de socioprofessionele situaties bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord. De vader woont samen met het gemeenschappelijk kind in Frankrijk en is daar tewerkgesteld als werknemer. Bij gebrek aan een sociaal verzekerde in de zin van het samenwerkingsakkoord, kan er geen Brussels recht op kinderbijslag worden toegekend.

Bijvoorbeeld: De vader van het minderjarige kind is als werknemer tewerkgesteld in Brussel (vestigingseenheid) en geniet een uitkering voor primaire arbeidsongeschiktheid in de ziekte- en invaliditeitsverzekering. De moeder woont met het kind in Duitsland en is daar tewerkgesteld als zelfstandige. Toekenning van de gezinsbijslag overeenkomstig de Duitse regeling bij voorrang (woonland van de kinderen). De vader bevindt zich in een socioprofessionele situatie uit de bijlage bij het samenwerkingsakkoord (art. 56, § 1, AKBW) en beschikt bijgevolg over de hoedanigheid van sociaal verzekerde in de zin van het samenwerkingsakkoord.

De Brusselse kinderbijslag wordt, desgevallend, aanvullend op de Duitse betaald ( art. 67 juncto art. 68, 1) b) i), en Art. 68, 2), verordening 883/2004 (zie punt 7).

5.3 Specifiek geval: kind waarvoor er in België geen sociaal verzekerde kan worden aangeduid

5.3.1 Algemeen

Tot slot zijn er de situaties waarbij het kind, dat onder de bevoegdheid van de GGC valt, aan de toepassingsvoorwaarden voldoet van artikel 4 van de ordonnantie van 25 april 2019, maar waarbij er geen sociaal verzekerde of voormalige rechthebbende zoals hierboven besproken bestaat en/of dat deze personen niet onder de Belgische sociale zekerheid zijn onderworpen (zie uniciteitsbeginsel, supra punt 1.3.1).

In dat geval laat de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie toe dat de Brusselse kinderbijslagprestaties alsnog worden toegekend op basis van de nationale kinderbijslagregelgeving30Cfr. arresten HvJ 20 mei 2008, nr. C‑352/06, 'arrest Bosmann' en HvJ 12 juni 2012, C-611/10 en 612/10,- 'Hudzinski en Wawrzyniak'..

Aangezien het recht uitsluitend gebaseerd is op de nationaalrechtelijke bepaling, moet daarbij echter de anticumulatieregel worden toegepast bepaald in artikel 27 van de ordonnantie van 25 april 2019. Voor de specifieke situatie van de wees, zie echter punt 8.3 infra)

Daarbij moet echter een onderscheid worden gemaakt naargelang het kind feitelijk op Brussels grondgebied verblijft (zie punt 5.3.2) of in een andere lidstaat (zie punt 5.3.3).

5.3.2 Optie 1: het kind zonder sociaal verzekerde in België verblijft daadwerkelijk hoofdzakelijk op Brussels grondgebied

Indien het rechtgevend kind, waarvoor er in België geen sociaal verzekerde of voormalige rechthebbende kan worden aangeduid op grond van het samenwerkingsakkoord, daadwerkelijk en hoofdzakelijk op Brussels grondgebied verblijft, stelt de toekenning van het recht op de Brusselse kinderbijslagprestaties in principe geen probleem.

In deze hypothese is het kind niet ingeschreven in de bevolkingsregisters in een Belgische gemeente op het grondgebied van een andere gefedereerde deelentiteit, zodat de GGC bevoegd is voor de toekenning van de gezinsbijslag.

Ingevolge het daadwerkelijk en hoofdzakelijk verblijf, al dan niet gekoppeld aan een inschrijving van de hoofdverblijfplaats in een Brusselse gemeente volgens de gegevens van het Rijksregister, is er ook voldaan aan de woonplaatsvoorwaarde bepaald in artikel 4, 1°, van de ordonnantie van 25 april 201931Zie CO GB 5, bijlage 3, van 17 maart 2023.. Daarbij moet er ook zijn voldaan aan de voorwaarde inzake de verblijfsvergunning bepaald in artikel 4, 2°, van de ordonnantie van 25 april 2019.

Bijvoorbeeld: Een gezin bestaande uit vader, moeder en twee minderjarige gemeenschappelijke kinderen heeft zijn woonplaats in de zin van artikel 4 van de ordonnantie in Brussel. Zowel de moeder als de vader zijn onderworpen aan de Nederlandse sociale zekerheid als gevolg van hun tewerkstelling als werknemer in Nederland. Er is dus geen sociaal verzekerde in België in de zin van het Samenwerkingsakkoord. De Brusselse kinderbijslag zal echter desgevallend aanvullend moeten worden betaald, overeenkomstig artikel 27 van de ordonnantie van 25 april 2019.

Bijvoorbeeld: Een Franse student verblijft voor zijn studies aan de VUB daadwerkelijk en hoofdzakelijk op Brussels grondgebied en ook zijn de hoofdverblijfplaats situeert zich volgens de gegevens van het Rijksregister in een Brusselse gemeente. Zijn beide ouders wonen en werken in Frankrijk en zijn dus onderworpen aan de Franse sociale zekerheid. Er is dus geen sociaal verzekerde in België in de zin van het Samenwerkingsakkoord. De Brusselse kinderbijslag zal desgevallend aanvullend moeten worden betaald, overeenkomstig artikel 27 van de ordonnantie van 25 april 2019.

5.3.3 Optie 2: Het kind zonder sociaal verzekerde in België verblijft in een andere lidstaat van de EER of ZWITSERLAND maar heeft zijn hoofdverblijfplaats in Brussel volgens de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen

Opgelet: Ook dit punt heeft enkel betrekking op situaties waarin er voor het kind in België geen sociaal verzekerde of voormalig rechthebbende in de zin van artikel 3 of 4 van het samenwerkingsakkoord kan worden aangeduid. Indien dit daarentegen wél het geval is, zijn desgevallend de artikelen 67 en68 van verordening 883/2004 toepasselijk (zie punten 6 en 7).

We vestigen de aandacht op het feit dat, indien een dergelijk kind tijdelijk in een andere lidstaat van de EER of Zwitserland verblijft, artikel 4, 1°, van de ordonnantie van 25 april 2019 toelaat om de kinderbijslag toe te kennen, voor zover het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft in Brussel volgens de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen. Dit geldt uiteraard enkel voor zover aan alle andere toekenningsvoorwaarden is voldaan, en met name aan artikel 4, 2° en 3°, van de ordonnantie van 25 april 2019.

De toekenning van de kinderbijslag is enkel mogelijk voor zover het gaat om een tijdelijke afwezigheid in de zin van artikel 17 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister32BS 15 augustus 1992.. Zie, wat dit betreft, de omzendbrief CO GB 5 en addenda.

In alle andere gevallen moet gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om in toepassing van artikel 33, § 2, van de ordonnantie van 4 april 2019 tot vaststelling van het betaalcircuit voor de gezinsbijslag33BS 12 avril 2019. te bewijzen dat de informatie verkregen bij het Rijksregister geen bewijskracht heeft34Art. 33, § 2, bepaalt dat de kinderbijslaginstelling in dat geval, de inhoud van het aldus aanvaarde informatiegegeven, ten titel van inlichting, moet meedelen aan het Rijksregister van de natuurlijke personen en er de bewijsstukken moet bijvoegen..

De Brusselse kinderbijslagen zijn dus niet verschuldigd op basis van een loutere inschrijving in het Rijksregister, zonder dat het kind of diens sociaal verzekerde(n) werken of gewoonlijk verblijven in België35Cfr. arrest HvJ 11 september 2014, nr. C‑394/13, 'arrest B'..

Bijvoorbeeld: Een kind dat volgens de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen zijn hoofdverblijfplaats in een Brusselse gemeente heeft, maar waarvoor er in België geen sociaal verzekerde kan worden aangeduid, verblijft daadwerkelijk en hoofdzakelijk in Slovakije, zonder dat het gaat om een tijdelijke afwezigheid in de zin van artikel 17 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister. In toepassing van artikel 33, § 2, van de ordonnantie van 4 april 2019 moet de bewijskracht van de informatie verkregen bij het Rijksregister worden weerlegd, zodat er niet langer voldaan is aan de voorwaarde bepaald in artikel 4, 1°, van de ordonnantie van 25 april 2019.

Een eventueel verschil van mening met de organen van de (of meerdere) lidsta(a)t(en) over de vaststelling van de verblijfplaats van het kind, dient te worden opgelost door het centrum van dienst belangen vast te stellen overeenkomstig het punt 5.3.4.

5.3.4 Vaststelling van de verblijfplaats van de persoon36Artikel 11 van Verordening 987/2009.

Wanneer de bevoegdheid van de lidstaten wordt bepaald op basis van het criterium van de woonplaats van de persoon (sociaal verzekerde of rechtgevend kind), kunnen meningsverschillen ontstaan over de vaststelling van die woonplaats, aangezien deze afhangt van de concrete situatie van de persoon, beoordeeld op basis van de werkelijke omstandigheden.

Wat de coördinatie van de kinderbijslagprestaties betreft, is de lokalisatie met name belangrijk indien een kind op het grondgebied van meerdere lidstaten verblijft, op een wijze die een verschil van mening doet ontstaan over de vaststelling van de woonplaats.

Artikel 11 van Verordening 987/2009 stelt een specifiek stelsel vast dat voorziet in een reeks identificatie-elementen waarmee de precieze locatie van de persoon in de EER of Zwitserland kan worden vastgesteld.

Het zijn de verbindingsorganen, en, wat de GGC betreft, de dienst Bemiddeling van Iriscare, die instaan voor de toepassing van deze criteria in concrete toepassingssituaties.

In de zin van dit artikel werkt de Brusselse kinderbijslaginstelling, wanneer ze geen overeenstemming kan vinden met het orgaan of de organen van een of meerdere lidstaten over de woonplaats van de sociaal verzekerde of het rechtgevende kind, samen met het/de laatst vermelde orgaan of organen om de woonplaats van de persoon te bepalen.

Daarbij is het onderzoek naar de woonplaats gebaseerd op verschillende criteria, zoals:

A) de duur en de continuïteit van de aanwezigheid op het grondgebied;

B) de persoonlijke situatie van de betrokkene, waaronder:

  • de socioprofessionele situatie (de aard en de specifieke kenmerken van de werkzaamheden, de plaats waar deze gewoonlijk worden uitgeoefend, het stabiele karakter ervan, de duur van de arbeidsovereenkomst, enz.);
  • de gezinssituatie en de familiebanden;
  • de uitoefening van onbezoldigde werkzaamheden;
  • in het geval van studenten, de bron van hun inkomsten;
  • de huisvestingssituatie, met name hoe permanent deze is;
  • de lidstaat waar de betrokkene geacht wordt te wonen voor belastingdoeleinden.

Deze criteria kunnen, maar hoeven niet noodzakelijk tegelijkertijd te bestaan.

