4 APRIL 2019 – Ordonnantie tot vaststelling van het betaalcircuit voor de gezinsbijslag
De Verenigde Vergadering heeft aangenomen en Wij, Verenigd College, bekrachtigen hetgeen volgt :
TITEL 1. - Algemene bepalingen
Artikel 1.
Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 135 van de Grondwet.
Art. 2.
Voor de toepassing van deze ordonnantie dient te worden verstaan onder :
1° wet van 27 juni 1921: de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen;
2° ordonnantie van 23 maart 2017: de ordonnantie van 23 maart 2017 houdende de oprichting van de bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, Bijstand aan personen en Gezinsbijslag;
3° samenwerkingsakkoord: het samenwerkingsakkoord van 6 september 2017 tussen de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de aanknopingsfactoren, het beheer van de lasten van het verleden, de gegevensuitwisseling inzake de gezinsbijslagen en de praktische regels betreffende de bevoegdheidsoverdracht tussen de kinderbijslagfondsen;
4° Iriscare: de bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, Bijstand aan personen en Gezinsbijslag bedoeld in artikel 2 van de ordonnantie van 23 maart 2017;
5° openbare operator: de openbare betaalactor van de gezinsbijslag ingesteld binnen Iriscare, bedoeld in artikel 28, § 1, 10°, van de ordonnantie van 23 maart 2017;
6° kinderbijslagfondsen: de private kinderbijslagfondsen zoals bedoeld in artikel 3, 4°, van de ordonnantie van 23 maart 2017;
7° kinderbijslaginstellingen: zowel de openbare operator als de kinderbijslagfondsen;
8° de Beheerraad: de Beheerraad voor gezinsbijslag ingesteld bij Iriscare met toepassing van de artikelen 28 en 29 van de ordonnantie van 23 maart 2017;
9° bijslagtrekkende: de persoon aan wie de gezinsbijslag moet worden betaald;
10° FAMIF Inwerkingtreding : het Federaal agentschap voor de kinderbijslag;
11° gezinsbijslag: de kinderbijslag, de geboortepremie en de adoptiepremie die onder de bevoegdheid vallen van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie als persoonsgebonden aangelegenheid bedoeld in artikel 5, § 1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
TITEL 2. - Betaalcircuit
Art. 3.
§ 1. De openbare operator oefent de volgende opdrachten uit overeenkomstig de bijzondere regels en voorwaarden die zijn vastgelegd door de beheersovereenkomst van Iriscare zoals bedoeld in artikel 8 van de ordonnantie van 23 maart 2017:
1° de gezinsbijslag betalen voor de bijslagtrekkenden die bij de openbare operator zijn aangesloten met toepassing van artikel 26 en voor de bijslagtrekkenden die, in het bijzonder met toepassing van artikel 10, § 4, zesde lid, van het samenwerkingsakkoord, van FAMIFED afhingen vóór 1 januari 2020 en waarvan de openbare operator als de opvolger is aangeduid;
2° de kinderen identificeren voor wie het gezin geen enkel recht heeft gevraagd binnen de termijn van 120 dagen bepaald in artikel 26, § 1, tweede lid; het recht automatisch onderzoeken en, desgevallend [en onder voorbehoud van artikel 26, paragraaf 1, vierde lid]1, de gezinsbijslag betalen.
§ 2. De kinderbijslagfondsen voeren de betaling van de gezinsbijslag uit voor de bijslagtrekkenden die bij hen zijn aangesloten met toepassing van artikel 26, evenals voor de bijslagtrekkenden die voorafgaand aan 1 januari 2020 afhingen van de federale vrije kinderbijslagfondsen en waarvan ze de opvolgers zijn overeenkomstig artikel 10 van het samenwerkingsakkoord.
TITEL 3. - De kinderbijslagfondsen
HOOFDSTUK 1. - Erkenning
Art. 4.
Het Verenigd College, op voorstel van de beheerraad, erkent de kinderbijslagfondsen die aan de volgende voorwaarden voldoen:
1° de vorm aannemen van een Belgische vereniging zonder winstoogmerk in de zin van de wet van 27 juni 1921;
2° geen strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen wegens het niet naleven van de sociale of fiscale wetgeving in de vijf jaren die voorafgaan aan de erkenningsaanvraag. Deze voorwaarde geldt ook voor de leden van de raad van bestuur van de kinderbijslagfondsen;
3° enkel tot doel hebben om de rechten op gezinsbijslag te onderzoeken, de gezinsbijslag uit te betalen en de gezinnen bij te staan bij het uitoefenen van die rechten;
4° op de datum van de erkenningsaanvraag over minstens drie jaar ervaring beschikken betreffende het verwerken van de aanvragen en de uitbetaling van de vergoedingen in de gezinsbijslagsector. Deze voorwaarde geldt niet voor de kinderbijslagfondsen die de erkenning zouden aanvragen na 1 januari 2020;
5° op de datum van de erkenningsaanvraag minstens 30.000 dossiers beheren van rechtgevende kinderen op het grondgebied van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad van wie het dossier in uitbetaling is. Het kinderbijslagfonds dat de erkenning zou aanvragen na 1 januari 2020, moet zich ertoe verbinden binnen een periode van drie jaar die aanvangt op de datum van de erkenning, hetzelfde aantal voornoemde dossiers te beheren;
6° hun zetel op het grondgebied van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad hebben;
7° actief zijn op het grondgebied van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
8° minstens over een voor de bijslagtrekkenden toegankelijk kantoor beschikken in 1000 Brussel of in de onmiddellijke omgeving;
9° zich ertoe verbinden om de aansluiting van een bijslagtrekkende niet te weigeren en zich niet te verzetten tegen diens keuze overeenkomstig artikel 26, § 2, om van kinderbijslaginstelling te veranderen;
10° een informaticatoepassing gebruiken die door het Verenigd College is erkend;
11° geen benaming, acroniem of logo gebruiken dat verwarring zou kunnen stichten met de verzekeringsinstellingen in de zin van de ordonnantie van 23 maart 2017.
Het Verenigd College erkent ten hoogste vier kinderbijslagfondsen. Die zijn, op 1 januari 2020, de gewestelijke opvolgers van de federale kinderbijslagfondsen bedoeld in artikel 5, § 2, van het samenwerkingsakkoord.
Art. 5.
De erkenningsaanvraag wordt ingediend bij de leden van het Verenigd College bevoegd voor het Gezinsbeleid. Ze omvat de statuten van het kinderbijslagfonds.
Het Verenigd College en Iriscare zijn, elk wat hun eigen bevoegdheden betreft, verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens nodig voor het beheer van de erkenningen.
De bewaartermijn van deze gegevens bedraagt vijf jaar vanaf de erkenning.
Art. 6.
De wijzigingen aan de statuten die eventueel een weerslag hebben op de toegekende erkenning met toepassing van artikel 4, eerste lid, 1° tot 11°, hebben slechts uitwerking nadat zij door het Verenigd College zijn goedgekeurd.
Art. 7.
Bepalingen van de statuten die in strijd zouden zijn met een ordonnantie tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag of met een besluit tot uitvoering van een dergelijke ordonnantie worden als niet geschreven beschouwd.
Art. 8.
De erkenning wordt voor een onbepaalde duur gegeven. Zij kan worden ingetrokken overeenkomstig de in hoofdstuk 2 van deze titel vastgelegde bepalingen.
Art. 9.
De besluiten tot erkenning of tot intrekking van de erkenning alsook zij die wijzigingen aan de statuten goedkeuren, worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
In afwijking van artikel 26novies, §§ 2 en 3, van de wet van 27 juni 1921, worden de in artikel 6 bedoelde wijzigingen aan de statuten van het kinderbijslagfonds bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad als bijlage van het besluit van het Verenigd College dat die wijzigingen goedkeurt en zijn ze vanaf de datum van die bekendmaking aan derden tegenstelbaar.
HOOFDSTUK 2. - Evaluatie en administratieve sancties
Art. 10.
§ 1. De diensten van het Verenigd College en Iriscare evalueren jaarlijks de activiteit van de kinderbijslagfondsen volgens de door dat College vastgelegde regels.
§ 2. Bij die evaluatie wordt rekening gehouden met het naleven door de kinderbijslagfondsen van met name de bepalingen van artikel 4, de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze titel, van hoofdstuk 4 van titel 4, van titel 5 en van de bij ordonnantie vastgelegde rechten waarop de bijslagtrekkende in zijn contacten met de kinderbijslagfondsen aanspraak kan maken.
§ 3. De diensten van het Verenigd College[stellen een evaluatieverslag op en bezorgen dat aan de beheerraad.
