CO GB 9-1 – 14 NOVEMBER 2024 – Berekening van de verjaringstermijn van het recht op gezinsbijslag – overgang van het oude naar het nieuwe stelsel

CO GB 9-1

Betreft: berekening van de verjaringstermijn van het recht op gezinsbijslag - overgang van het oude naar het nieuwe stelsel


Geachte mevrouw,

Geachte heer,

Context

De Algemene kinderbijslagwet (hierna "AKBW") en de wet op de gewaarborgde gezinsbijslag (hierna "GGB-wet") voorzagen in verschillende verjaringstermijnen ten gunste van de sociaal verzekerden om hun recht op gezinsbijslag te laten gelden of ten gunste van de kinderbijslaginstellingen om ten onrechte uitbetaalde gezinsbijslag terug te vorderen.

Die wetten werden opgeheven op 1 januari 2020, de datum waarop de ordonnantie van 25 april 20191Ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag. (hierna "Ordonnantie") die het nieuwe Brusselse gezinsbijslagstelsel instelt, in werking is getreden.

Aangezien de nieuwe bij de Ordonnantie bepaalde verjaringsregels niet volledig dezelfde zijn als die in de AKBW of de GGB-wet, stelt zich de vraag naar de toepassing ervan in de tijd wat betreft de rechten/onverschuldigde bedragen van voor 1 januari 2020.

Het doel van deze instructies is de wijzigingen toe te lichten die zijn aangebracht door de Ordonnantie (punt I) en de te volgen regels vast te stellen met betrekking tot de toepassing in de tijd van de nieuwe verjaringstermijnen (punt II).

Deze instructie CO GB 9/1 is een bijwerking van de omzendbrief CO GB 9, die wordt opgeheven.

I. Nieuwe verjaringsregels bepaald bij de Ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag

1. Toepasselijke termijnen

De nieuwe verjaringstermijnen zijn ingeschreven in artikel 30 en 31 van de Ordonnantie.

Artikel 30 stelt de termijn vast waarover de sociaal verzekerde beschikt om zijn recht op gezinsbijslag te laten gelden. Die termijn bedraagt drie jaar (vijf jaar in de AKBW en een jaar in de GGB-wet).

Artikel 31 stelt de termijn vast waarover de kinderbijslaginstelling beschikt om ten onrechte uitbetaalde gezinsbijslag terug te vorderen. Die termijn is precies dezelfde als de termijn in de AKBW en de GGB-wet, ofwel drie jaar en vijf jaar bij bedrog van de sociaal verzekerde (zie de toepassingsmodaliteiten in punt 2.2.1.C).

Hieronder vindt u een vergelijkende tabel met de verjaringstermijnen die van toepassing zijn binnen de AKBW en de GGB-wet en de nieuwe verjaringstermijnen in de Ordonnantie.

  Termijnen (AKBW, GGB-wet) Nieuwe termijnen (Ordonnantie)
Recht op gezinsbijslag (AKBW) 5 jaar

3 jaar

Recht op gewaarborgde gezinsbijslag 1 jaar

 

Terugvordering van ten onrechte uitbetaalde gezinsbijslag 3 jaar (niet-bedrieglijk)

5 jaar (bedrieglijk)

 

3 jaar (niet-bedrieglijk)

5 jaar (bedrieglijk)

Terugvordering van ten onrechte uitbetaalde gewaarborgde gezinsbijslag 3 jaar (niet-bedrieglijk)

5 jaar (bedrieglijk)