Als het meningsverschil echter blijft bestaan ondanks het onderzoek van de criteria op basis van de bovengenoemde feiten, wordt de werkelijke woonplaats van de sociaal verzekerde of het rechtgevende kind vastgesteld op basis van hun intentie, desgevallend uitgedrukt via de redenen die aan de grondslag van de verplaatsing lagen.

Voorbeeld:

Een gezin bestaande uit een moeder, een vader en twee minderjarige kinderen heeft zijn hoofdverblijfplaats volgens de gegevens van het Rijksregister in een gemeente van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

De moeder heeft geen baan, terwijl de vader langdurig werkloos is in België.

De GGC betaalt de gezinsbijslagen volledig (geen grensoverschrijdend element).

Vanaf 22 februari 2022 zijn de moeder en de twee kinderen uitgeschreven uit het en hebben ze nu een adres in Malta.

Volgens informatie ontvangen door de Maltese kinderbijslaginstelling wonen de moeder en de kinderen al sinds september 2013 in Malta. De moeder werkt sinds diezelfde datum in Malta. Malta betaalt de kinderbijslagen uit bij voorrang.

De verblijfplaats van de kinderen is cruciaal om te bepalen welk land prioriteit heeft en welk land aanvullend bevoegd is voor de uitbetaling van gezinsbijslagen.

Na een controle van de schoolgang is vastgesteld dat de kinderen niet meer naar school gaan in België sinds september 2013, en school lopen in Malta.

De gegevens van het Rijksregister kunnen worden betwist. De moeder en de kinderen wonen niet meer in België sinds september 2013. Er is een Maltees recht bij voorrang en een aanvullend Brussels recht (de laatste werkgever van de vader van de kinderen was gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest).

6 EXPORT VAN DE GEZINSBIJSLAG

Artikel 4, 1°, van de ordonnantie van 25 april 2019 bepaalt dat het kind zijn woonplaats moet hebben in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. In bepaalde situaties kan deze voorwaarde echter een niet toegelaten inperking vormen van het recht van vrij verkeer van personen.

Om dergelijke inperkingen te neutraliseren, legt artikel 67 van Verordening EG 883/2004 het beginsel vast dat een persoon recht heeft op kinderbijslag overeenkomstig de wetgeving van de bevoegde lidstaat, ook voor de gezinsleden die in een andere lidstaat wonen, alsof deze in de eerst vermelde lidstaat woonden.

Wat betreft de rechten op de Brusselse kinderbijslag, wordt de groep personen die een dergelijk recht kunnen openen op grond van artikel 67 van verordening 883/2004 voor een kind dat in een andere lidstaat woont, beperkt tot de sociaal verzekerden in de zin van artikel 3, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord en de voormalig rechthebbenden bedoeld in artikel 4 van het samenwerkingsakkoord).

Deze 2 categorieën worden supra toegelicht in punt 5.1. De beide categorieën moeten zich in een bepaalde socioprofessionele situatie bevinden (zie punt 5.2).

Bijvoorbeeld: Een moeder die in Brussel tewerkgesteld is als zelfstandige en er ook woont, opent een recht op de Brusselse kinderbijslag voor haar minderjarige dochter die in Oostenrijk woont. Desgevallend geldt de samenloopregeling uit art. 68 van verordening 883/2004 (zie punt 7).

Bijvoorbeeld: Een Brussels gezin bestaat uit de moeder, vader en een kind van achttien jaar. De beide ouders zijn tewerkgesteld als werknemer in Brussel (vestigingseenheid). Het kind verblijft voor zijn studies één academiejaar in Frankrijk en is gedurende deze periode niet meer gedomicilieerd in Brussel. De beroepsactiviteit van beide ouders opent een recht op de Brusselse kinderbijslag voor het kind.

Artikel 67 van verordening 883/2004 voorziet echter in een uitzondering voor de pensioengerechtigde. Deze heeft recht op gezinsbijslag overeenkomstig de wetgeving van de lidstaten die bevoegd zijn voor zijn pensioen.

Bijvoorbeeld. De vader van het kind ontvangt een Belgisch rustpensioen en woont in Spanje. De vestigingseenheid van zijn laatste werkgever is gesitueerd in Brussel. De moeder van het kind is huismoeder en woont met het kind in Frankrijk.

De Brusselse kinderbijslag wordt toegekend (art 67 verordening 883/2004). Desgevallend geldt de samenloopregeling uit art. 68 van verordening 883/2004 (zie punt 7).

7 SAMENLOOPREGELING

Artikel 10 van verordening 883/2004 stelt dat er geen recht wordt verkregen of behouden op verscheidene prestaties van dezelfde aard die betrekking hebben op eenzelfde tijdvak van verplichte verzekering.

Bijgevolg stelt artikel 68 van Verordening 883/2004 de prioriteitsregels vast die van toepassing zijn indien er gedurende hetzelfde tijdvak en voor dezelfde gezinsleden is voorzien in uitkeringen van dezelfde aard op grond van de wetgeving van meer dan een lidstaat.

Om bij een dergelijke samenloop de prioritaire lidstaat te bepalen, moet een onderscheid worden gemaakt tussen de gevallen waarbij de gezinsbijslag verschuldigd is op verschillende gronden (punt 7.1) en de gevallen waarbij deze verschuldigd is op dezelfde grond (punt 7.2).

7.1 De uitkeringen zijn verschuldigd op verschillende gronden

Als de uitkeringen verschuldigd zijn op verschillende gronden, wordt de prioritaire lidstaat vastgesteld op basis van de volgende prioriteitsregels:

(1) in de eerste plaats: rechten verkregen op grond van werkzaamheden, al dan niet in loondienst;

(2) vervolgens: rechten verkregen op grond van een pensioen (invaliditeitsuitkeringen en renten);

(3) en tot slot: rechten verkregen op grond van de woonplaats.

In de praktijk betekent dit dat tijdens een tijdvak waarin het verkrijgen van een recht ten behoeve van een rechtgevend kind wordt erkend, de lidstaat van waaruit werkzaamheden worden verricht, al dan niet in loondienst37Of daarmee gelijkgestelde situaties. Zie met name het Besluit van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels nr. F1 van 12 juni 2009 betreffende de interpretatie van artikel 68 van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot prioriteitsregels bij samenloop van gezinsuitkeringen, https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A32010D0424%2804%29 Voor de classificatie van de rechten die door de sociaal verzekerden die onder de bevoegdheid van de GGC vallen, zie punt 7.5, infra., altijd prioritair wordt aangeduid. Als er geen werkzaamheden worden verricht, wordt het tweede criterium toegepast, enzovoort tot het laatste criterium, namelijk de woonplaats.

7.2 De uitkeringen zijn verschuldigd op dezelfde grond

Indien echter gedurende hetzelfde tijdvak en voor hetzelfde gezinslid/kind in uitkeringen is voorzien door de wetgeving van meer dan een lidstaat op dezelfde grond, wordt de volgorde van prioriteit vastgesteld op basis van de volgende subsidiaire criteria:

(1) Indien het gaat om rechten op grond van werkzaamheden, al dan niet in loondienst:

  • in de eerste plaats: het recht van de woonplaats38Zie, desgevallend, punt 5.3.4. van de kinderen, op voorwaarde dat ten minste een van de beroepsactiviteiten wordt uitgevoerd in het land waar de kinderen wonen;
  • anders het hoogste bedrag waarin de betrokken gezinsbijslagen voorzien. Het orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving in het hoogste bedrag voorziet, moet het gehele bedrag van de gezinsbijslag overeenkomstig zijn nationale wetgeving uitbetalen. De tweede staat moet de eerste staat, binnen de grenzen van de in zijn nationale wetgeving voorziene bedragen, de helft van dat bedrag vergoeden39Zie artikel 58 van Verordening 987/2009..

(2) Indien het gaat om rechten op grond van een pensioen (invaliditeitsuitkering of rente):

  • in de eerste plaats: de woonplaats van de kinderen, mits op grond van deze wetgeving een pensioen moet worden uitgekeerd;
  • subsidiair: de lidstaat waar het tijdvak van verzekering of verblijf het langst was.

(3) Indien het gaat om rechten op grond van de woonplaats: de woonplaats van de kinderen.

7.3 Prioritaire betaling versus verschilbetaling

7.3.1 Algemeen

Wanneer een lidstaat als prioritair wordt aangeduid, kent deze het recht op kinderbijslag toe overeenkomstig zijn nationale wetgeving. De rechten ten laste van de andere betrokken lidstaten worden geschorst zolang het bedrag van de gezinsbijslag niet hoger is dan het bedrag waarin is voorzien in de wetgeving van de prioritaire lidstaat. Is dat wel het geval, dan wordt het deel dat dit bedrag overschrijdt, uitbetaald in de vorm van een aanvullende toeslag.

Echter: die verschilbetaling wordt niet uitgekeerd voor kinderen die in een andere lidstaat wonen als het recht op de uitkering in kwestie alleen gebaseerd is op de woonplaats.

7.3.2 Periodiciteit van de verschilbetalingen en betaling van voorschotten

Voor de verschilbetaling moet dezelfde periodiciteit worden toegepast als voor de betaling van de gewone kinderbijslag40De periodiciteit voor de verschilbetalingen moet dezelfde zijn als die van de gewone kinderbijslag om een discriminatie tussen migrerende werknemers te vermijden, cfr. het gelijkheidsbeginsel, zie punt 1.3.2., te weten maandelijks, volgens artikel 23, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 : de kinderbijslag is maandelijks betaalbaar in de loop van de maand die volgt op deze waarop hij betrekking heeft.

Enkel op vraag van de bijslagtrekkende kan de verschilbetaling bijvoorbeeld trimestrieel, halfjaarlijks (of volgens een andere periodiciteit) worden uitbetaald.

Als het verschil niet nauwkeurig en exact kan worden berekend op het ogenblik van de betaling omdat de prioritair bevoegde lidstaat of de sociaal verzekerde niet de vereiste informatie meegedeeld heeft, volstaat het zogenaamde 'voorzichtige voorschotten' te betalen.

Met 'voorzichtige voorschotten' bedoelt men voorschotten waarvan het bedrag oordeelkundig bepaald is aan de hand van de gegevens waarover de kinderbijslaginstelling op het ogenblik van de betaling beschikt, met dien verstande dat die voorschotten eventueel tot 0 EUR kunnen worden herleid als de kinderbijslaginstelling niet beschikt over de gegevens waarmee bij benadering het bedrag van de uitkering van de prioritair bevoegde lidstaat kan worden bepaald.

7.4 Overwegingen in de rechtspraak

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in een aantal arresten de toepassing van de bovengenoemde regels verduidelijkt.

7.4.1 Arrest Wiering (C-347/12)41Arrest HvJ 8 mei 2014, nr. C-347/12.

Zoals hoger aangegeven verduidelijkt artikel 10 van verordening 883/2004 dat er enkel sprake is van een niet-gerechtvaardigde cumulatie wanneer er een recht wordt geopend op verscheidene prestaties van dezelfde aard die betrekking hebben op eenzelfde tijdvak van verplichte verzekering.

