CO GB 25 – 10 OKTOBER 2024 – Samenwoningssituaties in de ordonnantie van 25 april 2019 met een impact op het toe te kennen bedrag van de gezinsbijslag
Table of contents
- 1 INLEIDING
- 2 DEZELFDE OF AFZONDERLIJKE HOOFDVERBLIJFPLAATS IN DE ZIN VAN ARTIKEL 3, EERSTE LID, 5°, VAN DE WET VAN 8 AUGUSTUS 1983 TOT REGELING VAN EEN RIJKSREGISTER VAN DE NATUURLIJKE PERSONEN
- 3 SAMENWONING
-
4 FEITELIJK GEZIN
- 4.1 DEFINITIE - COMPONENTEN
-
4.2 BEWIJSMIDDELEN
- 4.2.1 VERMOEDEN VAN FEITELIJKE GEZINSVORMING OP GROND VAN DE GEGEVENS UIT HET RIJKSREGISTER
- 4.2.1.1 WEERLEGGING VAN HET VERMOEDEN VAN FEITELIJKE GEZINSVORMING OP GROND VAN DE GEGEVENS UIT HET RIJKSREGISTER
- 4.2.2 DE GEZINSVORMING BLIJKT NIET UIT DE GEGEVENS VAN HET RIJKSREGISTER - ANDERE BEWIJSMIDDELEN DIE KUNNEN WORDEN AANGEWEND
- 4.2.2.1 EEN VASTSTELLING DOOR EEN AMBTENAAR BELAST MET HET TOEZICHT
- 4.2.2.2 EEN VASTSTELLING DOOR EEN ANDERE OVERHEIDSDIENST, WAARUIT DE FEITELIJKE GEZINSVORMING BLIJKT
- 4.2.2.3 EEN GEMEENSCHAPPELIJKE SCHRIFTELIJKE VERKLARING
-
4.3 INCIDENTIE
- 4.3.1 SOCIALE TOESLAGEN (ARTIKEL 9)
- 4.3.2 GEZINSGROOTTE (ARTIKEL 11)
- 4.3.2.1 SAMENWONING: ZELFDE HOOFDVERBLIJFPLAATS RIJKSREGISTER EN BIJ GEBREK DAARAAN OFFICIËLE DOCUMENTEN
- 4.3.2.2 VERWANTSCHAPS- OF GEZINSBAND
- 4.3.3 NIET CUMULEREN ADOPTIEBIJSLAG EN KRAAMGELD (ARTIKEL 18)
- 4.3.4 OVERGANGSMAATREGELEN (ARTIKEL 39)
-
5 EENOUDERGEZIN
- 5.1 DEFINITIE - COMPONENTEN
-
5.2 BEWIJSMIDDELEN
- 5.2.1 AFWEZIGHEID VAN FEITELIJKE GEZINSVORMING
- 5.2.2 AFWEZIGHEID VAN HUWELIJK, TENZIJ GEVOLGD DOOR FEITELIJKE SCHEIDING
- 5.2.2.1 ALGEMEEN
- 5.2.2.2 BEWIJSMIDDELEN
- 5.2.2.3 SPECIFIEKE SITUATIE: HUWELIJK IN HET BUITENLAND
- 5.2.2.3.1 Algemeen
- 5.2.2.3.2 Praktische gevolgen voor de toepassing van de artikelen 9 en 39, tweede lid, 6°, van de ordonnantie van 25 april 2019
- 5.2.2.4 AANDACHTSPUNTEN
- 5.2.2.5 GEGEVENSINWINNING
- 5.3 INCIDENTIE
- 6 DEEL UITMAKEN VAN HET GEZIN
Betreft: Samenwoningssituaties in de ordonnantie van 25 april 2019 met een impact op het toe te kennen bedrag van de gezinsbijslag
Mevrouw,
Mijnheer,
1 INLEIDING
Deze omzendbrief licht een serie samenwoningssituaties toe die voorkomen in de Brusselse gezinsbijslagregelgeving en een impact hebben op het toegekende bedrag van de gezinsbijslag.
Het gaat daarbij niet om de aanwijzing van de bijslagtrekkende of om de voorwaarden die moeten zijn vervuld opdat het kind een recht op de kinderbijslag1Zie met name punt 3 van de CO GB 5/1 met betrekking tot de vaststelling of het weerleggen van de woonplaats van het kind in de zin van art. 3, 4°, van de ordonnantie van 25 april 2019. kan openen.
In wat volgt worden de betreffende samenwoningssituaties stuk voor stuk gedefinieerd (zie 'definitie - componenten') en vervolgens worden de bewijsmiddelen die gelden voor het aantonen of het weerleggen van het bestaand ervan toegelicht. Ten slotte wordt in het luik 'incidentie' toegelicht in welke bepalingen van de ordonnantie van 25 april 20192Ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag, BS 8 mei 2019, hierna ordonnantie van 25 april 2019 genoemd. de betreffende samenwoningssituatie voorkomt.
Als bijlage 1 bij deze instructie vindt u een inhoudstafel.
Deze omzendbrief treedt onmiddellijk in werking vanaf de publicatie. Aangezien de procedure voor de bewijsvorming op bepaalde punten afwijkt van de eerder geldende instructies, mag men in de bestaande gevallen de betaling voortzetten, en dit totdat er zich een wijziging in de samenwoningssituatie voortdoet waarvan de kinderbijslaginstelling op de hoogte is gebracht, dan wel totdat het gezin een vraag tot herziening indient, en dit binnen de grenzen van de verjaring.
2 DEZELFDE OF AFZONDERLIJKE HOOFDVERBLIJFPLAATS IN DE ZIN VAN ARTIKEL 3, EERSTE LID, 5°, VAN DE WET VAN 8 AUGUSTUS 1983 TOT REGELING VAN EEN RIJKSREGISTER VAN DE NATUURLIJKE PERSONEN
2.1 DEFINITIE - COMPONENTEN
Op meerdere plaatsen (zie punt 2.3) verwijst de ordonnantie van 25 april 2019 naar de hoofdverblijfplaats, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen3Wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, BS 21 april 1984..
Het gaat daarbij om de hoofdverblijfplaats volgens de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen. Het betreft dus een gekwalificeerd gegeven uit authentieke bron dat wordt verondersteld overeen te stemmen met de feitelijke situatie, dat wil zeggen de plaats waar een persoon gewoonlijkverblijft gedurende het grootste deel van het jaar4Art. 3 Wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten, BS 3 september 1991..
De vermelding in de ordonnantie van 25 april 2019 naar de hoofdverblijfplaats in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen, is niet voor interpretatie vatbaar en mag dus niet worden verward met andere gegevens die in het Rijksregister worden vermeld, zoals de samenstelling van het gezin.
2.2 BEWIJSMIDDELEN
Voor de vaststelling van de hoofdverblijfplaats, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983, kunnen enkel de gekwalificeerde gegevens uit authentieke bron worden aangewend (flux Rijksregister).
Zoals in de volgende hoofdstukken wordt toegelicht, kunnen de gegevens over de hoofdverblijfplaats afkomstig uit het Rijksregister wel worden weerlegd of aangevuld met andere bewijsmiddelen, met name op grond van officiële documenten (zie met name de punten 4.2.1.1 - 4.3.2.1 - 5.2.2.2).
De eventuele weerlegging van de gegevens uit het Rijksregister moet zijn gebaseerd op ten minste één officieel document dat is afgeleverd door een overheidsinstantie, overeenkomstig de procedure vermeld in punt 3.2.3 van CO GB 5/1 om de bewijskracht van de gegevens in het Rijksregister te weerleggen (inclusief het temporeel toepassingsgebied, zie punt 3.3.3 van CO GB 5/1).
2.3 INCIDENTIE
2.3.1 DE SOCIALE TOESLAGEN (ARTIKEL 9)
In het kader van het onderzoek naar het recht op de verhoging van de sociale toeslag voor eenoudergezinnen5Zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, 1°, b) en c), van de ordonnantie van 25 april 2019 (gezinnen in de laagste inkomenscategorie met twee of meer rechtgevende kinderen). en het behoud daarvan, moet de gehuwde bijslagtrekkende die feitelijk gescheiden leeft, aantonen dat hij/ze een afzonderlijke hoofdverblijfplaats heeft ten opzichte van de echtgenoot om aanspraak te kunnen maken op de hoedanigheid van eenoudergezin (voor meer details, inclusief de weerlegging van de gegevens uit het Rijksregister, zie punt 5.2.2.2).
2.3.2 GEZINSGROOTTE (ARTIKEL 11)
Opdat rekening kan worden gehouden met de rechtgevende kinderen, opgevoed door verschillende bijslagtrekkenden voor de gezinsgrootte, moeten de bijslagtrekkenden aantonen dat zij dezelfde hoofdverblijfplaats hebben. Indien dit niet het geval is, kan er niet, of niet langer, rekening worden gehouden met de groepering van kinderen opgevoed door meerdere bijslagtrekkenden (voor meer details, inclusief de weerlegging van de gegevens uit het Rijksregister, zie punt 4.3.2).
3 SAMENWONING
3.1 DEFINITIE
De samenwoning verwijst naar een feitelijke situatie waarbij wordt vastgesteld dat twee of meer personen eenzelfde woonplaats delen, dat wil zeggen samen onder hetzelfde dak wonen.
