CO GB 5-1 – 04 JULI 2024 – Voorwaarden voor het openen van het recht op Brusselse gezinsbijslagen
Betreft: Voorwaarden voor het openen van het recht op de Brusselse gezinsbijslagen
Mevrouw,
Mijnheer,
1 INLEIDING
Deze omzendbrief strekt ertoe om op praktische wijze de toepassing van artikel 4, 1° en 2°, van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag (hierna 'ordonnantie van 25 april 2019' genoemd) toe te lichten.
Artikel 4 van de ordonnantie van 25 april 2019 bepaalt dat het kind een recht op de Brusselse gezinsbijslagen opent als:
- het zijn woonplaats heeft in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad (zie punt 3);
- het de Belgische nationaliteit heeft of een buitenlander is die begunstigde is van een verblijfsvergunning (zie punt 4);
- aan de voorwaarden voldoet bepaald in artikel 25 of 26 (met name op het vlak van leeftijdsvereisten en voortgezette opleiding etc., in voorkomend geval). Deze voorwaarden maken het voorwerp uit van aparte instructies en worden in deze omzendbrief niet verder toegelicht1Wat betreft de toepassing van art. 25 van de ordonnantie van 25 april 2019, zie CO GB 6 van 10 oktober 2019: De rechtgevende kinderen bedoeld in artikel 25 van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag. Voor wat betreft de voorwaarden met betrekking tot de rechtgevende kinderen met een aandoening (art. 26 van de ordonnantie van 25 april 2019), zie het Besluit van 25 mei 2023 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreffende de toekenning van kinderbijslag voor kinderen met een aandoening, BS 16 juni 2023. .
Uiteraard is de ordonnantie van 25 april 2019 enkel van toepassing op kinderen die onder de bevoegdheid van de GGC vallen op grond van het Samenwerkingsakkoord van 6 september 2017 (hierna "samenwerkingsakkoord" genoemd)2Samenwerkingsakkoord van 6 september 2017 betreffende de aanknopingsfactoren, het beheer van de lasten van het verleden, de gegevensuitwisseling inzake de gezinsbijslagen en de praktische regels betreffende de bevoegdheidsoverdracht tussen de kinderbijslagfondsen, BS 26 januari 2018.. Daarom wordt in punt 2 eerst kort herinnerd aan de exclusieve bevoegdheidsverdeling tussen de deelentiteiten.
Behoudens nadere preciseringen, heeft deze omzendbrief uitwerking met ingang van 1 januari 2020, binnen de grenzen van de toepasselijke verjaringstermijnen.
Deze omzendbrief CO GB 5/1 is een bijwerking van de omzendbrief CO GB 5, die wordt opgeheven.
2 BEVOEGDE GEFEDEREERDE DEELENTITEIT
Vooraleer wordt bepaald of een kind aanspraak kan maken op de Brusselse gezinsbijslagen, moet er worden vastgesteld of de GGC wel de bevoegde Belgische gefedereerde deelentiteit is om een eventueel recht te onderzoeken op basis van het samenwerkingsakkoord.
Het is belangrijk te benadrukken dat het samenwerkingsakkoord er met name toe strekt om de gefedereerde deelentiteit te bepalen die exclusief bevoegd is ten opzichte van een bepaald kind voor wat betreft het beheer en de uitbetaling van de gezinsbijslag. Bijgevolg, vinden de principes in het samenwerkingsakkoord toepassing voorafgaand aan de toepassing van de ordonnanties van 25 april 2019 en van 4 april 20193Ordonnantie van 4 april 2019 tot vaststelling van het betaalcircuit voor de gezinsbijslag, BS 12 april 2019, hierna 'ordonnantie van 4 april 2019' genoemd. .
De administratieve toepassing van het samenwerkingsakkoord wordt toegelicht in de CO 1423 van 1 januari 2019 en, wat betreft de interactie met de toepassing van de verordeningen 883/20044Verordening (EG) Nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, PB L 200 van 7 juni 2004 (hierna "Verordening 883/2004" genoemd). en 987/20095Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, PB L 284 van 30 oktober 2009 (hierna "Verordening 987/2009" genoemd). , in de CO GB 24 van 25 april 2024.
3 WOONPLAATS IN HET TWEETALIGE GEBIED BRUSSEL-HOOFDSTAD
3.1 ALGEMEEN
In de Brusselse gezinsbijslagregeling opent het kind zelf het recht op de kinderbijslag, in essentie op grond van zijn woonplaats in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.
Het begrip 'woonplaats' wordt gedefinieerd in artikel 3, 4°, van de ordonnantie van 25 april 2019 als:
- De plaats waar de persoon zijn hoofdverblijfplaats heeft volgens de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen;
- bij gebrek daaraan, de plaats waar die persoon daadwerkelijk hoofdzakelijk verblijft.
