CO GB 6 – 10 OKTOBER 2019 – De rechtgevende kinderen bedoeld in artikel 25 van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag
Betreft: De rechtgevende kinderen bedoeld in artikel 25 van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag
1. Inleiding: context
Artikel 25 van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag worden bepaalt de voorwaarden om kinderbijslag te krijgen in hoofde van het kind.
De kinderbijslag wordt automatisch aan het rechtgevende kind toegekend tot 31 augustus van het kalenderjaar waarin het de leeftijd van 18 jaar bereikt (artikel 25, § 1).
Na die zogenaamde periode van onvoorwaardelijk recht en tot zijn 25ste verjaardag (uiterste toekenningsdatum) moet het kind, om kinderbijslag te blijven krijgen, aan één van de volgende voorwaarden voldoen:
- verbonden zijn door een leerovereenkomst (artikel 25, § 2, eerste lid, a)1Besluit van 9 juli 2009 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten voordele van kinderen die verbonden zijn door een leerovereenkomst. ;
- lessen volgen of een vorming doorlopen waarvoor in het “bachelor-master”-systeem studiepunten worden toegekend (artikel 25, § 2, eerste lid, b)2Besluit van 9 juli 2019 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van kinderen die lessen volgen of een opleiding doorlopen.
- een stage volgen om in een ambt te kunnen worden benoemd (artikel 25, § 2, eerste lid), b)3Besluit van 9 juli 2019 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten voordele van de kinderen die een stage volgen om in een ambt te kunnen worden benoemd.
- een eindverhandeling voor hoger studies voorbereiden (artikel 25, § 2, eerste lid, c)4Besluit van 9 juli 2019 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat een eindverhandeling voor hogere studies voorbereidt. ;
- ingeschreven zijn als werkzoekende en studies of een leercontract beëindigd hebben (artikel 25, § 2, eerste lid), d)5Besluit van 24 oktober 2019 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten voordele van kinderen die ingeschreven zijn als werkzoekende. .
De bepalingen van de koninklijke besluiten tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend in het kader van de AKBW in verband met opleidingen (in ruime zin) en de hoedanigheid van de werkzoekende6Koninklijk besluit van 6 maart 1979 tot bepaling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat verbonden is door een leerovereenkomst. Koninklijk besluit van 10 augustus 2005 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van een kind dat onderwijs volgt of een vorming doorloopt Koninklijk besluit van 19 augustus 1969 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat een stage volgt om in een ambt te kunnen worden benoemd Koninklijk besluit van 16 februari 1968 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder en van de periode gedurende welke kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat een verhandeling bij het einde van hogere studies voorbereidt Koninklijk besluit van 12 augustus 1985 tot uitvoering van artikel 62, § 5, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders. zijn op soortgelijke wijze vermeld in de besluiten van het Verenigd College (BVC) en er wordt in voorkomend geval maar kort op gewezen.
In deze omzendbrief worden echter de bepalingen uiteengezet in verband met de uitoefening van een winstgevende activiteit7De ordonnantie van 25 april 2019 bepaalt in artikel 25, § 2, tweede lid, dat niet als een winstgevende activiteit wordt beschouwd: het vrijwilligerswerk in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers; vrijwillige dienst uitoefenen van collectief nut in de zin van de wet van 11 april 2003 tot instelling van een vrijwillige dienst van collectief nut en een vrijwillige militaire inzet vervullen in de zin van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet tot de eerste dag van de achtste kalenderweek die volgt op de week tijdens dewelke de militair de dienstneming aangaat. , het ontvangen van sociale uitkeringen of de ziekte van het kind. Zij werden gewijzigd of eenvormig gemaakt voor alle categorieën van kinderen die een opleiding volgen (met enkele verschillen voor de als werkzoekende ingeschreven kinderen).
De algemene en gemeenschappelijke regels van toepassing op alle kinderen zijn de volgende:
- de winstgevende activiteit kan worden uitgeoefend voor zover ze geen 240 uur per kwartaal overschrijdt. Dat wordt de norm voor de toekenning van de kinderbijslag in geval van een winstgevende activiteit, in loondienst of als zelfstandige; Elke inlichting waaruit blijkt dat het aantal uren activiteit meer dan 240 uur per kwartaal bedraagt, moet in aanmerking worden genomen (attest, flux,...). Daarnaast wordt voor een zelfstandig activiteit geacht te zijn uitgeoefend gedurende meer dan 240 uur per kwartaal als zij leidt tot een onderwerping aan het sociaal statuut van de zelfstandigen in hoofdberoep. Er mag geen bewijs van het tegendeel worden geleverd (onweerlegbaar vermoeden);
- het ontvangen van sociale uitkeringen voortvloeiend uit een toegelaten winstgevende activiteit vormt geen beletsel voor de kinderbijslag. Inschakelingsuitkeringen van de werkloosheid blijven echter onverenigbaar met de toekenning van kinderbijslag;
- als de lessen/opleiding die de jongeren volgen, worden onderbroken na een ziekte of ongeval blijven ze gedurende maximaal één jaar gerechtigd op kinderbijslag. Als de hervatting van de lessen/opleiding ten minste 30 kalenderdagen duurt, blijft de kinderbijslag verschuldigd voor een nieuwe maximale duur van een jaar als het kind opnieuw afwezig is wegens ziekte of ongeval.
En, meer specifiek voor de jonge werkzoekenden komen daar nog de volgende regels bij8BVC van 24 oktober 2019.. :
- alle uitkeringen van de werkloosheidssector zijn onverenigbaar met kinderbijslag;
- de periode van 360 kalenderdagen (toekenningsperiode) wordt verlengd met de ziekte- of ongevalperiode op voorwaarde dat het kind zich onmiddellijk9In het koninklijk besluit van 12 augustus 1985 tot uitvoering van artikel 62, § 5 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders was een onmiddellijke inschrijving niet vereist. Onder voorbehoud dat het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie wordt goedgekeurd, overeenkomstig de omzendbrief 996/82bis van 5 augustus 2011 werd er in de praktijk onder een onmiddellijke inschrijving verstaan: binnen vijf werkdagen na het einde van de ziekte. Deze interpretatie wordt behouden. opnieuw inschrijft als werkzoekende na de ziekte of het ongeval;
De bepaling met betrekking tot het kind dat niet in staat was om zich in te schrijven, bestaat echter niet meer10De maatregel van artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1985 is niet opgenomen in het BVC van 9 juli 2019. .
Voorbeeld: Een werkzoekende schrijft zich pas op 22 februari 2021 in, terwijl hij zijn hogere studies in juni 2020 beëindigde, omdat hij ziek was van 2 oktober 2020 tot 21 februari 2021. Hij krijgt kinderbijslag tot eind september 2020 en vanaf 1 maart 2021 (omdat zijn periode van 360 dagen begint op 1 augustus 2020).