2. Toepassingsregels - Aanvang, stuiting en opschorting van de verjaringstermijnen

2.1. Termijn waarover de sociaal verzekerde beschikt om zijn recht te laten gelden

2.1.1. Aanvang

Wat betreft de aanvang van de verjaringstermijn waarover de sociaal verzekerde beschikt om zijn recht op gezinsbijslag te laten gelden, herneemt de Ordonnantie in artikel 30, § 1, derde tot vijfde lid, de beginselen uit artikel 120 van de AKBW2Art. 30, § 1, derde tot vijfde lid: "Voor de kinderbijslagen betreffende een bepaald aantal dagen van een trimester, neemt de termijn van drie jaar aanvang de laatste dag van dat trimester. Voor het kraamgeld neemt de termijn van drie jaar een aanvang de laatste dag van het trimester waarin de geboorte plaatsvond. Voor de adoptiebijslag neemt de termijn van drie jaar een aanvang de laatste dag van het trimester waarin het verzoekschrift dat de wil uitdrukt om te adopteren wordt ingediend bij de bevoegde rechtbank of, bij gebrek hieraan, de laatste dag van het trimester waarin de adoptieakte is ondertekend; als het kind op die datum nog geen deel uitmaakt van het gezin van de adoptant, vangt de voormelde termijn aan op de laatste dag van het trimester waarin het kind werkelijk deel uitmaakt van dit gezin." .

2.1.2. Stuiting en opschorting

Buiten de oorzaken vermeld in het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaringstermijn waarover de sociaal verzekerde beschikt om zijn recht op gezinsbijslag te laten gelden, gestuit door een aanvraag3Voor de toepassing van deze bepaling moet worden aangenomen dat ook een klacht die bij gewone brief, fax of elektronische post wordt verzonden naar de kinderbijslaginstelling of die bij deze instelling wordt neergelegd, wordt gelijkgesteld met een aanvraag zoals bedoeld in deze bepaling. per gewone brief, fax of e-mail of door de neerlegging van een dergelijke aanvraag bij de bevoegde kinderbijslaginstelling4Zie ook art. 30, § 1, zesde lid, van de Ordonnantie. Het versturen van een formulier door een kinderbijslaginstelling stuit de verjaring niet, tenzij het behoorlijk wordt ingevuld en teruggestuurd door de sociaal verzekerde..

De afwijking bepaald in artikel 120, vijfde lid, van de AKBW5Art. 120, vijfde lid, AKBW luidde: "In afwijking van het vierde lid geldt, naargelang van het geval, als datum voor de aanvraag of klacht die werd toegezonden aan de bevoegde kinderbijslaginstelling en die werd ingediend bij een onbevoegde Belgische instelling van sociale zekerheid, de datum van het aangetekend schrijven, waarvoor de postdatum geldt als bewijs, of, bij gebreke eraan, de ontvangstdatum die de laatst genoemde instelling aan de bevoegde kinderbijslaginstelling meedeelt." voor het bepalen van de datum van de aanvraag ingediend bij een onbevoegde Belgische instelling van sociale zekerheid, is wegens de overname van de bevoegdheid inzake gezinsbijslagen door de deelentiteiten niet hernomen in de Ordonnantie.

Indien een aanvraag wordt ingediend bij een onbevoegde kinderbijslaginstelling in de zin van artikel 2, 7°, van de ordonnantie tot vaststelling van het betaalcircuit voor de gezinsbijslag6Ordonnantie van 4 april 2019 tot vaststelling van het betaalcircuit voor de gezinsbijslag. , krijgt deze echter nog steeds de datum van het aangetekend schrijven, waarvoor de postdatum geldt als bewijs, of, bij gebreke eraan, de ontvangstdatum die de laatstgenoemde instelling aan de bevoegde kinderbijslaginstelling meedeelt. Deze maatregel geldt slechts in afwachting van de inwerkingtreding van de ordonnantie die in de plaats zal treden van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde. Die wet blijft ondertussen wel nog toepasselijk op de verhoudingen tussen de kinderbijslaginstellingen onderling en op de sociaal verzekerden.