3.2 BEWIJSMIDDELEN
De samenwoning wordt bewezen door de vermelding van een gemeenschappelijk adres van de betrokkenen als hoofdverblijfplaats volgens de informatie uit het Rijksregister van de natuurlijke personen (zie punt 2).
Een dergelijke inschrijving in het Rijksregister creëert een vermoeden van samenwoning totdat het tegendeel is bewezen. Deze weerlegging moet zijn gebaseerd op ten minste één officieel document dat is afgeleverd door een overheidsinstantie, overeenkomstig de procedure vermeld in punt 3.2.3 van de CO GB 5/1, om de bewijskracht van de gegevens afkomstig uit het Rijksregister te weerleggen (inclusief het temporeel toepassingsgebied, zie punt 3.3.3 van CO GB 5/1).
Indien er geen gemeenschappelijke hoofdverblijfplaats is volgens de gegevens van het Rijksregister, kan de samenwoning eveneens worden aangetoond door middel van minstens één officieel document dat is afgeleverd door een overheidsinstantie, overeenkomstig de procedure vermeld in punt 3.2.3 van de CO GB 5/1, om de bewijskracht van de gegevens afkomstig uit het Rijksregister te weerleggen (inclusief het temporeel toepassingsgebied, zie punt 3.3.3 van CO PF 5/1).
3.3 INCIDENTIE
3.3.1 SOCIALE TOESLAG (ARTIKEL 9)
Overeenkomstig artikel 9 van de ordonnantie van 25 april 2019 kan de bijslagtrekkende aanspraak maken op een sociale toeslag, op voorwaarde dat het jaarlijks inkomen van zijn gezin de toegestane grenzen niet overschrijdt.6Er gelden twee inkomensplafonds; waarbij de inkomens voor het laagste inkomensplafond minder dan 31.000 euro (te indexeren) moeten bedragen en waarbij de inkomens voor het hoogste inkomensplafond minstens 31.000 en minder dan 45.000 euro moeten bedragen (te indexeren).
Voor de toepassing van deze bepaling stelt artikel 3, 7°, van de voornoemde ordonnantie dat het jaarlijks gezinsinkomen de belastbare beroeps- en vervangingsinkomens van de bijslagtrekkende omvat, waaraan desgevallend de inkomens van de echtgenoot met wie hij/zij samenwoont, of van de persoon met wie hij/zij een feitelijk gezin vormt, worden toegevoegd. De samenwoning is een wettelijke verplichting voor de echtgenoten op grond van artikel 213 oud Burgerlijk wetboek.
Bovendien is de bovengenoemde sociale toeslag in elk geval niet verschuldigd wanneer de kadastrale inkomens7Met name 2 000 euro (niet geïndexeerd). Zie art. 39, 11°, van de ordonnantie van 25 april 2019 en de modaliteiten in hoofdstuk 5/1 van het BVC van 24 oktober 2019 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning van de sociale toeslagen en bepaalde toeslagen waarin de Algemene Kinderbijslagwet voorziet, MB 22 november 2019. van de bijslagtrekkende evenals die van de echtgenoot met wie hij/zij samenwoont of van de persoon met wie hij/zij een feitelijk gezin vormt, de toegestane grens overschrijden8Voor meer details over de procedure voor de toekenning van sociale toeslagen, verwijzen we naar CO GB 2 van 5 juli 2019 - Procedure voor de provisionele toekenning van de sociale toeslagen in het Brussels Gewest vanaf 1 januari 2020, evenals naar CO GB 22 van 6 juli 2023 - De evaluatie van het kadastraal inkomen in het kader van de toekenning van de sociale toeslagen.
3.3.2 OVERGANGSMAATREGELEN (ARTIKEL 39)
In toepassing van artikel 39, tweede lid, 7°, van de ordonnantie van 25 april 2019 (overgangsmaatregelen), blijven de schalen van de sociale toeslagen die op 31 december 2019 werden toegekend krachtens de artikelen 42bis of 50ter van de AKBW, verschuldigd zolang het jaarlijkse inkomen van de bijslagtrekkende de toegestane grens niet overschrijdt en, in voorkomend geval, het gezin een eenoudergezin blijft.9Met name 31.000 euro (te indexeren). Deze voorwaarde geldt niet ten aanzien van de rechthebbenden bedoeld in artikel 56quater en 56quinquies van de AKBW die voor de maand december 2019 de schaal genoten bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter van die wet.
Voor de samentelling van de beroeps-of vervangingsinkomsten van de bijslagtrekkende en diens echtgenoot voor het berekenen van het jaarlijks gezinsinkomen, bepaalt artikel 3, 7°, van de ordonnantie van 25 april 2019 dat de echtgenoten moeten samenwonen.
De schaal van de toeslagen bedoeld in de artikelen 42bis of 50ter AKBW is in elk geval niet verschuldigd als de kadastrale inkomsten van de bijslagtrekkende, evenals die van de echtgenoot met wie hij samenwoont, de toegestane grens overschrijden.10Met name 2 000 euro (niet geïndexeerd). Zie art. 39, 11° van de ordonnantie van 25 april 2019 en de modaliteiten in hoofdstuk 5/1 van het BVC van 24 oktober 2019 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning van de sociale toeslagen en bepaalde toeslagen waarin de Algemene Kinderbijslagwet voorziet, MB 22 november 2019.
Voor wat betreft het eenoudergezin, zie punt 5.
4 FEITELIJK GEZIN
4.1 DEFINITIE - COMPONENTEN
In wat volgt wordt de definitie van de notie feitelijk gezin en haar bestanddelen toegelicht. Deze toelichting illustreert de principes waarop de bewijsvoering is gebaseerd zoals wordt toegelicht onder punt 3.2, dat de daadwerkelijke richtsnoeren voor het dossierbeheer bevat.
Als bijlage 2 bij deze instructie bevindt zich een overzichtsschema als bijkomende toelichting.
Artikel 3, 6°, van het ordonnantie van 25 april 2019 definieert het begrip feitelijk gezin als "de samenwoning van personen die geen bloed- of aanverwant tot en met de derde graad zijn, die een gezamenlijke huishouding voeren door er financieel of op een andere manier aan bij te dragen".
Deze definitie impliceert het bestaan van 3 cumulatieve voorwaarden:
- Minstens twee personen moeten onder hetzelfde dak wonen (samenwonen);
- Deze personen mogen geen bloed- of aanverwanten zijn tot en met de derde graad;
- Ze moeten gezamenlijk de huishoudelijke aangelegenheden regelen, door daaraan financieel of op een andere manier bij te dragen.
Deze 3 voorwaarden worden hierna verder toegelicht.
4.1.1 SAMENWONING
Aangezien het feitelijk gezin een bijzondere hypothese van samenwoning11GwH, 4 februari 2021, nr. 17/2021. Het louter tijdelijk huisvesten van een persoon, bijvoorbeeld van een familielid voor een korte période (bv. gedurende een vakantieperiode) stemt niet overeen met deze voorwaarde. is (zie punt 3), is het noodzakelijk dat de bijslagtrekkende en de persoon of personen die geen bloed- of aanverwanten zijn tot en met de derde graad, samen onder hetzelfde dak wonen, op een regelmatige en stabiele manier. Deze samenwoning hoeft niet noodzakelijk ononderbroken te zijn, maar moet zich kenmerken door een zekere bestendigheid en een zekere duur12Cass. 18 maart 2002, RG S.01.0136.N, Arbh. Brussel 25 februari 2016, R.G. 2014/AB/769. 9.
Voorbeeld: Sophie, bijslagtrekkende voor haar twee kinderen, woont in een gebouw met drie appartementen. Haar voormalige buurman, Alex, heeft momenteel geen verblijfplaats meer wegens een gebrek aan voldoende bestaansmiddelen, maar Sophie heeft toegestaan dat Alex op haar adres is ingeschreven als referentieadres. Van enige feitelijke samenwoning is echter geen sprake, zodat Sophie en Alex ook geen feitelijk gezin vormen.
Sophie zal het vermoeden van de vorming van een feitelijk gezin kunnen weerleggen aan de hand van de nodige bewijsstukken, met name als reactie op het model J dat haar zal worden toegestuurd (zie infra, punt 4.2.1.1.c).
4.1.2 AFWEZIGHEID VAN BLOED OF AANVERWANTSCHAP TOT EN MET DE 3E GRAAD
De personen die een feitelijk gezin vormen met de bijslagtrekkende mogen geen bloed- of aanverwanten zijn tot en met de derde graad. Het is op dit punt belangrijk op te merken dat hiermee wordt verwezen naar de ascendenten, descendenten alsook de aanverwanten tot die graad.
Ten opzichte van de bijslagtrekkende kunnen de volgende personen als bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad worden beschouwd :
- zijn/haar kind en diens echtgeno(o)te;
- zijn/haar kleinkind en diens echtgeno(o)te;
- zijn/haar achterkleinkind en diens echtgeno(o)te;
- zijn/haar vader en moeder - desgevallend door volle adoptie- zijn/haar stiefvader en stiefmoeder;
- zijn/haar grootvader en grootmoeder en hun echtgenoten;
- zijn/haar overgrootvader en overgrootmoeder en hun echtgenoten;
- zijn/haar oom, tante en hun echtgenoten;
- zijn/haar broer, zus en hun echtgenoten;
- zijn/haar neef of nicht en hun echtgenoten;
- alle voormelde bloed- of aanverwanten van zijn/haar echtgeno(o)te.