Het begrip 'woonplaats' in de zin van de ordonnantie omvat dus twee aspecten, het een bij gebrek aan het andere. Het begrip heeft met andere woorden een alternatief karakter (waarbij de tweede component bij gebrek aan de eerste toepassing vindt) dat met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2020 werd ingevoerd door de ordonnantie van 23 november 20236Ordonnantie van 23 november 2023 tot wijziging van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag, BS 30 november 2023. .
De twee aspecten van het begrip worden hierna apart toegelicht, respectievelijk in punt 3.2 en in punt 3.3. Een overzichtsschema bevindt zich als bijlage 4 bij deze omzendbrief
Tenslotte heeft de ordonnantie van 23 november 2023 ook een impact voor de toepassing van de algemene afwijkingen (punt 3.4)
Opgelet: De term 'woonplaats' in de zin van de ordonnantie van 25 april 2019 moet worden onderscheiden van de term 'wettelijke woonplaats' zoals bedoeld in het samenwerkingsakkoord. In tegenstelling tot het hierboven toegelichte woonplaatsbegrip in de ordonnantie, verwijst het samenwerkingsakkoord, meer restrictief, enkel naar de plaats waar een persoon in de bevolkingsregisters is ingeschreven7En in het bijzonder het Rijksregister van de natuurlijke personen (Zie punt I, B, van CO 1423)..
Voor de toepassing van deze instructie en a fortiori voor de toepassing van de ordonnantie van 25 april 2019, moet de term 'woonplaats' systematisch worden geïnterpreteerd volgens de voormelde definitie uit de ordonnantie.
Tot slot merken we op dat de woonplaats van de bijslagtrekkende, in principe8Los van de specifieke betaalmodaliteiten voor de toekenning van het vervroegde kraamgeld, zie art. 16 van de ordonnantie van 25 april 2019., geen voorwaarde vormt voor het openen van het recht volgens de ordonnantie van 25 april 2019 en dat de gezinsbijslag kan worden uitbetaald aan de bijslagtrekkende die niet in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad woont.
3.2 HOOFDVERBLIJFPLAATS IN BRUSSEL VOLGENS DE GEGEVENS VAN HET RIJKSREGISTER
3.2.1 ALGEMEEN
Het kind voldoet aan de woonplaatsvoorwaarde wanneer het zijn hoofdverblijfplaats heeft volgens de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.
Als aan alle andere voorwaarden om het recht te openen is voldaan, wordt het recht - overeenkomstig de geldende voorwaarden9Onverminderd, naargelang het geval, art. 28 van de ordonnantie van 25 april 2019, art. 6 van het Samenwerkingsakkoord of art. 59 van verordening (EG) nr. 987/2009. - vastgesteld vanaf de datum waarop het kind is ingeschreven in het Rijksregister met een hoofdverblijfplaats in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.
In dat geval vermeldt de kinderbijslaginstelling in de goedkeuringsbrief ter informatie van de gezinnen dat indien het kind vóór zijn inschrijving in het Rijksregister werkelijk en hoofdzakelijk in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad verbleef en zijn verblijfsvergunning voor dezelfde periode geldig is, de beslissing over het begin van het recht op kinderbijslag kan worden herzien en het recht voor de eerdere periode toegekend, binnen de grenzen van de toepasselijke verjaringstermijnen (zie punt 3.3 infra).
In bepaalde gevallen zal de kinderbijslaginstelling echter vaststellen dat het kind met een dergelijke hoofdverblijfplaats volgens de gegevens van het Rijksregister daadwerkelijk en hoofdzakelijk buiten het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad verblijft.
Een dergelijke tegenstelling hoeft geen afbreuk te doen aan de toekenning van de Brusselse gezinsbijslagen, indien het gaat om een tijdelijke afwezigheid in de zin van artikel 17 van het koninklijk besluit van 16 juli 199210Koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, BS 15 augustus 1992. of daarmee geassimileerde situaties, om een toepassing van de Europees- of internationaalrechtelijke verplichtingen of om een algemene afwijking (volgens de modaliteiten in punt 3.2.2).
In alle andere gevallen, moet de kinderbijslaginstelling nagaan of het mogelijk is om het bewijs te leveren van het tegendeel van de bewijskracht van de gegevens uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, overeenkomstig artikel 33, tweede lid, van de ordonnantie van 4 april 2019. De modaliteiten van die weerlegging worden toegelicht in punt 3.2.3.
