CO GB 26 – 13 MAART 2025 – De betaling te goeder trouw aan de schijnbare bijslagtrekkende

CO GB 26

Betreft: De betaling te goeder trouw aan de schijnbare bijslagtrekkende


INLEIDING

Overeenkomstig artikel 19 van de ordonnantie van 25 april 20191Ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag, BS 8 mei 2019, hierna ordonnantie van 25 april 2019 genoemd. Zie ook art. 3, 5°, van dezelfde ordonnantie. worden de gezinsbijslagen betaald aan de bijslagtrekkende.

In bepaalde gevallen komt het echter voor dat de kinderbijslaginstelling te goeder trouw de gezinsbijslag betaalt aan een persoon die niet de werkelijke bijslagtrekkende blijkt te zijn, met name wanneer deze laatste zich niet tijdig kenbaar maakt.

De ordonnantie van 25 april 2019 bevestigt in artikel 21 het civielrechtelijke principe dat een dergelijke betaling die een kinderbijslaginstelling te goeder trouw uitvoert aan een schijnbare bijslagtrekkende onder bepaalde voorwaarden bevrijdend is2Artikel 21 van de ordonnantie van 25 april 2019 luidt: "In overeenstemming met artikel 1240 van het Burgerlijk Wetboek is de betaling te goeder trouw van een kinderbijslaginstelling aan een schijnbare bijslagtrekkende bevrijdend". Artikel 1240 Oud Burgerlijk Wetboek werd met ingang van 1 januari 2023 vervangen door art. 5.198 van het nieuw Burgerlijk Wetboek. De relevante bepaling van dat laatste artikel luidt: "De betaling moet worden gedaan aan de schuldeiser of aan iemand die door hem, door de rechter of door de wet gemachtigd is om voor hem te ontvangen. De betaling gedaan aan iemand die geen bevoegdheid heeft om voor de schuldeiser te ontvangen, is niettemin bevrijdend indien: (…) 3° de betaling te goeder trouw gedaan is aan de schijnschuldeiser, ook al wordt hij naderhand ontzet.[…]".

Punt 1 van deze instructie licht deze voorwaarden en toepassingsmodaliteiten toe.

In punt 2 worden de gevolgen toegelicht van eventuele regularisaties die moeten worden uitgevoerd eens de werkelijke bijslagtrekkende is gekend voor de uitbetalingen en voor het dossierbeheer.

Deze omzendbrief treedt onmiddellijk in werking en annuleert en vervangt omzendbrief CO 712 van 19 november 1963 en de informatienota's 1986/50 en 1991/123Ook de inhoud van het thematische luik op de volgende Famipedia-webpagina moet als opgeheven worden beschouwd: https://www.famipedia.be/nl/themes/payment/payment-bona-fide.html .

Voor verdere vragen kunt u contact opnemen met Iriscare via admin.ctrl@iriscare.brussels

1. TOEPASSINGSVOORWAARDEN

De bevrijdende betaling aan de schijnbare bijslagtrekkende vereist dat de kinderbijslaginstelling te goeder trouw optreedt en dus uit onwetendheid betaalt aan een persoon die gelet op de omstandigheden doorgaat voor de bijslagtrekkende, maar niet over deze hoedanigheid beschikt overeenkomstig artikel 19 en volgende van de ordonnantie van 25 april 2019.

Daartoe moet voldaan zijn aan de volgende cumulatieve toepassingsvoorwaarden:

1.1. Een schijnbare bijslagtrekkende

De schijnbare bijslagtrekkende is de persoon waarvan de kinderbijslaginstelling op grond van de bestaande informatie terecht mag aannemen dat hij over de hoedanigheid van werkelijke bijslagtrekkende beschikt, terwijl naderhand blijkt dat hij in de betrokken periode niet over deze hoedanigheid beschikte.

In de praktijk ontstaat deze hoedanigheid meestal als gevolg van het laattijdig ontvangen van informatie waaruit blijkt dat er zich een wijziging van bijslagtrekkende in de zin van artikel 22 van de ordonnantie van 25 april 2019 heeft voorgedaan, met name bij een laattijdige ontvangst van een bericht D-227 over de plaatsing van het rechtgevend kind in een instelling.