Bij een negatieve jaarlijkse evaluatie of op elk moment bij wijze van administratieve sanctie wanneer in het bijzonder de in paragraaf 2 vernoemde bepalingen niet worden nageleefd, kan de beheerraad aan het Verenigd College een van de volgende maatregelen voorstellen:
1° een verwittiging;
2° het opstellen van een herstelplan;
3° de intrekking van de erkenning.
Het Verenigd College bepaalt de regels voor het stopzetten van de activiteit van een kinderbijslagfonds, ongeacht of die voortspruit uit een vrijwillige beslissing of een intrekking van de erkenning bedoeld in 3°.
Indien een fonds zijn activiteit vrijwillig wenst stop te zetten buiten een fusie met een ander kinderbijslagfonds, wordt een opzeggingstermijn van minstens zes maanden nageleefd. Deze termijn begint te lopen vanaf de kennisgeving van de opzegging aan de leden van het Verenigd College die bevoegd zijn voor Gezinsbeleid, waarbij ook de opzeggingstermijn wordt meegedeeld.
§ 4. Het evaluatieverslag of het gemotiveerde voorstel van administratieve sanctie wordt aan het betrokken kinderbijslagfonds meegedeeld. Het fonds kan:
1° zijn opmerkingen formuleren, binnen de termijn en volgens de nadere regels bepaald door het Verenigd College;
2° verzoeken om te worden gehoord door de binnen Iriscare aangeduide persoon, volgens de door het Verenigd College bepaalde regels.
§ 5. Op grond van het evaluatieverslag of het gemotiveerde voorstel van administratieve sanctie en de opmerkingen van het kinderbijslagfonds, neemt het Verenigd College een gemotiveerde beslissing die het aan het fonds ter kennis brengt binnen de termijn en volgens de regels die het vastlegt.
Art. 10 TOEKOMSTIG RECHT.
§ 1. [...]2 Iriscare [evalueert]2 jaarlijks de activiteit van de kinderbijslagfondsen volgens de door dat College vastgelegde regels.
§ 2. Bij die evaluatie wordt rekening gehouden met het naleven door de kinderbijslagfondsen van met name de bepalingen van artikel 4, de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze titel, van hoofdstuk 4 van titel 4, van titel 5 en van de bij ordonnantie vastgelegde rechten waarop de bijslagtrekkende in zijn contacten met de kinderbijslagfondsen aanspraak kan maken.
§ 3. [Iriscare]2 [stelt]2 een evaluatieverslag op en [bezorgt]2dat aan de beheerraad.
Bij een negatieve jaarlijkse evaluatie of op elk moment bij wijze van administratieve sanctie wanneer in het bijzonder de in paragraaf 2 vernoemde bepalingen niet worden nageleefd, kan de beheerraad aan het Verenigd College een van de volgende maatregelen voorstellen:
1° een verwittiging;
2° het opstellen van een herstelplan;
3° de intrekking van de erkenning.
Het Verenigd College bepaalt de regels voor het stopzetten van de activiteit van een kinderbijslagfonds, ongeacht of die voortspruit uit een vrijwillige beslissing of een intrekking van de erkenning bedoeld in 3°.
Indien een fonds zijn activiteit vrijwillig wenst stop te zetten buiten een fusie met een ander kinderbijslagfonds, wordt een opzeggingstermijn van minstens zes maanden nageleefd. Deze termijn begint te lopen vanaf de kennisgeving van de opzegging aan de leden van het Verenigd College die bevoegd zijn voor Gezinsbeleid, waarbij ook de opzeggingstermijn wordt meegedeeld.
§ 4. Het evaluatieverslag of het gemotiveerde voorstel van administratieve sanctie wordt aan het betrokken kinderbijslagfonds meegedeeld. Het fonds kan:
1° zijn opmerkingen formuleren, binnen de termijn en volgens de nadere regels bepaald door het Verenigd College;
2° verzoeken om te worden gehoord door de binnen Iriscare aangeduide persoon, volgens de door het Verenigd College bepaalde regels.
§ 5. Op grond van het evaluatieverslag of het gemotiveerde voorstel van administratieve sanctie en de opmerkingen van het kinderbijslagfonds, neemt het Verenigd College een gemotiveerde beslissing die het aan het fonds ter kennis brengt binnen de termijn en volgens de regels die het vastlegt.
Art. 11.
De beheerraad kan, met toepassing van artikel 10, aan het Verenigd College voorstellen om het kinderbijslagfonds een verwittiging te zenden inzonderheid indien:
a) het overeenkomstig artikel 17, § 2, 2°, door het Verenigd College vastgelegde criterium van de kwaliteit van de dienstverlening aan de gezinnen door het kinderbijslagfonds minder dan 95 % bedraagt;
b) het tegoed van het reservefonds van het kinderbijslagfonds in de loop van een kalenderjaar met minstens 10 % en hoogstens 20 % verminderd is in vergelijking met het tegoed van dat fonds bij het begin van het kalenderjaar;
c) het tekort op de beheersrekening van het kinderbijslagfonds tussen 10 % en 20 % bedraagt van het tegoed van de administratieve reserve in het begin van het kalenderjaar;
d) de som van de schulden in verband met de beheersverrichtingen van het kinderbijslagfonds tussen 100 % en 125 % bedraagt van de eigen middelen, inclusief provisies, van het fonds op het einde van het dienstjaar.
Art. 12.
De beheerraad kan, met toepassing van artikel 10, aan het Verenigd College voorstellen om een kinderbijslagfonds te verplichten binnen een door hem gestelde termijn aan het voormelde College een herstelplan voor te leggen inzonderheid wanneer:
a) het overeenkomstig artikel 17, § 2, 2°, door het Verenigd College vastgelegde criterium betreffende de kwaliteit van de dienstverlening aan de gezinnen door het kinderbijslagfonds minder dan 92,5 % bedraagt;
b) het tegoed van het reservefonds van het kinderbijslagfonds in de loop van een kalenderjaar met minstens 20 % verminderd is in vergelijking met het tegoed van dat fonds bij het begin van het kalenderjaar;
c) het tekort op de beheersrekening meer dan 20 % bedraagt van het tegoed van de administratieve reserve in het begin van het kalenderjaar;
d) de som van de schulden in verband met de beheersverrichtingen van het kinderbijslagfonds tussen 125 % en 200 % bedraagt van de eigen middelen, inclusief provisies, van het kinderbijslagfonds op het einde van het dienstjaar.
Dit plan bevat de te nemen maatregelen en de te bereiken doelstellingen om de kwaliteit van het administratieve en financiële beheer te verbeteren.
Indien er binnen de door het Verenigd College bepaalde termijn geen geschikt plan wordt voorgelegd, kan dat College, na advies van de beheerraad, zelf een herstelplan aan het kinderbijslagfonds opleggen waarvan het de nadere regels en de inhoud vastlegt. In voorkomend geval kan het kinderbijslagfonds tegen het opgelegde herstelplan in beroep gaan bij de leden van het Verenigd College bevoegd voor het Gezinsbeleid, binnen vijftien kalenderdagen na de kennisgeving van het herstelplan waartoe het Verenigd College heeft beslist. Het beroep moet via een ter post aangetekende brief worden ingediend. Het beroep is niet opschortend. Het Verenigd College neemt een beslissing binnen dertig kalenderdagen volgend op de datum waarop het beroep werd ingediend.
Na afloop van het herstelplan verstrekt de beheerraad het Verenigd College een gemotiveerd advies.
Art. 13.
De beheerraad kan, met toepassing van artikel 10, het Verenigd College voorstellen om de erkenning van een kinderbijslagfonds in te trekken inzonderheid als:
a) het overeenkomstig artikel 17, § 2, 2°, door het Verenigd College vastgelegde criterium betreffende de kwaliteit van de dienstverlening aan de gezinnen door het kinderbijslagfonds gedurende drie opeenvolgende jaren minder dan 90 % bedraagt;
b) het tegoed van het reservefonds van het kinderbijslagfonds in een periode van drie jaar gedaald is met 60 %;
c) het tegoed van de administratieve reserve van het kinderbijslagfonds in een periode van drie jaar gedaald is met 60 %;
d) de som van de schulden in verband met de beheersverrichtingen van het kinderbijslagfonds minstens 200 % bedraagt van de eigen middelen, inclusief provisies, van het fonds op het einde van het dienstjaar;
e) het kinderbijslagfonds de bepalingen van artikel 25 niet heeft nageleefd en de inbreuk op die bepaling ernstig nadeel oplevert voor het financieel evenwicht van de gezinsbijslagregeling.
Onverminderd de toepassing van artikel 4, eerste lid, 5°, trekt het Verenigd College in ieder geval, volgens de regels die het vastlegt, de erkenning in als het door het kinderbijslagfonds beheerde aantal dossiers van rechtgevende kinderen van wie het dossier in uitbetaling is, over een periode van twee opeenvolgende jaren lager ligt dan 30.000 rechtgevende kinderen van wie het dossier in uitbetaling is op het grondgebied van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Het aantal dossiers in uitbetaling wordt op 31 december van elk jaar vastgesteld.