In het arrest Wiering heeft het Hof een beperkt aantal criteria aangegeven die zouden moeten toelaten om te beoordelen of kinderbijslagprestaties, die door de wetgeving van de bevoegde lidstaten wordt toegekend al dan niet van dezelfde aard zijn42Hoewel de situaties waarop het arrest Wiering betrekking had werden geregeld door de verordening (EEG) nr. 1408/71, moet worden aangenomen dat dit principe eveneens geldt voor de samenloopregeling uit artikel 68 van verordening 883/2004.. De implementatie van het arrest zorgt ervoor dat bepaalde lidstaten verschillende categorieën (in het jargon ook wel baskets, of mandjes genoemd) van gezinsbijslagprestaties identificeren, naargelang de verschillende en specifieke aard van die prestaties.

Bijvoorbeeld: In het arrest Wiering oordeelde het Hof van Justitie van het Duitse Elterngeld niet van dezelfde aard is in de zin van artikel 12 van de verordening (EEG) nr. 1408/71 (dat de voorloper was van artikel 10 van verordening 883/2004) als het Duitse Kindergeld en de kinderbijslag die wordt toegekend door het Groothertogdom Luxemburg, die wel van dezelfde aard zijn. De samenloopregeling uit artikel 68 moet bijgevolg enkel toegepast worden ten opzichte van enerzijds het Duitse Kindergeld en de Luxemburgse kinderbijslag ('mandje 1'), en niet ten opzichte van het Duitse Elterngeld ('mandje 2').

De rechten die op grond van de ordonnantie van 25 april 2019 worden toegekend én onder het toepassingsgebied van artikel 68 van verordening 883/2004 vallen43Dus uitgezonderd het kraamgeld en de adoptiebijslag (zie punt 10) en de wezenbijslag (zie punt 8). , vormen echter allen gezinsbijslagprestaties van dezelfde aard in de zin van artikel 10 van de verordening nr. 883/2004.

7.4.2 De prioriteitsregels bij samenloop zijn enkel van toepassing als er in twee lidstaten daadwerkelijk een recht wordt geopend

Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de prioriteitsregels bij samenloop enkel van toepassing zijn als er in minstens twee lidstaten is voldaan aan alle formele en inhoudelijke voorwaarden die de interne nationale wettelijke regeling van deze staat oplegt voor de uitoefening van dit recht.

Die voorwaarden kunnen desgevallend de voorwaarde omvatten dat vooraf een aanvraag werd ingediend44Arrest HvJ 14 oktober 2010, nr. C-16/09, 'arrest Schwemmer' en Arrest HvJ 22 oktober 2015, nr. C-378/14, 'arrest Trapkowski'.

Bijvoorbeeld: De moeder woont met de beide kinderen in Duitsland maar is er niet tewerkgesteld als werknemer of zelfstandige. De vader is gescheiden van de moeder en woont in Zwitserland, waar hij werkt als werknemer.

Terwijl de moeder aan alle voorwaarden voldoet om een recht op de Duitse kinderbijslag te openen (recht verkregen op grond van de woonplaats), verzuimt de vader om een aanvraag voor de Zwitserse kinderbijslag in te dienen, zodat deze hem niet kunnen worden toegekend.

De Duitse kinderbijslagprestaties moeten bijgevolg integraal worden toegekend. Aangezien er niet voldaan is aan alle voorwaarden om een recht op de Zwitserse kinderbijslagen te openen, zijn de Europese prioriteitsregels bij samenloop niet van toepassing.

Artikel 60, lid 1, derde volzin, van verordening nr. 987/2009 stelt echter dat indien een persoon die gerechtigd is om de uitkeringen aan te vragen dit recht niet uitoefent, het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving dit recht zou toekennen, rekening houdt met een aanvraag die is ingediend door de andere ouder. Er moet ook rekening worden gehouden met aanvragen ingediend door een als ouder beschouwde persoon of een persoon of instelling die de voogdij over het kind of de kinderen uitoefent (zie ook punt 11.1.2).

De kinderbijslaginstellingen kunnen dergelijke aanvragen doorsturen naar de organen van de andere lidstaten met akkoord van de ouder-bijslagtrekkende of de voogd, desgevallend als bijlage via de EESSI-toepassing (zie punt 11). Of de diverse lidstaten dergelijke aanvragen in aanmerking nemen, hangt af van de interne nationaalrechtelijke voorwaarden voor de aanvraag tot kinderbijslag. Wanneer er zich problemen voordoen bij het doorsturen of in aanmerking nemen van dergelijke aanvragen, kan men een beroep doen op Iriscare via bemiddeling@iriscare.brussels

7.5 Toepassing op de Brusselse situatie: classificatie

Om de hierboven uiteengezette vastgelegde voorrangsregels bij samenloop correct te kunnen toepassen, moeten de rechten die worden toegekend door de Belgische kinderbijslagstelsels bijgevolg worden geclassificeerd in één van de onder punt 7.1. of 7.2 vermelde categorieën.

Dit gebeurt op basis van de tabel die de bijlage vormt van het samenwerkingsakkoord45https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/loi_a1.pl?imgcn.x=55&imgcn.y=7&DETAIL=2017090611%2FN&caller=list&row_id=1&numero=1&rech=&cn=2017090611&table_name=WET&nm=2018010056&la=N&sql=dd+%3D+date%272017-09-06%27+and+nm+contains+%272018010056%27&language=nl&tri=dd+as+rank&fromtab=wet#LNK0009 . De CO 1423 geeft in punt I, C, 2 toelichting bij deze classificatie en vermeldt daarbij dat de situaties uit de bijlage identiek zijn aan diegene waarmee rekening werd gehouden onder de AKBW ingevolge de richtlijnen in de MO 613 van 2 februari 2011 en de CO 1383 van 11 mei 2010 en de bijlagen.

7.6 Voorbeelden

7.6.1 De uitkeringen zijn verschuldigd op verschillende gronden

Voorbeeld 1

De vader werkt als werknemer in Brussel (lokalisatie van de vestigingseenheid) en is bijgevolg sociaal verzekerde in de zin van het samenwerkingsakkoord. De moeder is huisvrouw en verblijft met de twee gemeenschappelijke kinderen in Nederland.

De Belgische kinderbijslag wordt bij voorrang toegekend (recht verkregen op grond van werkzaamheden) en de GGC is de bevoegde deelentiteit (aanknopingsfactor 3 samenwerkingsakkoord); De Nederlandse kinderbijslag wordt door middel van een aanvullende toeslag toegekend (recht verkregen op grond van de woonplaats) (art. 68, 1, a) en 2).

Voorbeeld 2

De vader ontvangt een ouderdomspensioen van België en is bijgevolg sociaal verzekerde in de zin van het samenwerkingsakkoord. De moeder verricht een activiteit in loondienst in Portugal. Hun vier gemeenschappelijke kinderen wonen bij de moeder in Portugal.

De Portugese gezinsbijslag wordt bij voorrang toegekend (recht verkregen op grond van werkzaamheden); de Belgische kinderbijslag wordt aanvullend toegekend (recht verkregen op grond van een pensioen (art. 68, 1, a) en 2)), en de GGC is de bevoegde entiteit (aanknopingsfactor 3, de laatste werkgever (locatie van de vestigingseenheid) was gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad).

Voorbeeld 3

De vader ontvangt een Belgisch zelfstandigenpensioen en is bijgevolg sociaal verzekerde in de zin van het samenwerkingsakkoord. De moeder is rentenier en woont met de vier gemeenschappelijke kinderen in Roemenië.

De Belgische kinderbijslag wordt bij voorrang toegekend (recht verkregen op grond van een pensioen) en de GGC is de bevoegde deelentiteit (aanknopingsfactor 6 samenwerkingsakkoord, de lokalisatie van het bureau van de laatst gekende kinderbijslaginstelling die de gezinsbijslagen toekende); De Roemeense kinderbijslag wordt door middel van een aanvullende toeslag toegekend (recht verkregen op grond van de woonplaats) (art. 68, 1, a) en 2).

7.6.2 De uitkeringen zijn verschuldigd op dezelfde grond

Voorbeeld 4

De moeder woont in Brussel en ontvangt een Belgische werkloosheidsuitkering en is bijgevolg sociaal verzekerde in de zin van het samenwerkingsakkoord. De vader is zelfstandige in Frankrijk en woont er met de drie gemeenschappelijke kinderen.

De Franse kinderbijslag wordt bij voorrang toegekend (recht verkregen op grond van werkzaamheden in de lidstaat van de woonplaats van de kinderen) en de Belgische kinderbijslag wordt door middel van een aanvullende toeslag toegekend (recht verkregen op grond van werkzaamheden, art. 68, lid 1, b), i) en lid 2. Zie de eerste kolom van de bijlage bij het samenwerkingsakkoord in samenlezing met de MO 613); de GGC is de bevoegde deelentiteit (aanknopingsfactor 3 samenwerkingsakkoord, exploitatiezetel van de laatste werkgever).

Voorbeeld 5

De vader woont met de twee gemeenschappelijke kinderen in Brussel en ontvangt een inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap46Cfr. art. 56quinquies, § 1, AKBW. . Hij is bijgevolg een sociaal verzekerde in de zin van het samenwerkingsakkoord. De moeder woont in Frankrijk en ontvangt er een "revenu de solidarité active".

De Belgische kinderbijslag wordt bij voorrang toegekend (recht verkregen op grond van de woonplaats en de kinderen wonen in België (art. 68, 1, b), iii), zie de derde kolom van de bijlage bij het samenwerkingsakkoord in samenlezing met de MO 613); de GGC is de bevoegde deelentiteit (aanknopingsfactor 1 samenwerkingsakkoord, wettelijke woonplaats van het kind); De Franse kinderbijslag wordt niet uitgekeerd aangezien het gaat om rechten verkregen op grond van de woonplaats terwijl de kinderen in een andere lidstaat verblijven (art. 68, 2 in fine).

Voorbeeld 6

De moeder ontvangt een Belgisch rustpensioen en is bijgevolg een sociaal verzekerde in de zin van het samenwerkingsakkoord, terwijl de vader een Nederlands rustpensioen ontvangt. Het koppel woont in Spanje (Benidorm), met hun gemeenschappelijke kinderen van 23 en 24 jaar, die er hoger onderwijs volgen waarvan het programma is erkend door de Spaanse overheid. Er is geen Spaanse kinderbijslag verschuldigd.

De Belgische kinderbijslag wordt bij voorrang toegekend (recht verkregen op grond van een pensioen en - bij gebrek aan de woonplaats van de kinderen in België of Nederland - wordt de duur van de tijdvakken van verzekering in aanmerking genomen: de moeder was langer tewerkgesteld in ons land dan de vader in Nederland - art. 68, 1, b, ii); de GGC is de bevoegde deelentiteit (aanknopingsfactor 3 samenwerkingsakkoord, exploitatiezetel van de laatste werkgever).

Voorbeeld 7

De vader werkt als ambtenaar in Brussel, terwijl de moeder is tewerkgesteld als werkneemster in Frankrijk. De gemeenschappelijke kinderen wonen bij hun grootouders in Luxemburg.