Voorbeeld 1:

Een kind wordt op 1 maart 2025 geplaatst in een instelling krachtens de regelgeving betreffende de jeugdbescherming ten laste van de Vlaamse overheid waarbij er een spaarrekening op naam van het rechtgevend kind wordt geopend om een deel van de kinderbijslag op te plaatsen. Het plaatsingsbericht D-227 wordt echter pas op 15 juli 2025 ontvangen door de kinderbijslaginstelling, die het bericht op dezelfde datum verwerkt.

In de tussentijd werd de kinderbijslag integraal doorbetaald aan de schijnbare bijslagtrekkende (moeder).

Aangezien de kinderbijslaginstelling op grond van de voor haar beschikbare informatie te goeder trouw is blijven doorbetalen aan de moeder, zijn de betalingen die plaatsvonden tot en met 15 juli 2025 bevrijdend uitbetaald.

Voor de concrete modaliteiten voor het dossierbeheer, zie punt 2.

Voorbeeld 2:

De vader is wettelijke bijslagtrekkende. Het rechtgevend kind gaat in het gezin van zijn tante wonen op 20 mei 2025 en wordt vanaf dat moment door haar opgevoed, maar deze wijziging wordt door het gezin pas twee maand later, op 18 juli 2025, medegedeeld aan de bevoegde gemeentelijke administratie.

Bijgevolg kan de kinderbijslaginstelling pas op 25 juli 2025 kennis nemen van de adreswijziging van het kind via een Rijksregister-flux, die nog op dezelfde dag wordt verwerkt. Tot en met die datum werd de kinderbijslag te goeder trouw en bevrijdend betaald aan de vader, de schijnbare bijslagtrekkende.

Voor de concrete modaliteiten voor het dossierbeheer, zie punt 2.

De betaling aan de schijnbare bijslagtrekkende is bevrijdend, ook al blijkt later dat hij op het moment van de uitbetaling niet over de hoedanigheid van werkelijke bijslagtrekkende beschikt. Zodra de kinderbijslaginstelling echter over informatie beschikt waaruit blijkt dat de schijnbare bijslagtrekkende niet de wettelijke bijslagtrekkende is (voor de modaliteiten, zie punt 1.3 infra), kan er aan die persoon niet meer bevrijdend betaald worden. Het bevrijdende karakter is met andere woorden niet van toepassing op toekomstige betalingen.

Indien de uitbetaling aan de schijnbare bijslagtrekkende echter het gevolg blijkt te zijn van een fraude4Sociale fraude omvat alle bedrieglijke handelingen om ten onrechte sociale uitkeringen te verkrijgen door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen. door deze persoon, verliest de betaling haar bevrijdende karakter en moet er worden teruggevorderd.

Tot slot is de betaling evenmin bevrijdend indien de schijnbare bijslagtrekkende een instelling is in de zin van artikel 14 of 20 van de ordonnantie van 25 april 2019.

1.2. Een werkelijke bijslagtrekkende

De figuur van de schijnbare bijslagtrekkende vereist dat er ook een werkelijke bijslagtrekkende is zoals bepaald in artikel 19 van de ordonnantie van 25 april 2019. Opdat de betaling bevrijdend is, mag de werkelijke bijslagtrekkende niet gekend zijn door de bevoegde kinderbijslaginstelling op het moment van de betaling.

De werkelijke bijslagtrekkende moet onachtzaam zijn geweest door zijn recht niet tijdig te laten gelden.

Er wordt bijgevolg niet bevrijdend betaald indien de werkelijke bijslagtrekkende zich tijdig tot een andere kinderbijslaginstelling heeft gericht dan dewelke de betalingen aan de schijnbare bijslagtrekkende heeft verricht. In deze hypothese moeten de betalingen aan de schijnbare bijslagtrekkende als onverschuldigd worden beschouwd en moet er worden geregulariseerd ten gunste van de werkelijke bijslagtrekkende.

Er is evenmin sprake van onoplettendheid indien de informatie die leidt tot het verwerven van de hoedanigheid van (werkelijke) bijslagtrekkende behoort tot de informatiegegevens verkregen bij het Rijksregister bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.

De bijslagtrekkende is er namelijk van vrijgesteld de bevoegde kinderbijslaginstelling onmiddellijk op de hoogte te brengen van elke wijziging van dergelijke informatiegegevens, die toegankelijk zijn voor deze instelling (zie voorbeeld 1 hieronder)5Art. 33, tweede lid, ordonnantie van 25 april 2019..

