CO GB 3 – 11 JULI 2019 – Toelichting bij de toepassing van art 28 van de ordonnantie tot regeling van de toekenning van de gezinsbijslag : uitwerking van gebeurtenissen in de tijd

CO GB 3

Betreft: Toelichting bij de toepassing van art 28 van de ordonnantie tot regeling van de toekenning van de gezinsbijslag : uitwerking van gebeurtenissen in de tijd


1. Introductie

De uitwerkingen van gebeurtenissen in de tijd wordt geregeld door artikel 28 van de ordonnantie tot regeling van de toekenning van de gezinsbijslag (ordonnantie). De bepalingen van dit artikel werden overgenomen van art 48 AKBW. De administratieve richtlijnen aangaande het corresponderende artikel 48 AKBW bevatten echter een aantal afwijkende bepalingen en interpretaties die niet worden overgenomen in de nieuwe regelgeving.

In deze omzendbrief worden de principes voor de toepassing van artikel 28 van de ordonnantie toegelicht en tevens verduidelijkt aan de hand van praktische voorbeelden.

2. Basisprincipes

Begin van het recht

Wanneer er een recht op kinderbijslag ontstaat in de loop van een maand, vangt de toekenning hiervan aan vanaf de volgende maand, met uitbetaling op de 8ste dag van de daaropvolgende maand.

Voorbeeld:
Een kind wordt geboren op 15 maart 2020. Er is recht op kinderbijslag vanaf de maand april 2020 (eerste betaling op 8 mei 2020)

Uitzondering:
Het recht ontstaat onmiddellijk aansluitend op een voorgaand recht
In toepassing van artikel 28, tweede lid, van de ordonnantie vangt de toekenning van het recht al aan vanaf de maand waarin het ontstaat, als er in de voorgaande maand een recht op kinderbijslag bestond krachtens Belgische of buitenlandse bepalingen, of krachtens de regelen van de internationale overeenkomsten betreffende de sociale zekerheid die in België van kracht zijn of de regelen die van toepassing zijn op het personeel van een instelling van internationaal publiekrecht Bovendien mag er in de maand waarin het recht ontstaat geen enkel ander recht op kinderbijslag ten gunste van het betreffende kind bestaan krachtens de voormelde bepalingen en regelingen.

Voorbeelden:

  • Een meerderjarig kind beëindigt zijn studies op 30 april 2022, en schrijft zich in als werkzoekende schoolverlater op 15 mei 2022. Het kind heeft doorlopend recht op kinderbijslag. Schrijft het kind zich echter pas in de loop van de maand juni in, dan is er geen recht voor de maanden mei en juni 2022.
  • Een jongere wordt achttien jaar op 18 maart 2020. Het onvoorwaardelijk recht op kinderbijslag eindigt op 31 augustus 2020. Hij schrijft zich vóór 1 december in voor hogere studies, en heeft dankzij deze tijdige inschrijving recht op kinderbijslag als student vanaf het begin van het academiejaar, in casu 1 september 2020. De kinderbijslag kan bijgevolg zonder onderbreking toegekend worden. Er is recht op het hogere basisbedrag voor studenten in het hoger onderwijs vanaf de maand september 2020.

Einde van het recht

Wanneer het recht op kinderbijslag eindigt in de loop van een maand, wordt de kinderbijslag toegekend tot en met de maand waarin het recht eindigt.

Voorbeeld:

Een meerderjarig kind stopt met studeren op 10 februari 2020. Er is recht op kinderbijslag tot en met de maand februari 2020.

Wijziging van het bedrag

Iedere gebeurtenis die een wijziging van het bedrag van de kinderbijslag impliceert, geeft aanleiding tot de toekenning van het recht op het gewijzigd bedrag van de kinderbijslag vanaf de maand volgend op die gebeurtenis.

Voorbeeld: een kind wordt 12 jaar op 12 februari 2020. Vanaf de maand maart 2020 is er recht op het hogere basisbedrag voor kinderen vanaf 12 jaar (betaling op 8 april 2020)

Uitzondering:
Bij een indexering of de invoering van een nieuw voordeel krachtens de ordonnantie wordt het gewijzigde bedrag vanaf de maand zelf toegekend.