De Belgische en de Franse kinderbijslag zijn rechten verkregen op grond van werkzaamheden. Aangezien de werkzaamheden niet plaatsvinden in de lidstaat van de woonplaats van de kinderen, moet er worden gekeken naar het hoogste bedrag van de kinderbijslagprestaties waarin de betrokken wetgevingen voorzien (art. 68, 1, b, i). De GGC is de bevoegde deelentiteit (aanknopingsfactor 3 samenwerkingsakkoord, exploitatiezetel van de werkgever).

Aangezien het bedrag van de Brusselse kinderbijslag hoger is dan dat van de Franse kinderbijslag, is de Belgische kinderbijslag bij voorrang verschuldigd. de Franse regeling betaalt de helft van het bedrag van de Brusselse kinderbijslag - tot maximaal het Franse bedrag - terug aan de bevoegde Brusselse kinderbijslaginstelling (art. 68, 1) b) i) verordening 883/2004 en art. 58 VO 987/2009). Indien het Luxemburgse bedrag hoger is dan dat van de Brusselse kinderbijslag, kan het Groothertogdom nog een aanvulling betalen.

Voorbeeld 8

De vader en moeder wonen en werken in Luxemburg. Hun enige kind woont bij zijn oma in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

De Luxemburgse kinderbijslag wordt toegekend overeenkomstig artikel 67 van Verordening 883/2004.

De GGC is de bevoegde deelentiteit (aanknopingsfactor 1 van het samenwerkingsakkoord, wettelijke woonplaats van het kind).

Aangezien beide sociaal verzekerden onderworpen zijn aan de Luxemburgse wetgeving (land van tewerkstelling), kan geen enkele verzekerde gelokaliseerd worden in de zin van het samenwerkingsakkoord.

Bijgevolg wordt de Brusselse kinderbijslag toegekend overeenkomstig artikel 27 van de ordonnantie van 25 april 2019 (anticumulatie), zie punt 5.3.2. hierboven.

8 WEZENTOESLAG

8.1 Algemeen

De Belgische wezenbijslagprestaties zijn opgenomen in de lijst van de Europese Commissie47https://ec.europa.eu/social/BlobServlet?docId=4989&langId=en met aanvullende of speciale gezinsuitkeringen voor wezen die onder artikel 69 van verordening 883/2004 vallen. Dat artikel bevat een specifieke coördinatieregeling voor de in die lijst opgenomen wezenbijslagprestaties.

In tegenstelling tot hetgeen gold onder het voormalige federale kinderbijslagstelsel, vormt de wezentoeslag uit artikel 8 van de ordonnantie van 25 april 2019 echter een aparte toeslag op de basiskinderbijslag.

Dit zorgt ervoor dat de coördinatieregels uit artikel 69 verordening 883/2004 enkel op de wezentoeslag in de zin van artikel 8 van de ordonnantie van 25 april 2019 van toepassing zijn, terwijl de basiskinderbijslag of andere toeslagen die op grond van de ordonnantie zijn verschuldigd, worden gecoördineerd volgens de artikelen 67 en 68 van de verordening (voor voorbeelden zie punt 8.4).

Let op: dit geldt niet voor wat betreft de overgangsmaatregel bepaald in artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019, die desgevallend aanleiding geeft tot de toekenning van de schaal bepaald in artikel 50bis AKBW. Indien de schaal 50bis is verschuldigd, dient deze, integraal, te worden beschouwd als de aanvullende of speciale gezinsuitkeringen voor wezen in de zin van artikel 69 van verordening 883/2004.

8.2 Specifieke regeling

Artikel 69 van verordening 883/2004 bepaalt dat als op basis van de artikelen 67 en 68 van die verordening de bij voorrang bevoegde lidstaat, geen aanvullende of speciale gezinsuitkering voor wezen betaalt, die lidstaat de normale kinderbijslagprestaties uitkeert terwijl de lidstaat die aanvullend bevoegd is, de aanvullende of speciale gezinsuitkering voor wezen betaalt, volledig en bovenop de al door de eerste lidstaat betaalde gezinsuitkeringen.

De bevoegdheid in het kader van artikel 69 wordt voor de tweede lidstaat bepaald aan de hand van de duur van de onderwerping aan de sociale zekerheid door de overledene.

Dit geldt echter enkel voor zover er een recht op de aanvullende of speciale gezinsuitkering voor wezen wordt toegekend door de wetgeving van de lidstaat die aanvullend bevoegd is.

Indien aan deze wetgeving geen enkel recht op de aanvullende of speciale gezinsuitkering voor wezen wordt ontleend, worden de voorwaarden voor het verwerven van een dergelijk recht krachtens de wetgeving van de overige betrokken lidstaten getoetst en worden de uitkeringen toegekend in afdalende volgorde volgens de duur van de krachtens de wettelijke regelingen van deze lidstaten vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen.

8.3 De sociaal verzekerde en de wees

Het spreekt voor zich dat er zich specifieke problemen stellen bij het aanduiden van een sociaal verzekerde voor de (volle) wees. Daarbij moet een onderscheid worden gemaakt naargelang de wees enerzijds in een andere lidstaat van de EER woont of in Zwitserland (punt 8.3.1) of, anderzijds, in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad (punt 8.3.2).

8.3.1 De wees woont in een andere lidstaat van de EER of in Zwitserland

Zoals aangegeven onder punt 5.1, vergt de export van de Brusselse kinderbijslag echter een sociaal verzekerde in de zin van artikel 3, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord die zich in een bepaalde socioprofessionele situatie bevindt (zie punt 5.2) en aldus een recht opent voor een kind dat onder de bevoegdheid van de GGC valt en in een andere lidstaat woont.

a) Als er een dergelijke sociaal verzekerde is, dan kan ook de wezentoeslag bedoeld in artikel 8 van de ordonnantie van 25 april 2019 worden toegekend aan de (halve) wees in een andere lidstaat. Het is daartoe niet vereist dat er, bijkomend, wordt voldaan aan de voorwaarden bepaald in artikel 56bis AKBW.48Met name de voorwaarde inzake aanspraak maken op ten minste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen in de loop van de twaalf maanden die onmiddellijk het overlijden voorafgaan.

b) Indien er echter, op het moment van het overlijden of daarna, in België geen sociaal verzekerde of voormalige rechthebbende kan worden aangeduid op grond van het samenwerkingsakkoord, kan de Brusselse wezentoeslag op basis van artikel 69 van verordening 883/2004 worden toegekend voor het kind in een andere lidstaat onder de volgende cumulatieve voorwaarden:

  • het kind opende op het moment van het overlijden van minstens één van de beide ouders een recht op de basiskinderbijslag op grond van de ordonnantie van 25 april 2019, dan wel op grond van een kinderbijslagregeling van een andere Belgische gefedereerde deelentiteit of van de voormalige federale gezinsbijslagregelingen én;
  • een sociaal verzekerde in de zin van artikel 3, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord (en dus niet alleen de overleden ouder) vervulde in de loop van de twaalf maanden die onmiddellijk het overlijden van de betreffende ouder voorafgaan de voorwaarden om krachtens de AKBW aanspraak te maken op ten minste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen, al dan niet bij toepassing van de samentelling van tijdvakken (zie punt 1.3.3 supra)49Toepassing art. 3, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord in samenlezing met punt C.2. van CO 1423 van 1 januari 2019. Deze voorwaarde kan worden vervuld bij toepassing van het assimilatiebeginsel (zie punt 1.3.2 supra): zie arrest HvJ 1 februari 2013, C-616/11, Dumont de Chassart..

Maar een interpretatie waarbij die tijdvakken volledig vervuld zouden worden in een andere lidstaat, is alleen van toepassing als een migrerende werknemer een lidstaat verlaat, tijdvakken van verzekering of arbeid vervult in een andere lidstaat en terugkeert naar de oorspronkelijke lidstaat waar hij kinderbijslag aanvraagt.

8.3.2 De wees woont in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad

a) Indien de wees in Brussel woont en een grensoverschrijdende situatie aanleiding geeft tot de toepassing van de socialezekerheidsverordeningen, dan is de wezentoeslag bedoeld in artikel 8 van de ordonnantie van 25 april 2019 naar analogie met punt 8.3.1.a) uiteraard verschuldigd als er een sociaal verzekerde in de zin van artikel 3, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord kan worden aangeduid (zie punt 5.2)

b) Indien er echter, op het moment van het overlijden of daarna, in België geen sociaal verzekerde of voormalige rechthebbende kan worden aangeduid op grond van het samenwerkingsakkoord voor de wees die in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad woont, kan de Brusselse wezentoeslag worden toegekend voor zover er is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van de artikelen 4 en 8 van de ordonnantie van 25 april 2019 (zie voorbeeld 5a infra).

In beide voormelde gevallen wordt de wezentoeslag gecoördineerd overeenkomstig artikel 69 van verordening 883/2004, waarbij de wezentoeslag, desgevallend, volledig en bovenop de al door de eerste lidstaat betaalde gezinsuitkeringen wordt toegekend.

8.4 Voorbeelden

Voorbeeld 1:

Het gezin bestaat initieel uit vader, moeder (die ouder is dan de vader) en hun minderjarige zoon. De vader overlijdt gedurende een periode waarin hij is tewerkgesteld als werknemer in België. Zijn weduwe, is tewerkgesteld in Brussel en woont met de zoon in Nederland (dat geen aanvullende of speciale gezinsuitkering voor wezen toekent).

Indien er na het overlijden nog Nederlandse kinderbijslag wordt toegekend, blijft de Brusselse kinderbijslag prioritair bevoegd, aangezien deze wordt gekwalificeerd als een recht verkregen op grond van werkzaamheden, ingevolge de beroepsactiviteit van de moeder (art. Art. 68, 1), a), verordening 883/2004). Aangezien de moeder over de hoedanigheid van sociaal verzekerde beschikt in de zin van het samenwerkingsakkoord, is de voorwaarde van ten minste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen niet van toepassing. De GGC kent ook de wezentoeslag toe bedoeld in art. 8 van de ordonnantie van 25 april 2019.

Voorbeeld 2:

De vader van het minderjarig kind werkt sinds jaren als werknemer voor een onderneming waarvan de vestigingseenheid in Brussel is gevestigd. De moeder en het kind wonen in Oostenrijk (dat geen aanvullende of speciale gezinsuitkeringen voor wezen in de zin van art. 69 van de verordening 883/2004 toekent). De moeder is in Oostenrijk tewerkgesteld als werknemer.

De Oostenrijkse kinderbijslag wordt bij voorrang betaald en de Brusselse kinderbijslag onder de vorm van een aanvullende toeslag.

De bevoegdheid van de GGC is gebaseerd op artikel 2, eerste lid, 3°, van het samenwerkingsakkoord (exploitatiezetel van de laatste werkgever).

De vader overlijdt. De Brusselse normale kinderbijslagprestaties kunnen niet meer worden toegekend bij gebrek aan een sociaal verzekerde in België en aangezien de woonplaats van het kind niet in Brussel gesitueerd is. De artikelen 67 en 68 van verordening 883/2004 zijn dus niet meer van toepassing.