Deze vrijstelling geldt echter niet indien de werkelijke bijslagtrekkende verzuimde aan de verplichting om de wijziging mee te delen aan de bevoegde gemeentelijke administratie binnen de 7 dagen nadat ze zich heeft voorgedaan.

Opgelet, indien het verwerven van de hoedanigheid van bijslagtrekkende niet louter gebaseerd is op een hierboven vermeld informatiegegeven verkregen bij het Rijksregister, maar daarnaast ook een tussenkomst van de werkelijke bijslagtrekkende vereist waaraan deze laatste verzuimt, dan is er alsnog sprake van een onoplettendheid.

Bijvoorbeeld : Het rechtgevend kind verlaat op 5 mei 2025 het gezin van zijn alleenstaande moeder (eenoudergezin), die tot op dat moment de bijslagtrekkende was en gaat inwonen in het gezin van zijn grootmoeder en grootvader.

Hoewel de wijziging van de hoofdverblijfplaats van het kind tijdig werd meegedeeld aan de bevoegde gemeentelijke autoriteiten, wordt de wijziging pas op 10 juli 2025 via een Rijksregister-flux aan de bevoegde kinderbijslaginstelling meegedeeld. De kinderbijslaginstelling neemt er nog dezelfde dag kennis van.

De betalingen die in de tussentijd verder te goeder trouw werden uitgevoerd aan de moeder zijn bevrijdend aangezien de grootmoeder, die het kind opvoedt sinds het bij haar is komen wonen, heeft verzuimd de nodige bijkomende stappen te ondernemen om aanspraak te krijgen op de uitbetaling van de kinderbijslag (zoals zich aansluiten bij een kinderbijslaginstelling en desgevraagd aantonen dat zij het kind opvoedt,…).

De vrijstelling bepaald in artikel 33, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 geldt evenmin voor andere informatiegegevens die de kinderbijslaginstelling vanuit de authentieke bron ontvangt, zoals het plaatsingsbericht D227 (zie voorbeeld 2 hieronder).

Voorbeeld 1: Een meerjarig kind verlaat het gezin van de moeder op 20 april 2025 en schrijft zich dezelfde dag in op een nieuw adres. Het kinderbijslagfonds ontvangt de flux adreswijziging echter pas op 5 juni 2025 waardoor de kinderbijslag die verschuldigd is voor de rechtsmaand mei 2025 nog aan de moeder werd betaald.

Aangezien het meerderjarige kind de adreswijziging tijdig liet registreren en dus niet onoplettend is geweest, dienen alle bedragen die na de wijziging van de bijslagtrekkende te goeder trouw werden betaald aan de schijnbare bijslagtrekkende te worden teruggevorderd.

Enkel indien kan worden vastgesteld dat de jongere deze wijziging niet zou hebben medegedeeld aan de bevoegde gemeentelijke administratie binnen de 7 dagen nadat ze zich heeft voorgedaan, is er sprake van onoplettendheid van zijnentwege.

Voorbeeld 2: Het kind is sinds 15 maart 2025 geplaatst in een instelling. De dienst Jeugdhulp stuurt echter pas op 28 mei 2025 het plaatsingsbericht D227 naar de kinderbijslaginstelling. Het kinderbijslagfonds verwerkt het plaatsingsbericht op 10 juni 2025. De betalingen van de maanden april en mei 2025, werden nog volledig uitgevoerd aan de moeder in plaats van de 1/3de -2/3de verdeling bij plaatsing toe te passen. Aangezien de kinderbijslaginstelling door de plaatsingsdienst laattijdig in kennis werd gesteld van de plaatsing en er dus sprake is van onoplettendheid van die laatste, zijn de betalingen aan de moeder bevrijdend.

1.3. Een kinderbijslaginstelling te goeder trouw

Vervolgens is vereist dat de kinderbijslaginstelling de betaling te goeder trouw heeft uitgevoerd op grond van de informatie waarover ze op dat moment beschikt, zonder te weten dat de schijnbare bijslagtrekkende niet de werkelijke bijslagtrekkende was.