3.2.2 DAADWERKELIJK HOOFDZAKELIJK VERBLIJF BUITEN HET TWEETALIGE GEBIED BRUSSEL-HOOFDSTAD
In bepaalde gevallen kan de bevoegde kinderbijslaginstelling, op grond van diverse elementen, vaststellen dat een kind , waarvan de hoofdverblijfplaats zich volgens de gegevens van het Rijksregister binnen het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad bevindt, daadwerkelijk en hoofdzakelijk buiten dit gebied bevindt, zodat de gegevens in het Rijksregister niet (meer) overeenkomen met de feitelijke verblijfssituatie van het kind
In dergelijke gevallen zal de feitelijke verblijfplaats van het kind buiten het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad de toekenning van de Brusselse gezinsbijslag niet in het gedrang brengen in de onderstaande situaties, waarbij een onderscheid moet worden gemaakt naargelang het kind in België verblijft (punt A), in een andere lidstaat van de EER of in Zwitserland (punt B) of in een derde Staat (punt C).
In alle andere gevallen moet gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om in toepassing van artikel 33, § 2, van de ordonnantie van 4 april 2019 trachten te bewijzen dat de informatie verkregen bij het Rijksregister geen bewijskracht heeft (zie daartoe de modaliteiten onder punt 3.3.3).
A) Het kind verblijft daadwerkelijk hoofdzakelijk op een ander adres in België: Tijdelijke afwezigheid
De vermelding van de hoofdverblijfplaats volgens de gegevens van het Rijksregister die in aanmerking wordt genomen voor de toepassing van artikel 4, 1°, van de ordonnantie van 25 april 2019 stemt in principe overeen met de plaats waar de persoon daadwerkelijk en hoofdzakelijk verblijft.
Overeenkomstig artikel 17 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992, wordt de hoofdverblijfplaats in het Rijksregister echter niet gewijzigd door een 'tijdelijke afwezigheid' van een persoon, zelfs indien deze niet daadwerkelijk en gedurende een bepaalde periode verblijft op zijn hoofdverblijfplaats.
Daartoe moeten er voldoende belangen behouden worden die aantonen dat de re-integratie in de hoofdverblijfplaats op elk moment mogelijk is. Met "voldoende belangen" bedoelt men het feit van over een huisvesting te kunnen beschikken, hetzij onbewoond, hetzij bewoond gebleven door minstens één gezinslid.
Indien de kinderbijslaginstelling vaststelt dat het tijdelijk verblijf zich daarbij afspeelt in een andere Belgische gefedereerde deelentiteit, kan het recht op de gezinsbijslag behouden blijven onder de volgende voorwaarden, waarbij er wordt van uitgegaan dat het kind tijdelijk afwezig is. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen 3 types van situaties:
Type A.1)
Het recht op de gezinsbijslag kan in de eerste plaats worden vastgesteld indien het gaat over een situatie uit de lijst in bijlage 1 bij deze omzendbrief11Het gaat om situaties die overeenstemmen met de gevallen bedoeld in art. 18, § 3, van het KB van 16 juli 1992, en een beperkt aantal daarmee geassimileerde situaties..
Type A.2)
Wanneer het niet gaat om een situatie die voorkomt in de lijst uit bijlage 1, bedoeld in type A.1, kan er op grond van de vermelding in het Rijksregister worden doorbetaald gedurende maximaal één jaar, zonder dat de reden van de tijdelijke afwezigheid moet worden geverifieerd.
Dit geldt enkel voor zover er geen gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheid om in toepassing van artikel 33, § 2, van de ordonnantie van 4 april 2019 tot vaststelling van het betaalcircuit voor de gezinsbijslag de bewijskracht van de informatie verkregen bij het Rijksregister te weerleggen, overeenkomstig punt 3.2.3 (infra). Daartoe moet dus worden aangetoond dat het niet gaat om een afwezigheid met een tijdelijk karakter zoals hierboven toegelicht.
Type A.3)
Indien de termijn van maximaal een jaar is verstreken en men zich niet in de situaties bedoeld onder type A.1. bevindt, kan de toekenning van de kinderbijslag enkel nog worden behouden indien het gezin bij de gemeente melding heeft gemaakt van de tijdelijke afwezigheid van het kind via het daartoe bestemde aangifteformulier.
De afwezigheid mag meer bepaald na afloop van het eerste jaar (zie daartoe Type A.2) éénmaal verlengd worden, waardoor men uiteindelijk in totaal gedurende maximaal twee jaar tijdelijk afwezig mag zijn.
Vanaf het tweede jaar kan de kinderbijslag enkel verder worden toegekend indien het gezin aan zijn kinderbijslaginstelling een kopie van het aangifteformulier voorlegt dat betrekking heeft op de periode van de verlenging. Bij gebreke daaraan wordt de toekenning opgeschort.
Indien bij de uitwisseling van informatie die leidt tot het vaststellen van de hoofdverblijfplaats in een andere entiteit, de aangifte van tijdelijke afwezigheid niet is gevraagd en/of verkregen, moet de kinderbijslaginstelling controleren of het gezin deze aangifte heeft gedaan voor het tweede jaar. Binnen een termijn van een maand voor het verstrijken van het eerste jaar bedoeld in type A.2, vraagt de kinderbijslaginstelling de begunstigde om (het bewijs van) de aangifte van tijdelijke afwezigheid, zodat deze tijdig kan worden verkregen om de betalingen tijdens het tweede jaar voort te zetten.