Desalniettemin geeft artikel 69 van verordening 883/2004 aanleiding tot de toekenning van de wezentoeslag bedoeld in art. 8 van de ordonnantie van 25 april 2019, in de veronderstelling dat de overleden werknemer op grond van de vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen. Er is bovendien voldaan aan voorwaarde inzake de zes maandelijkse forfaitaire bijslagen (zie cumulatieve voorwaarden punt 8.3).

Voorbeeld 3:

Het gezin woont in Tsjechië (dat geen aanvullende of speciale gezinsuitkering voor wezen toekent) en bestaat initieel uit de vader (die ouder is dan de moeder), de moeder (die geen beroepsactiviteit uitoefent) en twee minderjarige kinderen. De vader is sinds 2 maanden tewerkgesteld als werknemer in België. De beide ouders overlijden tegelijktijdig, waarna de kinderen verder worden opgevoed in Tsjechië door de grootouders langs moederzijde.

De bevoegdheid van de GGC is gebaseerd op artikel 2, eerste lid, 3°, van het samenwerkingsakkoord (exploitatiezetel van de laatste werkgever).

De Tsjechische kinderbijslag blijft verschuldigd voor de beide kinderen. Aangezien er in België geen sociaal verzekerde kan worden aangeduid en de woonplaats van de kinderen niet in Brussel gesitueerd kan worden (zie punt 5), is de Brusselse kinderbijslag niet verschuldigd. De artikelen 67 en 68 van verordening 883/2004 zijn niet van toepassing.

Bij gebrek aan het vervullen van de vereiste om krachtens de AKBW aanspraak te maken op ten minste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen, kan de wezenbijslag bedoeld in art. 8 van de ordonnantie van 25 april 2019 niet worden toegekend.

Voorbeeld 4:

De vader overleed in juli 2019 en werkte sinds 2016 als werknemer voor een onderneming waarvan de vestigingseenheid in Brussel is gevestigd. Op grond van artikel 39, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019, maakt het gezin aanspraak op de toekenning van de schaal 50bis AKBW.

De bevoegdheid van de GGC is gebaseerd op artikel 2, eerste lid, 3°, van het samenwerkingsakkoord (exploitatiezetel van de laatste werkgever).

Zijn weduwe, is tewerkgesteld in Nederland en woont er met de minderjarige kinderen en haar nieuwe partner. Toekenning van de kinderbijslag door Nederland, woonland van het kind waar ook de tewerkstelling plaatsvindt.

Aangezien er in België geen sociaal verzekerde kan worden aangeduid en de woonplaats van de kinderen niet in Brussel gesitueerd kan worden (zie punt 5), is de Brusselse kinderbijslag niet verschuldigd. De artikelen 67 en 68 van verordening 883/2004 zijn niet van toepassing.

Artikel 69 van de verordening 883/2004 vindt echter toepassing, cf. de cumulatieve voorwaarden uit punt 8.3.1. Bijgevolg wordt de schaal art. 50bis AKBW volledig uitbetaald, bovenop de door Nederland betaalde kinderbijslag.

Voorbeeld 5.a:

De vader woont in Cyprus is er tewerkgesteld als werknemer. De moeder en het minderjarige kind wonen in Brussel. De moeder is sinds 5 jaar tewerkgesteld in Brussel als werknemer.

De bevoegdheid van de GGC is gebaseerd op artikel 2, eerste lid, 1°, van het samenwerkingsakkoord (wettelijke woonplaats van het kind). De Brusselse kinderbijslag wordt bij voorrang betaald bij toepassing van artikel 68, 1, b, i, van verordening 883/2004.

De moeder overlijdt en het kind blijft in eerste instantie alleen in Brussel wonen. Cyprus kent geen aanvullende of speciale gezinsuitkeringen voor wezen toe in de zin van artikel 69 van verordening 883/2004.

De gewone Brusselse kinderbijslagprestaties worden bij verschil toegekend overeenkomstig artikel 27 van de ordonnantie van 25 april 2019. De Cypriotische kinderbijslag wordt bij voorrang toegekend (art. 68, 1, a), van verordening 883/2004.

De wezentoeslag bedoeld in artikel 8 van de ordonnantie van 25 april 2019 wordt echter volledig, bovenop, toegekend op grond van artikel 69 van de verordening 883/2004. Er is, bij gebrek aan een sociaal verzekerde in België en gelet op het feit dat het kind in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad verblijft, voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 4 en 8 van de ordonnantie van 25 april 2019.

Voorbeeld 5.b:

Zelfde situatie als voorbeeld 5.a, maar enkele maanden na het overlijden van de moeder gaat het kind definitief bij de vader in Cyprus wonen.

De bevoegdheid van de GGC is gebaseerd op artikel 2, eerste lid, 3°, van het samenwerkingsakkoord (lokalisatie van de exploitatiezetel van de laatste werkgever). De gewone Brusselse kinderbijslagprestaties kunnen, bij gebrek aan een sociaal verzekerde in België, niet meer worden toegekend.

De wezentoeslag bedoeld in artikel 8 van de ordonnantie van 25 april 2019 wordt echter nog steeds volledig, bovenop, toegekend op grond van artikel 69 van de verordening 883/2004 (er is voldaan aan de cumulatieve voorwaarden uit punt 8.3, zie supra).

9 WIJZIGING VAN DE BEVOEGDHEID

9.1 Algemeen

Artikel 59 van de toepassingsverordening 987/2009 regelt de wijziging van de bevoegdheid tussen de lidstaten om de kinderbijslag toe te kennen. Deze situatie mag niet worden verward met een bevoegdheidswijziging tussen kinderbijslaginstellingen die afhangen van verschillende deelentiteiten, hetgeen wordt geregeld in punt II van de omzendbrief CO 1423 van 1 januari 2019.

Zoals aangegeven in de bijlage 1, moet men in eerste instantie verifiëren of er een recht op de Brusselse kinderbijslag verschuldigd is (of daarentegen niet langer verschuldigd is).

Bovendien is het desgevallend mogelijk dat er ook in een andere lidstaat een recht op kinderbijslag kan worden toegekend voor hetzelfde tijdvak en hetzelfde kind. Is dit het geval dan ontstaat een samenloop van rechten en moet de lidstaat worden bepaald die de kinderbijslag bij voorrang mag uitbetalen in overeenstemming met de voorrangsregels (zie punt 8).

Artikel 59 geldt zowel wanneer de bevoegdheid tussen lidstaten wijzigt als gevolg van opeenvolgende rechten voor dezelfde persoon of voor verschillende personen als wanneer de bevoegdheid wijzigt als gevolg van een wijziging van voorrang tussen lidstaten in geval van een samenloop van rechten. In wat volgt wordt naar beide mogelijkheden verwezen met de term wijziging van de bevoegdheid (bij voorrang).

9.2 Toepassing van de voorschriften in geval van wijziging van bevoegdheid (voorrang)

Wanneer een gebeurtenis de wijziging van bevoegdheid (bij voorrang) regelt tussen België (Brussel) en een andere lidstaat (bijvoorbeeld begin of einde van een werkzaamheid, verandering van de woonplaats van het kind, inwerkingtreding van een nieuw recht als gevolg van een wijziging van een sociaal verzekerde bij toepassing van het samenwerkingsakkoord), moet bepaald worden wanneer het Belgische (Brusselse) recht (bij voorrang) begint of eindigt.

Overeenkomstig artikel 59 van toepassingsverordening 987/2009 blijft het orgaan dat de kinderbijslag op grond van zijn wetgeving aan het begin van de maand heeft betaald, deze betalen tot het einde van de lopende maand indien de bevoegdheid om kinderbijslag toe te kennen van de ene lidstaat naar de andere overgaat in de loop van een kalendermaand, ongeacht de in de wetgeving van de lidstaten bepaalde vervaldagen voor de betaling van kinderbijslag.

Uit dit principe kunnen de volgende principes worden afgeleid. Daarbij moet men een onderscheid maken naargelang in de loop van een kalendermaand de bevoegdheid (bij voorrang) van een lidstaat overgaat naar België (Brussel) (9.2.1) of omgekeerd (9.2.2).

De toelichting bij deze twee situaties wordt gevolgd door een serie voorbeelden (9.2.3).

9.2.1 Overgang van de bevoegdheid (bij voorrang) van een lidstaat naar België (Brussel) in de loop van een kalendermaand

Het Belgische recht (bij voorrang) wordt toegekend op de eerste dag van de maand (X + 1) die volgt op de maand (X) waarin het buitenlandse recht eindigt.
De referentiemaand (X) is deze waarin de hierboven (introductie punt 9.2) bedoelde gebeurtenis plaatsvindt.

Gevolgen van dit principe:

  • opeenvolging van rechten: artikel 28 van de ordonnantie van 25 april 2019 geldt niet wanneer de bevoegdheid wijzigt in dezelfde kalendermaand. Indien het Belgische (Brusselse) recht echter pas ontstaat in de volgende kalendermaand(en), zullen de bij artikel 28 van de ordonnantie bepaalde voorschriften wel van toepassing zijn (zie voorbeelden hierna);
  • samenloop van rechten: indien het Belgische (Brusselse) recht, overeenkomstig de samenloopregeling uit verordening 883/2004, voorrangsgerechtigd wordt in plaats van aanvullend, zal het Belgische recht toegepast worden vanaf de maand die volgt op de wijziging van de voorrang.

9.2.2 Wijziging van de bevoegdheid (bij voorrang) van België (Brussel) naar een andere lidstaat in de loop van een kalendermaand

België moet de kinderbijslag betalen tot het einde van de maand waarin de bevoegdheid (bij voorrang wijzigt. Dit betreft de maand x waarin de gebeurtenis plaatsvindt die het recht op de Belgische kinderbijslag beëindigt50Het trimestrialiseringsprincipe bedoeld in artikel 39, tweede lid, 5°, van de ordonnantie van 25 april 2019 vindt desgevallend geen toepassing..

Gevolgen van dit principe:

  • opeenvolging van rechten: betalen tot einde van de maand waarin de bevoegdheid (bij voorrang) wijzigt.

Een uitzondering betreft de situatie waarin het recht in toepassing van de overgangsmaatregel getrimestrialiseerd wordt (art. 39, tweede lid, 5°, van de ordonnantie van 25 april 2019) indien de rechten niet op elkaar volgen in dezelfde kalendermaand. In dat geval kan het Belgische recht toegekend worden, binnen de perken van de trimestrialisering, tot het recht in de andere lidstaat vastgesteld is;

  • samenloop van rechten: indien het recht op de Brusselse kinderbijslag, overeenkomstig de bij de Europese Verordeningen vastgelegde voorschriften bij samenloop, niet langer de voorrang heeft in een kalendermaand, wordt het toegekend tot het einde van de lopende maand en wordt eventueel een aanvullend recht toegekend vanaf de eerste dag van de volgende maand.

9.2.3 Uitzondering: wijziging op de eerste dag van de maand waarin de gebeurtenis zich voordoet in relatie met sommige lidstaten

Bepaalde Staten gaan er bij de interpretatie van artikel 59 van toepassingsverordening 987/2009 van uit dat wanneer de gebeurtenis die een wijziging van bevoegdheid tot stand brengt zich voordoet de eerste dag van de maand, de wijziging van bevoegdheid moet plaats hebben vanaf deze maand (eerder dan de eerste dag van de volgende maand).