HOOFDSTUK 3. - Bijzondere regels voor de fondsen
Art. 14.
In afwijking van artikel 6, eerste lid, van de wet van 27 juni 1921, moet er geen oproeping gebeuren tot de algemene vergadering indien het de jaarlijkse gewone algemene vergadering betreft en het tijdstip en de plaats ervan zijn vastgesteld in de statuten van het kinderbijslagfonds.
Wanneer van deze vrijstelling gebruik wordt gemaakt, kan er op de jaarlijkse gewone algemene vergadering niet beraadslaagd en besloten worden over de wijziging van de statuten van het kinderbijslagfonds en evenmin over een punt dat niet op de agenda staat.
De agenda van elke jaarlijkse gewone algemene vergadering kan ten minste veertien dagen op voorhand bekomen worden op vraag van elk lid.
Beslissingen van de algemene vergadering betreffende de wijziging van de statuten, de wijziging van het maatschappelijk doel, de benoeming en de afzetting van de bestuurders en commissarissen en de ontbinding van het kinderbijslagfonds, moeten door minstens een vierde van de werkende leden worden goedgekeurd, met dien verstande dat een quotum van vijf werkende leden volstaat. Het verkregen quotiënt moet in voorkomend geval naar beneden worden afgerond. Met werkende leden worden de leden bedoeld die tevens in de raad van bestuur van het kinderbijslagfonds zetelen.
Art. 15.
Elk lid mag zich op de algemene vergadering laten vertegenwoordigen door een ander lid dat schriftelijk gevolmachtigd is. Het aantal volmachten per lid is beperkt tot vijf.
HOOFDSTUK 4. - Financiële bepalingen
Afdeling 1. - Algemeen
Art. 16.
§ 1. De aan de kinderbijslagfondsen toegekende financiële middelen dekken:
1° de sommen bestemd voor de uitbetaling van de gezinsbijslag;
2° de globale toelage voor de administratiekosten van de kinderbijslagfondsen.
§ 2. Iriscare:
1° verstrekt de in § 1, 1°, bedoelde sommen aan de kinderbijslagfondsen;
2° verdeelt de in § 1, 2°, bedoelde globale toelage onder de kinderbijslagfondsen volgens de door het Verenigd College bepaalde regels. De beheerraad legt op voorhand het aan elk kinderbijslagfonds toekomende bedrag van de globale toelage vast met toepassing van artikel 28, § 1, 7°, van de ordonnantie van 23 maart 2017.
Wat betreft het eerste lid, 1°, wordt het overschot van de voor de uitbetaling van de voor de gezinsbijslag bestemde sommen aan Iriscare teruggestort binnen de termijn en volgens de regels die hij bepaalt.
De bedragen bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, worden op afzonderlijke rekeningen gestort geopend op naam van elk kinderbijslagfonds en uitsluitend aangewend voor de doeleinden waarvoor ze werden verdeeld.
De kinderbijslagfondsen registreren de financiële verrichtingen op afzonderlijke wijze en volgens een door het Verenigd College vastgelegd boekhoudkundig plan.
Art. 17.
§ 1. Het Verenigd College bepaalt het bedrag van de globale toelage om de administratiekosten van de kinderbijslagfondsen te financieren en de nadere regels volgens welke dat bedrag in de tijd evolueert.
§ 2. Het Verenigd College bepaalt de berekeningsregels voor het deel van elk kinderbijslagfonds in de globale toelage rekening houdend met:
1° een kwantitatief criterium in verband met de werklast van de kinderbijslagfondsen;
2° een kwalitatief criterium in verband met de evaluatie van de kwaliteit van de prestaties van de kinderbijslagfondsen.
Art. 18.
In afwijking van artikel 17, § 2, wordt in de eerste twee jaren na 1 januari 2020, de globale toelage voor de financiering van de administratiekosten enkel op basis van het kwantitatieve criterium onder de kinderbijslagfondsen verdeeld.
Art. 19.
§ 1. De kinderbijslagfondsen leggen een reservefonds aan.
§ 2. Het reservefonds wordt gestijfd met:
1° het evenredig deel van het tegoed van het reservefonds van een federaal kinderbijslagfonds dat is ontvangen door het kinderbijslagfonds dat het eerstgenoemde fonds opvolgt;
2° de interesten uit de bankrekening(en) bestemd voor de gezinsbijslag;
3° het deel van de overschotten van de beheersrekening dat eventueel wordt overgedragen overeenkomstig artikel 24, § 2, tweede lid;
4° de overdrachten van de administratieve reserve;
5° elk ander middel dat het Verenigd College bepaalt, in het bijzonder een deel van de toelage bedoeld in artikel 16, § 1, 2°.
§ 3. Het tegoed van het reservefonds van het kinderbijslagfonds mag op 31 december van het dienstjaar niet hoger zijn dan 1,5 % van het bedrag van de gezinsbijslag dat het kinderbijslagfonds in de loop van datzelfde dienstjaar heeft betaald.
Indien die grens wordt overschreden, wordt het overschot in de loop van het volgende dienstjaar aan Iriscare gestort. Het kinderbijslagfonds dat zijn overschot niet tijdig heeft doorgestort, is van rechtswege de wettelijke intrest verschuldigd.
Het Verenigd College kan het in het eerste lid bedoelde percentage aanpassen na advies van de beheerraad.
§ 4. Het reservefonds wordt aangewend:
1° voor de voorlopige dekking van de ten onrechte betaalde gezinsbijslag die teruggevorderd wordt;
2° voor de definitieve dekking van de ten onrechte betaalde gezinsbijslag die niet wordt teruggevorderd wegens de bij ordonnantie vastgelegde verjaring of, volgens de bij ordonnantie vastgelegde regels, wegens een administratieve vergissing;
3° als voorschot om bij te dragen in de betaling op de vervaldag van de gezinsbijslag zonder te wachten tot Iriscare de storting doet van de gelden bedoeld in artikel 16, § 1, 1° ;
4° voor de definitieve dekking van de verliezen die zijn veroorzaakt door elke andere oorzaak, mits het voorafgaand akkoord van de beheerraad;
5° tot aanzuivering van de vereffeningskosten van het kinderbijslagfonds, na uitputting van de administratieve reserve waarvan sprake in artikel 24, § 3.
§ 5. De middelen van het reservefonds dekken de administratiekosten niet, noch financieren zij de roerende en onroerende investeringen die noodzakelijk zijn voor de goede werking van het kinderbijslagfonds.
Art. 20.
De kinderbijslagfondsen laten de ten onrechte betaalde bedragen die niet kunnen worden teruggevorderd of waarvoor van de terugvordering is afgezien ten laste van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie:
1° wanneer afgezien wordt van terugvordering omdat die uit sociaal oogpunt niet raadzaam is;
2° wanneer de terugvordering te onzeker of te duur is of wanneer het bescheiden bedragen betreft, onder de door het Verenigd College bepaalde voorwaarden;
3° wanneer terugvordering technisch onmogelijk is;
4° wanneer er bij het overlijden van diegene aan wie ze zijn betaald ambtshalve wordt afgezien van de terugvordering van de onterecht betaalde gezinsbijslag indien, op dat ogenblik nog geen kennis was gegeven van de terugvordering overeenkomstig de bij ordonnantie vastgelegde regels.
Art. 21.
Iriscare legt de rechtzetting op van de boekingen van de kinderbijslagfondsen en compenseert de ten laste van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie aangerekende onterecht betaalde gezinsbijslag op de komende stortingen:
1° wanneer die moest aangerekend worden ten laste van hun reservefonds met toepassing van artikel 19, § 4, 2° ;
2° in andere gevallen dan die bedoeld in artikel 20.
Het kinderbijslagfonds betaalt aan Iriscare ten laste van zijn beheersrekening een verhoging die 10 % bedraagt van de som waarop de rechtzetting betrekking heeft.
Art. 22.
Bij stopzetting van betaling van een kinderbijslagfonds buiten een fusie met een ander kinderbijslagfonds, wordt het reservefonds van dat fonds van rechtswege aan Iriscare overgedragen.
Afdeling 2. - Het thesauriefonds voor de betaling van de gezinsbijslag
Art. 23.
De kinderbijslagfondsen zijn verplicht een thesauriefonds op te richten.
Dit fonds wordt aangewend voor de betaling van de gezinsbijslag en de ermee gepaard gaande uitgiftekosten. Het wordt gestijfd met de gelden bedoeld in artikel 16, § 1, 1°.