Tot slot voorziet artikel 30, § 2, eerste lid, van de Ordonnantie voortaan in een schorsingsgrond ingeval de sociale toeslagen bedoeld in artikel 9 van dezelfde Ordonnantie niet provisioneel werden betaald en er naderhand uit de gegevens die worden meegedeeld via de fiscale gegevensstroom blijkt dat de sociale toeslagen alsnog verschuldigd zijn. In dat geval wordt de verjaringstermijn opgeschort voor de periode vanaf de betaaldatum van de basiskinderbijslag tot en met de datum van de mededeling van de toekenningsbeslissing (positief of negatief) van de toeslagen7Zie de Franse versie van de tekst van artikel 30, § 2, eerste lid, van de Ordonnantie.

Bijvoorbeeld:

Het recht op de basiskinderbijslag voor de maand maart 2020 wordt door het kinderbijslagfonds uitbetaald op 5 april 2020. Daarbij is de sociale toeslag niet op ambtshalve provisionele wijze verschuldigd en ook het gezin doet daartoe geen aanvraag.

Wegens een administratieve vergissing deelt het kinderbijslagfonds op 1 september 2022 aan het gezin mee dat het, omwille van de inkomensgegevens die blijken uit de fiscale gegevensstroom, de beslissing heeft genomen om de sociale toeslag voor de maand maart 2020 niet toe te kennen, hoewel uit die gegevens blijkt dat er voor die maand is voldaan aan de toekenningsvoorwaarden van de hoogste sociale toeslag.

De verjaringstermijn van drie jaar die is beginnen lopen op 31 maart 2020, wordt opgeschort vanaf 5 april 2020 (betaaldatum basiskinderbijslag) tot en met 1 september 2022 (mededeling toekenningsbeslissing). Dit betekent dat het recht op de sociale toeslag behoudens stuiting is verjaard op 28 augustus 2025.

Om een gelijke behandeling te waarborgen, dient de hierboven toegelichte schorsingsgrond naar analogie ook te worden toegepast op de toeslagen bedoeld in artikel 41, 42bis of 50ter van de AKBW die worden toegekend op basis van artikel 39 van de Ordonnantie (overgangsmaatregelen). Voor het overige blijven de stuitings- en opschortingsregels van de verjaring precies dezelfde als die in de AKBW.

2.2. Termijn waarover de kinderbijslaginstelling beschikt om gezinsbijslag terug te vorderen

2.2.1. Aanvang

A) Algemeen beginsel

Wat betreft de aanvang van de verjaringstermijn die van toepassing is op de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde gezinsbijslag, worden de beginselen uit artikel 120bis van de AKBW grotendeels hernomen.

Artikel 31, eerste lid, van de Ordonnantie bepaalt dat ten onrechte uitbetaalde gezinsbijslag niet meer kan worden geëist na verloop van een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is gebeurd.

B) Sociale toeslagen

Wat de terugvordering van de sociale toeslagen bedoeld in artikel 9 van de Ordonnantie betreft die onterecht werden betaald, begint de termijn van drie jaar volgens artikel 31, derde lid, van de Ordonnantie voortaan echter pas te lopen op de datum waarop de fiscale gegevens die het inkomen aantonen op basis waarvan die toeslagen worden berekend, beschikbaar zijn via de fiscale gegevensstroom.

Om een gelijke behandeling te waarborgen, dient deze uitzondering naar analogie ook toegepast te worden op de toeslagen bedoeld in artikel 41, 42bis of 50ter van de AKBW die worden toegekend op basis van artikel 39 van de Ordonnantie.

C) Fraude

In afwijking van het voorgaande wordt in artikel 31, tweede lid, van de Ordonnantie verduidelijkt dat de verjaringstermijn wordt opgetrokken van drie naar vijf jaar voor gezinsbijslagen die ten onrechte worden uitbetaald als gevolg van bedrieglijke handelingen of valse of opzettelijk onvolledige verklaringen.

Deze vijfjarige termijn vindt toepassing op 2 niveaus:

  • Termijn waarbinnen de onverschuldigd uitbetaalde gezinsbijslag moet worden teruggevorderd

De termijn van 5 jaar voor het terugvorderen van de onverschuldigd uitbetaalde gezinsbijslag gaat pas in op de dag waarop de kinderbijslaginstelling kennis heeft genomen van het bedrog, de arglist of de bedrieglijke handelingen van de sociaal verzekerde.