Ten slotte voorzien noch de ordonnantie noch het BVC in een overgangsperiode tussen de oude en de nieuwe wetgeving. Met andere woorden, vanaf 1 januari 2020 zijn de nieuwe maatregelen in verband met de winstgevende activiteit, het ontvangen van sociale en ziekte-uitkeringen onmiddellijk van toepassing.
Deze omzendbrief wil ook de instructies vermelden voor de overgang van de oude naar de nieuwe wetgeving.
2. De door de BVC's vastgestelde voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend
2.1. De kinderen met een leerovereenkomst
Kinderbijslag is verschuldigd voor de duur van de leerovereenkomst of- verbintenis. De leerovereenkomst- of verbintenis moet erkend en gecontroleerd zijn.
Krachtens artikel 2, derde lid, van het BVC wordt niet als een winstgevende activiteit beschouwd:
a) een activiteit die wordt uitgeoefend in het kader van de leerovereenkomst of- verbintenis;
b) een andere activiteit uitgeoefend tijdens het derde kwartaal dan die bedoeld in de leerovereenkomst of- verbintenis op voorwaarde dat na dat kwartaal, het kind opnieuw de hoedanigheid heeft van rechtgevend kind en niet van werkzoekende.
De kinderbijslag wordt ook toegekend voor een periode van drie maanden die volgt op de datum van de beslissing tot weigering of intrekking van de erkenning of op de datum van verbreking van de leerovereenkomst of -verbintenis, op voorwaarde dat het kind tijdens die periode geen winstgevende activiteit uitoefent, de leergangen van de basisopleiding in de leertijd blijft volgen en niet uitgesloten is van het voordeel van een latere erkenning. Bij wijze van uitzondering wordt in die bijzondere context elke activiteit beschouwd als een winstgevende activiteit met inbegrip van deze hierboven vermeld in artikel 2, derde lid van het BVC.
2.2. De kinderen die lessen volgen of een opleiding doorlopen
Het BVC van 9 juli 2019 legt voorwaarden vast in verband met de opvolging van de lessen of de opleiding. Ze werden niet gewijzigd in vergelijking met die in de AKBW vastgesteld bij koninklijk besluit van 10 augustus 2005.
In dit kader zal men vanaf 1 januari 2020 die voorwaarden blijven controleren.
De activiteit (in loondienst of als zelfstandige) uitgeoefend in het kader van een stage die een voorwaarde vormt voor de toekenning van een diploma en deze gepresteerd in het kader van het deeltijds onderwijs worden niet beschouwd als winstgevende activiteiten. De in dit kader gepresteerde uren moeten niet verrekend worden in de norm van 240 uur per kwartaal.
Als de norm tijdens het derde kwartaal wordt overschreden, is er een beletsel voor de kinderbijslag in de veronderstelling dat er geen daadwerkelijke hervatting is van het schoolbezoek of een nieuwe opleiding via inschrijving in een hoger onderwijsinstelling.
Als een student vanaf 1 januari 2020 een sociale uitkering krijgt krachtens een Belgische of buitenlandse regeling in verband met ziekte, invaliditeit, arbeidsongevallen, beroepsziekten, werkloosheid11Nieuwe bepalingen van het BVC (art. 12, §2, 1ste alinea) of loopbaanonderbreking11, moet die sociale uitkering leiden tot een schorsing van de toekenning van kinderbijslag voor de volledige desbetreffende maand, als die uitkering voortvloeit uit een niet-toegelaten winstgevende activiteit (of een winstgevende activiteit die gedurende meer dan 240 uur per kwartaal is uitgeoefend).
De inschakelingsuitkeringen bedoeld in artikel 36 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering leiden echter tot de schorsing van ambtswege van de kinderbijslag.
Opmerkingen:
- De overeenkomst voor tewerkstelling van studenten
Elke tewerkstelling als student, zelfs deze die tot het betalen van beperkte socialezekerheidsbijdragen leidt, wordt beschouwd als een winstgevende activiteit en moeten de uren moeten verrekend worden in het totaal van de 240 uur per kwartaal.
- Student met winstgevende activiteit in de deeleconomie12Dienstbrief 999/189 van 22 juni 2018 - de gegevensvergaring voor de controle van de jongeren die onderwijs volgen
De winstgevende activiteit in het kader van de deeleconomie moet in aanmerking worden genomen voor de norm van 240 uur per kwartaal. Het BVC verwijst immers naar de winstgevende activiteit in de algemene zin en beoogt bijgevolg elk soort winstgevende activiteit. Met de winstgevende activiteit zoals bijvoorbeeld het vervoer via Uber moet worden rekening gehouden.
De regels die voor de zelfstandige activiteit worden toegepast, zijn bijgevolg van toepassing op de activiteit in de deeleconomie13Tenzij het kind door een arbeidsovereenkomst gebonden is. .
2.3. De kinderen die een eindverhandeling voor hogere studies voorbereiden
Het BVC bepaalt dat de student die een eindverhandeling voorbereidt als voorwaarde voor het behalen van een door een bevoegde overheid erkend diploma ten hoogste een jaar een recht op kinderbijslag kan krijgen tijdens de periode die na de laatste zomervakantie begint tot aan het indienen van de verhandeling.
2.4. De kinderen die een stage volgen om in een ambt te kunnen worden benoemd
Het recht wordt toegekend voor de stageperiode voor zover die onbezoldigd is en onontbeerlijk voor de benoeming.
2.5. Werkzoekenden
Het recht wordt geopend door de inschrijving als werkzoekende na een opleiding (in de ruime zin) die de toekenning van de kinderbijslag toeliet.
In dit kader bedraagt de toekenningsperiode 360 kalenderdagen en wordt verlengd in voorkomend geval met de schorsingsperiode wegens ziekte (zie hierna) en met de door de regionale tewerkstellingsdienst besliste periode van verlenging van de beroepsinschakelingstijd totdat het kind een tweede beslissing tot positieve beoordeling van het zoeken naar werk krijgt.
3. Gegevensinwinning
3.1. De kinderen met een leerovereenkomst
Sinds 1 september 2015 vervangt de alternerende overeenkomst in de Franse Gemeenschap zowel de leerovereenkomst IFAPME/SFPME als de overeenkomst voor socioprofessionele inschakeling van de CEFA's14Zie dienstbrief 996/117 van 18 september 2015 - de overeenkomst alternerende opleiding-hervorming in het Waals Gewest en de Franse Gemeenschap . De leerovereenkomsten zijn nog van toepassing voor een indiensttreding tot 31 augustus 2015. Omdat ze maar twee keer kunnen worden verlengd, kunnen ze theoretisch gezien tot ten laatste 31 juli 2020 bestaan.