Afdeling 3. - Het fonds voor dekking van de administratiekosten van de kinderbijslagfondsen
Art. 24.
§ 1. De kinderbijslagfondsen richten een fonds op tot dekking van de administratiekosten, hierna beheersrekening genoemd.
§ 2. De beheersrekening wordt gestijfd met:
1° de toelage die door Iriscare wordt toegekend met toepassing van artikel 16, § 1, 2° ;
2° de andere subsidies dan de toelage bedoeld in 1° ;
3° de intresten, met uitzondering van de intresten bedoeld in artikel 19, § 2, 2° ;
4° de opbrengsten en meerwaarden van alle tegoeden, roerende en onroerende goederen in het bezit van het kinderbijslagfonds.
Wanneer op 31 december van het dienstjaar het reservefonds van het kinderbijslagfonds ontoereikend is voor de dekking bedoeld in artikel 19, § 4, 2°, moet het kinderbijslagfonds minstens 5 % van de overschotten van de beheersrekening naar het reservefonds overdragen. Deze overdrachten zijn onherroepelijk.
Het Verenigd College kan bijkomende maatregelen nemen betreffende de uitgaven voor administratiekosten.
§ 3. De kinderbijslagfondsen bouwen een administratieve reserve op.
De administratieve reserve wordt gestijfd met:
1° het evenredig deel van het tegoed van de administratieve reserve van een federaal kinderbijslagfonds dat is ontvangen door het kinderbijslagfonds dat het eerstgenoemde fonds opvolgt;
2° de opbrengst van de beheersrekening op 31 december van het dienstjaar, na aftrek van het deel dat eventueel op verplichtende wijze naar het reservefonds wordt overgedragen overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid.
Het Verenigd College kan het tegoed van de administratieve reserve van het kinderbijslagfonds begrenzen en het eventuele overschot toewijzen.
§ 4. De administratieve reserve kan, naar believen van het kinderbijslagfonds, het reservefonds ook stijven met een onherroepelijke overdracht.
Afdeling 4. - Leningen, onroerende goederen en gebruik van de tegoeden
Art. 25.
§ 1. Een kinderbijslagfonds mag een lening of een financieel leasingcontract aangaan dat het totaal van de schulden in verband met de beheersverrichtingen boven de 100 % van de eigen fondsen, inclusief provisies, brengt, op voorwaarde dat het er vooraf door de leden van het Verenigd College bevoegd voor het Gezinsbeleid toe gemachtigd is, op advies van de beheerraad. De machtiging van de leden wordt geacht te zijn verkregen als geen beslissing is genomen binnen een termijn van twee maanden na de datum van de aanvraag van het kinderbijslagfonds.
§ 2. De kinderbijslagfondsen verwerven of vervreemden geen onroerende goederen zonder voorafgaande machtiging van de leden van het Verenigd College bevoegd voor het Gezinsbeleid, op advies van de beheerraad. De machtiging van de leden wordt geacht te zijn verkregen als geen beslissing is genomen binnen een termijn van twee maanden na de datum van de aanvraag van het kinderbijslagfonds.
Zij mogen hun tegoed en beschikbare gelden slechts gebruiken voor de verwezenlijking van de verrichtingen met het oog waarop zij zijn erkend overeenkomstig artikel 4.
De tegoeden en de beschikbare gelden welke niet voor dit doeleinde worden gebruikt, dienen te worden belegd in fondsen waarvan de lijst door het Verenigd College wordt opgemaakt.
TITEL 4. - Gemeenschappelijke bepalingen voor de kinderbijslaginstellingen
HOOFDSTUK 1. - Aansluiting
Art. 26.
§ 1. Elke bijslagtrekkende sluit zich aan bij een kinderbijslaginstelling van zijn keuze.
De bijslagtrekkende beschikt [volgens de regels bepaald door het Verenigd College]3 over 120 dagen om zijn aanvraag tot aansluiting in te dienen, te rekenen vanaf de dag waarop hij de hoedanigheid van bijslagtrekkende verwerft [en voor zover hij niet eerder bij een kinderbijslaginstelling was aangesloten]3.
[De aanvraag tot aansluiting kan echter eerder worden ingediend, volgens de regels bepaald door het Verenigd College.]3
[Indien de bijslagtrekkende gedurende de termijn bedoeld in het tweede lid of voorafgaand aan deze termijn bij toepassing van het derde lid, geen aanvraag heeft ingediend, wordt hij volgens de regels bepaald door het Verenigd College van rechtswege aangesloten bij de openbare operator, op voorwaarde dat er voor geen enkele van de rechtgevende kinderen waarvoor hij over de hoedanigheid van bijslagtrekkende beschikt een betaaldossier is aangemaakt bij een kinderbijslaginstelling.]3
[Indien er niet is voldaan aan de laatst vermelde voorwaarde in het vierde lid, wordt hij volgens de regels bepaald door het Verenigd College van rechtswege aangesloten bij de kinderbijslaginstelling waarbij er een betaaldossier is aangemaakt voor het jongste rechtgevend kind waarvoor hij over de hoedanigheid van bijslagtrekkende beschikt.
De bijslagtrekkende mag in dat geval echter op elk moment zijn beslissing meedelen om van kinderbijslaginstelling te veranderen, volgens de door het Verenigd College bepaalde regels en onder de voorwaarden bepaald in paragraaf 2, tweede lid, en paragraaf 3.]3
Het Verenigd College kan de in het tweede lid bedoelde termijn wijzigen.
§ 2. Te rekenen vanaf de eerste dag volgend op de vierentwintigste maand van de aansluiting [bedoeld in paragraaf 1, eerste of vierde lid, kan de bijslagtrekkende zijn beslissing meedelen om van kinderbijslaginstelling te veranderen,]3 volgens de door het Verenigd College bepaalde regels.
De bijslagtrekkende stelt hiervan de kinderbijslaginstelling waarbij hij [zich wenst aan te sluiten]3 schriftelijk op de hoogte. Onverminderd het derde lid, heeft zijn beslissing [uitwerking op het de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal]3 waarin de beslissing werd meegedeeld tenzij ze minder dan vijftien dagen voor het einde van het [laatst vermelde]3 kwartaal werd meegedeeld. In dat geval heeft ze maar uitwerking [op de eerste dag van het tweede kwartaal volgend op het kwartaal waarin de beslissing werd meegedeeld]3.
[...]3
§ 3. [Zodra een kinderbijslaginstelling waarbij de bijslagtrekkende is aangesloten wordt ingelicht over de aanvraag tot verandering van kinderbijslaginstelling, draagt deze instelling zijn dossier onverwijld over aan de instelling waarbij de bijslagtrekkende zich voor de toekomst heeft aangesloten.]3
§ 4. De aansluiting bij een van de kinderbijslaginstellingen en het optreden van die instelling zijn kosteloos.
Art. 26/1.
[§ 1. Er wordt bij Iriscare een register betreffende de aansluiting van de bijslagtrekkende bij een kinderbijslaginstelling opgericht en beheerd dat de gegevens bevat die zijn bedoeld in paragraaf 3.
§ 2. De verwerking van persoonsgegevens die plaatsvindt in het kader van de oprichting, het bijhouden en de aanwending van het aansluitingsregister bedoeld in paragraaf 1, beperkt zich tot de volgende doeleinden:
1° de correcte toepassing van de regels betreffende de aansluiting van de bijslagtrekkende bij een kinderbijslaginstelling, zoals bedoeld in artikel 26;
2° het administratief toezicht en controle overeenkomstig artikel 35;
3° het uitvoeren van statistische studies in het kader van de opdrachten bedoeld in artikel 28, § 1, van de ordonnantie van 23 maart 2017 houdende de oprichting van de bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslag, voor zover de gegevens die als gevolg van deze studies worden meegedeeld, zijn geanonimiseerd.
§ 3. Met het oog op de doeleinden bedoeld in paragraaf 2, leveren de kinderbijslaginstellingen Iriscare, naargelang het geval, de volgende gegevens aan betreffende de aanvragen tot aansluiting en de ambtshalve aansluitingen die plaatsvinden vanaf de datum van inwerkingtreding van dit artikel, volgens de nadere regelen bepaald door het Verenigd College:
1° het identificatienummer van de sociale zekerheid (INSZ) van de persoon die de aanvraag tot aansluiting tot de kinderbijslaginstelling richt of die van rechtswege wordt aangesloten;
2° de aanleiding tot de aansluiting, zoals een aanvraag overeenkomstig artikel 16, § 2, van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag, of een aansluiting van rechtswege;
3° de datum van de aanvraag;
4° de datum van de aansluiting van rechtswege;
5° de datum waarop de bijslagtrekkende zijn hoedanigheid van bijslagtrekkende verwerft overeenkomstig artikel 26, § 1, tweede lid;
6° de datum waarop het kraamgeld kan worden aangevraagd overeenkomstig artikel 16, § 2, van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag.