Concreet betekent dit dat de kinderbijslaginstelling vanaf de dag waarop ze voldoende kennis heeft genomen van de fraude8Dit wil zeggen vanaf de dag waarop de gezinsbijslaginstelling oordeelt dat de fraude bewezen is op basis van een of meerdere bewijselementen. Er kan echter geen rekening worden gehouden met de datum vanaf wanneer er een vermoeden van fraude geldt. , een termijn van vijf jaar heeft om het onverschuldigde bedrag terug te vorderen.

Daarbij is elke mededeling met betrekking tot een fraudegeval relevant voor de volledige gezinsbijslagsector, ongeacht aan welke kinderbijslaginstelling deze informatie wordt verstuurd. Indien nodig, stuurt de instelling die deze informatie ontvangt voor rekening van een andere instelling, deze onmiddellijk door naar de bevoegde instelling. Dit heeft geen invloed op de begindatum van de termijn waarbinnen de terugvordering moet worden uitgevoerd.

Bijvoorbeeld, indien het arbeidsauditoraat op 13 juni 2025 de kinderbijslaginstelling A informeert dat een sociaal verzekerde fraude heeft gepleegd, terwijl het kinderbijslagdossier inmiddels beheerd wordt door kinderbijslaginstelling B, geldt 13 juni 2025 als de begindatum die in aanmerking moet worden genomen voor de verjaringstermijn van vijf jaar waarbinnen de terugvordering moet plaatsvinden. Behoudens stuiting eindigt deze termijn dus op 12 juni 2030 (incl.).

  • Betaalperiode waarop de terugvordering betrekking heeft

Volgens recente rechtspraak9Arbeidshof Brussel, 27 juni 2024, AR nr. 2022/AB/686; GwH 21 januari 2021, nr. 9/2021; GwH, 22 september 2022, nr. 115/2022. kan gezinsbijslag die onverschuldigd werd uitbetaald als gevolg van bedrieglijke handelingen of valse of opzettelijk onvolledige verklaringen slechts voor een periode van maximaal vijf jaar worden teruggevorderd, te rekenen vanaf de datum van de laatste betaling die verband houdt met de fraude.

Bijvoorbeeld, indien de laatste onverschuldigde betaling heeft plaatsgevonden op 4 januari 2025, kunnen de bedragen die voor 5 januari 2020 zijn uitbetaald, niet meer worden teruggevorderd.

In voorkomend geval wordt de periode tussen de datum van de laatste betaling die verband houdt met de fraude en de datum waarop de kinderbijslaginstelling voldoende kennis heeft genomen van het bedrog, geneutraliseerd (zie voorbeeld infra).

Deze principes zijn ook van toepassing in het kader van artikel 120bis AKBW en artikel 9, §1, van de wet tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, ingeval de terugvordering al was aangevangen vóór de inwerkingtreding van de Ordonnantie (zie in het bijzonder punt b.2 hieronder).

  • Praktische regels

Deze dubbele termijn van vijf jaar is met onmiddellijke ingang van toepassing overeenkomstig de volgende principes:

a) De kennisgeving van de onverschuldigde betaling die het gevolg is van de fraude heeft nog niet plaatsgevonden:

De dubbele termijn van 5 jaar zoals hierboven uiteengezet is van toepassing op alle nieuwe kennisgevingen.

b) De kennisgeving van de schuldvordering die het gevolg is van de fraude heeft al plaatsgevonden:

Indien de kennisgeving van de onverschuldigde betaling al heeft plaatsgevonden, moet er een onderscheid worden gemaakt naargelang de terugvordering al is aangevat of niet.

b.1. De terugvordering van de onverschuldigde betaling is nog niet opgestart

Voor elk fraudedossier waarbij de terugvordering van de onverschuldigde betaling nog niet is aangevat, zijn de kinderbijslaginstellingen verplicht:

  • om de terugvordering te beperken tot een betaalperiode waarvan de termijn is beperkt tot 5 jaar, zoals hoger uiteengezet;
  • om het bedrag van de terug te vorderen gezinsbijslag te herberekenen, waarbij enkel de onverschuldigd betaalde sommen binnen de termijn van 5 jaar vanaf de laatste betaling gerelateerd aan de fraude in aanmerking worden genomen, inclusief de eventueel verschuldigde interesten;
  • om de gezinnen op de hoogte te brengen van de herziening van de schuld (zie bijlage 1 – ' Briefmodule hypothese waarin de terugvordering nog NIET is gestart').

De bedragen van de onverschuldigd betaalde gezinsbijslagen die niet kunnen worden teruggevorderd omdat ze werden uitbetaald voorafgaand aan de periode van vijf jaar vanaf de laatste betaling als gevolg van de fraude, worden ten laste gelegd van het reservefonds10Het gaat immers om ten onrechte betaalde gezinsbijslag die niet wordt teruggevorderd wegens de bij ordonnantie vastgelegde verjaring in de zin van artikel 19, § 4, 2°, van de Ordonnantie van 4 april 2019 tot vaststelling van het betaalcircuit voor de gezinsbijslag..

b.2. De terugvordering van het onverschuldigde bedrag is al opgestart

Voor de dossiers waarbij de terugvordering van onverschuldigde betalingen die betrekking hebben op een periode van meer dan vijf jaar al is opgestart, maar waarbij de schuld nog niet volledig is afgelost, geldt het volgende onderscheid:

  • In de dossiers waarbij de lopende terugvordering nog niet het bedrag heeft bereikt van de onverschuldigde betalingen die plaatsvonden in de periode van vijf jaar te rekenen van af de laatste onverschuldigde betaling als gevolg van de fraude, zijn de instructies vermeld onder punt b.1 (supra) eveneens van toepassing. Voor de kennisgeving aan de gezinnen moet gebruik worden gemaakt van 'Bijlage 2 - Briefmodule voor de hypothese waarbij de terugvordering de termijn van vijf jaar NIET heeft overschreden'.
  • In de dossiers waarbij de lopende terugvordering wel al het bedrag heeft bereikt van de onverschuldigde betalingen die plaatsvonden in de periode van vijf jaar te rekenen van af de laatste onverschuldigde betaling als gevolg van de fraude, moet deze onmiddellijk worden stopgezet. De gezinnen moeten op de hoogte worden gebracht van deze stopzetting van de terugvordering (zie bijlage 3 - Briefmodule voor de hypothese waarbij de terugvordering de termijn van vijf jaar heeft overschreden).

In beide gevallen, worden de bedragen van de onverschuldigd betaalde gezinsbijslag die niet kan worden teruggevorderd, ten laste gelegd van het reservefonds11Het gaat immers om ten onrechte betaalde gezinsbijslag die niet wordt teruggevorderd wegens de bij ordonnantie vastgelegde verjaring in de zin van artikel 19, § 4, 2°, van de Ordonnantie van 4 april 2019 tot vaststelling van het betaalcircuit voor de gezinsbijslag..

Voorbeeld

Op 25/04/2021 ontvangt de bevoegde Brusselse kinderbijslaginstelling een rapport van de sociale inspectiedienst waaruit blijkt dat er domiciliefraude is gepleegd door het gezin. Het onderzoek toont aan dat de kinderen niet langer in België verblijven en dat er sinds hun vertrek naar een derde Staat geen recht op gezinsbijslag meer bestond.

De termijn waarbinnen de onverschuldigd betaalde gezinsbijslag moet worden teruggevorderd, loopt van 25/04/2021 tot en met 24/04/2026.

Het onverschuldigd betaalde bedrag heeft betrekking op de periode van 08/2008 tot 12/2019 en bedraagt 105.350 euro.