Met name Nederland houdt vast aan deze afwijkende interpretatie.

Bij gebrek aan een eenvormige interpretatie op EU-niveau en om praktische problemen te vermijden, dient men er - in relatie tot de lidstaten die deze afwijkende interpretatie aanhouden - van uit te gaan dat de wijziging van bevoegdheid reeds intreedt op de eerste dag van de lopende maand wanneer er een samenloop bestaat tussen een Belgisch recht en een recht van een andere Staat die een dergelijke interpretatie volgt (zie voorbeelden in punt 9.2.4).

9.2.4 Voorbeelden

OVERGANG VAN DE BEVOEGDHEID (BIJ VOORRANG) VAN EEN LIDSTAAT NAAR BELGIË IN DE LOOP VAN EEN KALENDERMAAND

Voorbeeld 1: opeenvolging van rechten

Een gezin, bestaande uit de ouders en twee minderjarige kinderen, woont in Frankrijk. Op 10 januari verhuist het gezin naar Brussel. Frankrijk betaalt de kinderbijslag tot eind januari; vanaf 1 februari wordt de Brusselse kinderbijslag toegekend.

Opmerking: indien het gezin pas in Brussel komt wonen in de maand die volgt op de maand waarin het Franse recht eindigt, zal het nieuwe Brusselse recht overeenkomstig artikel 28 van de ordonnantie van 25 april 2019 vastgesteld worden. Aldus zal het recht op grond van de ordonnantie toegekend worden vanaf 1 februari (artikel 28, tweede lid, ordonnantie van 25 april 2019) indien het gezin in februari in Brussel komt wonen. Indien het gezin pas in maart in Brussel komt wonen, zal het recht op de Brusselse kinderbijslag pas vanaf 1 april toegepast worden (artikel 28, eerste lid, ordonnantie van 25 april 2019).

Voorbeeld 2: samenloop van rechten

Het gezin woont in Brussel en bestaat uit de vader, de moeder en hun kind. De vader werkt in Nederland, de moeder is een studente51De moeder voldoet aan de voorwaarden van art. 56sexies, § 1, AKBW en bevindt zich daardoor aanvankelijk in een socio-professionele situatie bedoeld in de vierde kolom van de bijlage van het samenwerkingsakkoord van 6 september 2017 ('Op basis van de woonplaats verkregen recht'. Nederland betaalt bij voorrang de kinderbijslag uit en België betaalt een aanvullende toeslag (het recht verkregen op grond van een werkzaamheid primeert op rechten op grond van de woonplaats- toepassing van artikelen 68, 1), a), van verordening 883/2004).

Op 15 juli begint de moeder te werken als werkneemster in België. Het Nederlandse recht op kinderbijslag wordt zoals gezegd gekwalificeerd als een recht op grond van een werkzaamheid op grond van de tewerkstelling van de vader. Het recht op de Brusselse kinderbijslag moet voortaan eveneens worden gekwalificeerd als een recht op grond van een werkzaamheid op grond van de tewerkstelling van de moeder.

Brussel betaalt bij voorrang de kinderbijslag uit (prioritair bevoegd op grond van de verblijfplaats van het kind) en Nederland zal een aanvullende toeslag betalen (artikel 68, 1), b) van verordening 883/2004).

De Brusselse kinderbijslag is bij voorrang verschuldigd vanaf 1 augustus.

Voorbeeld 3: samenloop van rechten

Een gezin bestaande uit de moeder, de vader en hun minderjarig kind woont in Brussel. De moeder werkt in Nederland en de vader in Brussel. De Brusselse kinderbijslag is bij voorrang verschuldigd (prioritair bevoegd op grond van de verblijfplaats van het kind) en de Nederlandse kinderbijslag door middel van een aanvullende toeslag (art. 68, 1), b), i), en 2), van verordening 883/2004).

Vanaf 15 november is de vader tewerkgesteld als werknemer in Frankrijk. Ingevolge het uniciteitsbeginsel zijn nu de beide ouders niet langer onderworpen aan de Belgische sociale zekerheid (zie punt 1.3.1 supra).

Vanaf 1 december is de Nederlandse kinderbijslag bij voorrang verschuldigd aangezien het bedrag daarvan hoger is dan het bedrag van de Franse kinderbijslag (art. 68, 1), b), i), en 2) van verordening 883/2004). De kosten van de uitkeringen worden verdeeld volgens in de toepassingsverordening bepaalde criteria (zie punt 7.2).

Aangezien er is voldaan aan de voorwaarden uit artikel 4 van de ordonnantie van 25 april 2019, wordt de Brusselse kinderbijslag, desgevallend, eveneens vanaf 1 december (op basis van art. 59 van verordening 987/2009) bij verschil uitbetaald overeenkomstig artikel 27 van dezelfde ordonnantie (zie punt 5.3.1).

Voorbeeld 4: samenloop van rechten

Een gezin, bestaande uit de moeder en twee kinderen, woont in België. De vader, van wie de moeder gescheiden is, werkt in de Verenigde Staten. De moeder werkt in Frankrijk. Frankrijk betaalt kinderbijslag uit en de Brusselse kinderbijslag wordt, bij gebrek aan een sociaal verzekerde in België in de zin van artikel 3 van het samenwerkingsakkoord van 6 september 2017, bij verschil betaald op grond van artikel 27 van de ordonnantie van 25 april 2019 (zie punt 5.3.1 supra).

Op 10 juli gaat de moeder samenwonen met een partner, die in België in loondienst werkt. Hierdoor krijgt het Belgische recht de voorrang ((prioritair bevoegd op grond van de verblijfplaats van het kind; art. 68, 1), b), i), verordening 883/2004) en wordt de Franse kinderbijslag bij verschil betaald.

Het Belgische recht wordt toegekend vanaf 1 augustus. Frankrijk stelt een einde aan zijn betaling bij voorrang op 31 juli.

WIJZIGING VAN DE BEVOEGDHEID (BIJ VOORRANG) VAN BELGIË NAAR EEN ANDERE LIDSTAAT IN DE LOOP VAN EEN KALENDERMAAND

Voorbeeld 5: opeenvolging van rechten

Een gezin, bestaande uit de moeder en een meerderjarig kind, woont in Nederland. De moeder werkt in Brussel. Er is geen recht op de Nederlandse kinderbijslag zodat enkel de Brusselse kinderbijslag wordt toegekend. Op 14 januari stopt de moeder met werken in België; vanaf 15 januari werkt zij in Duitsland.

Tot eind januari kent de GGC kinderbijslag toe, voor zover Duitsland een recht kan vaststellen vanaf 1 februari (toepassing van artikel 59 van verordening nr. 987/2009).

Opmerking: Indien de Brusselse kinderbijslag wordt toegekend op grond van artikel 39 van de verordening van 25 april 2019, dient rekening gehouden te worden met de trimestrialisering (zie art. 39, tweede lid, 5°, van de ordonnantie van 25 april 2019).

In bovenstaand voorbeeld is de trimestrialisering van het Brusselse recht niet van toepassing aangezien de rechten op elkaar volgen in dezelfde kalendermaand.

Indien de moeder echter op 14 januari stopt met werken in België en pas op 15 februari in Duitsland begint te werken, zal het Brusselse recht dat is verschuldigd op grond van artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019 toegekend worden tot eind februari (het recht blijft gelden tot het Duitse recht vastgesteld wordt binnen de perken van de trimestrialisering).

Voorbeeld 6: samenloop van rechten

Een gezin, bestaande uit de vader, de moeder en twee kinderen, woont in Brussel. De moeder werkt in loondienst in Wallonië, de vader in loondienst in Frankrijk. België betaalt bij voorrang de kinderbijslag uit en de GGC is bevoegd op grond van de woonplaats van het kind.

Op 2 september gaat de moeder met pensioen. Hierdoor wijzigt de voorrang : het Franse recht krijgt de voorrang en België (Brussel) zal eventueel een aanvullende toeslag betalen.

Overeenkomstig artikel 59 van Europese toepassingsverordening nr. 987/2009 wijzigt het recht als volgt: vanaf 1 oktober betaalt Frankrijk bij voorrang de kinderbijslag uit en betaalt België eventueel een aanvullende toeslag.

Voorbeeld 7: samenloop van rechten

a) Een gezin, bestaande uit de vader, de moeder en een minderjarig kind, woont in België. De moeder oefent geen beroepsactiviteit uit. Op 10 augustus van het jaar x stopt de vader met werken in loondienst in België en heeft hij recht op een opzeggingstermijn van zes maanden, tot 11 februari van het jaar x+1. Op 1 oktober van het jaar x begint de moeder in loondienst te werken in Nederland. Aangezien de opzeggingstermijn gelijkgesteld is met werk, is het Belgische recht bij voorrang van toepassing tot eind februari x+1 (maand waarin de opzeggingstermijn eindigt). Op 11 februari x+1 wijzigt de bevoegdheid en op 1 maart x+1 wordt Nederland prioritair bevoegd, terwijl het Belgische recht bij verschil wordt betaald bij toepassing van artikel 27 van de ordonnantie van 25 april 2019 (aangezien de vader zich niet langer bevindt in een socioprofessionele situatie bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 september 2017).

b) Zelfde voorbeeld, maar het gezin woont in Nederland. Op 1 oktober van het jaar x krijgt het Nederlandse recht de voorrang aangezien de moeder in Nederland werkt vanaf die datum (gelet op het afwijkende standpunt van Nederland over gebeurtenissen die plaatsvinden op de eerste dag van een kalendermaand). België zal vanaf deze datum een aanvullende toeslag betalen op grond van artikel 68, 1), b), i) en 2), van de verordening 883/2004, tot eind februari van het jaar x+1 (indien het gezin niet geniet van de overgangsmaatregel bedoeld in art. 39 van de ordonnantie van 25 april 2019) of tot eind juni van het jaar x+1 (indien het gezin wel van de overgangsmaatregel geniet, toepassing van het trimestrialiseringsbeginsel).

Voorbeeld 8: samenloop van rechten

Het gezin woont in België. De vader werkt in België tot 15 oktober en begint een activiteit als werknemer in Nederland op 1 november. De moeder werkt in België. België is voortdurend bij voorrang bevoegd. De GGC is bevoegd voor de kinderbijslag gelet op de woonplaats in Brussel. Nederland wordt bevoegd voor de toekenning van de aanvullende toeslag op 1 november (gelet op het afwijkende standpunt van Nederland over gebeurtenissen die plaatsvinden op de eerste dag van een kalendermaand).

10 KRAAMGELD EN ADOPTIEBIJSLAG

10.1 Uitgesloten van het toepassingsgebied van Verordening 883/2004

Zoals vermeld in punt 3 zijn het kraamgeld en de adoptiebijslag, zoals bedoeld in artikel 16 en 17 van de ordonnantie van 25 april 2019, uitgesloten van het materiële toepassingsgebied van Verordening 883/2004.