§ 4. De verwerking van persoonsgegevens die plaatsvindt in het kader van de oprichting, het bijhouden en de aanwending van het gegevensregister bedoeld in paragraaf 1, heeft betrekking op de bijslagtrekkende, op de toekomstige bijslagtrekkende of op elke andere natuurlijke persoon die een aanvraag tot aansluiting indient in de zin van artikel 26.
§ 5. De volgende categorieën van personen mogen de in paragraaf 3 bedoelde gegevens verwerken:
1° het personeel van de kinderbijslaginstellingen, voor zover de verwerking noodzakelijk is voor het doeleinde bepaald in paragraaf 2, 1° ;
2° de ambtenaren van Iriscare bedoeld in artikel 35, § 1, eerste lid, voor zover zij deze gegevens nodig hebben voor het doeleinde bepaald in paragraaf 2, 2° ;
3° de personen die door Iriscare belast zijn met statistische studies, voor zover zij deze gegevens nodig hebben in het kader van de opdrachten bepaald in paragraaf 2, 3°.
§ 6. De gegevens bedoeld in paragraaf 3 worden slechts bewaard gedurende de termijnen bepaald in artikel 34, § 2, derde en vierde lid.
§ 7. Onverminderd de artikelen 34, § 2, eerste lid, en [35, § 6, vierde lid]4, is Iriscare verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 3 vanaf de mededeling van die gegevens door de kinderbijslaginstellingen.]5
HOOFDSTUK 2. - Aanvraag en betaling van gezinsbijslag
Art. 27.
§ 1. De kinderbijslaginstelling waarbij de bijslagtrekkende is aangesloten is bevoegd om de gezinsbijslag uit te keren.
[Onverminderd het eerste lid wordt de gezinsbijslag voor kinderen voor wie de forfaitaire bijslagen verschuldigd zijn bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag, uitgekeerd door de laatste kinderbijslaginstelling waarbij de bijslagtrekkende van het geplaatste kind was aangesloten voorafgaand aan de plaatsing.
Indien deze kinderbijslaginstelling of haar rechtsopvolger niet bestaat of niet gekend is, wordt de gezinsbijslag uitgekeerd door de openbare operator.]6
§ 2. Wanneer een aanvraag voor gezinsbijslag wordt ingediend, zendt of overhandigt de kinderbijslaginstelling de bijslagtrekkende een ontvangstbewijs.
§ 3. De gezinsbijslag die te goeder trouw werd uitbetaald door een onbevoegde kinderbijslaginstelling in de plaats van de krachtens de eerste paragraaf bevoegde instelling, leidt tot geen enkele regularisatie van de rekeningen.
§ 4. Ten einde de betaling van de gezinsbijslag niet te onderbreken of te vertragen, kan, bij een verandering van kinderbijslaginstelling, het Verenigd College in de provisionele betaling van de gezinsbijslag voorzien.
§ 5. Het Verenigd College kan, met het oog op de overdracht van gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van de rechten op gezinsbijslag, aan de kinderbijslaginstellingen het gebruik opleggen van documenten, certificaten en brevetten waarvan het de verplichte vermeldingen en uitwisselingstermijnen bepaalt.
HOOFDSTUK 3. - Terugvordering
Art. 28.
De kinderbijslaginstellingen vorderen, voor hun rekening en voor die van anderen via de inhoudingen waarvan de percentages vastgelegd zijn door artikel 1410 van het Gerechtelijk Wetboek, de onterecht betaalde gezinsbijslag terug, onverminderd de uitvoering van de intersectorale inhoudingen bedoeld in paragraaf 4, derde lid, van het voornoemde artikel en van artikel 9 van het samenwerkingsakkoord.
HOOFDSTUK 4. - Verplichtingen
Art. 29.
De kinderbijslaginstellingen verzekeren de kwaliteit van de dienstverlening en bijstand aan de gezinnen.
Art. 30.
De kinderbijslaginstellingen voeren geen enkele bedrieglijke, agressieve of seksistische reclame. Voor de toepassing van deze bepaling dient te worden verstaan onder:
- reclame: elke vorm van communicatie met het rechtstreekse of onrechtstreekse doel de aansluiting bij een kinderbijslaginstelling te bevorderen;
- bedrieglijke reclame: elke reclame die, op een of andere wijze, met inbegrip van haar voorstelling, tot verwarring leidt of kan leiden en die, door haar bedrieglijke aard, de keuzevrijheid van de bijslagtrekkende kan aantasten en die, daardoor, schade berokkent of kan berokkenen aan een of meer andere kinderbijslaginstellingen;
- agressieve reclame: elke reclame die, in haar feitelijke context, rekening houdend met alle eigenschappen en omstandigheden, door stalken, dwang of een andere ongerechtvaardigde invloed de keuzevrijheid van de bijslagtrekkende ingrijpend aantast of kan aantasten en die, daardoor, schade berokkent of kan berokkenen aan een of meer andere kinderbijslaginstellingen;
- seksistische reclame: reclame die bij de bevolking seksistische stereotypen, geslachtsgebonden rolpatronen of een degraderende visie op vrouwen verspreidt.
Voor de toepassing van deze ordonnantie wordt reclame door een derde in samenwerking met een kinderbijslaginstelling, al of niet in het kader van haar activiteiten, eveneens als reclame door de kinderbijslaginstelling beschouwd.
Art. 31.
De kinderbijslaginstellingen mogen de bijslagtrekkenden geen andere voordelen toekennen dan die welke door deze ordonnantie zijn vastgelegd, met uitzondering van reclamegeschenken van geringe waarde.
Art. 32.
De kinderbijslaginstellingen:
1° kennen de gezinsbijslag toe en betalen die uit door de beschikbare elektronische gegevens uit authentieke bron te gebruiken en door van de gezinnen die ze bedienen krachtens deze ordonnantie een minimale inspanning te vragen;
2° voeden en updaten het repertorium van de personen bedoeld in artikel 6 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
Art. 33.
§ 1. De kinderbijslaginstellingen richten zich tot het Rijksregister van de natuurlijke personen om de informatiegegevens bedoeld bij artikel 3, eerste en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, te bekomen of wanneer ze de juistheid van deze informatiegegevens nagaan.
Het beroep doen op een andere bron is slechts toegestaan indien de nodige informatiegegevens niet bij het Rijksregister van de natuurlijke personen kunnen bekomen worden.
§ 2. De informatiegegevens verkregen bij het Rijksregister van de natuurlijke personen hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
Wanneer het bewijs van het tegendeel, bedoeld in het eerste lid, aanvaard wordt door de kinderbijslaginstelling, deelt deze de inhoud van het aldus aanvaarde informatiegegeven, ten titel van inlichting, mee aan het Rijksregister van de natuurlijke personen en voegt er de bewijsstukken bij.
§ 3. De verwerkte gegevens hebben betrekking op personen voor wie de wettelijk vereiste toestemmingen tot toegang werden ingewonnen in het kader van de toepassing van de Algemene kinderbijslagwet, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag of van een ordonnantie die de rechten op gezinsbijslag vaststelt, teneinde de kinderbijslaginstellingen toe te laten om de rechten op gezinsbijslag vast te stellen en in voorkomend geval hun verdediging in rechte te verzekeren.
Art. 34.
§ 1. [Onverminderd de artikelen 35/1, 35/2 en 35/3, verwerken de kinderbijslaginstellingen de volgende categorieën van persoonsgegevens van het rechtgevend kind en de bijslagtrekkende :
1° identificatie-, adres- en contactgegevens, waaronder het identificatienummer van de sociale zekerheid (INSZ) ;
2° het rekeningnummer bij een kredietinstelling zoals gedefinieerd in artikel 1, § 3, van de wet van 25 april 2014 op het statuut en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen van de bijslagtrekkende, of, in het geval bedoeld in artikel 14 van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslagen, van het rechtgevende kind ;
3° de onverschuldigd betaalde gezinsbijslagbedragen alsook de werkelijk uitbetaalde gezinsbijslagbedragen die bestaan uit het verschil tussen de verschuldigde gezinsbijslagbedragen en de recuperaties door inhouding ;
4° de leeftijd, de geboortedatum en de burgerlijke staat ;
5° gegevens over de nationaliteit en de machtiging of toelating om te verblijven in België of er zich te vestigen, in overeenstemming met de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ;
6° gegevens over de gezondheid van het rechtgevende kind met het oog op de toepassing van de artikelen 12, 25, § 2, a) tot en met c), en 26 van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslagen en over de zwangerschap van de bijslagtrekkende ;
7° gegevens betreffende de socio-professionele situatie, zoals beroepsactiviteit in loondienst of als statutair ambtenaar, zelfstandige arbeid, werkloosheid, loopbaanonderbreking, tijdskrediet, ziekteverlof of moederschapsrust, betreffende de sociale uitkeringen, en betreffende het inkomen ;
8° gegevens over de verwantschap en de samenstelling van het gezin en andere gezinskenmerken zoals het vormen van een feitelijk gezin ;
9° gegevens over de opleiding en vorming van het rechtgevende kind die strikt noodzakelijk zijn met het oog op de toepassing van artikel 25, § 2, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslagen ;
10° gegevens over de plaatsing van het rechtgevend kind ;
11° gegevens over de adoptie van het rechtgevende kind ;
12° persoonlijke kenmerken betreffende het statuut van het kind, zoals gegevens over de ontvoering, verdwijning of ontvoogding van het rechtgevend kind, of betreffende het statuut van de bijslagtrekkende, zoals gegevens over het ouderlijk gezag ;
13° gegevens over gerechtelijke maatregelen, namelijk gerechtelijke beslissingen die een invloed hebben op de betaling van de gezinsbijslagen, of gegevens die kaderen binnen het opsporen en vervolgen van bedrieglijke handelingen of valse of opzettelijk onvolledige verklaringen met het oog op de onterechte toekenning van gezinsbijslag.