In de Vlaamse Gemeenschap vervangt de overeenkomst alternerende opleiding vanaf 1 september 2016 de leerovereenkomst van SYNTRA en de overeenkomst voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO) in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (Vlaamse Gemeenschapscommissie - VGC). Vanaf het schooljaar 2016-2017 zette Vlaanderen eveneens een proefproject op voor opleiding op de werkvloer met als titel “Schoolbank op de werkplek”, waarbij duale studierichtingen worden georganiseerd in zowel het voltijds onderwijs, het deeltijds onderwijs als de leertijd.
De leerovereenkomsten met een indiensttreding tot 31 augustus 2016 die nog onder het koninklijk besluit van 6 maart 1979 vallen15Zie dienstbrief 996/117bis van 19 september 2016 - De overeenkomst alternerende opleiding - Uniforme overeenkomst in het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschapscommissie en 996/117bis addendum van 21 november 2016 - aanvulling en erratum op de dienstbrief 996/117bis. , blijven van kracht tot het einde of de verbreking van het contract. Ze kunnen twee keer worden verlengd, ze kunnen dus in theorie tot 30 juni 2021 blijven bestaan.
De leerovereenkomsten die in 2019, 2020 of 2021 nog van toepassing zouden zijn, zijn nog lopende en al gekende overeenkomsten. De gezinnen zullen het formulier P9 blijven ontvangen.
Het formulier P9 moet nog worden gebruikt om de jaren 2020 en 2021 van de leerovereenkomst (voor de Vlaamse Gemeenschap) te dekken.
3.2. De kinderen die lessen of een opleiding volgen
Omdat de regels in verband met het onderwijs in de ruime zin of de ondernemersopleiding opleiding tot 31 december 2019 niet gewijzigd zijn, blijft de controle in 2020 steunen op de procedure om de bestaande gegevens in te winnen volgens de huidige controlemiddelen16Flux D062 voor de Vlaamse Gemeenschap. .
Vanaf 1 januari 2020 zal de gegevensinwinning vooral gebaseerd zijn op het lezen van de RIP-DMFA-berichten.
De P7 en P9bis-formulieren worden gewijzigd overeenkomstig de nieuwe toekenningsvoorwaarden en worden gebruikt vanaf het school- of academiejaar 2020-2021.
De kwaliteitscontrole van het rechtgevende kind moet in september 2019 nog steeds worden uitgevoerd met de huidige kwaliteitsformulieren P7, P9bis en de module “werken leren_RIP”.
Er wordt hierna gewezen op de huidige procedure om controleformulieren te verzenden.
Overzicht verzending formulieren en modules per gemeenschap17Dienstbrief 999/182 van 29 juni 2017 - de gegevensvergaring voor de controle van de jongeren die onderwijs volgen: aanpassing van het formulier P7 academiejaar 2017-2018 - bijlagen.
Vlaamse Gemeenschap |
|
Franse / Duitstalige Gemeenschap |
· Provisionele betaling tot 30 november 15 december: verzending van een laatste herinneringsbrief met aankondiging van de terugvordering van de provisioneel betaalde kinderbijslag (vermelden van de periode die zal worden teruggevorderd zonder betekening van het juiste bedrag volstaat). Indien geen reactie, betekening van het debet uiterlijk op 31 januari |
Opmerkingen:
Voor de jongeren met een alternerende overeenkomst in de Franse Gemeenschap zal door de opleidingsoperatoren nog gewerkt worden met het verkort attest P7 dat wordt aanvaard als geldig studiebewijs19Dienstbrief 999/182 van 29 juni 2017 - de gegevensvergaring voor de controle van de jongeren die onderwijs volgen: aanpassing van de procedure in verband met het formulier P7 academiejaar 2017-2018 - bijlagen. .
Voor de jongeren met een alternerende overeenkomst in het voltijds en deeltijds onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap worden de opleidingen gecodificeerd overeenkomstig de respectievelijke administratieve groepen in flux D06220Zie ook dienstbrief 999/178 van 5 juli 2016 - aanpassing van de procedure voor de controle van de jongeren die onderwijs volgen.
Voor de jongeren met een overeenkomst alternerende opleiding (OAO) in het kader van de leeropleiding SYNTRA worden de gegevens opgevraagd via het formulier P7 aangezien deze niet met de flux D062 worden meegedeeld.
3.2.1. Opvolging van de winstgevende activiteit in loondienst uitgeoefend door het kind dat lessen of een opleiding volgt
- De student die voltijds hoger of secundair onderwijs volgt.
Aangezien de regels met betrekking tot de opvolging van de door de student uitgeoefende winstgevende activiteiten niet gewijzigd zijn in 2019, wordt de procedure om gegevens in te winnen op basis van de AKBW gehandhaafd tot 31 december 2019.
Omdat vanaf 1 januari 2020 de norm van 240 uren wordt veralgemeend voor alle categorieën van studenten, zal de gegevensinzameling met betrekking tot de controle van die toekenningsnorm hoofdzakelijk gebeuren aan de hand van RIP en DMFA-berichten en andere relevante fluxen21met name de flux D047 bij zelfstandige activiteit. , ongeacht het soort onderwijs dat het kind vanaf die datum volgde.
De op die manier beschreven controlemethode stemt overeen met de controle van de veralgemeende norm van 240 uren per kwartaal van de nieuwe wetgeving en is van toepassing op de volgende school- en academiejaren.
Ter herinnering, als de activiteit de urennorm overschrijdt (> 240 uren) in de loop van een kwartaal waarvoor de kinderbijslag in debet werd gebracht, worden de volgende kwartalen van het desbetreffende academiejaar (met inbegrip van de volgende vakantieperiode) niet meer provisioneel uitbetaald. Er moet worden gewacht op het DMFA-bericht betreffende een kwartaal vooraleer de kinderbijslag van dat kwartaal kan worden toegekend, behalve als voldoende kan worden aangetoond dat de desbetreffende activiteit die de overschrijding van de norm veroorzaakte, in de loop van het vorige kwartaal ten einde liep of de werkhoeveelheid verminderde (< 240 uur).
Als het aantal uren van de activiteit lager ligt dan de norm van 240 uur per kwartaal, worden de betalingen hernomen en provisioneel voortgezet in het kwartaal volgend op de ontvangst van het DMFA-bericht of andere volgende relevante fluxen.
Voorbeeld:
Een student die ingeschreven is in het hoger onderwijs voor het academiejaar 2020/2021 oefent een winstgevende activiteit uit van 15 januari 2021 tot 30 mei 2021.
Het RIP-bericht leidt niet tot een schorsing, de betalingen worden voorgezet tot aan de ontvangst van de DMFA met betrekking tot het eerste kwartaal 2021 (ofwel ontvangen op 15 mei 2021).