10.2 Export kraamgeld of adoptiebijslag op basis van verordening 492/2011

De verordening 492/201152Verordening (EU) Nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, Pb. L. 141/1 van 25 mei 2011. Deze verordening verving in juni 2011 de Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap. betreffende het vrije verkeer van werknemers, bepaalt in artikel 7, lid 2, dat een werknemer die onderdaan is van een lidstaat op het grondgebied van andere lidstaten dezelfde sociale en fiscale voordelen geniet als de nationale werknemers.

Deze regel voorziet dus uitdrukkelijk in de gelijke behandeling van nationale en buitenlandse werknemers, waardoor elke vorm van discriminatie wordt voorkomen.

Het kraamgeld vormt een dergelijk sociaal voordeel en moet bijgevolg geëxporteerd worden door de bevoegde lidstaat, namens de werknemer, ten behoeve van zijn kind(eren) die in een andere lidstaat geboren zijn53arrest HvJ 31 mei 1999, nr. C-43/99, Leclere-Deaconescu..

Naar analogie geldt hetzelfde voor de adoptiebijslag ten gunste van kinderen in een andere lidstaat van de EER (zie punt 10.3).

10.3 Persoonlijk toepassingsgebied - begrip werknemer en gelijkgestelde situaties

Verordening 492/2011 is van toepassing op het grondgebied van de Europese Unie en dus ook op onderdanen van de verschillende lidstaten. De verordening is eveneens van toepassing op het grondgebied van de overige lidstaten van de EER en op hun onderdanen54Zie bijlage V van het Akkoord omtrent de Europese Economische Ruimte dat de regels omtrent het vrij verkeer van werknemers omvat en expliciet naar de verordening nr. 492/2011 verwijst. Het betreft dus IJsland, Noorwegen en Liechtenstein..

Verordening 492/2011 is echter niet van toepassing op onderdanen van derde lidstaten, noch in de relaties met Zwitserland. Verordening 1231/201055Verordening (EU) Nr. 1231/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot uitbreiding van Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009 tot onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze verordeningen vallen. noch het Besluit van de Raad van 4 april 200256Besluit Nr. 1/2012 van het Gemengd Comité ingesteld krachtens de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrij verkeer van personen van 31 maart 2012, PB.L. 103/51. refereren immers aan deze verordening.

Aangezien Verordening 492/2011 de term "werknemer" niet definieert, heeft het HvJEU deze omschreven als iedere "persoon die voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een beloning ontvangt"57Arrest HvJ 27 november 1997, nr. C-57/96, Meints..

Zelfstandigen of studenten zijn uitgesloten van het toepassingsgebied.

  • Het begrip "werknemer" omvat elke persoon die een arbeidsovereenkomst heeft ondertekend58Inclusief ambtenaren tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst. . Die hoedanigheid blijft behouden zolang de arbeidsrelatie duurt.

Ook de statutaire ambtenaren moeten voor de toepassing van de verordening 492/2011 worden beschouwd als werknemers.

Gedurende de periodes waarin de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is geschorst is er een recht op kraamgeld of de adoptiebijslag59Voor een compleet overzicht, zie art. 53, § 1, AKBW.. Het betreft bijvoorbeeld periodes van inhaalrust, wettelijke vakantie, feestdagen, staking, etc.

Hetzelfde geldt voor de loopbaanonderbreking, periodes van primaire arbeidsongeschiktheid en invaliditeit.

Al de voormelde periodes moeten in acht worden genomen voor zover ze zich situeren binnen de duur van de arbeidsovereenkomst, en dus niet na bijvoorbeeld een ontslag.

  • Eens de arbeidsverhouding beëindigd is, wordt betrokkene immers geacht zijn hoedanigheid van werknemer te verliezen.

Bijvoorbeeld: ontslagen werknemers die Belgische werkloosheidsuitkeringen ontvangen kunnen op grond van verordening 492/2011 geen aanspraak maken op het kraamgeld of de adoptiebijslag.

Hetzelfde geldt voor het geval van een voormalige werknemer die een invaliditeitspensioen ontvangt, de gepensioneerde en de rentetrekker.

  • Er moet echter op worden gewezen dat voordelen die tijdens die periode zijn verkregen onder bepaalde voorwaarden blijven bestaan na de beëindiging van de beroepsactiviteit:

Zo heeft de ontslagen werknemer voor een geboorte die plaatsvindt tijdens zijn opzegtermijn of de periode die gedekt is door een verbrekingsvergoeding wel recht op kraamgeld.

Let wel: Voor wat betreft periodes die zich situeren na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, herinneren we er aan dat het recht op het kraamgeld enkel kan worden toegekend voor zover het kind rechtgevend is op de basiskinderbijslag60Zie art. 16, § 1, eerste lid en art. 17, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019. Het is echter niet relevant of dat recht ingevolge de toepassing van de samenloopregels in artikel 68 van verordening 883/2004 tot een effectieve of een volledige uitbetaling leidt..

Aangezien het kind in het buitenland verblijft, moet er - naast een werknemer in de zin van verordening 492/2011 - dus ook een sociaal verzekerde in de zin van artikel 3 van het samenwerkingsakkoord van 6 september 2017 kunnen worden aangeduid (zie punt 5), bijvoorbeeld op grond van de socio-professionele situatie bedoeld in art. 53, § 1, 6°, AKBW.

10.4 Anticumulatieregel

Er moet altijd eerst onderzocht worden of een andere lidstaat kraamgeld of een adoptiepremie toekent voor hetzelfde kind.

Indien dat het geval is, is de anticumulatieregel bepaald in artikel 27 van de ordonnantie van 25 april 2019 van toepassing.

Als een andere lidstaat kraamgeld of een adoptiebijslag toekent, betaalt de kinderbijslaginstelling enkel het verschil met het Brusselse kraamgeld of de Brusselse adoptiepremie.

10.5 Toepassing van bilaterale akkoorden voor kraamgeld

Wanneer een met een ander land van de Europese Economische Ruimte (EER) gesloten bilateraal akkoord van toepassing is en dat betrekking heeft op de betaling van het kraamgeld, wordt voorrang gegeven aan de toepassing van dat akkoord, ook als er in dat kader geen specifiek recht kan worden vastgesteld of als het recht niet leidt tot de daadwerkelijke betaling van het kraamgeld. Als het bilateraal akkoord daarentegen niet van toepassing is, kan het kraamgeld alsnog worden geëxporteerd op grond van de verordening 492/2011.

Evenzo is in het kader van de toepassing van een samenwerkingsakkoord geen verschilbetaling vereist.

De bilaterale akkoorden die met Frankrijk, Luxemburg en Duitsland werden gesloten, beperken zich tot de toekenning van kraamgeld. De eerste twee lidstaten volgen de wetgeving van het land van de woonplaats (dat land moet het kraamgeld betalen), terwijl het akkoord met Duitsland de export van het Belgische kraamgeld toestaat.
Aangezien er geen bepalingen zijn over de adoptiepremie, moet Verordening 492/2011 gebruikt worden voor de betaling van die uitkering.

Merk op dat het bilaterale akkoord met Duitsland de export van kraamgeld beperkt tot grensarbeiders in België. De export van kraamgeld voor andere werknemerscategorieën moet gebeuren overeenkomstig Verordening 492/2011.

10.6 Specifieke regels

Wanneer een werknemer vraagt om kraamgeld vroeger uit te betalen, ten vroegste vanaf de zesde maand van de zwangerschap, is de voorwaarde dat de bijslagtrekkende in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gedomicilieerd moet zijn niet van toepassing61Teneinde de gelijke behandeling bepaald in artikel 7, lid 2, van de verordening 492/2011 te garanderen..

Wanneer de aanvraag voor kraamgeld betrekking heeft op een levenloos kind moet bij de aanvraag een akte van aangifte van een levenloos kind worden gevoegd die is uitgereikt door de bevoegde overheid van het andere land.

Tot slot, wanneer de aanvraag om kraamgeld of een adoptiepremie toe te kennen betrekking heeft op een kind dat buiten de Europese Economische Ruimte is geboren of geadopteerd, is de instructie van punt I.8 van de omzendbrief van het Verenigd College van 9 juli 201962Omzendbrief van het Verenigd College van de gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 9 juli 2019 betreffende de Algemene afwijkingen overeenkomstig artikel 5, 16 en 17 van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag. van toepassing.

11 ADMINISTRATIEVE PRAKTIJK

Voor de toepassing van de socialezekerheidsverordeningen op de Brusselse kinderbijslagen blijft de GGC de bevoegde overheid en blijven de kinderbijslaginstellingen de bevoegde instanties, net als in het verleden.

Vanaf 1 januari 2022 heeft Family Benefits Belgium echter de rol van ORINT overgenomen als verbindingsorgaan voor de gezinsbijslagen.

Dit zijn de contactgegevens van dit nieuwe verbindingsorgaan:

Family Benefits Belgium

E-mailadres: info@familybenefitsbelgium.be

Postadres: Belliardstraat 71/3 - 1040 Brussel (België)

Telefoon: +32 71 33 7273

https://www.familybenefitsbelgium.be/nl/home

11.1 Verwerking van een aanvraag

11.1.1 Onjuiste aanvraag

Artikel 68, lid 3, van Verordening 883/2004 bepaalt uitdrukkelijk dat een aanvraag die bij vergissing wordt ingediend bij een lidstaat die niet bevoegd is (door een persoon die daar wel bevoegd toe is), wordt doorgestuurd naar het orgaan van de bevoegde lidstaat. De datum waarop de eerste aanvraag is ingediend, wordt beschouwd als de indieningsdatum bij de bevoegde autoriteit.

11.1.2 Procedure voor de toekenning van de kinderbijslag

Artikel 60 van Verordening 987/2009 geeft een vrij gedetailleerd scenario voor het verloop van de procedure voor de toekenning van gezinsbijslag. De bevoegde organen in de verschillende lidstaten zijn daarbij ook verplicht om stappen te ondernemen om de aanvraag door te sturen naar het bevoegde orgaan van de andere lidstaat.

Artikel 60 van Verordening 987/2009 bepaalt dat als de persoon die gerechtigd is om de uitkeringen aan te vragen dat niet doet, in het geval van de ordonnantie van 25 april 2019, de wettelijke bijslagtrekkende, het bevoegde orgaan rekening houdt met een aanvraag die is ingediend door de andere ouder, een natuurlijke persoon die als ouder wordt beschouwd of door een persoon of instelling die de voogdij over het kind uitoefent, overeenkomstig de bepalingen van artikel 19 van de ordonnantie van 25 april 2019 (zie ook punt 7.4.2).

Alle aanvragen om gezinsbijslag worden onderzocht volgens de regels en procedures die gelden in die lidstaat.

Als het bevoegde orgaan van mening is dat het overeenkomstig zijn wetgeving vastgestelde recht voorrang heeft, wordt de gezinsbijslag uitbetaald.

Als het orgaan oordeelt dat het betrokken gezin mogelijk recht heeft op een aanvullende betaling van een andere lidstaat, stuurt het de aanvraag onverwijld door naar het bevoegde orgaan in die lidstaat en stelt het het orgaan van die lidstaat in kennis van de rechten die het heeft vastgesteld (bedrag van de gezinsbijslag). De sociaal verzekerde wordt op de hoogte gebracht.