De kinderbijslaginstellingen verwerken tevens de gegevens bedoeld in het eerste lid, 1°, 7° en 8°, van de overige personen bedoeld in artikel 3, 7°, van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslagen. Hetzelfde geldt voor de gegevens bedoeld in het eerste lid, 1°, van de ouders van het rechtgevend kind die niet over de hoedanigheid van bijslagtrekkende beschikken.
De verwerking bedoeld in het eerste en het tweede lid vindt plaats met als enig doeleinde de uitvoering van de opdrachten in uitvoering en krachtens de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslagen en deze ordonnantie, namelijk de identificatie van de rechtgevende kinderen, de vaststellingen van hun rechten en de uitbetaling ervan aan de bijslagtrekkenden]7.
§ 2. [Onverminderd de artikelen 35, § 1, 35/1, 35/2 en 35/3, zijn de kinderbijslaginstellingen verantwoordelijk voor de verwerking van de gegevens bedoeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid, die plaatsvindt met het oog op het doeleinde bedoeld in paragraaf 1, derde lid.
Het personeel van de kinderbijslaginstellingen mag de in paragraaf 1, eerste en tweede lid, bedoelde gegevens verwerken voor zover de verwerking noodzakelijk is voor het doeleinde bepaald in paragraaf 1, derde lid]7.
De gegevens van de dossiers betreffende de aanvragen voor gezinsbijslag die niet tot een betaling hebben geleid, moeten, voor zover de verjaring niet werd gestuit door de betrokkenen, vijf jaar worden bewaard vanaf de laatste dag van het kwartaal waarin de aanvraag voor gezinsbijslag werd ingediend of het kind is geboren. [In geval van stuiting begint de voormelde bewaringstermijn opnieuw te lopen, te rekenen vanaf de datum van de stuiting.]7
De gegevens van de afgesloten dossiers betreffende aanvragen tot gezinsbijslag die tot ten minste één betaling hebben geleid, de gegevens in de openstaande dossiers en de boekhoudkundige en daarmee gelijkgestelde stukken moeten, voor zover de verjaring niet werd gestuit door de betrokkenen, zeven jaar worden bewaard, te rekenen vanaf 31 december van het jaar waarin de rekeningen aan het Rekenhof werden bezorgd. [In geval van stuiting begint de voormelde bewaringstermijn opnieuw te lopen, te rekenen vanaf de datum van de stuiting.]7
TITEL 5. - Toezicht
Art. 35.
§ 1. Het Verenigd College wijst de ambtenaren van zijn diensten en , op voordracht van Iriscare, de ambtenaren van deze laatste Dienst aan die belast zijn met het toezicht op de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het beheer en de uitbetaling van de gezinsbijslag.[...]8
[...]9.
Deze ambtenaren:
1° houden toezicht op de uitvoering van deze ordonnantie [...]8;
2° voeren verschillende soorten terugkerende en ad hoc controles uit, namelijk de controle op het administratieve beheer van de dossiers door de kinderbijslagfondsen, de controle op het financiële beheer van de aan de kinderbijslagfondsen ter beschikking gestelde middelen, de controle van de gezinnen op hun woonplaats, de kwantitatieve en kwalitatieve controle van het gebruik van de gegevens uit authentieke bron, de controle op gezinsbijslagfraude die bestaat uit bedrieglijke handelingen of valse of opzettelijk onvolledige verklaringen die zijn begaan of afgelegd door de bijslagtrekkenden of de werkgevers.
[...]9.
De gegevens betreffende de uitgevoerde controles worden bewaard gedurende een periode van vijf jaar die aanvangt op de datum van hun eerste ingebruikname, uitgezonderd indien deze gegevens betrekking hebben op dossiers als bedoeld in artikel 34, § 2, vierde lid, in welk geval de door die bepaling vastgestelde bewaartermijn van toepassing is.
[...]10
§ 2. De inbreuken op de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslag worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
De in de eerste paragraaf bedoelde ambtenaren beschikken over de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 23 tot 42 van het Sociaal Strafwetboek wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, raadgeving en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van deze ordonnantie en haar uitvoeringsbesluiten.
§ 3. De kinderbijslagfondsen verstrekken Iriscare, op hun kosten en binnen de door Iriscare vastgelegde termijnen, alle inlichtingen, informatie of documenten die hij hen vraagt om zijn opdracht te kunnen uitoefenen.
§ 4. Elk kinderbijslagfonds:
1° verstrekt de in de eerste paragraaf bedoelde ambtenaren alle inlichtingen die nodig zijn voor de uitoefening van hun opdracht, zonder dat het zichzelf kan vrijstellen of zonder dat het kan vrijgesteld worden van deze verplichting wegens om het even welke reden, zelfs indien het deel uitmaakt van een administratief complex of indien het zijn beheer aan derden heeft toevertrouwd;
2° geeft de in de eerste paragraaf bedoelde ambtenaren, zonder kosten, toegang tot de gegevensbanken, de staat nopens hun bedrijvigheid, briefwisseling en andere stukken waarvan de raadpleging nuttig is in het kader van de uitoefening van hun opdrachten.
§ 5. Vóór 1 oktober van ieder jaar zenden de kinderbijslagfondsen de leden van het Verenigd College bevoegd voor het Gezinsbeleid de balans van de algemene rekeningen, alsook de balans en de winst- en verliesrekening van het voorgaande jaar.
Anderzijds, zenden zij de voormelde leden, vóór het einde van de eerste maand van ieder kwartaal, een staat nopens hun bedrijvigheid tijdens voorafgaand kwartaal.
De in uitvoering van deze paragraaf te bezorgen rekenplichtige stukken en de driemaandelijkse staat zullen opgemaakt worden overeenkomstig een door die leden te bepalen model.
[§ 6. Onverminderd de artikelen 35/1, 35/2 en 35/3, verwerkt Iriscare de gegevens bedoeld in artikel 34, § 1, eerste lid, die betrekking hebben op de personen bedoeld in artikel 34, § 1, eerste en tweede lid, voor zover de verwerking noodzakelijk is met het oog op de volgende doeleinden :
1° het administratief toezicht en controle overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid ;
2° de overige bevoegdheden in toepassing van artikel 4, § 1, 5°, van de ordonnantie van 23 maart 2017 houdende de oprichting van de bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslag, waaronder de opdrachten inzake bemiddeling en geschillenbeslechting.
Hetzelfde geldt voor de diensten van het Verenigd College met het oog op het doeleinde bedoeld in het eerste lid, 1°.
In hun hoedanigheid van initiële verwerkingsverantwoordelijken delen de kinderbijslaginstellingen aan Iriscare de gegevens mee bedoeld in artikel 34, § 1, eerste lid, met het oog op een verdere gegevensverwerking door deze Dienst in het kader van de voormelde doeleinden en aan de diensten van het Verenigd College in het kader van het doeleinde bedoeld in het eerste lid, 1°.
Iriscare of de diensten van het Verenigd College zijn, naar gelang het geval, verantwoordelijk voor de verwerking van die gegevens vanaf de mededeling ervan aan deze Dienst of deze diensten.
De volgende categorieën van personen mogen de in het eerste en het tweede lid bedoelde gegevens verwerken :
1° de ambtenaren bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, voor zover de verwerking noodzakelijk is voor de uitoefening van het doeleinde bedoeld in het eerste lid, 1° ;
2° onverminderd punt 1°, de ambtenaren van Iriscare, voor zover de verwerking noodzakelijk is voor de uitoefening van de doeleinden bedoeld in het eerste lid, 2°.]6
§ 1. Het Verenigd College wijst [...]11, op voordracht van Iriscare, de ambtenaren van deze laatste Dienst aan die belast zijn met het toezicht op de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het beheer en de uitbetaling van de gezinsbijslag.[...]8
[...]9.