De betalingen werden dus tot eind april 2021 uitgevoerd (uitbetaling op 8 mei 2021). Als de DMFA meer dan 240 uur vermeldt voor het eerste kwartaal 2021 wordt het niet-verschuldigde bedrag met betrekking tot januari, februari en maart 2021 betekend. April 2021 blijft in onderzoek in afwachting van de DMFA met betrekking tot het tweede kwartaal 2021 en de betalingen van de kinderbijslag worden geschorst vanaf 1 mei 2021. Mei en juni 2021 moeten worden geregulariseerd als de op 20 augustus 2021 ontvangen DMFA meer dan 240 uur vermeldt. Juli moet eveneens worden geregulariseerd en de uitbetalingen worden voortgezet tot de volgende DMFA wordt ontvangen (onder voorbehoud dat de studies na de vakanties worden hervat of voortgezet).
- De student volgt deeltijds een opleiding of een opleiding met een leerovereenkomst in de onderneming.
Voor de deeltijdse opleidingen of opleidingen met een leerovereenkomst in de onderneming waarvoor de inkomensnorm nog wordt toegepast tijdens het vierde kwartaal 2019, is de procedure nog altijd de module “werken leren_RIP versturen zodra men een RIP-bericht krijgt op het einde van de maand om de inkomsten op te vragen van de activiteit uitgeoefend in het kader van een stage die een voorwaarde is om een diploma te behalen of in het kader van het deeltijds onderwijs alsook bij andere tewerkstellingen of prestaties voor de desbetreffende maand22Dienstbrief 999/176 van 3 juli 2015 - aanpassing van de procedure voor de controle van de jongeren die onderwijs volgen .
Ingeval de uitbetalingen nog altijd geschorst zouden zijn op 1 januari 2020, kan de module “werken leren_RIP” naar het gezin worden gestuurd in de vorm van een laatste herinnering op het einde van januari 2020 om het recht van de maanden van het vierde kwartaal 2019 definitief af te sluiten en, in voorkomend geval, tot de regularisatie over te gaan.
Vanaf 1 januari 2020 kan als gevolg van de veralgemening van de norm van de 240 uur voor alle categorieën van kinderen die lessen of een opleiding volgen, de voor de studenten vastgelegde controlemethode worden hervat voor alle types van opleiding, maar rekening houdend met het feit dat uren in verband met de opleiding worden geneutraliseerd.
3.2.2. Opvolging van de zelfstandige winstgevende activiteit door het kind dat lessen of een opleiding volgt
Sinds 1 januari 2017 kan de student die een zelfstandige activiteit uitoefent, het statuut van student-zelfstandige krijgen als hij het aanvraagt.
In het ARZA zijn de codes van de aan dit statuut verbonden bijdragen gebundeld.
Drie bijdragecodes worden vermeld in de fluxen A301 en L302 (D047 en P047 in de terminologie van het Kadaster):
- reeks 1: de student-zelfstandige moet geen sociale bijdragen betalen of betaalt enkel een voorlopige bijdrage op een forfaitair inkomen aan het begin van de activiteit;
- reeks 2: de student-zelfstandige moet een verminderde bijdrage betalen op een inkomen vanaf de helft van het minimuminkomen voor zelfstandigen in hoofdberoep;
- reeks 3: de student-zelfstandige moet een bijdrage betalen als zelfstandige in hoofdberoep.
Overeenkomstig de norm van de 240 uur laat enkel code 1 vermoeden dat de norm van de 240 uur niet wordt overschreden. De uitbetalingen worden voortgezet23CO 1386/2018 van 9/02/2018 - jaarlijkse evaluatie van de behoeften aan informatie met elektronische en papieren dragers: Actualisering van de richtlijnen in verband met controle door formulieren - bladzijde 52. .
Voor een onderwerping met codes 2 en 3 worden de uitbetalingen geschorst en moet de periode worden herzien. Voor de situaties met code 2 kan een verklaring op eer over de niet-overschrijding van de uren activiteit aan het fonds worden bezorgd. Als die verklaring echter niet met de werkelijkheid overeenstemt, wordt het dossier herzien.
Voor de situaties van categorie 3 kan noch een bewijs van het tegendeel noch een verklaring op eer medebepalend zijn.
3.2.3. Bijzondere gevallen: beroepsinlevingsovereenkomst24CO 1386/2018 van 9 februari 2018. - individuele beroepsopleiding en instapstage25Dienstbrief 999/169 van 5 juli 2013 - Aanpassing van de procedure voor de controle van jongeren die onderwijs volgen.
De programmawet van 2 augustus 2002 heeft de mogelijkheid geschept voor studenten om een beroepsinlevingsovereenkomst te sluiten26Het gaat om een overeenkomst waarmee een student bepaalde kennis of vaardigheden bij een werkgever verwerft in het kader van zijn opleiding door arbeidsprestaties te verrichten. .
Rekening houdend met de veralgemening van de norm van de 240 uur per kwartaal voor alle soorten studies moet er met de activiteit in het kader van een beroepsinlevingsovereenkomst geen rekening worden gehouden om de norm van de 240 uur te evalueren, voor zover er geen DMFA-bericht met prestatiecode 1 of 301 wordt ontvangen.
Wat betreft de individuele beroepsopleiding of de instapstage is er tijdens de opleidingsperiode geen RSZ-aangifte. Omdat het hier gaat om een arbeidsovereenkomst moeten de in het kader van de opleiding gepresteerde uren voor de norm van 240 uur niet in aanmerking worden genomen.