Als de informatie over de verblijfplaats in een andere entiteit na het eerste jaar bij de kinderbijslaginstelling binnenkomt, moet de aangifte zo snel mogelijk aan het gezin worden gevraagd om het tweede jaar van het kind of gezin te dekken.
Bij gebrek aan deze geldige aangifte vanaf het tweede jaar, wordt artikel 4, 1° van de verordening van 25 april 2019 niet nageleefd en moeten de betalingen worden stopgezet.
Indien een dergelijke situatie zich voordoet, moet de kinderbijslaginstelling dit onmiddellijk signaleren aan Iriscare, via admin.ctrl@iriscare.brussels
B) Het kind verblijft daadwerkelijk hoofdzakelijk in een andere lidstaat van de EER of Zwitserland
Daarentegen, als het tijdelijk verblijf zich situeert in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland, stelt de kinderbijslaginstelling het recht op gezinsbijslag vast overeenkomstig de instructies voorzien in punt 5.3.3. van de CO GB 24.
Wij herinneren eraan dat in het geval dat een kind daadwerkelijk verblijft in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland en er in België een sociaal verzekerde in de zin van de Samenwerkingsovereenkomst kan worden aangeduid, het recht op gezinsbijslag wordt geëxporteerd op basis van de artikelen 67 en volgende van Verordening 883/2004 (zie punt 6 van de CO GB 24).
C) Het kind verblijft daadwerkelijk hoofdzakelijk in een derde Staat
Als het kind daadwerkelijk in een derde Staat verblijft, controleert de kinderbijslaginstelling of het een land betreft waarmee België een bilaterale overeenkomst inzake sociale zekerheid heeft ondertekend die betrekking heeft op de kinderbijslag en stelt het eventueel het recht op kinderbijslag vast op basis van dit juridische instrument en de daaraan gekoppelde voorwaarden.
Bij gebrek aan de mogelijkheid om een bilaterale overeenkomst toe te passen, kan het recht op gezinsbijslag eventueel worden vastgesteld op basis van de toepassing van een algemene afwijking, overeenkomstig de voorwaarden zoals vermeld in de Omzendbrief van het Verenigd College van 9 juli 201912Omzendbrief van het Verenigd College van de gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 9 juli 2019 betreffende de Algemene afwijkingen overeenkomstig artikel 5, 16 en 17 van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag. , zie ook punt 3.5.
3.2.3 WEERLEGGEN VAN DE BEWIJSKRACHT VAN DE GEGEVENS UIT HET RIJKSREGISTER
Wanneer het kind met een hoofdverblijfplaats in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad overeenkomstig de gegevens van het Rijksregister, daadwerkelijk en hoofdzakelijk elders verblijft, is de toekenning van de kinderbijslag enkel mogelijk in de gevallen besproken in punt 3.2.2.
In alle andere gevallen moet gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om te trachten in toepassing van artikel 33, § 2, van de ordonnantie van 4 april 2019 de bewijskracht van de informatie verkregen bij het Rijksregister te weerleggen.
Deze weerlegging moet gebaseerd zijn op minstens één officieel document van een overheidsinstantie dat voorkomt op de lijst die de bijlage 3 bij deze omzendbrief vormt (incl. temporeel toepassingsgebied, zie punt 3.3.3), waaronder een controle ter plaatse door een sociaal controleur van de bevoegde gefedereerde deelentiteit.
Daarnaast moet ook een geschreven verklaring door de bijslagtrekkende of door het ontvoogde of meerderjarige kind waarin de informatie verkregen bij het Rijksregister wordt weerlegd op grond van het werkelijk verblijf van het kind in het buitenland, in aanmerking worden genomen. De bijslagtrekkende is daar overigens toe verplicht op grond van artikel 33, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019.
Bij gebrek aan een dergelijk officieel document of een geschreven verklaring, blijft het vermoeden gelden dat de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen overeenstemmen met de plaats waar het kind daadwerkelijk hoofdzakelijk verblijft.
Wanneer het bewijs van het tegendeel daarentegen kan worden aanvaard door de kinderbijslaginstelling, dient de inhoud van het aldus aanvaarde informatiegegeven, ten titel van inlichting, te worden meegedeeld aan het Rijksregister van de natuurlijke personen vergezeld van de voormelde bewijsstukken13Art. 33, § 2, Ordonnantie van 4 april 2019 tot vaststelling van het betaalcircuit voor de gezinsbijslag.. De kinderbijslaginstelling dient gevolg te geven aan deze wettelijke verplichting door de voormelde gegevens te bezorgen via monitoring-ict@iriscare.brussels met admin.ctrl@iriscare.brussels in cc.