Deze ambtenaren:
1° houden toezicht op de uitvoering van deze ordonnantie [...]8;
2° voeren verschillende soorten terugkerende en ad hoc controles uit, namelijk de controle op het administratieve beheer van de dossiers door de kinderbijslagfondsen, de controle op het financiële beheer van de aan de kinderbijslagfondsen ter beschikking gestelde middelen, de controle van de gezinnen op hun woonplaats, de kwantitatieve en kwalitatieve controle van het gebruik van de gegevens uit authentieke bron, de controle op gezinsbijslagfraude die bestaat uit bedrieglijke handelingen of valse of opzettelijk onvolledige verklaringen die zijn begaan of afgelegd door de bijslagtrekkenden of de werkgevers.
[...]9
De gegevens betreffende de uitgevoerde controles worden bewaard gedurende een periode van vijf jaar die aanvangt op de datum van hun eerste ingebruikname, uitgezonderd indien deze gegevens betrekking hebben op dossiers als bedoeld in artikel 34, § 2, vierde lid, in welk geval de door die bepaling vastgestelde bewaartermijn van toepassing is.
[...]10
§ 2. De inbreuken op de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslag worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
De in de eerste paragraaf bedoelde ambtenaren beschikken over de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 23 tot 42 van het Sociaal Strafwetboek wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, raadgeving en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van deze ordonnantie en haar uitvoeringsbesluiten.
§ 3. De kinderbijslagfondsen verstrekken Iriscare, op hun kosten en binnen de door Iriscare vastgelegde termijnen, alle inlichtingen, informatie of documenten die hij hen vraagt om zijn opdracht te kunnen uitoefenen.
§ 4. Elk kinderbijslagfonds:
1° verstrekt de in de eerste paragraaf bedoelde ambtenaren alle inlichtingen die nodig zijn voor de uitoefening van hun opdracht, zonder dat het zichzelf kan vrijstellen of zonder dat het kan vrijgesteld worden van deze verplichting wegens om het even welke reden, zelfs indien het deel uitmaakt van een administratief complex of indien het zijn beheer aan derden heeft toevertrouwd;
2° geeft de in de eerste paragraaf bedoelde ambtenaren, zonder kosten, toegang tot de gegevensbanken, de staat nopens hun bedrijvigheid, briefwisseling en andere stukken waarvan de raadpleging nuttig is in het kader van de uitoefening van hun opdrachten.
§ 5. Vóór 1 oktober van ieder jaar zenden de kinderbijslagfondsen de leden van het Verenigd College bevoegd voor het Gezinsbeleid de balans van de algemene rekeningen, alsook de balans en de winst- en verliesrekening van het voorgaande jaar.
Anderzijds, zenden zij de voormelde leden, vóór het einde van de eerste maand van ieder kwartaal, een staat nopens hun bedrijvigheid tijdens voorafgaand kwartaal.
De in uitvoering van deze paragraaf te bezorgen rekenplichtige stukken en de driemaandelijkse staat zullen opgemaakt worden overeenkomstig een door die leden te bepalen model.
[§ 6. Onverminderd de artikelen 35/1, 35/2 en 35/3, verwerkt Iriscare de gegevens bedoeld in artikel 34, § 1, eerste lid, die betrekking hebben op de personen bedoeld in artikel 34, § 1, eerste en tweede lid, voor zover de verwerking noodzakelijk is met het oog op de volgende doeleinden :
1° het administratief toezicht en controle overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid ;
2° de overige bevoegdheden in toepassing van artikel 4, § 1, 5°, van de ordonnantie van 23 maart 2017 houdende de oprichting van de bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslag, waaronder de opdrachten inzake bemiddeling en geschillenbeslechting.
[...]12
In hun hoedanigheid van initiële verwerkingsverantwoordelijken delen de kinderbijslaginstellingen aan Iriscare de gegevens mee bedoeld in artikel 34, § 1, eerste lid, met het oog op een verdere gegevensverwerking door deze Dienst in het kader van de voormelde doeleinden [...]12.
[Iriscare is verantwoordelijk voor de verwerking van die gegevens vanaf de mededeling ervan aan deze Dienst]12.
De volgende categorieën van personen mogen de in het eerste en het tweede lid bedoelde gegevens verwerken :
1° de ambtenaren bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, voor zover de verwerking noodzakelijk is voor de uitoefening van het doeleinde bedoeld in het eerste lid, 1° ;
2° onverminderd punt 1°, de ambtenaren van Iriscare, voor zover de verwerking noodzakelijk is voor de uitoefening van de doeleinden bedoeld in het eerste lid, 2°.]13
Art. 35/1.
[§ 1. Met het oog op de doeleinden bedoeld in paragraaf 2, vindt er een rapportage plaats door de kinderbijslaginstellingen aan Iriscare.
§ 2. De verwerking van persoonsgegevens die plaatsvindt in het kader van de rapportage bedoeld in paragraaf 1 beperkt zich tot de volgende doeleinden:
1° het administratief toezicht en controle overeenkomstig artikel 35;
2° het uitvoeren van statistische studies in het kader van de opdrachten bedoeld in artikel 28, § 1, van de ordonnantie van 23 maart 2017 houdende de oprichting van de bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslag, voor zover de gegevens die als gevolg van deze studies worden meegedeeld, zijn geanonimiseerd.
§ 3. In het kader van de rapportage bedoeld in paragraaf 1, leveren de kinderbijslaginstellingen Iriscare, de volgende categorieën van persoonsgegevens aan met betrekking tot de bijslagtrekkende en de rechtgevende kinderen, volgens de nadere regelen en invulling bepaald door het Verenigd College:
1° het identificatienummer van de sociale zekerheid (INSZ) van de bijslagtrekkende en van de rechtgevende kinderen;
2° alle gegevens die nodig zijn om het recht op gezinsbijslag vast te stellen, zoals bepaald in de hoofdstukken 2, 3, 4, 5, 8 en 13 van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag, waaronder gegevens over de gezondheid met het oog op de toepassing van de artikelen 12, 26 en 39 van de ordonnantie van 25 april 2019, en om het daarmee verbonden verschuldigde bedrag te bepalen;
3° per bijslagtrekkende of, desgevallend, andere persoon, overheid of instelling aan wie de gezinsbijslag, al dan niet gedeeltelijk, werd uitbetaald: de werkelijk uitbetaalde gezinsbijslagbedragen inclusief de onverschuldigd betaalde gezinsbijslag alsook de terugvorderingen van de onverschuldigd betaalde gezinsbijslag, al dan niet door inhouding;
4° gegevens die de kwantitatieve en kwalitatieve controle op de juiste en rechtmatige toekenning van de gezinstoeslag toelaten;
5° het nummer van het kinderbijslagdossier.
Naast de persoonsgegevens bedoeld in het eerste lid, omvat de rapportage bedoeld in paragraaf 1 ook de volgende categorieën van geaggregeerde en geanonimiseerde gegevens die de kinderbijslagfondsen aanleveren bij Iriscare, volgens de nadere regelen en toelichting bepaald door het Verenigd College:
1° de bedragen inzake de verschuldigde en ten onrechte betaalde gezinsbijslagprestaties, opgesplitst per subrubriek;
2° de bedragen inzake de oninvorderbare ten onrechte betaalde gezinsbijslag ten laste van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
3° de omvang van de eventuele verhogingen ten laste van de beheersrekening van de kinderbijslagfondsen die voortvloeien uit de rechtzetting van de hun boekingen;
4° de cijfergegevens betreffende de middelen die door Iriscare worden ter beschikking gesteld voor de uitbetaling van de gezinsbijslag;
5° de uittreksels van de zichtrekeningen met betrekking tot de betalingen van de gezinsbijslag, opgesplitst per inkomsten- en uitgaventype;
6° de gegevens met betrekking tot hun administratiekosten.
Jaarlijks worden de eventuele herzieningen meegedeeld van de gegevens bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, die betrekking hebben op referentieperiodes in het voorgaande kalenderjaar, overeenkomstig de nadere regelen bepaald door het Verenigd College.
Daarnaast worden overeenkomstig de nadere regelen bepaald door het Verenigd College ook de eventuele herzieningen meegedeeld van dezelfde gegevens die betrekking hebben op referentieperiodes in het kalenderjaar dat drie jaar voorafgaat aan het jaar waarin de mededeling moet plaatsvinden.