3.2.4. Overzicht gegevensinzameling per onderwijsnorm27Aangepaste tabel van dienstbrief 999/176 van 3 juli 2015.
Onderwijstype | Toegelaten activiteit
|
Formulier / flux / DMFA |
Voltijds hoger en secundair | Maximum 240 uur | P7, D062 DMFA code 1 en 301 |
“Master en alternance” (Franse Gemeenschap) | Tot 31.12.2019:
- Bedrijfsstage (CIP28BIO: beroepsinlevingsovereenkomst): inkomensnorm - Andere tewerkstellingen: 240 uur |
Tot 31.12.2019:
P7-B + contract (cf. dienstbrief 999/c.163) |
Vanaf 01.01.2020:
tot maximum 240 uur (uren activiteit uitgeoefend in het kader van de stage die een voorwaarde is voor het behalen van een diploma niet meegeteld)
|
Vanaf 01.01.2020:
P7-B DMFA voor controle van de 240 uur (uren te verrekenen in geval van DFMA met prestatiecode 1 of 301 (CO 1386/2018, bladzijde 53) |
|
Opleiding ondernemingshoofd | Tot 31.12.2019:
- praktijkstage: inkomensnorm (vraag 34 P9bis). Bij variabel inkomen uit stage: maandelijkse inkomsten opvragen aan het gezin. - Andere tewerkstellingen: maximum 240 uur |
Tot 31.12.2019:
Vraag 5 op P7A DMFA voor controle op 240 uur |
Vanaf 01.01.2020:
maximum 240 uur (uren activiteit uitgeoefend in het kader van een stage die een voorwaarde is voor het behalen van een diploma niet meegeteld) |
Vanaf 01.01.2020:
Vraag 5 op P7A DMFA voor controle op 240 uur |
|
deeltijds gewoon= alternerende student industriële leerovereenkomst | Tot 31.12.2019:
inkomensnorm van alle tewerkstellingen (geval B op P7A, vraag 5) |
Tot 31.12.2019:
vraag 21 op P7B |
Vanaf 01.01.2020:
maximum 240 uur (uren activiteit uitgeoefend in het kader van een stage die een voorwaarde is voor het behalen van een diploma en die gepresteerd in het kader van deeltijds onderwijs niet meegeteld) |
Vanaf 01.01.2020:
Vraag 21 op P7B code 312 + 312 D062 |
|
Erkende opleiding bedoeld in artikel 2 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht | Tot 31.12.2019:
Inkomensnorm van alle tewerkstellingen (geval B op P7A, vraag 5) |
Tot 31.12.2019:
Vraag 22 op P7B |
Vanaf 01.01.2020:
maximum 240 uur (uren activiteit uitgeoefend in het kader van een stage die een voorwaarde is voor het behalen van een diploma en die gepresteerd in het kader van deeltijds onderwijs niet meegeteld)
|
Vanaf 01.01.2020:
Vraag 22 op P7B |
|
Buitengewoon onderwijs | Maximum 240 uur | Vraag 61 op P7B code 321 D062 DMFA |
Leerovereenkomst | Tot 31.12.2019:
Inkomensnorm van alle tewerkstellingen |
Tot 31.12.2019:
DMFA type leerling 1 |
Leerovereenkomst
(vervolg) |
Vanaf 01.01.2020:
maximum 240 uur (uren activiteit uitgeoefend in het kader van een stage die een voorwaarde is voor de leerovereenkomst of -verbintenis niet meegeteld) |
Vanaf 01.01.2020:
DMFA voor controle op de 240 uur |
3.2.5. Ontvangen van een sociale uitkering voortvloeiend uit een toegelaten winstgevende activiteit
Het BVC bepaalt dat het ontvangen van een sociale uitkering (op grond van een Belgische of buitenlandse regeling voor ziekte, invaliditeit, arbeidsongevallen, beroepsziekten, werkloosheid of van een toelage voortvloeiend uit een loopbaanonderbreking bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen), voortvloeiend uit een niet-toegelaten winstgevende activiteit de schorsing van het recht op kinderbijslag voor de volledige desbetreffende maand tot gevolg heeft.
“Voor de volledige desbetreffende maand” moet worden geïnterpreteerd als: voor de hele maand van toekenning van deze sociale uitkering.
De praktijk29Dienstbrief 996/59 van 24 maart 2009 in 2019, die erin bestaat te veronderstellen dat de uitgeoefende winstgevende activiteit die aan de basis ligt van de sociale uitkering, deze is die uitgeoefend werd in de loop van het kwartaal dat voorafgaat aan het kwartaal waarin de uitkering wordt ontvangen, wordt behouden vanaf 1 januari 2020.
Ter herinnering, het ontvangen van inschakelingsuitkeringen bedoeld in artikel 36 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering brengt echter de schorsing van de kinderbijslag met zich mee.
Voorbeeld:
Een student is ingeschreven in het hoger onderwijs voor het academiejaar 2020/2021. Hij werkt sinds 20 oktober 2020 en ontvangt van 20 februari 2021 tot 2 mei 2021 een ziekte-uitkering. Het vierde kwartaal 2020 presteerde hij meer dan 240 uur en minder dan 240 uur voor het eerste kwartaal 2021 wegens ziekte en meer dan 240 uur in het tweede kwartaal 2021 als gevolg van de hervatting van het werk vanaf 3 mei 2021.
De winstgevende activiteit van het vierde kwartaal 2020 vormt een belemmering voor het recht op kinderbijslag omdat er meer dan 240 uur in het kwartaal werd gepresteerd. De voor februari tot mei 2021 gekregen sociale uitkering die wordt beschouwd als een uitkering voortvloeiend uit de winstgevende activiteit uitgeoefend in het vorige kwartaal vormt dus een belemmering voor de toekenning van de kinderbijslag voor de maanden waarvoor de student die uitkering ontvangt, ofwel van februari tot mei 2021. Er is eveneens geen recht voor juni 2021 als gevolg van de overschrijding van die 240 uur in het tweede kwartaal 2021.
Hieruit volgt dat enkel januari 2021 nog verschuldigd is (minder dan 240 uur voor het eerste kwartaal 2021).
3.2.6. De student volgt lessen in het buitenland
Omdat een buiten het koninkrijk voortgezette opleiding moet worden bevestigd door een officieel document van de onderwijsinstelling, zullen de formulieren E402/E403 +P7-A of het bilaterale formulier of het formulier P7-int voor studies in het buitenland buiten een lidstaat van de EER nog steeds worden gebruikt voor studenten in het buitenland.
De internationale akkoorden zijn immers van toepassing en hebben de overhand op de interne wetgeving. De opvolgingsprocedures zoals ze momenteel worden toegepast, moeten worden gehandhaafd.
Men begint pas met de uitbetalingen bij de ontvangst van het formulier E of van het naar behoren ingevulde en ondertekende P7-int of van een officieel document van de instelling dat de cursushoeveelheden (niet-hoger onderwijs) of vastgestelde kredieten (hoger onderwijs) aantoont. Het formulier P7-A dat nog zou ontbreken en op de situatie niet meer van toepassing is, moet dus niet meer worden opgevolgd.
Omdat daarnaast de opvolging van een winstgevende activiteit van de studenten in het buitenland niet via de fluxen kan gebeuren, dient te worden gebruik gemaakt van andere bewijsmiddelen ,waaronder verklaring op eer..
3.2.7. De student is ziek
Voor studenten van wie de ziekte na 1 januari 2020 begint, blijft de kinderbijslag uitbetaald op basis van een medisch attest gedurende ten hoogste één jaar.
De ziekte wordt niet geacht te zijn onderbroken als het gezin een nieuw medisch attest voorlegt na een hervatting van de lessen of opleiding indien die hervatting minder dan dertig dagen duurt.
In elk geval, als de student onmogelijk de lessen of de opleiding kan volgen, moet hij na de 180ste dag ziekte door de bevoegde diensten30De FOD Sociale Zekerheid tot 31 december 2020. onderzocht worden.
Bovendien, als de hervatting van de lessen/opleiding ten minste dertig dagen duurt, blijft de kinderbijslag verschuldigd voor een nieuwe periode van ten hoogste één jaar die start na het begin van een eventuele nieuwe afwezigheid wegens ziekte of ongeval.