Het mechanisme van de trimestrialisering is niet langer van toepassing

Het principe van de trimestrialisering (artikel 54 AKBW) werd niet opgenomen in de ordonnantie, en geldt dus niet bij het bepalen van het recht volgens de nieuwe barema's.
Echter voor de dossiers met een verworven recht krachtens artikel 39, tweede lid, 5°, van de ordonnantie geldt dat de artikelen 48 en 54 AKBW van toepassing blijven voor de kinderbijslag die toegekend wordt overeenkomstig de overgangsmaatregelen van art 39 van de ordonnantie. In toepassing van art 39 blijft het verworven recht op de sociale toeslagen 42bis en 50ter AKBW behouden zolang de toepassing van de bepalingen van de AKBW de toekenning van een hoger bedrag toelaten dan hetgeen zou worden toegekend door de artikelen 7 tot 13 van de ordonnantie.

In principe zal dit meestal het geval zijn zolang de bijslagtrekkende blijft voldoen aan de toepasselijke inkomensgrens. Voor het behoud van het verworven recht op de eenoudertoeslag art 41 AKBW(of de verhoging van de sociale toeslag 42bis voor eenoudergezinnen) moet de bijslagtrekkende bovendien zonder onderbreking een eenoudergezin vormen.

Zodra een van deze voorwaarden niet vervuld is, dooft het hiermee corresponderende recht definitief uit, waarbij echter de trimestrialisering wordt toegepast: het recht op de toeslag wordt uitgetrimestrialiseerd op basis van de laatste referentiemaand (in de zin van artikel 54, § 4, AKBW) waarin alle voorwaarden vervuld waren. Het is met andere woorden niet mogelijk om het recht op de toeslag verder te zetten of te hernemen op basis van het feit dat de voorwaarden tijdens of aansluitend op de periode van uittrimestrialisering opnieuw worden vervuld.

Voorbeelden:

  • Leo ontvangt de kinderbijslag voor zijn meerderjarig kind in toepassing van de overgangsmaatregel (artikel 39 van de ordonnantie). Hij geniet een verworven recht op de eenoudertoeslag (art. 41 AKBW). Van 10 februari 2020 tot en met 28 april 2020 vormt Leo een feitelijk gezin met een partner, die zelf geen kinderbijslag ontvangt. Het gezamenlijk gezinsinkomen van Leo en zijn partner ligt onder het laagste grensbedrag. Doordat Leo op 10 februari 2020 een feitelijk gezin vormt, dooft zijn verworven recht op de eenoudertoeslag art 41 AKBW definitief uit. Het feit dat hij zich in de volgende referentiemaand (mei 2020) opnieuw in een eenoudersituatie bevindt, is hierbij van geen tel. Omdat de eenoudertoeslag uitgetrimestrialiseerd wordt, kan Leo op basis van de referentiemaand februari 2020 nog tot 30 juni 2020 verder de bedragen van de eenoudertoeslag genieten. Door het wegvallen van de eenoudertoeslag is de berekening volgens de overgangsmaatregel vanaf juli niet langer gunstiger dan het bedrag waarop Leo aanspraak maakt in toepassing van de nieuwe barema's, ingevoerd door de ordonnantie. Met ingang van de maand juli wordt zijn recht op kinderbijslag dan ook bepaald in toepassing van deze artikels, en niet langer op basis van de overgangsmaatregel.
  • Liesbeth heeft recht op kinderbijslag voor twee kinderen. De overgangsmaatregel (artikel 39 van de ordonnantie) is hierbij niet van toepassing. Zij geniet de sociale toeslag (artikel 9 van de ordonnantie) voor eenoudergezinnen met een jaarinkomen onder het laagste grensbedrag. Van 10 februari 2020 tot en met 28 april 2020 vormt Liesbeth een feitelijk gezin met een partner, die zelf geen kinderbijslag ontvangt. Het gezamenlijk gezinsinkomen van Liesbeth en haar partner ligt onder het laagste grensbedrag. Doordat Liesbeth van 10 februari 2020 tot en met 28 april een feitelijk gezin vormt, heeft zij voor de maanden maart en april geen recht op de hogere sociale toeslag voor eenoudergezinnen. Vanaf de maand mei 2020 maakt zij hier wel opnieuw aanspraak op.