3.2.4 SCHRAPPING VAN HET KIND UIT HET RIJKSREGISTER
In geval van schrapping of afvoering van het kind uit het Rijksregister en ingeval daarbij de GGC bevoegd is overeenkomstig de aanknopingsfactoren van het samenwerkingsakkoord, kunnen zich twee situaties voordoen:
- als het kind effectief en daadwerkelijk verblijft in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, zal het recht op kinderbijslag behouden blijven (voor de modaliteiten, zie punt 3.3);
- als het kind in het buitenland verblijft, zal een eventueel recht worden toegekend overeenkomstig het recht van de Europese Unie14Zie CO GB 24 van 25 april 2024. , de internationale overeenkomsten of de algemene afwijkingen.
3.3 DAADWERKELIJK HOOFDZAKELIJK VERBLIJF IN BRUSSEL (BIJ GEBREK AAN EEN HOOFDVERBLIJFPLAATS VOLGENS DE GEGEVENS VAN HET RIJKSREGISTER)
3.3.1 ALGEMEEN
Indien de gegevens van het Rijksregister niet aangeven dat het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, maar het wel daadwerkelijk hoofdzakelijk verblijft in een Brusselse gemeente, is er alsnog voldaan aan de woonplaatsvoorwaarde in artikel 4, 1°, van de ordonnantie van 25 april 2019.
Dit geldt uiteraard enkel indien het kind onder de bevoegdheid van de GGC valt op basis van het samenwerkingsakkoord en dus volgens de gegevens van het Rijksregister zijn hoofdverblijfplaats niet heeft in een andere gefedereerde deelentiteit heeft (zie punt 2).
We herinneren eraan dat ook de voorwaarde van de verblijfsvergunning bedoeld in artikel 4, 2°, (en desgevallend ook de voorwaarden uit artikel 4, 3°) van de ordonnantie van 25 april 2019 steeds moet(en) zijn vervuld opdat het kind een recht op de Brusselse gezinsbijslagen kan openen.
3.3.2 TOEGELATEN BEWIJSMIDDELEN
Gelet op het belang van de lokalisatie van de verblijfplaats van het rechtgevende kind in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, en dit niet enkel op een bepaald moment maar gedurende een langere periode, is het van essentieel belang het vermoeden van de daadwerkelijke en hoofdzakelijke verblijfplaats te kunnen baseren op een officieel document of gegeven van een overheidsinstantie. Op die manier wordt ook zoveel als mogelijk vermeden dat een bewijsstuk aanleiding geeft tot twijfel of verwarring.
De bewijsstukken die daartoe in aanmerking mogen worden genomen zijn identiek aan deze die gebruikt kunnen worden om de verblijfplaats van het kind vast te stellen in het kader van de bevoegdheidsvaststelling van een deelentiteit. De lijst werd uitgebreid overeenkomstig een beslissing van de Juridische Werkgroep tussen de vertegenwoordigers van Iriscare, VUTG, l'AviQ en het Ministerium der Deutschsprachigen Gemeinschaft van 7 juni 2024, onder meer om rekening te houden met de evoluties in de rechtspraak. Een overzicht van de toegelaten officiële bewijsstukken gaat als bijlage 3 bij deze omzendbrief.
De lijst met bewijsstukken in bijlage 3 is van toepassing op nieuwe aanvragen, alsook op lopende aanvragen (dossiers in onderzoek waarover nog geen beslissing is genomen).
Bij herzieningsaanvragen (dossiers waarvoor al een negatieve beslissing is genomen) worden deze bewijsstukken alleen toegepast op vraag van het gezin en binnen de grenzen van de verjaringstermijn. Worden met een herzieningsaanvraag gelijkgesteld: weigeringsbeslissingen van de kinderbijslaginstellingen die het voorwerp uitmaken van een klacht of beroep door de sociaal verzekerde tegen een weigeringsbeslissing.
3.3.3 TEMPOREEL TOEPASSINGSGEBIED VAN EEN BEWIJSSTUK OMTRENT DE VERBLIJFPLAATS VAN HET KIND
De in punt 3.3.2 bedoelde bewijsstukken zijn geldig voor een bepaalde duur, afhankelijk van de datum vermeld op het document en onder voorbehoud van het bewijs van het tegendeel.
Het is bijgevolg belangrijk om de bijslagtrekkende op de hoogte te brengen dat elke wijziging van de gezinssituatie, en in het bijzonder een wijziging van de verblijfplaats van het gezin zo snel mogelijk moet worden meegedeeld, overeenkomstig artikel 33, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019.