3.3. De kinderen die een eindverhandeling voor hogere studies voorbereiden
De kinderbijslag kan worden toegekend aan het kind dat zich in een voorbereidingsjaar bevindt voor een verhandeling, tot aan de indiening ervan (of voor een periode van maximaal 1 jaar).
Het kind dat al zijn verhandeling in de eerste zittijd heeft ingediend en niet geslaagd is en opnieuw zijn verhandeling in de tweede zittijd moet indienen, heeft recht op kinderbijslag tot aan de tweede indiening, die als definitief wordt beschouwd. Een verklaring van de ouders waaruit blijkt dat de jongere een tweede zittijd heeft, volstaat om de betaling te rechtvaardigen31CO 1386/2018 van 9 februari 2018- procedure voor de student die een thesis/verhandeling voorbereidt. .
Om elke onduidelijkheid te vermijden over het recht op kinderbijslag op basis van indieningsdatum van de thesis werd de briefmodule "thesisstudent2", vervolledigd met de aankruisoptie "tweede indiening in tweede zittijd".
Voorbeeld:
Een student die de cursussen van zijn master eind juni 2020 heeft beëindigd, begint op 15 september 2020 met een nieuw schooljaar met het doel zijn verhandeling voor te bereiden; hij is ziek van 20 oktober 2020 tot 12 december 2021 en dient vervolgens zijn verhandeling in op 25 januari 2022.
De ziekteperiode, waarin de student zijn recht op kinderbijslag behoudt, eindigt op 20 oktober 2021 (automatische beëindiging eind oktober overeenkomstig artikel 28). Op 12 december 2021 (het recht dat overeenkomstig artikel 28 op 1 januari ingaat) wordt de oorspronkelijke geschorste toekenningsperiode (wegens ziekte) verlengd met de resterende potentiële toekenningsperiode. De uitkeringen worden hem echter toegekend tot eind januari 2022 wegens de datum van indiening van de verhandeling die de toekenningslimiet vormt.
3.4. Werkzoekenden
3.4.1. De procedure
- Tot 31 december 2019
De procedure wordt gehandhaafd, waarbij de ontvangst van een eerste DIMONA/RIP32Dienstbrief 999/153 van 1 juli 2009 -bericht in de wachttijd volgende acties met zich meebrengt:
- de betaling onmiddellijk schorsen;
- de schorsing motiveren;
- het formulier P20 verzenden aan het einde van de maand waarin een RIP-bericht werd ontvangen.
De schorsing wordt pas opgeheven wanneer via het teruggestuurde formulier P20 geen beletsel wordt meegedeeld.
Als het kinderbijslagfonds de kinderbijslag schorste nadat het een RIP-bericht ontving of het dossier afsloot en het vervolgens een ander elektronisch bericht ontvangt (RIP, inschrijving of uitschrijving als werkzoekende), leiden die berichten niet tot een nieuw onderzoek, behalve als die gepaard gaan met een aanvraag van het betrokken gezin. Die aanvraag kan worden gedaan door het formulier P20 terug te sturen, of per brief, telefonisch of via elektronische post.
Voor de jongere van wie de inschrijving op 1 augustus 2019 in werking trad en van wie de uitbetalingen geschorst werden, zal een (hybride) afsluitend formulier P20 worden gestuurd op het einde van de toekenningsperiode om de toekenningsperiode af te sluiten (2019-2020).
- Vanaf 1 januari 2020
Alleen de norm van de 240 uur per kwartaal moet worden toegepast en niet meer de inkomensnorm. Bijgevolg wordt de DMFA een belangrijke evaluatiefactor van het recht voor de werkzoekende (alsook andere relevante elektronische fluxen zoals de flux D047 en het ARZA voor de zelfstandige activiteit).
De opvolging van de winstgevende activiteit is strikter voor de jonge werkzoekende dan voor de student aangezien het zoeken naar werk zijn hoofddoel is, terwijl dit bij de student het volgen van lessen is. Het risico op het overschrijden van de norm van de 240 uur is dus groter in het geval van de jonge werkzoekende.
Om in de mate van het mogelijke onverschuldigde uitbetalingen te vermijden, moet men , voorzichtiger zijn bij het opvolgen van de winstgevende activiteit.
Het einde van het recht zal in elk geval moeten worden gecontroleerd zodra men de laatste DMFA ontvangt of de laatste relevante flux van het kwartaal dat volgt op het einde van de toekenningsperiode.
- Activiteit in loondienst
De opvolging van de winstgevende activiteit is gebaseerd op de berichten RIP/DMFA en de uitbetaling van de kinderbijslag zal nauw verbonden zijn met de DMFA. Wanneer men een bericht RIP IN ontvangt, worden de betalingen geschorst in afwachting dat de overeenstemmende DMFA bevestigt of er al dan niet recht is op kinderbijslag voor het desbetreffende kwartaal (K).
Als de activiteit die leidt tot de schorsing van het recht voor K nog altijd aan de gang is, of als het fonds een nieuwe RIP IN ontving zonder tewerkstellingseinde op het ogenblik dat de DFMA van kwartaal K wordt verwerkt, blijven de uitbetalingen geschorst. Zij worden pas geregulariseerd op basis van de gegevens van de volgende DMFA (K+1) die de niet-overschrijding van de norm bevestigt.
Zolang een activiteit aan de gang is (doorlopend of opeenvolging van activiteiten) wordt de provisionele uitbetaling geschorst en vindt de eventuele regularisatie pas plaats als de overeenstemmende DMFA van het kwartaal bevestigt dat de norm van 240 uur werd nageleefd.
Volgens dit scenario wordt bij de ontvangst van de DMFA van kwartaal K, die ten vroegste de tweede maand van kwartaal K+1 plaatsvindt, het recht op kinderbijslag van het kwartaal K bevestigt of ontkent en stuurt het fonds de overeenstemmende motivatiebrief (toekenning/geen toekenning). De motivatiebrief vermeldt eveneens de niet-hervatting van de toekomstige provisionele uitbetalingen en vermeldt dat bij een onveranderde situatie de betalingen niet provisioneel worden voortgezet, tenzij voldoende wordt aangetoond dat de norm niet overschreden is of dat de activiteit ten einde liep.
Wanneer men een DMFA voor een kwartaal K ontving en de activiteit liep evenwel ten einde in de loop van kwartaal K en geen activiteit werd hervat, kan de provisionele uitbetaling van het lopende kwartaal K+1 worden hervat. Op dat ogenblik is echter het risico dat de norm van dat kwartaal wordt overschreden, nagenoeg onbestaande.
Voorbeeld 1: De werkzoekende die in augustus 2020 ingeschreven is, oefent een winstgevende activiteit uit van 6 oktober2020 tot 10 mei 2021. De DFMA van het vierde kwartaal 2020 (ontvangen op 18 februari 2021) vermeldt minder dan 240 uur. De DMFA van het eerste kwartaal 2021 (ontvangen op 18 mei 2021) vermeldt minder dan 240 uur.