Als het bevoegde orgaan van mening is dat het volgens zijn wetgeving vastgestelde recht overeenkomstig de Europese regels geen voorrang heeft, neemt het een voorlopige beslissing betreffende de voorrangsregels en stuurt het de aanvraag voor onderzoek door naar het bevoegde orgaan van de andere lidstaat en brengt het de betrokkene daarvan op de hoogte.

Het bevoegde orgaan van die lidstaat neemt binnen twee maanden een standpunt in ten aanzien van de beslissing van het orgaan van de eerste lidstaat. Als het dat niet doet, wordt de beslissing die het orgaan van de eerste lidstaat heeft genomen definitief. In dat geval betaalt dit laatste orgaan de gezinsbijslag die het verschuldigd is en stelt het bevoegde orgaan van de tweede lidstaat in kennis van het bedrag van de betaalde gezinsbijslag.
In geval van een meningsverschil betaalt het orgaan van de woonplaats van het kind of de kinderen voorlopige uitkeringen. Bij gebrek daaraan betaalt het orgaan waarbij de eerste aanvraag werd ingediend voorlopige uitkeringen.

Als het orgaan dat de gezinsbijslag voorlopig heeft uitgekeerd, vaststelt dat het betaalde bedrag hoger is dan het bedrag dat voor zijn rekening komt, kan het zich tot het prioritair verantwoordelijke orgaan richten om het te veel betaalde terug te vorderen.

Daartoe houdt het prioritair bevoegde orgaan het bedrag dat gelijk is aan het te veel betaalde in op de achterstallige betalingen van de overeenkomstige uitkeringen en maakt dat bedrag over aan het orgaan dat de voorlopige gezinsbijslag heeft betaald.

Indien het te veel betaalde bedrag de achterstallige betalingen overtreft of indien er geen achterstallige betalingen zijn, houdt het prioritair bevoegde orgaan het bedrag in op de te betalen gezinsbijslag overeenkomstig zijn nationale wetgeving en maakt dat bedrag over aan het orgaan dat de voorlopige gezinsbijslag heeft betaald.

11.1.3 Betaling van de bijslag

Artikel 68bis van Verordening 883/2004 bepaalt dat indien degene aan wie de gezinsbijslag normaal moet worden betaald, deze niet voor de opvoeding van de kinderen besteedt, het bevoegde orgaan deze uitbetaalt aan de natuurlijke persoon of de rechtspersoon te wiens laste de kinderen in feite komen. Die betalingswijze kan worden toegepast op verzoek of door tussenkomst van het orgaan van de lidstaat waar de kinderen wonen.

11.2 Uitwisseling van gegevens

In het kader van de uniformisering en modernisering van de gegevensuitwisseling tussen de lidstaten, heeft de Europese Commissie een systeem opgezet voor de elektronische uitwisseling van gegevens betreffende alle socialezekerheidstakken: EESSI63Electronic Exchange of Social Security Information. .

Dit project vindt zijn juridische grondslag in de verordeningen 883/2004 (art. 78) en 987/2009 (art. 95).

Alle socialezekerheidsinstellingen van alle lidstaten moeten zich aanpassen voor de implementatie van het project op hun betreffende niveau.

Dit systeem is op EU-niveau in werking getreden op 2 juli 2019 en de Belgische kinderbijslagtak is toegetreden tot het systeem op 6 december 2021 via de beschermde webservice RINA64Reference implementation for National Application. .

Vanaf die datum, mag er geen enkel papieren E4XX-document meer verzonden worden. Enkel het gebruik van BUC's65Business Use Case. is toegelaten tussen de EER-lidstaten en Zwitserland.

Voor de kinderbijslagsector zijn er 15 SED's66Structured Electronic Document. die deel uitmaken van 4 BUC's.

De BUC's betreffen:

  • FB BUC 01 - Determining compétences;
  • FB BUC 02 - Discharge of FB;
  • FB BUC 03 - FB for orphans;
  • FB BUC 04 - Information about payment regarding priority right.

De eerste (FB_BUC_01) omvat alle gegevens waarover men dient te beschikken bij het beheer van de kinderbijslagdossiers. Hij wordt aangewend voor:

  • De nieuwe aanvragen tot kinderbijslag;
  • De nieuwe geboorten;
  • Inlichtingen omtrent wijzigingen in een dossier;
  • Betalings- of weigeringsbeslissingen;
  • De jaarlijkse controles;
  • De aanvragen tot terugbetaling van kinderbijslagprestaties die werden uitgekeerd in de plaats van de bevoegde kinderbijslaginstelling of van onverschuldigde betalingen;
  • De aanvragen tot bijkomende informatie.

Het betreft dan ook onze voornaamste BUC bij het dossierbeheer.

De tweede (FB_BUC_02) heeft specifiek betrekking op het meedelen of vragen van informatie over de correctheid van een betaling aan een bepaalde persoon, eerder dan aan een andere persoon. In het licht van de verschillende Belgische wetgevingen, denken wij dat deze niet zal worden gebruikt als Case-owner67Dossierbeheerder die de BUC heeft gecreëerd. , maar wij zijn verplicht om er te kunnen op antwoorden als Counterparty68Dossierbeheerder die de aanvraag door de Case-Owner beantwoordt. .

De derde (FB_BUC_03) is specifiek voor de wezenrechten, maar is bijna een dubbel gebruik est spécifique pour les droits orphelins, maar overlapt bijna met de FB_BUC_01.

Wij denken dat we eerder de FB_BUC_01 zullen gebruiken in plaats van deze BUC als Case-Owner, maar wij zijn verplicht om er te kunnen op antwoorden als Counterparty.

De vierde (FB_BUC_04) is informatief en vergt geen antwoord. Deze BUC strekt er eenvoudigweg toe om een andere lidstaat te informeren over een prioritaire betaling.

Aangezien er regelmatig regularisaties in de betalingen plaatsvinden, denken we dat we eerder de FB_BUC_01 zullen gebruiken in de plaats van deze BUC als Case-Owner, maar wij zijn verplicht om er te kunnen op antwoorden als Counterparty.

Sinds begin 2024 is elke kinderbijslaginstelling verantwoordelijk voor zijn eigen uitwisselingsomgeving in de RINA-webservice.

U kan contact opnemen met Iriscare voor alle vragen betreffende de gegevensuitwisseling met een andere lidstaat.

Bedankt voor uw medewerking.

Hoogachtend.

 

 

Tania Dekens
Leidend ambtenaar

Bijlagen:

BIJLAGE 1. SCHEMA - TOEKENNING VAN DE BRUSSELSE KINDERBIJSLAGPRESTATIES ONDER DE TOEPASSING VAN VERORDENING 883/2004

STAP 1.
Bepalen van het nationale socialezekerheidsstelsel waaraan elke sociaal verzekerde onderworpen is (Titel II verordening 883/2004)

Zie punt 1.3.1. en de aldaar vermelde toelichting.

Elke sociaal verzekerde is slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen (uniciteitsbeginsel);

Het is echter mogelijk dat er voor één kind meerdere sociaal verzekerden worden aangewezen die een recht op de kinderbijslag openen, desgevallend in verschillende lidstaten.​

STAP 2.
Is er een sociaal verzekerde in de zin van het samenwerkingsakkoord (onderwerping aan de Belgische sociale zekerheid)?

België is bevoegd voor de toekenning van de gezinsbijslagen in de volgende gevallen:

  1. Er is minstens één sociaal verzekerde onderworpen aan de Belgische sociale zekerheid (art. 3, eerste lid SWA) die zich in een socio-professionele situatie bevindt (art. 3, tweede lid, SWA) of een voormalig rechthebbende (art. 4 SWA) ten aanzien van een kind dat in een lidstaat van de EER of Zwitserland woont (incl. in Brussel: art. 4, 1°, ordonnantie 25 april 2019);

In de situaties onder punt a) kan de wezentoeslag verschuldigd zijn (zie punt 8 instructie), maar ook daarbuiten kan de wezentoeslag verschuldigd zijn op grond van art. 69 van verordening 883/2004.

NB: Bij gebrek daaraan kan er alsnog een recht worden geopend als het kind voldoet aan de voorwaarden art. 4 ORD (zie punt 5.3 instructie): zie STAP 4.​

STAP 3.
Zo ja: Welke Belgische deelentiteit is bevoegd?

De aansluitingsregels uit art. 2 van het Samenwerkingsakkoord duiden de GGC aan als bevoegde deelentiteit: zie CO 1423.

Let op voor verwarring tussen de volgorde van de aanknopingsfactoren in art. 2 SWA met de volgorde van de samenloopregeling bepaald in art. 68 van verordening 883/2004.​

STAP 4.
Indien de GGC door het Samenwerkingsakkoord wordt aangeduid als bevoegde deelentiteit: is er voldaan aan de toepassingsvoorwaarden uit ordonnantie?

Er moet worden voldaan aan de toepassingsvoorwaarden uit de ordonnantie.

Dit geldt uiteraard onverminderd het recht van de Europese Unie: zie met name de punten 1.3.2 tot en met 1.3.4 van de instructie (gelijkheids- en assimilatiebeginsel, samentelling van tijdvakken en export van de kinderbijslag).

NB: Bij gebreke aan een sociaal verzekerde onderworpen aan de Belgische sociale zekerheid (art. 3, eerste lid SWA) die zich in een socio-professionele situatie bevindt (art. 3, tweede lid, SWA) of een voormalig rechthebbende (art. 4 SWA) (zie STAP 2), kan er op basis van de ordonnantie van 25 april 2019 alsnog een recht worden geopend als het kind voldoet aan de voorwaarden art. 4 ORD (zie punt 5.3 instructie).​

STAP 5.
Indien er ook door een andere lidstaat een recht op kinderbijslag is verschuldigd: toepassing samenloopregeling (art. 68 verordening 883/2004, of, desgevallend, art. 27 ORD)

De samenloopregeling geldt slechts ten aanzien van prestaties die uitkeerbaar zijn (zie punt 7.4.2 instructie) en betrekking hebben op prestaties van dezelfde aard die betrekking hebben op eenzelfde tijdvak van verplichte verzekering voor hetzelfde kind (artikel 10 van de verordening nr. 883/2004).

De rechten die op grond van de ordonnantie van 25 april 2019 worden toegekend én onder het toepassingsgebied van artikel 68 van verordening 883/2004 vallen, vormen echter allen gezinsbijslagprestaties van dezelfde aard in de zin van artikel 10 van de verordening.

Let op: In het geval bedoeld in de NB onder STAP 4, dient de Brusselse kinderbijslag te worden toegekend met toepassing van de anti cumul-regeling bepaald in artikel 27 van de ordonnantie van 25 april 2019.

Let op: Voor de wezentoeslag bepaalt artikel 69 van de verordening 883/2004 een specifieke regeling: zie punt 8 van de instructie.

Bijlage 2: Inhoudstafel

Zie bovenaan de pagina