Onder echtgenoten worden verstaan twee personen die door een wettelijk huwelijk zijn verbonden in de zin van het burgerlijk recht.
In het Belgisch recht ontstaat er geen aanverwantschap door wettelijk samenwonen. Er ontstaat geen familieband tussen de partner en de familie van de andere partner, zoals dat bij een huwelijk wel het geval is13Omtrent het onderscheid tussen de burgerrechtelijke rechtsfiguren van het burgerlijk huwelijk en de wettelijke samenwoning, zie o.a. het arrest GwH van 28 mei 2019, nr. 83/2019, waarbij het Hof onder meer aangeeft dat de wettelijke samenwoning niet tot doel heeft een kader aan te bieden voor het gezinsleven (…) daar het een geïnstitutionaliseerde vorm van samenleven betreft die kan worden gekozen door personen die geen gezin vormen noch willen vormen (zie o.a. overweging B.9.2)..
4.1.3 SAMEN DE HUISHOUDELIJKE AANGELEGENHEDEN REGELEN, DOOR DAARAAN FINANCIEEL OF OP EEN ANDERE MANIER BIJ TE DRAGEN
De bijslagtrekkende en de persoon of personen die geen bloed- of aanverwanten zijn tot en met de derde graad, die onder hetzelfde dak wonen, moeten de organisatie van huishoudelijke taken en activiteiten delen.
Dit omvat, bijvoorbeeld, het onderhoud en indien nodig de inrichting van de woning, de was doen, boodschappen doen, het bereiden en consumeren van maaltijden, evenals de deelname aan andere dagelijkse huishoudelijke activiteiten14Cass. 9 oktober 2017, R.G. S.16.0084.N..
Deze component benadrukt de samenwerking in de organisatie van het leven onder hetzelfde dak.
Voor het vormen het feitelijk gezin is het bovendien vereist dat de uitkeringsgerechtigde, door gezamenlijk de huishoudelijke zaken te regelen, een economisch-financieel voordeel behaalt, hetzij zuiver financieel zoals door de deelname aan de huishoudelijke lasten (huur, energierekeningen, aankoop van meubels of huishoudelijke apparaten, internetfactuur, enz.) of door het delen van de huishoudelijke taken (doen van de was, het gras maaien, de kinderen in de gaten houden, enz.).
Deze bijdrage kan variëren afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het huishouden, maar moet op een concrete en niet hypothetische manier leiden tot een besparing van de uitgaven15GwH, 4 februari 2021, nr. 17/2021 ; zie overwegingen 5.2 et 8.2. . Met andere woorden, de financiële of huishoudelijke bijdrage moet effectief en aanzienlijk zijn om een gezamenlijke organisatie van het leven onder hetzelfde dak te overwegen.
Bijgevolg moeten voor de voorwaarde besproken onder onderhavig punt 4.1.3 de middelen (financieel of huishoudelijk) worden samengevoegd en moeten de taken van het huishouden worden gedeeld.
4.2 BEWIJSMIDDELEN
De bewijsmiddelen aan de hand waarvan het vermoeden van de vorming van een feitelijk gezin kan worden aangetoond of weerlegd, wordt op strikte wijze geregeld16Zie art. 2 van het Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 24 oktober 2019 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning van de sociale toeslagen en bepaalde toeslagen waarin de Algemene Kinderbijslagwet voorziet, BS 22 november 2019..
In de eerste plaats wordt vermoed dat er een feitelijk gezin is gevormd indien de bijslagtrekkende en de personen waarmee hij/ze samenwoont dezelfde hoofdverblijfplaats hebben volgens de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen. Zie hiertoe punt 4.2.1.
Punt 4.2.2 licht toe welke andere bewijsmiddelen er kunnen worden aangewend indien er geen vermoeden van de feitelijk gezinsvorming blijkt uit de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen.
Opgelet: indien de vorming van het feitelijk gezin wordt aangetoond en dit ertoe leidt dat rechten worden ingeperkt of beëindigd, moet dit bewijs ook in aanmerking worden genomen in dat dossier indien daaruit volgt dat er (bijkomende) rechten worden toegekend.
Omgekeerd, indien de vorming van het feitelijk gezin wordt aangetoond en dit ertoe leidt dat er (bijkomende) rechten worden toegekend, moet dit bewijs ook in aanmerking worden genomen indien dat ertoe leidt dat rechten worden ingeperkt of beëindigd. |
Dit geldt ook indien de vorming van een feitelijk gezin wordt aangetoond aan de hand van een verklaring door de bijslagtrekkende, al dan niet samen met de andere gezinsleden.
Voorbeeld 1:
An is de bijslagtrekkende voor haar twee rechtgevende kinderen kind die bij haar inwonen. Ze ontvangt de verhoging voor eenoudergezinnen bij de sociale toeslag bedoeld in art. 9, eerste lid, 1°, b), ordonnantie van 25 april 2019. Vervolgens verklaart ze een feitelijk gezin te vormen met Robert en diens 3 rechtgevende kinderen en aangezien dit niet blijkt uit het Rijksregister staaft ze de samenwoning met een geldig officieel document (zie punt 4.2), in combinatie met een gezamenlijke verklaring van de vorming van een feitelijk gezin in de zin van artikel 11, eerste lid, b), van de ordonnantie van 25 april 2019.
De verklaring geldt tot bewijs van het tegendeel en wordt in aanmerking genomen voor de toepassing van de artikelen 7 en 9 van de ordonnantie van 25 april 2019. Dit impliceert echter tevens het verlies van de verhoging van de sociale toeslag voor eenoudergezinnen en een eventuele verhoging van het jaarlijks gezinsinkomen.
Voorbeeld 2:
Bea is de bijslagtrekkende voor haar twee rechtgevende kinderen die bij haar inwonen. Ze ontvangt de verhoging van de sociale toeslag voor eenoudergezinnen bedoeld in artikel 9, eerste lid, 1°, b), van de ordonnantie van 25 april 2019.
In februari komt Cazimir bij haar inwonen die de bijslagtrekkende is voor zijn rechtgevend kind dat eveneens bij het gezin intrekt. De twee ouders en drie rechtgevende kinderen hebben voortaan dezelfde hoofdverblijfplaats in het Rijksregister. Er geldt een vermoeden van de vorming van een feitelijk gezin dat geldt tot bewijs van het tegendeel (zie punt 4.2.1).
Met het oog op de correcte toepassing van de ordonnantie van 25 april 2019 worden de formulieren SUPPL_NO + Decl_Suppl verzonden, hetgeen leidt tot de stopzetting van de toeslag en de verzending van een formulier om gezamenlijk inkomensverklaring in te vullen17CO GB 2 van 5 juli 2019 - Procedure voor de provisionele toekenning van de sociale toeslagen in het Brussels Gewest vanaf 1 januari 2020,.
Tegelijk zorgt de vaststelling van de vorming van een feitelijk gezin ervoor dat er rekening kan worden gehouden met de kinderen van beide bijslagtrekkenden voor de berekening van de bedragen in artikel 7 en 9 van de ordonnantie van 25 april 2019 (zie punt 4.3.2).
4.2.1 VERMOEDEN VAN FEITELIJKE GEZINSVORMING OP GROND VAN DE GEGEVENS UIT HET RIJKSREGISTER
Indien de bijslagtrekkende en de personen die geen bloed- of aanverwant tot en met de derde graad zijn dezelfde hoofdverblijfplaats hebben volgens de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen, wordt vermoed dat ze samen een feitelijk gezin vormen.
Dit vermoeden geldt tot bewijs van het tegendeel, in te roepen door degene die het vermoeden wenst te weerleggen en dus desgevallend door de sociaal verzekerde (zie punt 4.2.1.1).
Opgelet: met uitzondering van de twee situaties bepaald in punt 4.2.1.1 (ambtshalve weerlegging van het vermoeden) leidt de vaststelling van dit vermoeden ertoe dat een model J moet worden verzonden aan de bijslagtrekkende om aan de familie te vragen of er elementen bestaan die toelaten om het vermoeden van de vorming van een feitelijk gezin te weerleggen en desgevallend de nodige bewijsstukken te bezorgen |
4.2.1.1 WEERLEGGING VAN HET VERMOEDEN VAN FEITELIJKE GEZINSVORMING OP GROND VAN DE GEGEVENS UIT HET RIJKSREGISTER
Bij het weerleggen van het vermoeden van de vorming van een feitelijk gezin op grond van de gegevens uit het Rijksregister, moet er een onderscheid worden gemaakt tussen twee hypotheses:
- Hypothese I: de gegevens in het Rijksregister blijken niet correct, in welk geval een beroep moet worden gedaan op artikel 33 van de ordonnantie van 4 april 201918Art. 33, § 2, Ordonnantie van 4 april 2019 tot vaststelling van het betaalcircuit voor de gezinsbijslag, BS 12 april 2019. . De bijslagtrekkende en de niet-verwante perso(o)n(en) wonen in werkelijkheid niet allen op hetzelfde adres19Met uitzondering van de situaties bedoeld onder punt 3.2.2, A), van CO GB 5/1 (tijdelijke afwezigheid). ;
- Hypothese II: de bijslagtrekkende en de niet-verwante perso(o)n(en) met dezelfde hoofdverblijfplaats wonen in realiteit wel op hetzelfde adres, maar ze blijken NIET de organisatie van huishoudelijke taken en activiteiten te delen, door er financieel of op een andere wijze aan bij te dragen.