De acties zijn:
- de kinderbijslag schorsen zodra de RIP wordt ontvangen, die het begin van de activiteit in oktober vermeldt en verzending van motiveringsmodule van de schorsing naar het gezin . Het gezin wordt verwittigd dat het recht voortaan op basis van de DMFA wordt onderzocht.
- kinderbijslag met betrekking tot het vierde kwartaal 2020 regulariseren in februari 2021 (als gevolg van het ontvangen van de DMFA) uitbetalingen van het eerste kwartaal 2021 tot het ontvangen van de volgende DMFA in mei 2021 worden noch geregulariseerd noch hervat, behalve als voldoende wordt aangetoond dat de norm onder de 240 uur per kwartaal blijft (bijvoorbeeld RIP OUT of verantwoordingsstukken).
- kinderbijslag van januari tot maart 2021 regulariseren in mei 2021 en de uitbetalingen voor het tweede kwartaal 2021 worden noch geregulariseerd noch hervat, zelfs als bij de verwerking van de DMFA het einde van de activiteit op 10 mei 2021 al gekend is (de hoeveelheid werk voor het volledige tweede kwartaal is niet gekend).
Voorbeeld 2: De werkzoekende ingeschreven in augustus 2020, oefent een winstgevende activiteit uit van 6 oktober 2020 (RIP IN ontvangen op 8 oktober 2020) tot 24 december 2020. Men ontvangt een RIP OUT van einde van activiteit op 28 december 2020. De DMFA van het vierde kwartaal 2020 (ontvangen op 18 februari 2021) vermeldt meer dan 240 uur voor dat kwartaal en vermeldt het einde van de tewerkstelling op 24 december.
De acties zijn:
- De kinderbijslag wordt geschorst vanaf 1 oktober 2020 (geen betaling op 8 november 2020) en de motivatiemodule om de uitbetalingen te schorsen, wordt naar het gezin gestuurd. Het gezin wordt verwittigd dat het recht voortaan op basis van de DMFA wordt onderzocht.
- Als gevolg van het feit dat de DMFA op 18 februari 2021 wordt ontvangen met melding van het einde van de tewerkstelling op 24 december 2021 en aangezien er geen RIP IN werd ontvangen tussen de eerste dag van het kwartaal en de verwerkingsdatum van de DMFA, worden de uitbetalingen voor het eerste kwartaal 2021 hervat (januari wordt geregulariseerd en de provisionele uitbetaling voortgezet tot het begin van een eventuele nieuwe activiteit).
Voorbeeld 3: De werkzoekende, ingeschreven in augustus 2020, oefent een winstgevende activiteit uit van 6 oktober 2020 (RIP IN ontvangen op 8 oktober 2020) tot 24 december 2020. Een RIP OUT van einde van activiteit wordt op 28 december 2020 ontvangen. De DMFA van het vierde kwartaal 2020 (ontvangen op 18 februari 2021) vermeldt meer dan 240 uur voor dat kwartaal en geeft het einde aan van de tewerkstelling op 24 december 2020.
Een RIP IN met vermelding van het begin van een nieuwe tewerkstelling op 1 maart 2021 wordt na de verwerking van de DMFA op 5 maart 2021 ontvangen.
De acties zijn:
- De kinderbijslag schorsen vanaf 1 oktober 2020 (geen uitbetaling op 8 november 2020) en de motiveringsmodule van de schorsing naar het gezin sturen. Het gezin wordt verwittigd dat het recht voortaan op basis van de DMFA wordt onderzocht.
- Als gevolg van het feit dat de DMFA op 18 februari 2021 wordt ontvangen met vermelding van het einde van de tewerkstelling op 24 december 2020 en aangezien er geen RIP IN werd ontvangen tussen de eerste dag van het kwartaal en de verwerkingsdatum van de DMFA, worden de uitbetalingen voor het eerste kwartaal 2021 hervat (regularisatie van de maand januari en hervatten van de provisionele uitbetaling)
- Als gevolg van het feit dat de RIP IN wordt ontvangen met vermelding van het begin van de tewerkstelling op 1 maart 2021, wordt de kinderbijslag vanaf 1 april 2021 niet meer toegekend in afwachting van de DMFA met betrekking tot het eerste kwartaal 2021 die in mei 2021 zou moeten worden ontvangen.
- Zelfstandige activiteit:
Voor de werkzoekenden die een zelfstandige activiteit uitoefenen, worden de betalingen onderbroken, zodra het fonds verwittigd is van het begin van de activiteit via elk rechtsmiddel (verklaring of flux D047,...),
Als flux D047 de bijdragecode A aangeeft, waaruit blijkt dat het een zelfstandige activiteit in hoofdberoep betreft, wordt geacht dat deze activiteit gedurende meer dan 240 uur per kwartaal wordt uitgeoefend. Er mag geen bewijs van het tegendeel worden geleverd (onweerlegbaar vermoeden),
Voor alle andere bijdragecodes daarentegen, dienen andere bewijsmiddelen, waaronder een verklaring op eer van het gezin met vermelding van de uren activiteit die onder de norm ligt van de 240 uur, altijd in overweging te worden genomen en kan dit leiden tot de hervatting van de provisionele uitbetaling.
3.4.1. Procedure voor de werkzoekenden in beroepsopleiding of in beroepsinschakeling
Als er een bericht RIP - IBO of een bericht RIPP-TRI wordt ontvangen, ontvangende betrokken jongeren een uitkering uitbetaald door de RVA en ontvangt het fonds het attest D042 (type werkloosheid 11 voor een opleidingsuitkering of een uitkering voor voltijdse beroepsinschakeling of type werkloosheid 31 voor een opleidingsuitkering of een uitkering voor een deeltijdse beroepsinschakeling). Deze vormen een beletsel voor de toekenning van de kinderbijslag. Zodra deze berichten worden ontvangen, moet de kinderbijslag onmiddellijk worden geschorst. Een brief wordt verstuurd en het recht moet worden herzien.
3.4.2. Werkzoekenden in het buitenland
Zoals voor de studenten, dient te worden gebruik gemaakt van andere bewijsmiddelen ,waaronder verklaring op eer, omdat de opvolging van de tewerkstelling voor die jongeren in het buitenland niet via de fluxen kan gebeuren.
4. Hoe moet de overgang gebeuren tussen de twee kinderbijslagstelsels?
4.1. De studenten die les volgen in het onderwijs met beperkt leerplan of die een erkende opleiding door de gemeenschappen volgen
Er zijn verschillende gevallen mogelijk.