Wat de temporele werking van de bewijsstukken betreft, moeten met name de volgende elementen in aanmerking worden genomen:
a) Het bewijsstuk vermeldt één datum:
Als het document of bewijsstuk slechts de werkelijke verblijfplaats op een bepaalde datum aantoont, of slechts één datum vermeldt (datum van ondertekening of datum alleen vermeld in het document, enz.), kan de gezinsbijslag, tenzij anders bepaald, worden toegekend gedurende zes maanden vanaf deze datum of, bij gebreke daarvan, vanaf de datum van ontvangst van dit document door de kinderbijslaginstelling.
Het bewijsstuk moet echter elke zes maanden worden vernieuwd totdat het kind in het Rijksregister is ingeschreven. De gezinnen moeten hiervan op de hoogte worden gebracht in de goedkeuringsbrief van het dossier. Bovendien vraagt de kinderbijslaginstelling aan de bijslagtrekkende twee maanden voor de vervaldatum van het laatste geldige document om een nieuw document voor te leggen waarin de werkelijke en hoofdverblijfplaats van het kind in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad wordt bevestigd.
Het document heeft een beperkte geldigheidsduur en is geldig tot het tegendeel is bewezen. Indien bij de herziening van de woonplaatsvoorwaarde blijkt dat het sinds enkele maanden niet meer om de werkelijke verblijfplaats gaat, wordt de kinderbijslag teruggevorderd. Indien de geldigheidsduur van zes maanden van het bewijsstuk is verstreken en er voor de volgende maanden geen ander document is om de verblijfplaats vast te stellen, wordt de betaling stopgezet. Bij ontvangst van een nieuw bewijsstuk wordt het recht hernomen met toepassing van artikel 28 van de ordonnantie van 25 april 2019.
Voorbeeld:
Het ontvangen document, ondertekend op 3 januari 2024, vermeldt slechts een verblijfsdatum op 1 december 2023. Onder voorwaarde van een geldige verblijfsvergunning wordt de kinderbijslag vanaf 1 januari 2024 toegekend, overeenkomstig artikel 28 van de ordonnantie, waarbij de kinderbijslag in februari wordt uitbetaald.
Het document is gedurende zes maanden geldig (zie punt a) hierboven), tenzij anders bepaald. In dit geval is het document geldig tot en met 1 juni 2024 (zes maanden vanaf de datum op het bewijsstuk). Overeenkomstig artikel 28 van de ordonnantie wordt de betaling van de kinderbijslag dus stopgezet op 30 juni 2024.
b) Het document vermeldt een begin- en einddatum van het verblijf:
Als het document een periode van werkelijk verblijf vermeldt, moet deze vermelding in aanmerking worden genomen voor de betaling van de kinderbijslag, die gebaseerd zal zijn op de duur van de periode in het document en rekening zal houden met de vaststelling van het begin en het einde van het recht overeenkomstig artikel 28 van de ordonnantie.
Voorbeeld:
Het ontvangen document, ondertekend op 3 januari 2024, staaft een verblijfsperiode van 1 november 2023 tot en met 31 december 2023. Nog steeds onder voorwaarde van een geldige verblijfsvergunning wordt de kinderbijslag vanaf 1 december 2023 toegekend en wordt de toekenning stopgezet op 31 december 2023, overeenkomstig artikel 28 van de ordonnantie van 25 april 2019. In dat geval wordt de toekenning van de kinderbijslag beperkt tot de in het document vermelde periode, overeenkomstig voornoemd artikel 28.
c) Het document vermeldt een verblijfsperiode met een begindatum in het verleden en die zonder onderbreking voortduurt tot op het moment van de levering van het bewijs:
Als het document staaft dat het kind sinds een bepaalde datum in het verleden zonder onderbreking en zonder einddatum aan de voorwaarden voor werkelijk verblijf heeft voldaan, wordt deze laatste datum in aanmerking genomen voor de reeds verstreken periode, zoals beschreven in punt b. Bovendien kan op grond van dit document, tenzij anders bepaald, gedurende zes maanden vanaf de datum van ondertekening kinderbijslag worden toegekend.
Voorbeeld:
Het ontvangen document, ondertekend op 10 januari 2024, staaft een ononderbroken verblijf van 1 juni 2023 tot op heden (de datum op het bewijsstuk). Onder voorwaarde van een geldige verblijfsvergunning wordt het recht op kinderbijslag toegekend vanaf 1 juli 2023 overeenkomstig artikel 28 van de ordonnantie, waarbij de kinderbijslag wordt uitbetaald vanaf 1 augustus 2023.
Het document is gedurende zes maanden geldig, tenzij anders bepaald. In dit geval is het document geldig tot en met 10 juli 2024 (zes maanden vanaf de datum van ondertekening). Overeenkomstig artikel 28 van de ordonnantie wordt de toekenning van de kinderbijslag dus stopgezet op 31 juli 2024.