Hypothese I: RNP stemt niet overeen met de werkelijke woonsituatie: toepassing art. 33, § 2, ordonnantie 4 april 2019
In hypothese I stemmen de gegevens afkomstig uit het Rijksregister eenvoudigweg niet overeen met de realiteit: de gegevens van het Rijksregister wijzen op een samenwoning op dezelfde hoofdverblijfplaats, terwijl de bijslagtrekkende en de niet-verwante perso(o)n(en) in realiteit op verschillende adressen wonen.
Dit betekent dat er niet is voldaan aan de eerste van de 3 cumulatieve voorwaarden (zie punt 4.1) om van een feitelijk gezin te kunnen spreken.
In deze hypothese moet gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om te trachten om in toepassing van artikel 33, § 2, van de ordonnantie van 4 april 2019 de bewijskracht van de informatie verkregen bij het Rijksregister te weerleggen.
Deze weerlegging moet gebaseerd zijn op minstens één officieel document van een overheidsinstantie (desgevallend meegedeeld door de betreffende personen ingevolge de verzending van het model J), overeenkomstig de procedure die werd meegedeeld in punt 3.2.3 van CO GB 5/1 om de bewijskracht van de gegevens uit het Rijksregister te weerleggen (incl. temporeel toepassingsgebied, zie punt 3.3.3 van CO GB 5/1).
Hypothese II: RNP stemt overeen met de werkelijke woonsituatie maar vermoeden van feitelijk gezin kan worden weerlegd met alle middelen van recht.
a. Algemeen
In hypothese II stemmen de gegevens afkomstig uit het Rijksregister wel degelijk overeen met de werkelijke woonsituatie: de personen met dezelfde hoofdverblijfplaats volgens de gegevens van het Rijksregister wonen wel degelijk op hetzelfde adres.
Echter, blijken ze géén gezamenlijke huishouding te voeren door er financieel of op een andere manier aan bij te dragen.
In dat geval kan het vermoeden van het vormen van een feitelijk gezin worden weerlegd door alle middelen van recht.
Gelet op de diversiteit van de gezinsvormen, is het niet mogelijk om een compleet overzicht mee te delen van alle elementen die in aanmerking genomen kunnen worden om dit vermoeden te weerleggen20Volstaan bijvoorbeeld, op zich niet om het vermoeden van feitelijke gezinsvorming te weerleggen: - Medehuur : de huur van een zelfde woning door de bijslagtrekkende en één of meerdere niet-verwanten onder de vorm van medehuur in de zin van art. 2, § 1, van de Brusselse Huisvestingscode die een medehuurpact hebben ondertekend. De medehuur moet gepaard gaan met andere feitelijke elementen die erop wijzen dat bijvoorbeeld niet is voldaan aan de voorwaarde om de organisatie van huishoudelijke taken en activiteiten te delen (zie bv. arbrb Brussel, 23 januari 2024, R.G. nr. 23/2659/A (onuitg.); - Getuigenverklaringen en verklaringen op eer worden evenmin aanvaard als voldoende bewijsmiddelen..
Hieronder volgt een overzicht van een serie elementen die in aanmerking kunnen worden genomen om het vermoeden te weerleggen.
In wat volgt wordt een onderscheid gemaakt tussen:
- De ambtshalve weerlegging van het vermoeden (dit zijn de enige situaties waarin er geen model J moet worden verstuurd model J): zie punt b)
- De oplijsting van elementen die aanleiding geven tot de weerlegging van het vermoeden (na verzending van het model J): zie punt c)
ALLE andere middelen van recht die niet worden vermeld onder punt b of c moeten ter verificatie worden voorgelegd aan de regulator via admin.ctrl@iriscare.brussels |
b. Ambtshalve weerlegging van het vermoeden
Eerst en vooral zijn er twee situaties waarbij de kinderbijslaginstellingen op grond van de bestaande gegevensuitwisselingssystemen al op de hoogte zijn van elementen die het vermoeden van de feitelijke gezinsvorming weerleggen.
Dit zijn de enige situaties waarin er geen Model J moet worden verstuurd.
In de volgende situaties moet er aldus worden aangenomen dat er geen feitelijk gezin is gevormd:
- de niet-verwant is zelf nog rechtgevend op kinderbijslag op het ogenblik dat hij gaat samenwonen met de bijslagtrekkende, tenzij de bijslagtrekkende en de niet-verwante persoon wettelijk samenwonen;
- Ontheemden uit Oekraïne die het statuut van tijdelijke bescherming genieten en die in het Rijksregister worden ingeschreven afzonderlijk van het gezin dat hen opvangt, maar op hetzelfde adres (zie punt 3.1 van CO PF 20).
Voorbeeld 1:
Conny woont samen met haar zoon Louis op dezelfde hoofdverblijfplaats. Conny is de bijslagtrekkende voor het recht op kinderbijslag geopend door Louis. De partner van haar zoon, Marie, komt bij hen inwonen. Ook Marie opent een recht op de gezinsbijslagen op basis van haar studies aan de ULB. Volgens de gegevens meegedeeld vanuit het Rijksregister, hebben de drie personen hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres. Beide kinderen openen een recht op kinderbijslag.
Aangezien Marie een rechtgevend kind is, wordt het vermoeden van de feitelijke gezinsvorming ambtshalve weerlegd. Er moet geen model J worden verstuurd.
Deze ambtshalve omkering van het vermoeden van de feiteljike gezinsvorming blijft voortduren nadat Marie haar hoedanigheid van rechtgevend kind heeft verloren als gevolg van de stopzetting van haar studies
Voorbeeld 2:
Ludmilla is de bijslagtrekkende voor haar zoontje Radoslav en studeert aan de VUB. Ze heeft de Slovaakse nationaliteit en betrekt een studentenkamer in een studentenwoning waarin ook Pedro, een Spaanse student aan de EHSAL, en Olivia, een Britse studente aan de ULB een studentenkamer betrekken. De vier personen hebben hun hoofdverblijfplaats volgens de gegevens van het Rijksregister op hetzelfde adres en zijn allen gerechtigd op de Brusselse kinderbijslag.
Gelet op het feit dat Pedro en Olivia gerechtigd zijn op de kinderbijslag moet ambtshalve worden aangenomen dat ze geen feitelijk gezin vormen met Ludmilla. Er dient geen model J te worden verstuurd.
Merk op dat de omkering van het vermoeden geldt tot het bewijs van het tegendeel. Het tegendeel van de omkering van het vermoeden (dus de vorming van het feitelijke gezin ) wordt met name aangetoond door middel van:
- een verklaring van de vorming van een feitelijk gezin, bijvoorbeeld om rekening te kunnen houden met kinderen opgevoed door verschillende bijslagtrekkenden overeenkomstig artikel 11, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019, of in een 'verklaring betreffende de inkomsten van mijn huishouden (SUP_Decl)' in het kader van de toekenning van sociale toeslagen die aangeeft dat er een feitelijk gezin bestaat.
- Een vaststelling van de vorming van een feitelijk gezin door de sociale inspectie;
- Een vaststelling van de vorming van een feitelijk gezin door een andere overheidsdienst;
- Een vonnis of arrest dat het bestaan van een feitelijk gezin vaststelt, prevaleert en bevestigt de vermoedens van de vorming van een feitelijk gezin.
c. oplijsting van elementen die aanleiding geven tot de weerlegging van het vermoeden
In alle andere gevallen moet er een model J naar de bijslagtrekkende worden gestuurd om het gezin te vragen om te verklaren of er elementen zijn die toelaten om het vermoeden van de feitelijke gezinsvorming te weerleggen en desgevallend daartoe de nodige bewijsstukken bij te voegen.
De hierna opgelijste elementen moeten worden aanvaard voor de weerlegging van het vermoeden van de feitelijke gezinsvorming.
Ter herinnering: andere elementen moeten ter validatie worden voorgelegd aan de regulator (zie supra).
Ten eerste kunnen de volgende niet-officiële elementen worden aanvaard om het vermoeden van de feitelijke gezinsvorming te weerleggen:
- een geregistreerde21Wie zijn huurcontract online registreert kan een ontvangstbewijs met hoofding van FOD Financiën afprinten. Dit bewijs mag aanvaard worden. huurovereenkomst tussen de bijslagtrekkende en de niet-verwante persoon met wie hij samenwoont. Het is daarbij niet langer vereist dat de officiële gezinssamenstelling binnen een bepaalde periode is aangepast in het Rijksregister;
- een arbeidsovereenkomst tussen de bijslagtrekkende en de niet-verwante persoon met wie hij samenwoont;
- de bijslagtrekkende woont samen met een getrouwd koppel en het koppel enerzijds en de bijslagtrekkende anderzijds verklaren geen feitelijk gezin te vormen. Dit gebeurt op basis van de verklaring van de betrokkenen op het model J, waarbij het formulier door zowel de bijslagtrekkende als de beide leden van het koppel ondertekend dient te worden, dan wel op grond van een officieel document (zie infra) ;
- een verklaring door de niet-verwante persoon van feitelijke gezinsvorming met een andere persoon dan de bijslagtrekkende (typesituatie: samenwoning van de bijslagtrekkende met een niet-gehuwd paar). Dit gebeurt op basis van de verklaring van de betrokkenen op het model J. Het formulier dient dus zowel door de bijslagtrekkende als door de niet-verwante persoon en de pers(o)on(en) waarmee deze een feitelijk gezin vorm(t)(en) ondertekend te worden;
- Tussen de niet-verwante persoon waarmee de bijslagtrekkende samenwoont en het rechtgevend kind bestaat er een bloed- of aanverwantschap tot en met de derde graad EN zowel de bijslagtrekkende en de niet-verwante persoon verklaren GEEN feitelijk gezin te vormen
- een verklaring door de niet-verwante persoon omtrent het vormen van een feitelijk gezin met één van de rechtgevende kinderen. Dit gebeurt op basis van de verklaring van de betrokkenen op het model J. Het formulier dient door beide betrokkenen getekend te worden.