Bij toepassing van de vijfjarige termijn voor de beperking van de terugvorderingsperiode, blijft de terugvordering beperkt tot de betalingen verricht vanaf 04/01/2015 tot en met 03/01/2020 (laatste betaling in verband met de fraude, met betrekking tot het recht van 12/2019).

De betaling die plaatsvond op 08/01/2015 (voor het recht van december 2014) is de laatste die binnen de vijfjarige termijn valt voor terugvordering. De betalingen verricht vanaf 02/09/2008 (recht van augustus 2008) tot en met 03/01/2015 (dus incl. het recht van november 2014 dat op 03/12/2014 werd uitbetaald) voor een bedrag van 48.352 euro kunnen niet worden teruggevorderd, aangezien zij de termijn van 5 jaar overschrijden. Dit bedrag dient dan ook ten laste te worden gelegd van het reservefonds aangezien de terugvordering is verjaard.

Het resterende terugvorderbare bedrag van de onverschuldigde betaling wordt daardoor teruggebracht tot 56.998 euro (105.350 - 48.352).

Aangezien de instelling reeds een bedrag van 12.660 euro heeft teruggevorderd, bedraagt de resterende schuld van de familie 44.338 euro.

2.2.2. Stuiting

De modaliteiten voor de stuiting van de termijn waarover de kinderbijslaginstelling beschikt om onverschuldigde gezinsbijslagen terug te vorderen, zoals bepaald in artikel 31, vierde lid, van de Ordonnantie, zijn ongewijzigd gebleven ten opzichte van artikel 120bis, tweede lid, van de AKBW.

II. Toepassing van de nieuwe verjaringstermijnen in de tijd

De te volgen regels met betrekking tot de toepassing in de tijd van de nieuwe verjaringstermijnen en de toepassingsregels ervan worden in de volgende punten toegelicht.
Daarbij moet er een onderscheid worden gemaakt naargelang het recht wordt geopend vanaf (zie punt 1) of voorafgaand aan (zie punt 2) 1 januari 2020.

1. Rechten die worden geopend vanaf de inwerkingtreding van de Ordonnantie op 1 januari 2020

1.1. Termijn waarover de sociaal verzekerde beschikt om zijn recht te laten gelden

De toepassing van de nieuwe bepaling (artikel 30 van de Ordonnantie) met betrekking tot de verjaring van het recht op gezinsbijslag geeft geen problemen wat betreft rechten die ontstaan vanaf 1 januari 2020. Zulke rechten verjaren overeenkomstig de nieuwe bepaalde termijnen (drie jaar).

1.2. Termijn waarover de kinderbijslaginstelling beschikt om gezinsbijslag terug te vorderen

Met betrekking tot de onverschuldigde betalingen die gebaseerd zijn op een open recht vanaf 1 januari 2020, stelt de toepassing van de nieuwe bepaling (artikel 31 van de Ordonnantie) geen bijkomende problemen omdat zulke onverschuldigde betalingen onvermijdelijk worden vastgesteld na deze datum en worden teruggevorderd overeenkomstig de bij de Ordonnantie bepaalde termijnen (drie of vijf jaar in geval van bedrog).
De toepasselijke termijnen (zie punt I, 1) en toepassingsregels (zie punt I, 2.2) worden hierboven toegelicht.

2. Rechten die worden geopend voorafgaand aan de inwerkingtreding op 1 januari 2020

Hierna wordt toegelicht op welke manier de verjaringstermijnen worden berekend indien het recht betrekking heeft op een periode voorafgaand aan 1 januari 2020.
Aangezien er geen overgangsmaatregelen zijn bepaald, moeten de toepasselijke beginselen ter zake die zijn vastgelegd in de vaste rechtspraak12Zie o.m. Cass. 7 mei 1953, Pas. 1953, p. 607; Cass. 5 december 2000, Pas. 2000, I, p. 1921; en Arbeidshof Brussel, 19 april 2007, AR nr. 46.652. van de hoven en rechtbanken, en in het bijzonder het Hof van Cassatie, toegepast worden.