3.4 TOEPASSING VAN DE ALGEMENE AFWIJKINGEN
De omzendbrief van het Verenigd College van 9 juli 2019 somt een reeks gevallen op die als behartenswaardig worden beschouwd en waarin een kind dat in het buitenland (derde land) woont, een recht kan openen op de Brusselse gezinsbijslag op grond van een algemene afwijking.
Deze algemene afwijkingen, aangenomen krachtens artikel 5 van de ordonnantie van 25 april 2019, zijn onderworpen aan een dubbele voorwaarde15Met uitsluiting van de algemene afwijking bedoeld in punt II (kraamgeld en adoptiepremie) van de omzendbrief van het Verenigd College van 9 juli 2019. :
a) Het kind moet zijn woonplaats, in de zin van artikel 3, 4°, van de ordonnantie van 25 april 2019, hebben op het grondgebied van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad onmiddellijk vóór zijn vertrek naar het buitenland. Deze voorwaarde geldt niet voor kinderen die in het buitenland zijn geboren of geadopteerd;
b) er is geen ander recht op kinderbijslag ten gunste van hetzelfde kind uit hoofde van de toepassing van het recht van de Europese Unie, de in België geldende internationale verdragen, buitenlandse wettelijke of reglementaire bepalingen of bepalingen van een andere Belgische gefedereerde entiteit of regels die van toepassing zijn op de persoon van een instelling naar internationaal publiek recht.
Voor de toepassing van de algemene afwijkingen verwijst de woonplaats zowel naar de situatie van het kind dat zijn hoofdverblijfplaats heeft in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad volgens de informatie in het RNP als, bij gebrek daaraan, naar de situatie waarin het kind daadwerkelijk hoofdzakelijk verblijft in hetzelfde gebied zoals bepaald in artikel 3, 4°, van de ordonnantie van 25 april 2019 (zie punten 3.2 en 3.3).
Ter volledigheid merken we op dat dit betekent dat het kind ook over een woonplaats in de zin van art. 3, 4°, van de ordonnantie van 25 april 2019 beschikt indien het zich onmiddellijk vóór zijn vertrek naar het buitenland in een situatie van tijdelijke afwezigheid bevindt zoals bedoeld in artikel 17 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992.
Omgekeerd kan een kind dat niet is ingeschreven in het Rijksregister en in het buitenland gaat wonen, van een algemene vrijstelling genieten als het onmiddellijk voor zijn vertrek naar het buitenland het bewijs levert van een louter daadwerkelijk verblijf in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad overeenkomstig punt 3.3 en op voorwaarde dat alle andere voorwaarden voor de toekenning van de vrijstelling vervuld zijn.
Voorbeeld 1:
Ingevolge een ambtshalve schrapping door de gemeentelijke autoriteiten die haar woning in Brussel onbewoonbaar achtten, vermelden de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen geen hoofdverblijfplaats meer voor het rechtgevend kind Lina.
Ze blijft echter wel daadwerkelijk en hoofdzakelijk in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad wonen. Dit verblijf in Brussel wordt bewezen op basis van een officieel document afgegeven door de FOD Binnenlandse Zaken, gedateerd op 1 april 2024.
Op 15 september 2024 verblijft Lina in de Verenigde Staten in het kader van haar hogere studies. Het kinderbijslagfonds kent de kinderbijslag toe op basis van de algemene afwijking bedoeld in punt I.2 van de Omzendbrief van het Verenigd College, beperkt tot maximaal één schooljaar, en de naleving van de voorwaarde bedoeld in punt I. a) van die omzendbrief wordt geacht voldaan te zijn door het bewijs van het daadwerkelijke en hoofdzakelijke verblijf in Brussel afgegeven door de FOD Binnenlandse Zaken, geldig tot 1 oktober 2024, direct voorafgaand aan haar vertrek.
Voorbeeld 2:
Tot 31 januari 2024 heeft het gezin van het rechtgevend kind Olivia zijn hoofdverblijfplaats in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad volgens de informatie van het Rijksregister.
Olivia, vergezelt haar moeder die voor haar werk een coöperatieopdracht uitoefent in Venezuela voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking sinds 1 februari 2024, en is vanaf die datum tijdelijk afwezig verklaard in de zin van het koninklijk besluit van 16 juli 1992.
De kinderbijslag voor Olivia wordt toegekend op basis van de algemene afwijking bedoeld in punt I.7 van de omzendbrief van het Verenigd College.
Op 15 juli 2024 vertrekt Olivia vanuit Venezuela naar Japan in het kader van haar hogere studies.
Het kinderbijslagfonds kent de kinderbijslag toe op basis van de algemene afwijking bedoeld in punt I.2 van de omzendbrief van het Verenigd College, beperkt tot maximaal één schooljaar, en de naleving van de voorwaarde bedoeld in punt I. a), van die omzendbrief wordt geacht voldaan te zijn door de verklaring van effectieve tijdelijke afwezigheid sinds 1 februari 2024 (behoud van de hoofdverblijfplaats in Brussel volgens de gegevens van het Rijksregister).