Ook voor wat betreft de bovenstaande elementen geldt dat dat de omkering van het vermoeden geldt tot het bewijs van het tegendeel. Het tegendeel van de omkering van het vermoeden wordt eveneens aangetoond door middel van de elementen vermeld onder punt b) in fine (zie supra).
Ten tweede kunnen ook de volgende officiële documenten het vermoeden van het vormen van een feitelijk gezin kan worden weerleggen22Met name door aan te tonen dat de bijslagtrekkende en de niet-verwante persoon géén gezamenlijke huishouding voeren door er financieel of op een andere manier aan bij te dragen. . In tegenstelling tot in hypothese I zijn de gegevens in het Rijksregister volledig en correct, maar geven de volgende officiële documenten aan dat dat er geen feitelijk gezin wordt gevormd of dat de niet-verwante persoon een feitelijk gezin vormt met een andere persoon dan de bijslagtrekkende:
- een attest of proces-verbaal van de politiediensten waarin wordt vastgesteld dat de samenwonende personen geen feitelijk gezin vormen;
- een vonnis of arrest waaruit blijkt dat de samenwonende personen geen feitelijk gezin vormen;
- een controle ter plaatse door een sociaal controleur van de regulator van een gefedereerde deelentiteit of de bevoegde buitenlandse overheid waarin wordt vastgesteld dat de samenwonende personen geen feitelijk gezin vormen;
- een attest van de gevangenisdirectie op basis van een schriftelijke verklaring van de referentiepersoon van het gezin dat er een daadwerkelijke en definitieve breuk is met de gedetineerde en dat de inschrijving op het adres van het gezin niet langer wenselijk is;
- een registratieformulier van de mantelzorger;
- een aanwezigheidsattest van het vluchthuis of sociaal huis;
- Een bewijs dat het om een inschrijving op een referentieadres gaat.
- Een vaststelling die gemaakt is door een andere overheidsdienst waaruit een andere feitelijke gezinsvorming dan de samenwoonst in het Rijksregister blijkt.
4.2.2 DE GEZINSVORMING BLIJKT NIET UIT DE GEGEVENS VAN HET RIJKSREGISTER - ANDERE BEWIJSMIDDELEN DIE KUNNEN WORDEN AANGEWEND
Indien het vermoeden van de feitelijke gezinsvorming niet blijkt uit de gegevens van het Rijksregister, kan de feitelijke gezinsvorming worden aangetoond door de volgende middelen, ook al stemmen deze niet of niet meer overeen met de informatie verkregen uit het Rijksregister van de natuurlijke personen.
4.2.2.1 EEN VASTSTELLING DOOR EEN AMBTENAAR BELAST MET HET TOEZICHT
Een vaststelling door de dienst Sociale Inspectie van Iriscare kan aantonen dat er een feitelijk gezin is gevormd, ook al blijkt dit niet uit de gegevens van het Rijksregister. Naar analogie geldt hetzelfde voor de vaststellingen door een sociaal controleur van een andere bevoegde gefedereerde deelentiteit of door een buitenlandse inspectiedienst.
Bijvoorbeeld:
De bijslagtrekkende deelt sinds een aantal maanden haar hoofdverblijfplaats met haar nieuwe partner. Deze laatste heeft echter niet de nodige stappen ondernomen om de wijziging van zijn hoofdverblijfplaats te laten aanpassen in het Rijksregister.
Uit een controle ter plaatse door een ambtenaar belast met het toezicht blijkt dat de partners een feitelijk gezin vormen. De inkomens van de bijslagtrekkende en haar partner, beiden tewerkgesteld als werknemer, dienen te worden samengeteld om het jaarlijks gezinsinkomen berekenen voor de toepassing van artikel 9 van de ordonnantie van 25 april 2019 en de eventuele toekenning van de sociale toeslagen.
4.2.2.2 EEN VASTSTELLING DOOR EEN ANDERE OVERHEIDSDIENST, WAARUIT DE FEITELIJKE GEZINSVORMING BLIJKT
Indien de vorming van een feitelijk gezin niet kan worden afgeleid uit de gegevens uit het Rijksregister, kan deze ook worden aangetoond door een vaststelling door een andere overheidsdienst.
Deze hypothese omvat de situatie waarbij in een gerechtelijke beslissing de vorming van een feitelijk gezin wordt vastgesteld.
Let op: de feitelijke gezinsvorming moet daadwerkelijk worden vastgesteld. Een vaststelling van een andere overheidsdienst (incl. gemeente of politie) waarin enkel nota wordt genomen van de verklaring van de betrokkene, volstaat niet. Ook bijvoorbeeld loutere getuigenverklaringen vormen geen afdoende bewijsmiddel, tenzij verklaringen die in aanmerking worden genomen bij een controle ter plaatse door een politie- of controledienst.
Bijvoorbeeld:
Het begrip samenwoning in de werkloosheidsreglementering houdt dezelfde voorwaarden in als deze die gelden voor het feitelijk gezin in de Brusselse gezinsbijslagregelgeving23Zie o.m. Cass., 22 januari 2018, S.17.0024.F: "Om te kunnen besluiten dat twee of meer personen die onder hetzelfde dak wonen hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen en dus samenwonen, is vereist, maar volstaat het niet, dat zij uit dit leven onder hetzelfde dak een economisch en financieel voordeel halen. Daarvoor is het tevens vereist dat zij ook taken, activiteiten en andere huishoudelijke aangelegenheden (…) verrichten en daarvoor eventueel financiële middelen inbrengen"..
Op basis van een vaststelling door de sociale controleurs van de RVA, beslist de directeur van de RVA dat de bijslagtrekkende samenwoont met haar partner en moet worden beschouwd als een samenwonende werknemer. De vaststellingen van de RVA tonen aan dat de bijslagtrekkende een feitelijk gezin vormt met haar partner in de zin van de ordonnantie van 25 april 2019.
4.2.2.3 EEN GEMEENSCHAPPELIJKE SCHRIFTELIJKE VERKLARING
Op voorwaarde dat deze niet wordt weerlegd door de vaststellingen toegelicht onder de punten 4.3.2.1 en 4.3.2.2, kan de feitelijke gezinsvorming die niet blijkt uit het Rijksregister tot slot worden aangetoond door een gemeenschappelijke schriftelijke verklaring die is ondertekend door de bijslagtrekkende en een of meerdere van de andere gezinsleden (bijvoorbeeld door het terugsturen van het model J).
Een model voor het afleggen van een dergelijke verklaring zal worden meegedeeld aan de kinderbijslaginstellingen door Iriscare (model J).
Een verklaring van feitelijke gezinsvorming om rekening te kunnen houden met de kinderen opgevoed door verschillende bijslagtrekkenden in de zin van artikel 11 van de ordonnantie van 25 april 2019 geldt als een dergelijke gemeenschappelijke verklaring. Om rekening te kunnen houden met de kinderen opgevoed door verschillende bijslagtrekkenden dient echter ook aan alle overige toepassingvoorwaarden te zijn voldaan (zie infra punt 4.3.2).
Het principe van de gemeenschappelijke schriftelijke verklaring is van toepassing onverminderd CO GB 2 (punt 5) dat voorziet in de preventieve stopzetting van de toekenning van de sociale toeslag door de kinderbijslaginstelling zodra deze kennis neemt van de wijziging van de gezinssituatie van de bijslagtrekkende (einde van de situatie van 'geïsoleerde personen') en dit zelfs in het geval waarin de informatie louter is gebaseerd op een verklaring van de bijslagtrekkende.
4.3 INCIDENTIE
4.3.1 SOCIALE TOESLAGEN (ARTIKEL 9)
Overeenkomstig artikel 9 van de ordonnantie van 25 april 2019 kan de bijslagtrekkende aanspraak maken op een sociale toeslag, op voorwaarde dat het jaarlijks inkomen van zijn gezin de toegestane grenzen niet overschrijdt24Er gelden twee inkomensplafonds; waarbij de inkomens voor het laagste inkomensplafond minder dan 31.000 euro (te indexeren) moeten bedragen en waarbij de inkomens voor het hoogste inkomensplafond minstens 31.000 en minder dan 45.000 euro moeten bedragen (te indexeren) .
Voor de toepassing van deze bepaling stelt artikel 3, 7°, van de voornoemde ordonnantie dat het jaarlijks gezinsinkomen de belastbare beroeps- en vervangingsinkomens van de bijslagtrekkende omvat, waaraan desgevallend de inkomens van de echtgenoot met wie hij/zij samenwoont, of van de persoon met wie hij/zij een feitelijk gezin vormt, worden toegevoegd.