3. Aandachtspunten

De bepalingen van artikel 28 worden uniform en zonder uitzondering toegepast. Dat wil zeggen dat iedere gebeurtenis die leidt tot een aanpassing van het bedrag zonder onderscheid1Hiermee wordt afgeweken van de interpretatie van het corresponderende artikel 48, vierde lid AKBW, waarbij de formulering "wijziging van het bedrag" letterlijk opgevat wordt en de uitwerking van een gebeurtenis enkel uitgesteld moet worden tot de volgende maand, als deze gebeurtenis daadwerkelijk leidt tot de toekenning van een ander bedrag dan in de voorgaande maand. Deze interpretatie wordt opgeheven. uitwerking heeft vanaf de daaropvolgende maand.

Voorbeeld:

De bijslagtrekkende ontvangt voor haar twee kinderen in totaal een bedrag van 310 EUR. 10 januari 2021 zet het oudste kind zijn hogere studies stop. Dit heeft een impact op de berekening: het basisbedrag voor dit kind daalt met 10 EUR. Het recht op het gewijzigde bedrag van 300 EUR wordt toegekend vanaf de volgende maand, februari 2021. In diezelfde maand februari bereikt het andere kind de leeftijd van 12 jaar. Dit heeft een impact op de berekening: het basisbedrag voor dit kind stijgt met 10 EUR. Het recht op de gewijzigde som van 310 EUR wordt toegekend vanaf de volgende maand, maart 2021.

Er wordt voor de toepassing van artikel 28 geen onderscheid gemaakt tussen wijzigingen die zich op de eerste dag van een maand voordoen en gebeurtenissen die op een latere datum plaatsvinden2Voor een verandering van de bijslagtrekkende gelden andere bepalingen. Cf. Art 22 ORD. .

Voorbeeld:

Het kind wordt 25 jaar op 1 maart 2020. Er is recht op kinderbijslag tot en met de maand maart 2020.

Wanneer er zich binnen eenzelfde maand verschillende gebeurtenissen voordoen met een tegenstrijdige impact op het bedrag, dan heeft enkel de laatste van die gebeurtenissen effectief uitwerking. Dit principe wordt in de regelgeving van de AKBW voorgeschreven door de ministeriële omzendbrief MO 593, en wordt verder gehandhaafd.

Opmerking:
Op basis van deze bepaling kunnen we het vertragingsmechanisme van artikel 28 als volgt naar de praktijk vertalen: "Het recht op kinderbijslag voor een maand wordt berekend op grond van de situatie op de laatste dag van de voorgaande maand."

Voorbeelden:

  • Een meerderjarig kind volgt opnieuw hogere studies vanaf 1 september 2020, na gewerkt te hebben. Op 29 september 2020 volgt een uitschrijving: geen toekenning van kinderbijslag.
  • De bijslagtrekkende is alleenstaand van 8 juni tot 28 juni 2020: geen recht op de verhoogde sociale toeslag voor eenoudergezinnen.

4. De toepassing van art 28 bij het inkomensonderzoek en de vaststelling van het recht op sociale toeslagen3Het betreft hier de toepassing van art 28 bij de definitieve vaststelling van de sociale toeslagen. Voor het opstarten en het beëindigen van de provisionele betalingen van de sociale toeslagen (artikel 10 van de ordonnantie) gelden de instructies van CO XXXX, waarbij de grenzen van het recht krachtens artikel 28 uiteraard wel gerespecteerd worden.

Voor de toekenning van een sociale toeslag (artikel 9 van de ordonnantie) wordt steeds het (gezamenlijk) jaarlijks gezinsinkomen in aanmerking genomen van het betreffende kalenderjaar waarin de betreffende maand zich situeert. Het feit dat het jaarlijks gezinsinkomen van een nieuw kalenderjaar verschilt van het voorgaande, wordt bijgevolg niet beschouwd als een gebeurtenis in de zin van artikel 28, vierde lid van de ordonnantie.

Voor het overige worden de voormelde principes onverminderd toegepast.