2.1. Eerste beginsel: geen terugwerkende kracht

Als het recht was verjaard op basis van de bepalingen die van toepassing waren voor 1 januari 2020, heeft de Ordonnantie niet tot gevolg dat er een nieuwe verjaringstermijn geldt: dit recht was en blijft verjaard.

Voorbeelden

  1. Een recht op kinderbijslag (ABKW-stelsel) wordt geopend in juni 2013. De verjaringstermijn gaat in op de laatste dag van het kwartaal, dit wil zeggen op 30 juni 2013. Omdat de op dat ogenblik geldende verjaringstermijn vijf jaar bedroeg, verjaart het recht op 30 juni 2018. Aangezien het recht verjaart voor de inwerkingtreding van de Ordonnantie, heeft de nieuwe wetgeving niet tot gevolg dat een nieuwe verjaringstermijn ingaat.
  2. Een recht op gewaarborgde gezinsbijslag wordt geopend in november 2018. Omdat de bij de GGB-wet bepaalde verjaringstermijn een jaar bedroeg, verjaart het recht dus in december 2019. De nieuwe wetgeving doet geen nieuwe termijn ingaan.

2.2. Tweede beginsel: onmiddellijke toepassing op 1 januari 2020

Ten aanzien van de rechten op gezinsbijslag en de terugvordering van de ten onrechte betaalde gezinsbijslag die op 31 december 2019 niet verjaard waren (verjaring aan de gang), gelden vanaf 1 januari 2020 de in de Ordonnantie bepaalde termijnen.

De stuiting van de verjaring en de hernieuwing van de stuiting van de verjaring moeten bijgevolg plaatsvinden rekening houdend met de nieuwe verjaringstermijnen vanaf 1 januari 2020.

Tot slot moeten vanaf die datum ook de aanvang van de verjaringstermijn worden berekend volgens de regels in artikel 30 en 31 van de Ordonnantie.

Voorbeelden

  1. Een recht op kinderbijslag wordt geopend in september 2018 (AKBW-stelsel). Omdat de nieuwe wetgeving op 1 januari 2020 in werking treedt, gaat de nieuwe termijn van drie jaar in vanaf 31 maart 2020. Als de verjaring niet wordt gestuit binnen drie jaar volgend op deze datum, verjaart het recht op 31 maart 2023. Overeenkomstig de oude verjaringstermijn die oorspronkelijk van toepassing was (vijf jaar), zou het recht op 30 september 2023 verjaren.
  2. Op 3 oktober 2019 vond een geboorte plaats. Het recht op bijslag ontstaat in november 2019. Omdat de nieuwe wetgeving op 1 januari 2020 in werking treedt, gaat de nieuwe termijn van drie jaar in vanaf 31 maart 2020. Een stuiting van de verjaring moet plaatsvinden binnen drie jaar volgend op deze datum. Als zo’n hernieuwing niet plaatsvindt, verjaart het recht op kraamgeld op 31 maart 2023. Overeenkomstig de oude verjaringstermijn die oorspronkelijk van toepassing was (vijf jaar), zou het recht op kraamgeld op 31 december 2024 verjaren.
  3. In oktober 2019 wordt een recht op basiskinderbijslag geopend. Het basisbedrag wordt in november 2019 uitbetaald en de sociale toeslag wordt niet provisioneel uitbetaald in afwachting van de fiscale gegevens die het jaarlijkse gezinsinkomen aantonen. Twee jaar later, in oktober 2021, geeft de fiscale gegevensstroom aan dat het gezin de inkomensplafonds niet overschrijdt en er dus een sociale toeslag verschuldigd is. Als de oude termijn van vijf jaar zou worden toegepast, zou het recht op de sociale toeslag verjaren op 31 december 2024. De nieuwe wetgeving die op 1 januari 2020 in werking treedt, bepaalt dat, bij sociale toeslagen, de termijn van drie jaar wordt opgeschort vanaf de betaaldatum van de basiskinderbijslag (5 november 2019) tot en met de datum van de mededeling van de toekenningsbeslissing van de toeslagen (1 oktober 2021). De verjaringstermijn die normaal zou aanvangen op 31 maart 2020 wordt vanaf die datum onmiddellijk geschorst aangezien de betaaldatum van de basiskinderbijslag, die het begin aangeeft van de schorsingsperiode van de termijn, zich in dit voorbeeld vóór 31 maart 2020 situeert. Overeenkomstig de nieuwe regel verjaart het recht op 2 oktober 2024 (zonder toepassing van de opschorting zou het recht op 31 maart 2023 verjaren).