De goede trouw van de kinderbijslaginstelling wordt dus beoordeeld op het moment van de uitbetaling en niet op basis van elementen die waarvan ze pas later kennis kan nemen. De kinderbijslaginstelling moet een gerechtvaardigd vertrouwen hebben gehad dat de betaling aan de werkelijke bijslagtrekkende werd uitgevoerd.

Concreet betekent dit dat de kinderbijslaginstelling op het moment van de betaling nog niet wist dat er zich een verandering van bijslagtrekkende in de zin van de artikelen 19 en/of 20 van de ordonnantie van 25 april 2019 heeft voorgedaan.

De kinderbijslaginstelling moet dus oplettend zijn en de vereiste controles normaal en tijdig uitvoeren (juiste integratie van de verschillende actoren in het Kadaster van de Kinderbijslag; nauwkeurig beheer van de via de elektronische fluxen en/of van derden ontvangen gegevens etc.).

Wanneer een kinderbijslaginstelling informatie ontvangt waaruit blijkt dat er een verandering van bijslagtrekkende heeft plaatsgevonden, beschikt ze echter over een redelijke verwerkingstermijn6De verwerkingstermijn is vastgesteld op dertig kalenderdagen vanaf de datum van ontvangst van de informatie. Voor de elektronische fluxen valt de datum van ontvangst zeven dagen na de datum waarop de KSZ de informatie verwerkt heeft.. Het is pas na het verstrijken van de redelijke verwerkingstermijn dat de instelling niet langer te goeder trouw kan betalen aan de schijnbare bijslagtrekkende aangezien ze na het verstrijken een feitelijke fout maakt door geen rekening te houden met relevante feiten en/of de ontvangen gegevens niet correct behandelt.

De uitbetaling aan de schijnbare bijslagtrekkende mag ook niet gebaseerd zijn op een rechtsfout van de kinderbijslaginstelling, door geen rekening te houden met de toepasselijke regelgeving en instructies.

Tot slot is de betaling aan de schijnbare bijslagtrekkende niet bevrijdend, ook al voerde de kinderbijslaginstelling deze betaling uit te goeder trouw, indien de werkelijke bijslagtrekkende aanspraak maakt op een betaling bij voorrang op grond van de Europese verordeningen of andere internationale overeenkomsten. De aan de schijnbare bijslagtrekkende betaalde bedragen moeten dan in debet geplaatst worden en de werkelijke bijslagtrekkende moet zich richten tot de buitenlandse instelling om de kinderbijslag te ontvangen waar hij recht op heeft.

2. GEVOLGEN VOOR DE BETALINGEN EN HET DOSSIERBEHEER

2.1 Algemeen

Het bevrijdende karakter van de betaling te goeder trouw aan de schijnbare bijslagtrekkende zorgt ervoor dat de betaling een definitief karakter verwerft.

Er moet dus geen regularisatie worden verricht met het bedrag dat voor dezelfde periode verschuldigd zou zijn geweest aan de werkelijke bijslagtrekkende. Evenmin mag de kinderbijslag voor de betreffende periode een tweede maal worden betaald aan de werkelijke bijslagtrekkende.

Vanaf de kennisname van de hoedanigheid van de werkelijke bijslagtrekkende door de kinderbijslaginstelling dient er voor de toekomst aan deze persoon te worden betaald overeenkomstig artikel 22 van de ordonnantie van 25 april 2019.

Het komt aan de werkelijke bijslagtrekkende toe om zijn burgerrechtelijk vorderingsrecht uit te oefenen ten aanzien van de schijnbare bijslagtrekkende voor wat betreft de aan deze persoon betaalde kinderbijslag.

De regels betreffende de verwerking van persoonsgegevens laten echter niet toe dat de kinderbijslaginstellingen de gegevens van de schijnbare bijslagtrekkende meedelen aan de werkelijke bijslagtrekkende.

Wel dien(t)en de bevoegde kinderbijslaginstelling(en) de werkelijke en de schijnbare bijslagtrekkende op de hoogte te brengen van de bevrijdende betaling aan de laatst vermelde persoon via de modules die als bijlage bij deze omzendbrief zijn gevoegd.