Op 1 januari 2020 volgt het studerend kind onderwijs met een beperkt leerplan of een opleiding erkend door de Gemeenschappen. De norm van de toegelaten activiteit wordt voortaan vastgesteld op de norm van de 240 uur per kwartaal die niet mag worden overschreden:
- In het vierde kwartaal 2019 doet de student in opleiding enkel een stage voor zijn diploma. De stage verschafte een bezoldiging die lager ligt dan de inkomensnorm. De uitbetalingen worden provisioneel voortgezet.
- In het vierde kwartaal 2019 doet de student in opleiding enkel een stage voor zijn diploma. De stage verschafte hem een bezoldiging die hoger ligt dan de inkomensnorm. De uitbetalingen waren geschorst. Vanaf 1 januari 2020 is er een potentieel recht op kinderbijslag.
Voorbeeld: Een student die een opleiding volgt als ondernemingshoofd voor het schooljaar 2019/2020 krijgt inkomsten die het sinds 15 oktober 2019 toegelaten maximum overschrijden. Geen recht voor november en december 2019. Potentieel recht op kinderbijslag vanaf 1 januari 2020.
Op 1 januari 2020 krijgt de student een sociale uitkering:
Voorbeeld: De student ingeschreven voor het schooljaar 2019/2020 krijgt werkloosheidsuitkeringen (geen inschakelingsuitkeringen) van 22 december 2019 tot maart 2020, geen recht op kinderbijslag in december 2019 overeenkomstig de AKBW. Vanaf 1 januari 2020 is er een potentieel recht op kinderbijslag (toepassing van de nieuwe regelgeving).
Op 1 januari 2020 is de student ziek (geen ziekte-uitkering):
De termijn van een jaar moet worden berekend vanaf het begin van de ziekte, ongeacht het ogenblik waarop ze begint.
Voorbeeld: de student (niet-hoger onderwijs) is ziek sinds 5 maart 2019.
5 maart 2019 is de datum waarop de termijn van een jaar bepaald bij het BVC wordt toegepast. De student heeft dus wellicht recht op kinderbijslag wegens zijn ziekte tot 31 maart 2020.
4.2. De kinderen die een verhandeling voorbereiden
Het BVC bepaalt voor de thesisstudent het recht op kinderbijslag voor maximaal een jaar als hij ziek wordt. Het gaat om een nieuwe maatregel.
Voorbeeld 1: jaar van de verhandeling begint op 15 september 2019. Het kind is ziek van 20 november 2019 tot 20 februari 2020. Het dient zijn verhandeling in op 3 september 2020: het recht schorsen voor december 2019 en opnieuw kinderbijslag van 1 januari 2020 tot mogelijk 30 september 2020 (via toepassing van de ordonnantie).
4.3. Overgang voor de werkzoekenden
Op 1 januari 2020 overgang van de inkomensnorm naar de norm met betrekking tot de winstgevende activiteit vastgesteld op 240 uur per kwartaal die niet mag worden overschreden
- In het vierde kwartaal 2019 oefent de werkzoekende geen winstgevende activiteit uit of overschrijden de inkomsten het toegelaten bedrag niet, de uitbetalingen kunnen in januari 2020 niet worden onderbroken. De DMFA van februari 2020 bevestigt dat de 240 uur in het vierde kwartaal 2019 niet werd overschreden, de uitbetalingen zijn provisioneel voortgezet tot de volgende DMFA wordt ontvangen.
- In het vierde kwartaal 2019 oefent de werkzoekende een winstgevende activiteit uit en ontvangt inkomsten die hoger liggen dan de maximale toegelaten norm, de uitbetalingen blijven geschorst tot de DMFA met betrekking tot het eerste kwartaal 2020 wordt ontvangen (zelfs als de DMFA van februari 2020 prestaties van minder dan 240 uur vermeldt voor het vierde kwartaal 2019), behalve als er een spontane verklaring op eer komt van het gezin dat het kind minder dan 240 uur presteert.
Voorbeeld: Een werkzoekende, ingeschreven eind juni 2019, werkt halftijds sinds 3 juli 2019 maar ontvangt elke maand een loon van 700 euro.
Hij heeft geen recht op kinderbijslag tot eind december 2019 maar een potentieel recht vanaf 1 januari 2020 op basis van het aantal tewerkstellingsuren per kwartaal.
De kinderbijslag blijft geschorst vanaf 1 januari 2020 en wordt pas hervat als gevolg van een spontane verklaring op eer van het gezin en eventueel geregulariseerd na de ontvangst in mei 2020 van de DMFA met betrekking tot het eerste kwartaal 2020.
Op 1 januari 2020 is de werkzoekende ziek:
Voorbeeld 1: De werkzoekende schrijft zich in op 14 maart 2019 als gevolg van het opgeven van studies en hij start een winstgevende activiteit op 12 juli 2019 (waarbij de inkomstennorm voor het 3de kwartaal wordt overschreden). Hij krijgt ziekte-uitkeringen van 16 oktober 2019 tot 18 maart 2020. Het bedrag van de cumulatie van de winstgevende activiteit en de sociale uitkering overschrijdt het toegelaten maximum in het vierde kwartaal. Er is geen recht voor oktober tot december 2019 omdat het bedrag van de toegelaten maximuminkomsten overschreden wordt. Er is evenmin een recht voor januari tot maart 2020 aangezien de sociale uitkering voortvloeit uit een niet toegelaten winstgevende activiteit, uitgeoefend in de loop van het derde kwartaal.
Voorbeeld 2: Een kind beëindigt zijn hogere studies op 30 juni 2019, schrijft zich in als werkzoekende op 4 maart 2020. Het gezin verantwoordt met een medisch attest zijn late inschrijving omdat hij zich onmogelijk kon inschrijven als werkzoekende binnen de bepaalde termijn omdat het kind ziek was van 3 juli 2019 tot 3 maart 2020.
De ziekte begon toen het AKBW-stelsel van toepassing was. De regel van de onmiddellijke inschrijving na ziekte is eveneens van toepassing, zelfs na 1 januari 2020.
Het fonds kan de uitbetalingen regulariseren overeenkomstig de oude wetgeving tot eventueel 31 juli 2020.
Ik dank u voor uw medewerking.
Hoogachtend,
Tania Dekens
Leidend ambtenaar
Formulieren:
- Infobrief student 18+
- Module 18 - geen kinderbijslag meer voor een kind
- Module 41 bis - kennisgeving van een schuld als gevolg van een winstgevende activiteit van een student
- Module thesisstudent/1
- Module thesisstudent/2
- Module werkzoekende schoolverlater begin van de activiteit
- P7
- P9
- P9 bis
- P20
- P20 hybride
- BIT1: Verlenging van de beroepsinschakelingstijd
- BIT2: Verlenging van de beroepsinschakelingstijd
- BIT3: Verlenging van de beroepsinschakelingstijd
- BIT4: Kennisgeving van een schuld bij gebrek aan bewijs van een volgende negatieve evaluatie