2.3. Derde beginsel: de onmiddellijke toepassing op 1 januari 2020 mag niet leiden tot een langere verjaringstermijn dan de vervangen termijn

Op grond van dit derde beginsel kan de inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving er niet toe leiden dat de totale verjaringstermijn langer is dan de oude verjaringstermijn.

Voorbeelden

  1. Een kind is geboren op 9 mei 2016. Het recht op gezinsbijslag wordt geopend in juni 2016. Omdat de nieuwe wetgeving op 1 januari 2020 in werking treedt, zou als de nieuwe verjaringstermijn van drie jaar zou worden toegepast, de totale verjaringstermijn meer dan zes jaar bedragen (verjaring op 31 maart 2023). Het recht op kraamgeld en op kinderbijslag verjaart op 30 juni 2021, of na de oude verjaringstermijn (vijf jaar).
  2. Een recht op gewaarborgde gezinsbijslag wordt geopend in november 2019. Omdat de nieuwe wetgeving op 1 januari 2020 in werking treedt, zou als de nieuwe verjaringstermijn van drie jaar zou worden toegepast, de totale verjaringstermijn meer dan drie jaar bedragen (verjaring op 31 maart 2023). Het recht op gewaarborgde gezinsbijslag is verjaard in december 2020, ofwel na de oude verjaringstermijn (een jaar).
  3. In april 2019 wordt een recht op basiskinderbijslag geopend. Het basisbedrag wordt in mei 2019 uitbetaald en de sociale toeslag wordt niet provisioneel uitbetaald in afwachting van de fiscale gegevens die het jaarlijkse gezinsinkomen aantonen. Twee jaar later, in mei 2021, geeft de fiscale gegevensstroom aan dat het gezin de inkomensplafonds niet overschrijdt en een sociale toeslag dus verschuldigd is. De nieuwe wetgeving die op 1 januari 2020 in werking treedt, bepaalt dat, wat de sociale toeslagen betreft, de termijn van drie jaar wordt opgeschort vanaf de betaaldatum (5 mei 2019) tot en met de datum van de mededeling van de toekenningsbeslissing van de toeslagen (17 juli 2021). De verjaringstermijn gaat in principe in op 31 maart 2020. De termijn wordt echter vanaf deze datum onmiddellijk geschorst aangezien de betaaldatum die het begin van de schorsingsperiode aangeeft zich vóór 31 maart 2020 situeert. Als de nieuwe regel wordt toegepast, bedraagt de totale verjaringstermijn meer dan vijf jaar en zou het recht verjaren op 17 juli 2024. Het recht op sociale toeslag verjaart echter op 30 juni 2024, ofwel na de oude verjaringstermijn (vijf jaar).

Bedankt voor uw medewerking.
Hoogachtend,

 

Tania Dekens
Leidend ambtenaar

Modules:

  1. Briefmodule voor de hypothese waarbij de terugvordering nog NIET is gestart
  2. Briefmodule voor de hypothese waarbij de terugvordering de termijn van vijf jaar NIET heeft overschreden
  3. Briefmodule voor de hypothese waarbij de terugvordering de termijn van vijf jaar heeft overschreden