Bovendien is de bovengenoemde sociale toeslag in elk geval niet verschuldigd wanneer de kadastrale inkomens25Met name 2 000 euro (niet geïndexeerd). Zie art. 39, 11° van de ordonnantie van 25 april 2019 en de modaliteiten in hoofdstuk 5/1 van het BVC van 24 oktober 2019 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning van de sociale toeslagen en bepaalde toeslagen waarin de Algemene Kinderbijslagwet voorziet, MB 22 november 2019. van de bijslagtrekkende evenals die van de echtgenoot met wie hij/zij samenwoont of van de persoon met wie hij/zij een feitelijk gezin vormt, de toegestane grens overschrijden26Voor meer details over de procedure voor de toekenning van sociale toeslagen, verwijzen we naar CO GB 2 van 5 juli 2019 - Procedure voor de provisionele toekenning van de sociale toeslagen in het Brussels Gewest vanaf 1 januari 2020, evenals naar CO GB 22 van 6 juli 2023 - De evaluatie van het kadastraal inkomen in het kader van de toekenning van de sociale toeslagen..
4.3.2 GEZINSGROOTTE (ARTIKEL 11)
De gezinsgrootte is bepalend voor de vaststelling van het bedrag van de basiskinderbijslag toegekend op basis van artikel 7 van de ordonnantie van 25 april 2019 en van de sociale toeslag toegekend op basis van artikel 9 van dezelfde ordonnantie.
Er gelden daarbij de volgende cumulatieve voorwaarden om rekening te kunnen houden met de kinderen opgevoed door verschillende bijslagtrekkenden.
Ter herinnering: met de rechtgevende kinderen bedoeld in artikel 14 van de ordonnantie van 25 april 2019 (forfaitaire bijslagen voor de plaatsing in een instelling) wordt geen rekening gehouden voor de toepassing van artikel 11 van dezelfde ordonnantie.
4.3.2.1 SAMENWONING: ZELFDE HOOFDVERBLIJFPLAATS RIJKSREGISTER EN BIJ GEBREK DAARAAN OFFICIËLE DOCUMENTEN
De bijslagtrekkenden moeten dezelfde hoofdverblijfplaats hebben volgens de gegevens van het Rijksregister van de personen in kwestie (zie punt 2)27In de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen. .
Bij gebreke daaraan kan de samenwoning worden aangetoond met andere daarvoor overgelegde officiële documenten, ook al stemt de feitelijke situatie niet of niet meer overeen met de informatie verkregen bij het Rijksregister.
Deze weerlegging van de gegevens in het Rijksregister moet gebaseerd zijn op minstens één officieel document van een overheidsinstantie, overeenkomstig de procedure die werd meegedeeld in punt 3.2.3 van CO GB 5/1 om de bewijskracht van de gegevens uit het Rijksregister te weerleggen. (incl. temporeel toepassingsgebied, zie punt 3.3.3 van CO GB 5/1).
4.3.2.2 VERWANTSCHAPS- OF GEZINSBAND
De bijslagtrekkenden moeten bovendien ofwel echtgenoten, ofwel bloed- of aanverwanten28De verwantschap verworven door adoptie wordt in aanmerking genomen. (zie punt 4.1.2) in de eerste, tweede of derde graad, zijn ofwel personen die verklaren een feitelijk gezin te vormen.
Indien de vorming van een feitelijk gezin echter al op basis van een ander bewijsmiddel wordt aangetoond of vermoed, zijn de betreffende personen vrijgesteld van het afleggen van een verklaring dat ze een feitelijk gezin vormen om rekening te kunnen houden met kinderen opgevoed door verschillende bijslagtrekkenden.
Omgekeerd: Eens er een dergelijke verklaring omtrent de vorming van een feitelijk gezin werd afgelegd om rekening te kunnen houden met kinderen opgevoed door verschillende bijslagtrekkenden, geldt deze eveneens voor het aantonen van de vorming van een feitelijk gezin voor de toepassing van artikel 9 en 39, tweede lid, 6° en 7°, van de ordonnantie van 25 april 2019 voor wat betreft de berekening van het jaarlijkse gezinsinkomen en voor het weerleggen van de vorming van een eenoudergezin. Zie daaromtrent met name punt 4.2.1.
De verklaring geldt tot bewijs van het tegendeel, voor de modaliteiten daartoe, zie punt 4.2.2.3.
4.3.3 NIET CUMULEREN ADOPTIEBIJSLAG EN KRAAMGELD (ARTIKEL 18)
Artikel 18, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 bepaalt dat de adoptiebijslag niet kan worden toegekend aan de adoptant of zijn echtgenoot als de adoptant, zijn echtgenoot of de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, kraamgeld heeft ontvangen voor hetzelfde kind.
4.3.4 OVERGANGSMAATREGELEN (ARTIKEL 39)
In toepassing van artikel 39, tweede lid, 7°, van de ordonnantie van 25 april 2019 (overgangsmaatregelen), blijven de schalen van de sociale toeslagen die op 31 december 2019 werden toegekend krachtens de artikelen 42bis of 50ter van de AKBW, verschuldigd zolang het jaarlijkse inkomen van de bijslagtrekkende de toegestane grens niet overschrijdt en, in voorkomend geval, het gezin een eenoudergezin blijft29Met name 31.000 euro (te indexeren). Deze voorwaarde geldt niet ten aanzien van de rechthebbenden bedoeld in artikel 56quater en 56quinquies van de AKBW die voor de maand december 2019 de schaal genoten bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter van die wet..
In het geval dat de bijslagtrekkende een feitelijk gezin vormt met een of meerdere andere personen die noch bloedverwanten noch aanverwanten tot de derde graad zijn, overeenkomstig de hierboven uiteengezette principes, zullen de jaarlijkse inkomens van deze personen in aanmerking worden genomen om te beoordelen of de toekenning van de schaal bedoeld in artikel 42bis of artikel 50ter van de AKBW behouden blijft of wordt stopgezet.
De bovengenoemde sociale toeslagen zijn in elk geval niet verschuldigd als de kadastrale inkomsten van de bijslagtrekkende, evenals die van de persoon met wie hij/zij een feitelijk gezin vormt, de toegestane grens overschrijden30Met name 2 000 euro (niet geïndexeerd). Zie art. 39, 11° van de ordonnantie van 25 april 2019 en de modaliteiten in hoofdstuk 5/1 van het BVC van 24 oktober 2019 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning van de sociale toeslagen en bepaalde toeslagen waarin de Algemene Kinderbijslagwet voorziet, BS 22 november 2019..
5 EENOUDERGEZIN
5.1 DEFINITIE - COMPONENTEN
In sommige gezinnen worden de rechtgevende kinderen door een alleenstaande bijslagtrekkende opgevoed. Met het oog op de armoedebestrijding bieden meerdere bepalingen (voor een overzicht zie punt 5.3) van de Brusselse kinderbijslagregeling een bijkomende ondersteuning aan deze eenoudergezinnen.
Artikel 3, 8°, van de ordonnantie van 25 april bepaalt een aantal cumulatieve voorwaarden waaraan er moet worden voldaan om te kunnen spreken van een eenoudergezin.
Het betreft:
- de bijslagtrekkende is geen rechtgevend kind dat bijslagtrekkende is voor zichzelf;
- de bijslagtrekkende vormt geen feitelijk gezin;
- de bijslagtrekkende is niet gehuwd, behalve indien er zich na het huwelijk een feitelijke scheiding heeft voorgedaan;
- het jaarlijkse gezinsinkomen is lager dan het laagste inkomensplafond bedoeld in artikel 9, eerste lid, 1°, van de ordonnantie van 25 april 2019. Deze laatste voorwaarde valt buiten het bestek van deze instructie.
5.2 BEWIJSMIDDELEN
In wat volgt, worden de bewijsmiddelen toegelicht aan de hand waarvan de vorming van een eenoudergezin kan worden aangetoond of weerlegd.
5.2.1 AFWEZIGHEID VAN FEITELIJKE GEZINSVORMING
Er moet worden aangetoond dat de bijslagtrekkende geen feitelijk gezin vormt in de zin van artikel 3, 6°, van de ordonnantie van 25 april 2019. Deze notie wordt hoger toegelicht onder punt 4.1.
Om de vorming van een feitelijk gezin aan te tonen of te weerleggen, gelden de bewijsmiddelen die hoger worden toegelicht onder punt 4.3, inclusief het weerlegbare vermoeden van de feitelijke gezinsvorming op grond van de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen.
5.2.2 AFWEZIGHEID VAN HUWELIJK, TENZIJ GEVOLGD DOOR FEITELIJKE SCHEIDING
5.2.2.1 ALGEMEEN
De bijslagtrekkende mag niet gehuwd zijn, behalve indien er zich na het huwelijk een feitelijke scheiding heeft voorgedaan (zie punten 4.3.2.2 en 4.3.2.3).