2.2 Terugvordering van onverschuldigde betalingen voor de betreffende periode bij de schijnbare bijslagtrekkende

Vanaf het moment waarop de werkelijke bijslagtrekkende van het kind gekend is bij de kinderbijslaginstelling, kan er voor dat kind niet meer bevrijdend betaald worden aan de schijnbare bijslagtrekkende.

Bijgevolg kunnen er bij de schijnbare bijslag trekkende enkel nog terugvorderingen plaatsvinden van onverschuldigde betalingen voor wat betreft de betreffende periode, voor zover de terugvordering niet louter gebaseerd is op het ontbreken van de hoedanigheid van werkelijke bijslagtrekkende in hoofde van deze persoon7Anders gezegd: de berekening en de toekenning van de gezinsbijslagen die bevrijdend worden uitbetaald in de betreffende periode aan de schijnbare bijslagtrekkende worden uitgevoerd alsof deze laatste de hoedanigheid van werkelijke bijslagtrekkende had. Dit geldt met name voor : - de vorming van een eenoudergezin in de zin van art. 3, 8°, van de ordonnantie van 25 april 2019; - de berekening van het aantal gezinsleden waarmee rekening gehouden wordt voor de berekening van het jaarlijks gezinsinkomen of de kadastrale inkomens van het gezin voor de toekenning van de sociale toeslagen (gezinsleden vermeld in art. 3, 7°, van de ordonnantie van 25 april 2019); - de berekening van de gezinsgrootte (aantal rechtgevende kinderen bedoeld in art. 11 van de ordonnantie van 25 april 2019); - wat betreft de voorwaarde inzake de hoedanigheid van bijslagtrekkende voor de overgangsregeling zoals bedoeld in artikel 39, tweede lid, 1°, van de ordonnantie van 25 april 2019; Alle overige toekenningsvoorwaarden (dus andere dan de hoedanigheid van werkelijke bijslagtrekkende) moeten echter vervuld zijn (zoals het respecteren van de voorwaarden inzake het jaarlijks gezinsinkomen en het kadastraal inkomen van de schijnbare bijslagtrekkende en zijn gezinsleden, de voorwaarden inzake het toegangsticket en de hoedanigheid van het rechtgevend kind etc.)..

Er kunnen echter geen positieve regularisaties ten gunste van de werkelijke bijslagtrekkende worden uitgevoerd voor de betreffende periode, noch op grond van later ontvangen informatie (bv. fiscale flux), noch omdat zijn recht (bv. door een hoger aantal kinderen) zou hebben geleid tot de toekenning van een hoger kinderbijslagbedrag.

Bijvoorbeeld: Een meerderjarig kind gaat op 15 december 2024 in het gezin van zijn vader wonen. Omdat nagelaten werd om de adreswijziging tijdig te laten registreren bij de gemeentelijke administratie, werd het recht van de maand januari 2025 nog te goeder trouw uitbetaald aan de alleenstaande moeder. De kinderbijslaginstelling neemt kennis van de wijziging in de gezinssituatie op 20 februari 2025.

De moeder kreeg voor de maand januari 190 euro te goeder trouw betaald (140 euro basisbedrag + 50 euro sociale toeslag). De vader heeft nog één ander meerderjarig kind waarvoor hij het basisbedrag van 140 euro heeft ontvangen.

De betalingen tot en met de rechtsmaand januari 2025 (betaald begin februari 2025) aan de moeder worden beschouwd als bevrijdend. Er worden bij de kennisname van de hoedanigheid van de werkelijke bijslagtrekkende geen regularisaties uitgevoerd m.b.t tot deze maand. Vanaf de rechtsmaand februari 2025 (betaald begin maart 2025) ontvangt de vader de kinderbijslag voor beide kinderen.

In 2027 wordt de fiscale flux m.b.t. inkomstenjaar 2025 ontvangen: Het inkomen van de moeder overschrijdt de laagste inkomensgrens, waarna de toeslag voor de maand januari 2025 wordt teruggevorderd bij de moeder. Het inkomen van de vader bevindt zich tussen de plafond 1 en plafond 2. De toeslag voor gemiddelde inkomens (toegekend aan gezinnen met minstens 2 rechtgevende kinderen) kan aan de vader worden toegekend vanaf de maand februari 2025.

Bedankt voor uw medewerking.
Hoogachtend

 

 

 

Tania Dekens
Leidend ambtenaar

Bijlage:

  1. Module 1 + 2