4 VERBLIJFVERGUNNING VAN HET RECHTGEVENDE KIND MET BUITENLANDSE NATIONALITEIT
4.1 ALGEMEEN
Overeenkomstig artikel 4, 2°, van de ordonnantie moet het rechtgevende kind met buitenlandse nationaliteit begunstigde zijn van een verblijfsvergunning. Artikel 3, 1°, omschrijft dit begrip als volgt: “ begunstigde van een verblijfsvergunning: de begunstigde van een machtiging of toelating, voor een persoon die niet de Belgische nationaliteit heeft, om te verblijven in België of er zich te vestigen, in overeenstemming met de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen”.
We wijzen u erop dat het attest van immatriculatie geen geldige verblijfsvergunning is.
De informatie met betrekking tot verblijfsvergunningen van niet-Belgische rechtgevende kinderen wordt behandeld door een aanvullende omzendbrief bijlage 2 die met name de inhoud beschrijft van flux P031 over de momenteel al beschikbare verblijfsvergunningen. In gevallen waarbij de gegevens van die flux P031 niet beschikbaar of bruikbaar zijn, moet men zich richten tot de bijslagtrekkende om de nodige gegevens te verkrijgen.
Vreemdelingen die een verblijfsvergunning hebben, worden ingeschreven in het Rijksregister van de natuurlijke personen op basis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wat ook indicatief is voor hun verblijfssituatie.
Bijzonderheid voor kinderen jonger dan 12 jaar: ze beschikken persoonlijk niet over een vergunning die de wettigheid van hun verblijf aantoont. Hun verblijfsrecht wordt individueel onderzocht door Binnenlandse zaken. Ze zullen dus over een eigen verblijfsreden beschikken, onverminderd het feit dat in het algemeen hun verblijfsrecht dat van de ouders volgt.. Ze kunnen echter op aanvraag van hun ouder een identiteitsdocument krijgen, dat geen verblijfsvergunning is in de zin van artikel 4, 2°, van de ordonnantie.
4.2 IN DE TIJD
Artikel 6 van de ordonnantie beschrijft de uitwerking in de tijd van het krijgen van een verblijfsvergunning (eerste lid) of van de erkenning van de status van vluchteling, staatloze of de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus (tweede lid), waarbij daarnaast wordt rekening gehouden met de gevolgen van de toepassing van artikel 28 van de ordonnantie (zie CO GB 3).
Concreet vangt de begindatum van het recht op kinderbijslag voor een kind met buitenlandse nationaliteit aan op de eerste dag van de maand na die waarin het een geldige verblijfsvergunning krijgt of vanaf de eerste dag van de maand na die waarin de erkenningsbeslissing van de status van staatloze1416En voor zover de erkende staatloze houder is van een verblijfvergunning. vluchteling of de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus wordt genomen.
4.3 OVERGANGSMAATREGELEN : ARTIKEL 37 VAN DE ORDONNANTIE
Artikel 37 bepaalt: “Buitenlandse kinderen met een recht op gezinsbijslag op grond van een Belgische kinderbijslagregeling voor de maand december 2019, worden geacht de voorwaarde te vervullen bepaald in artikel 4, 2°.” Het gaat om de voorwaarde voor het rechtmatige verblijf van het niet-Belgische rechtgevende kind.
Die bepaling voorziet in een maatregel ter vrijwaring van de rechten van buitenlandse kinderen gerechtigd op kinderbijslag op grond van een Belgische regeling voor de maand december 2019 uiterlijk tot de maand waarin zij 25 jaar worden, zonder rekening te houden met de in artikel 4, 2°, vastgelegde voorwaarde, voor zover ze voldoen aan alle andere bij de ordonnantie vastgelegde voorwaarden.
Aan de rechtmatigheidsvoorwaarde van hun verblijf wordt geacht voldaan te zijn zonder tijdsbeperking en voor zover het recht niet wordt onderbroken. In geval van rechtsonderbreking is de overgangsmaatregel van art. 37 van de ordonnantie van 25 april 2019 voor een nieuw recht gebaseerd op de ordonnantie niet meer van toepassing.
De naleving van de verblijfsvergunningsvoorwaarde in deze hypothese van nieuw recht moet daadwerkelijk worden gecontroleerd.
Dank voor uw medewerking.
Tania Dekens
Leidend ambtenaar
Bijlagen:
- Tijdelijke afwezigheden in de zin van art. 18, § 3, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 en daarmee geassimileerde situaties
- Aanvullende richtlijnen bij de CO GB 5/1: rechtgevend kind toegelaten of gemachtigd om in België te verblijven
- Officiële documenten ter staving van de plaats waar het kind daadwerkelijk hoofdzakelijk verblijft
- Schema