De feitelijke scheiding31In de zin van artikel 229 oud Burgerlijk Wetboek. is niet wettelijk gedefinieerd, maar rechtspraak32zie o.m. Cass., 25 november 1976, RW, 1977-78, 223, JT, 1977, en doctrine vereisen dat twee elementen samenkomen: een materieel element en een intentioneel element bij minstens één van de echtgenoten, die zich als volgt manifesteren:
Het materiële element bestaat uit het bestaan van een afzonderlijke hoofdverblijfplaats die is ingeschreven in het Rijksregister van de natuurlijke personen of is vastgesteld op basis van een officieel document dat is afgegeven door een overheidsinstantie33Overeenkomstig de procedure vermeld in punt 3.2.3 van CO GB 5/1 om de bewijskracht van de gegevens in het Rijksregister te weerleggen (inclusief de het temporeel toepassingsgebied, zie punt 3.3.3 van CO GB 5/1)..
Het intentionele element ligt in de wil van een van de echtgenoten om niet langer een levensgemeenschap te vormen met de ander.
5.2.2.2 BEWIJSMIDDELEN
Er moet een verschil gemaakt worden naargelang de echtgenoten voorafgaand aan de vermeende feitelijke scheiding al dan niet beschikten over een gemeenschappelijke hoofdverblijfplaats van de personen in kwestie, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen (zie punt 2).
- Was er een dergelijke gemeenschappelijke hoofdverblijfplaats, dan blijkt de feitelijke scheiding op afdoende wijze uit de afzonderlijke hoofdverblijfplaats van de personen in kwestie, tenzij uit het dossier blijkt dat het intentioneel element van de feitelijke scheiding niet is vervuld.
Voorbeeld: De bijslagtrekkende woont samen met haar echtgenoot en hun gemeenschappelijk kind in Brussel. De drie personen hebben dezelfde hoofdverblijfplaats volgens de gegevens van het Rjiksregister. Vervolgens gaat de echtgenoot in een andere EU-lidstaat werken, waarbij de echtgenoot niet langer over dezelfde hoofdverblijfplaats volgens de gegevens van het Rijksregister beschikt. Uit de informatie die door de kinderbijslaginstelling wordt ingewonnen bij het gezin blijkt nog steeds de duidelijke intentie om een levensgemeenschap te vormen. Er is in dat geval geen feitelijke scheiding in de zin van artikel 11, eerste lid, a), van de ordonnantie van 25 april 2019.
Daarnaast kan de feitelijke scheiding worden aangetoond met andere daarvoor overgelegde officiële documenten, ook al stemt de feitelijke situatie niet meer overeen met de informatie verkregen bij het Rijksregister.
Deze weerlegging van de gegevens in het Rijksregister moet gebaseerd zijn op minstens één officieel document van een overheidsinstantie, overeenkomstig de procedure die werd meegedeeld in punt 3.2.3 van CO GB 5/1 om de bewijskracht van de gegevens uit het Rijksregister te weerleggen. (incl. temporeel toepassingsgebied, zie punt 3.3.3 van CO GB 5/1).
- Beschikten de echtgenoten niet over een gemeenschappelijke hoofdverblijfplaats, dan stelt het aantonen van de twee voormelde essentiële elementen van de feitelijke scheiding meer problemen.
Eerst en vooral moet het materieel element van de feitelijke scheiding worden aangetoond overeenkomstig punt 5.2.2.1.
Voor het aantonen van het intentionele element kan een beroep worden gedaan op:
- de specifieke situatie van het dossier, zoals de omstandigheid dat de bijslagtrekkende inmiddels een gezin heeft gesticht met de ouder van het rechtgevende kind en in de betrokken periode gescheiden leefde van haar echtgenoot. Ingeval van twijfel kan de situatie worden voorgelegd aan de regulator via admin.ctrl@iriscare.brussels
- het feit dat het gaat om specifieke situatie bepaald onder punt 5.2.2.3.
5.2.2.3 SPECIFIEKE SITUATIE: HUWELIJK IN HET BUITENLAND
5.2.2.3.1 Algemeen
Uit wat voorafgaat, blijkt dat de feitelijke scheiding zich moet voordoen na het huwelijk.
Met betrekking tot bijslagtrekkenden die een huwelijk afsluiten in het buitenland, heeft het Grondwettelijk hof echter geoordeeld34GwH 22 januari 2015, nr. 6/2015. dat artikel 41 AKBW in die zin gelezen moest worden dat de eenoudertoeslag ook moet worden toegekend aan de bijslagtrekkende die feitelijk gescheiden is van zijn echtgenoot omdat die echtgenoot bij gebrek aan de vereiste machtigingen wordt verhinderd zich op het Belgische grondgebied bij hem te voegen, zelfs indien het huwelijk niet is gevolgd door een samenwoning.
De toekenning van de toeslag voor eenoudergezinnen in deze specifieke situatie is echter gebonden aan 2 bijkomende voorwaarden:
- De scheiding moet blijken uit de raadpleging van het Rijksregister van de natuurlijke personen of uit andere officiële documenten (zie punt 5.2.2.1), en;
- de in het buitenland verblijvende echtgenoot mag niet over eigen inkomsten beschikken waarmee deze, overeenkomstig artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek, naar zijn vermogen dient bij te dragen in de lasten van het huwelijk.
5.2.2.3.2 Praktische gevolgen voor de toepassing van de artikelen 9 en 39, tweede lid, 6°, van de ordonnantie van 25 april 2019
De interpretatie van het Grondwettelijk Hof gold oorspronkelijk enkel in het kader van het onderzoek van het recht op de schaal bedoeld in artikel 41 AKBW die overeenkomstig art. 39, tweede lid, 6°, van de ordonnantie van 25 april 2019 blijft toegekend zolang de bijslagtrekkende een eenoudergezin vormt.
De interpretatie vindt geen toepassing voor het onderzoek naar de schaal bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter van de AKBW die wordt toegekend overeenkomstig art. 39, tweede lid, 7°, van de ordonnantie van 25 april 2019.
De interpretatie vindt echter wél toepassing voor de toekenning van de sociale toeslag bedoeld in artikel 9 van de ordonnantie van 25 april 2019.
Enkel de situaties die gelijkgesteld kunnen worden met de door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 6/2015 onderzochte situatie brengen een recht op de eenoudertoeslag of de verhoging van de sociale toeslag voor de bijslagtrekkende met zich.
Dit betekent dat de verhoging van de sociale toeslag of de schaal van de eenoudertoeslag is verschuldigd als er gelijktijdig voldaan is aan de volgende 3 voorwaarden:
1. De bijslagtrekkende35Bijslagtrekkende = Belg, of burger van een lidstaat van de Europese Unie of burger van een derde land buiten de Europese Unie die wettelijk in België verblijft. is gehuwd met een burger van een derde land buiten de Europese Unie (EU)36Wanneer de echtgenoot/echtgenote die buiten België verblijft Belg is of burger van een lidstaat van de Europese Unie is de regeling toegelicht in deze instructie niet van toepassing, omdat die echtgenoot/echtgenote dan wettelijk niet in de onmogelijkheid verkeert om samen te wonen met de bijslagtrekkende. In die omstandigheden stelt het huwelijk een einde aan het recht op de verhoging van de sociale toeslag of van de eenoudertoeslag.;
2. De bijslagtrekkende kan wettelijk niet samenwonen omdat aan de echtgenoot/echtgenote in het buitenland (nog) geen visum (visum D) is toegekend:
- de bijslagtrekkende moet op eer verklaren dat de echtgenoot/echtgenote een visum D heeft aangevraagd en daarbij de aanvraagdatum vermelden;
- de bijslagtrekkende dient er zich in die verklaring op eer tevens toe te verbinden onmiddellijk een kopie van de notificatie van de positieve of negatieve beslissing m.b.t. de visumaanvraag voor gezinshereniging aan het kinderbijslaginstelling te bezorgen; notificatie die de datum waarop de visumaanvraag is ingediend, vermeldt37Wanneer de beslissing tot toekenning of tot weigering van het visum de datum van de aanvraag niet vermeldt, dient de bijslagtrekkende een attest daarover van de consulaire of diplomatieke post voor te leggen, zodat die aanvraagdatum correct kan worden vastgesteld. Inderdaad, het is slechts vanaf die aanvraagdatum dat deze regeling kan worden toegepast. Het bewijs van de aanvraagdatum is bijgevolg onontbeerlijk om de provisioneel betaalde eenoudertoeslag te kunnen valideren..
3. De in het buitenland verblijvende echtgenoot/echtgenote van de bijslagtrekkende beschikt over geen eigen inkomsten die hem/haar verplichten om naar zijn/haar vermogen bij te dragen in de lasten van het huwelijk, overeenkomstig artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek. De gegevensinwinning hieromtrent verloopt via een verklaring op eer van de in het buitenland verblijvende echtgenoot/echtgenote.
Wanneer aan die 3 voorwaarden is voldaan38En onverminderd de andere voorwaarden bepaald in artikel 3, 8°, van de ordonnantie van 25 april 2019. dient de verhoging van de sociale toeslag of de schaal van de eenoudertoeslag betaald te worden tot de datum waarop het visum wordt toegekend of gedurende maximum 6 maanden indien de bijslagtrekkende Belg is of burger is van een lidstaat van de EU of een jaar39In principe wordt de beslissing over dergelijke aanvragen binnen de zes maanden genomen. In bepaalde situaties kan die termijn 2 keer met 3 maanden verlengd worden. Indien na verstrijken van die (verlengde) termijn geen enkele beslissing werd genomen, dient het visum in principe te worden toegekend. als de bijslagtrekkende burger is van een derde land dat niet tot de EU behoort, telkens te tellen vanaf de datum waarop de visumaanvraag werd ingediend.