Voorbeeld:

Een alleenstaande bijslagtrekkende wordt op 1 september 2020 werkloos. Hierdoor daalt haar inkomen, maar op jaarbasis ligt het gezinsinkomen voor het kalenderjaar 2020 boven het grensbedrag. Dat is niet langer het geval voor het daaropvolgende jaar. Vanaf de maand januari 2021 van dat jaar ontstaat er dus een recht op de sociale toeslag . Het recht op de toeslag wordt toegekend vanaf de maand januari 2021, zonder vertragingseffect.
Omgekeerd, als het gezinsinkomen voor het jaar 2022 opnieuw boven het grensbedrag ligt, dan wordt het recht op de toeslag slechts toegekend tot en met de maand december 2021.

Wanneer de gezinssamenstelling wijzigt, kan dit een impact hebben op het gezinsinkomen, en bijgevolg mogelijks ook op het recht op een sociale toeslag. Bovendien kan het bedrag van de sociale toeslag wijzigen bij het begin of het einde van een eenoudersituatie (toekenning of stopzetting van de verhoging van de sociale toeslag voor eenoudergezinnen). Zowel bij de gebeurtenis van een wijziging van het gezinsinkomen ten gevolge van een gewijzigde gezinssituatie als bij de gebeurtenis van het begin of einde van een eenoudersituatie, wordt het vertragingsmechanisme van artikel 28, vierde lid van de ordonnantie, consequent toegepast.

Concreet betekent dit het volgende:

  • Elke wijziging van de gezinssamenstelling heeft uitwerking vanaf de volgende maand (ook als de gewijzigde gezinssituatie aanvangt op de eerste dag van de maand).
  • Als de gezinssamenstelling meermaals wijzigt in de loop van eenzelfde maand, wordt enkel rekening gehouden met de laatste gezinssituatie.

Voorbeelden:

  • Een bijslagtrekkende woont samen met een partner van 15 juni 2020 tot en met 20 augustus 2020. Voor de maanden juli en augustus wordt het gezamenlijk jaarinkomen van de bijslagtrekkende en de partner getoetst. Als deze som onder één van de inkomensgrenzen ligt, wordt de bijhorende toeslag voor deze twee maanden toegekend. Voor de maanden juni en september wordt uitsluitend het jaarinkomen van de bijslagtrekkende geëvalueerd, en wordt de daarmee corresponderende toeslag toegekend. Ligt het inkomen onder de laagste inkomensgrens, dan is er recht op de hogere toeslag voor eenoudergezinnen.
  • Een bijslagtrekkende woont samen met een partner sinds december 2019 tot en met 15 juni 2020. Vervolgens is zij een periode alleenstaand tot zij vanaf 20 augustus 2020 opnieuw een feitelijk gezin vormt met een nieuwe partner. Voor de maanden juli en augustus wordt enkel het inkomen van de bijslagtrekkende getoetst. Als het jaarlijks inkomen van de bijslagtrekkende onder één van de inkomensgrenzen ligt, wordt de bijhorende toeslag voor deze twee maanden toegekend. Ligt het inkomen onder de laagste inkomensgrens, dan wordt ook de verhoging voor eenoudergezinnen toegekend. Voor de maanden januari tot en met juni wordt het recht op een sociale toeslag bepaald in functie van het gezamenlijk inkomen van de bijslagtrekkende met de eerste toeslagpartner, terwijl voor de maanden september en volgende het gezamenlijk inkomen van de bijslagtrekkende met de tweede partner in rekening gebracht wordt.
  • Een bijslagtrekkende woont samen met een toeslagpartner tot 31 december 2020. Zij is alleenstaand vanaf 1 januari 2021 en vormt vanaf 1 februari 2021 een feitelijk gezin met een nieuwe toeslagpartner. Voor de maand januari 2021 wordt nog rekening gehouden met het inkomen van de voormalige partner, hoewel deze niet langer in het gezin verblijft. Om het recht op een sociale toeslag te bepalen, wordt hun gezamenlijk inkomen voor het jaar 2021 geëvalueerd. Voor de maand februari wordt de toeslag desgevallend toegekend in functie van het jaarinkomen van enkel de bijslagtrekkende. Ligt het inkomen onder de laagste inkomensgrens, dan is er voor deze maand recht op de hogere toeslag voor eenoudergezinnen. Met het inkomen van de nieuwe partner wordt pas rekening gehouden vanaf de maand maart 2021.

Ik dank u bij voorbaat voor uw medewerking.

 

Tania Dekens
Leidende ambtenaar