Opgelet:
- Wanneer het visum geweigerd wordt, blijft de onmogelijkheid tot gezinshereniging in België voortduren en kan de verhoging van de sociale toeslag of de schaal van de eenoudertoeslag verder worden betaald.
- Ontvangt het kinderbijslagfonds na de termijn van 6 of 12 maanden (zie supra) geen kopie van de beslissing over de visumaanvraag, dan wordt de betaling van de verhoging van de sociale toeslag of van de schaal van de eenoudertoeslag stopgezet en worden de vereiste gegevens opnieuw gevraagd aan de bijslagtrekkende. Blijft het antwoord uit, dan wordt de provisioneel betaalde kinderbijslag op basis van de verklaring op eer teruggevorderd, tenzij de bijslagtrekkende alsnog de onontbeerlijke gegevens verstrekt.
5.2.2.4 AANDACHTSPUNTEN
- Zodra uit de gegevens van het RNP blijkt dat de echtgenoot/echtgenote in België is ingeschreven op het adres van de bijslagtrekkende of op een ander adres is niet langer aan deze voorwaarde voldaan. In dat geval wordt de notificatie van toekenning van het visum opgevraagd om de exacte einddatum van het recht op de verhoging van de sociale toeslag of van de schaal van de eenoudertoeslag vast te stellen.
- Deze regeling geldt voor alle huwelijken in het buitenland, ongeacht of ze in België worden overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
- Wanneer de bijslagtrekkende die burger is van een derde land buiten de EU de stopzetting van de betaling van de eenoudertoeslag betwist na het verstrijken van de maximumduur van een jaar, te tellen van de datum van de visumaanvraag, wordt het dossier aan Iriscare voorgelegd, die dan zal onderzoeken of een bijkomende verlenging mogelijk is (beroep voor de Raad van State, …), dit via admin.ctrl@iriscare.brussels
- Deze regeling moet ook toegepast worden in toeslagdossiers (42bis en 50ter AKBW) waarin het huwelijk in het buitenland een beletsel vormt voor de toekenning van de schaal van de sociale toeslag 42bis of 50ter AKBW, maar waarin aan de voorwaarden is voldaan om het recht op de verhoging van de sociale toeslag of de betaling van de schaal van de eenoudertoeslag vast te stellen.
5.2.2.5 GEGEVENSINWINNING
De briefmodule inzake de gezinshereniging die moet worden aangewend voor de gegevensinwinning zal worden meegedeeld door Iriscare in de 3 landstalen en in het Engels.
5.3 INCIDENTIE
5.3.1 DE SOCIALE TOESLAGEN (ARTIKEL 9)
De verhoging van de sociale toeslag voor een eenoudergezin, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, 1°, b) en c), van de ordonnantie van 25 april 2019 (gezinnen in de laagste inkomenscategorie met twee of meer rechtgevende kinderen), wordt toegekend op voorwaarde dat de bijslagtrekkende voldoet aan de criteria voor een eenoudergezin zoals hierboven uiteengezet. Als er een huwelijk wordt gesloten of een feitelijk gezin wordt gevormd (zie punt 5.2.1), leidt dit tot het verlies van deze status, en is de verhoging van de sociale toeslag niet langer verschuldigd.
Echter, als de bijslagtrekkende getrouwd is maar in een feitelijke scheiding leeft (cfr. point 5.2.2), kan hij/zij de verhoging van de sociale toeslag blijven ontvangen.
5.3.2 OVERGANGSMAATREGELEN (ARTIKEL 39)
5.3.2.1 TOESLAG VOOR EENOUDERGEZINNEN (ART. 41 AKBW)
In toepassing van artikel 39, tweede lid, 6° van de ordonnantie van 25 april 2019 (overgangsmaatregelen), blijft de schaal van de toeslag voor eenoudergezinnen die op 31 december 2019 werd uitgekeerd krachtens artikel 41 van de LGAF, verder verschuldigd zolang de bijslagtrekkende geen huwelijk aangaat (met uitzondering van de situaties van feitelijke scheiding vermeld in punt 5.2.2) geen feitelijk gezin vormt met een persoon die noch bloedverwant noch aanverwant is tot in de derde graad, overeenkomstig de hierboven uiteengezette principes en de toepasselijke grens voor het jaarlijks gezinsinkomen en het kadastraal inkomen niet overschrijdt.
5.3.2.2 TOESLAGEN ART. 42BIS OF 50TER AKBW
In toepassing van artikel 39, tweede lid, 7°, van de ordonnantie van 25 april 2019 (overgangsmaatregelen), blijven de schalen van de sociale toeslagen die op 31 december 2019 werden toegekend krachtens de artikelen 42bis of 50ter van de LGAF, worden uitgekeerd zolang dat het jaarlijkse inkomen van de bijslagtrekkende de toegestane grens niet overschrijdt en, in voorkomend geval, het gezin een eenoudergezin blijft.40Met name 31.000 euro (te indexeren). Deze voorwaarde geldt niet ten aanzien van de rechthebbenden bedoeld in artikel 56quater en 56quinquies van de AKBW die voor de maand december 2019 de schaal genoten bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter van die wet.
In het geval dat de bijslagtrekkende, die zich in de situatie van een eenoudergezin bevindt, een huwelijk aangaat (met uitzondering van de situaties vermeld in punt 5.2.2) of een feitelijk gezin vormt met een persoon die noch bloedverwant noch aanverwant is tot in de derde graad, overeenkomstig de hierboven uiteengezette principes, zal de sociale toeslag toegekend op grond van artikel 42bis of artikel 50ter van de LGAF niet langer verschuldigd zijn, onverminderd de trimestrialisering.
6 DEEL UITMAKEN VAN HET GEZIN
6.1 DEFINITIE
Een van de cumulatieve voorwaarden41Art. 17, tweede lid, 2°, ordonnantie van 25 april 2019. De tweede cumulatieve voorwaarde bestaat erin dat er een verzoekschrift is ingediend bij de bevoegde rechtbank of er is, bij gebreke daaraan, een adoptieakte ondertekend. die moet zijn vervuld opdat de adoptie van een rechtgevend kind aanleiding zou geven tot de betaling van de adoptiebijslag bestaat erin dat het kind deel moet uitmaken van het gezin van de adoptant.42De notie 'deel uitmaken van het gezin' komt tevens voor in art. 24, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 waar wordt bepaald dat indien het de bijslagtrekkende materieel onmogelijk is om de verschuldigde gezinsbijslag te ontvangen omdat hij zijn identiteit niet kan aantonen, dan wordt die in afwijking van het eerste lid voor zijn rekening betaald aan een door de bijslagtrekkende aangewezen persoon die deel uitmaakt van zijn gezin. Deze bepaling valt buiten het opzet van de voorliggende instructie. Bij gebrek aan een precisering in de ordonnantie moet worden aangenomen dat deze voorwaarde verwijst naar de feitelijke situatie: het kind woont in het gezin van de adoptant.
6.2 BEWIJSMIDDELEN
Een gemeenschappelijk domicilie volgens de gegevens uit het Rijksregister schept een vermoeden dat de adoptant en het rechtgevend kind deel uitmaken van hetzelfde gezin, tot bewijs van het tegendeel.
Deze weerlegging van de gegevens in het Rijksregister moet gebaseerd zijn op minstens één officieel document van een overheidsinstantie, overeenkomstig de procedure die werd meegedeeld in punt 3.2.3 van CO GB 5/1 om de bewijskracht van de gegevens uit het Rijksregister te weerleggen (inclusief het temporeel toepassingsgebied, zie punt 3.3.3 van CO PF 5/1).
Bij gebrek aan een gemeenschappelijk domicilie volgens de gegevens uit het Rijksregister kan met alle middelen van recht worden aangetoond dat het kind deel uitmaakt van het gezin van de adoptant, met uitzondering van verklaringen op eer. In geval van twijfel kan de samenwoning worden bevestigd of weerlegd door een vaststelling door een controle ter plaatse door een sociaal controleur van de bevoegde gefedereerde deelentiteit.
6.3 INCIDENTIE
6.3.1 ADOPTIEBIJSLAG (ARTIKEL 17)
Wanneer vaststaat dat het rechtgevend kind deel uitmaakt van het gezin van de adoptant en alle andere toekenningsvoorwaarden zijn vervuld, kan de adoptiebijslag worden toegekend.43Voor de toekenning van de adoptiebijslag neemt de verjaringstermijn van drie jaar een aanvang de laatste dag van het trimester waarin het verzoekschrift dat de wil uitdrukt om te adopteren wordt ingediend bij de bevoegde rechtbank of, bij gebrek hieraan, de laatste dag van het trimester waarin de adoptieakte is ondertekend; als het kind echter op die datum nog geen deel uitmaakt van het gezin van de adoptant, vangt de voormelde termijn aan op de laatste dag van het trimester waarin het kind werkelijk deel uitmaakt van dit gezin (art. 30, § 1, vierde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019).
Dank voor uw medewerking.
Hoogachtend,
Leidend ambtenaar
Tania Dekens
Bijlagen:
- Inhoudstabel (zie bovenaan de pagina)
- Bijlage 2