§ 4. De volgende categorieën van personen mogen de in paragraaf 3, eerste lid bedoelde gegevens verwerken:
1° de ambtenaren van Iriscare bedoeld in artikel 35, § 1, eerste lid, voor zover zij deze gegevens nodig hebben voor de doeleinden bepaald in paragraaf 2, 1° ;
2° de personen die door Iriscare belast zijn met statistische studies, voor zover zij deze gegevens nodig hebben in het kader van de opdrachten bepaald in paragraaf 2, 3°.
§ 5. De gegevens bedoeld in paragraaf 3 worden slechts bewaard gedurende de termijnen bepaald in artikel 34, § 2, derde en vierde lid.
§ 6. Onverminderd de artikelen 34, § 2, eerste lid, en [artikel 35, § 6, vierde lid]14 is Iriscare verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 3 vanaf de mededeling van die gegevens door de kinderbijslaginstellingen.]15
Art. 35/2.
[. § 1. De verwerking van persoonsgegevens in het kader van de evaluatie van de ernst van de gevolgen van de aandoening van het kind bedoeld in de artikelen 12 en 26, eerste en tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag beperkt zich tot de volgende doeleinden :
1° wat Iriscare betreft, de correcte toepassing van de regels betreffende de evaluatie van de ernst van de gevolgen van de aandoening van het kind met het oog op de toepassing van de voormelde artikelen 12 en 26, eerste en tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 ;
2° wat Iriscare [...]16betreft, het administratief toezicht en controle overeenkomstig artikel 35 ;
3° wat de kinderbijslaginstellingen betreft, het beheer en de uitbetaling van het kinderbijslagdossier voor het kind bedoeld in de voormelde artikelen 12 en 26, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019.
§ 2. Met het oog op de doeleinden bedoeld in paragraaf 1, verwerken Iriscare [...]16 en de kinderbijslaginstellingen, naargelang het geval, de volgende categorieën van persoonsgegevens over het kind met een aandoening dat rechtgevend is op de kinderbijslag :
1° de identificatie- en contactgegevens, waaronder het identificatienummer van de sociale zekerheid (INSZ) van de sociaal verzekerde ;
2° de leeftijd ;
3° de gegevens over de gezondheid met het oog op de toepassing van de voormelde artikelen 12 en 26, eerste en tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019.
Voorts worden de identificatie- en contactgegevens, waaronder het identificatienummer van de sociale zekerheid (INSZ) verwerkt van de ouders of de wettelijke vertegenwoordiger van het kind, en desgevallend van de vertrouwenspersoon, bedoeld in de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt die de voormelde personen en het kind met een aandoening dat rechtgevend is op de kinderbijslag bijstaat bij de evaluatie van de ernst van de gevolgen van de aandoening van het kind.
§ 3. De volgende categorieën van personen mogen de in paragraaf 2 bedoelde gegevens verwerken :
1° de leden van het multidisciplinair team dat de ernst van de gevolgen van de aandoening van het kind bepaalt en het personeel van Iriscare dat deze teamleden op administratief vlak bijstaat, voor zover de verwerking noodzakelijk is voor het doeleinde bepaald in paragraaf 1, 1° ;
2° de in artikel 35, § 1, eerste lid, bedoelde ambtenaren, voor zover zij deze gegevens nodig hebben voor het doeleinde bepaald in paragraaf 1, 2° ;
3° het personeel van de kinderbijslaginstellingen voor zover de verwerking noodzakelijk is voor het doeleinde bepaald in paragraaf 1, 3°.
§ 4. De gegevens bedoeld in paragraaf 2 worden slechts bewaard gedurende de termijnen bepaald in artikel 35, § 1, derde lid, voor wat betreft het doeleinde bedoeld in paragraaf 1, 2°, en gedurende de termijnen bepaald in artikel 34, § 2, derde en vierde lid, voor wat betreft de doeleinden bedoeld in paragraaf 1, 1° en 3°.
§ 5. In hun hoedanigheid van initiële verwerkingsverantwoordelijke, delen de kinderbijslaginstellingen aan Iriscare het identificatienummer van de sociale zekerheid (INSZ) mee van het kind met een aandoening dat rechtgevend is op de kinderbijslag met het oog op een verdere gegevensverwerking door deze dienst in het kader van het doeleinde bedoeld in paragraaf 1, 1°, en [...]16 de gegevens bedoeld in paragraaf 2 indien de verwerking noodzakelijk is met het oog op het doeleinde bedoeld in paragraaf 1, 2°.
[Onverminderd artikel 34, § 2, eerste lid, is Iriscare verantwoordelijk voor de verwerking van de gegevens bedoeld in paragraaf 2 vanaf de mededeling ervan aan deze Dienst]16.]17
Art. 35/3.
[. § 1. De verwerking van persoonsgegevens in het kader van de evaluatie van de gevolgen van de ziekte of het ongeval van het kind bedoeld in artikel 25, § 2, a) tot en met c), van de ordonnantie van 25 april 2019 voor het volgen van de aldaar bedoelde activiteiten, beperkt zich tot de volgende doeleinden :
1° wat Iriscare betreft, de correcte toepassing van de regels betreffende de voormelde evaluatie ;
2° wat Iriscare [...]18 betreft, het administratief toezicht en controle overeenkomstig artikel 35 ;
3° wat de kinderbijslaginstellingen betreft, het beheer en de uitbetaling van het kinderbijslagdossier voor het kind bedoeld in het voormelde artikel 25, § 2, a) tot en met c), van de ordonnantie van 25 april 2019 ingeval het wordt getroffen door een ziekte of ongeval.
§ 2. Met het oog op de doeleinden bedoeld in paragraaf 1, verwerken Iriscare [...]18en de kinderbijslaginstellingen, naargelang het geval, de volgende categorieën van persoonsgegevens over het kind dat getroffen werd door een ziekte of een ongeval :
1° de identificatie- en contactgegevens, waaronder het identificatienummer van de sociale zekerheid (INSZ) van de sociaal verzekerde ;
2° de leeftijd ;
3° de gegevens over de gezondheid met het oog op de uitvoering van de evaluatie van de gevolgen van de ziekte of het ongeval van het kind voor het volgen van de activiteiten bedoeld in het voormelde artikel 25, § 2, a) tot en met c), van de ordonnantie van 25 april 2019.
Voorts worden de identificatie- en contactgegevens, waaronder het identificatienummer van de sociale zekerheid (INSZ) verwerkt van de ouders of de wettelijke vertegenwoordiger van het kind, en desgevallend van de vertrouwenspersoon, bedoeld in de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt die de voormelde personen en het kind dat getroffen werd door een ziekte of een ongeval en bijstaat bij de evaluatie van de ernst van de gevolgen van de aandoening van het kind.
§ 3. De volgende categorieën van personen mogen de in paragraaf 2 bedoelde gegevens verwerken :
1° de leden van het multidisciplinair team dat de evaluatie van de gevolgen van de ziekte of het ongeval van het kind uitvoert en het personeel van Iriscare dat deze teamleden op administratief vlak bijstaat, voor zover de verwerking noodzakelijk is voor het doeleinde bepaald in paragraaf 1, 1° ;
2° de in artikel 35, § 1, eerste lid, bedoelde ambtenaren, voor zover zij deze gegevens nodig hebben voor het doeleinde bepaald in paragraaf 1, 2° ;
3° het personeel van de kinderbijslaginstellingen voor zover de verwerking noodzakelijk is voor het doeleinde bepaald in paragraaf 1, 3°.
§ 4. De gegevens bedoeld in paragraaf 2 worden slechts bewaard gedurende de termijnen bepaald in artikel 35, § 1, derde lid, voor wat betreft het doeleinde bedoeld in paragraaf 1, 2°, en gedurende de termijnen bepaald in artikel 34, § 2, derde en vierde lid, voor wat betreft de doeleinden bedoeld in paragraaf 1, 1° en 3°.
§ 5. In hun hoedanigheid van initiële verwerkingsverantwoordelijken, delen de kinderbijslaginstellingen aan Iriscare het identificatienummer van de sociale zekerheid (INSZ) mee van het kind bedoeld in artikel 25, § 2, a) tot en met c), van de ordonnantie van 25 april 2019 met het oog op een verdere gegevensverwerking door deze Dienst in het kader van het doeleinde bedoeld in paragraaf 1, 1°, en [...]18 de gegevens bedoeld in paragraaf 2 indien de verwerking noodzakelijk is met het oog op het doeleinde bedoeld in paragraaf 1, 2°.
[Onverminderd artikel 34, § 2, eerste lid, is Iriscare verantwoordelijk voor de verwerking van de gegevens bedoeld in paragraaf 2 vanaf de mededeling ervan aan deze Dienst.]18.]19
Art. 36.
De bijslagtrekkenden werken te goeder trouw mee met de diensten van Iriscare en onderwerpen zich aan het toezicht dat in het kader van een gezinsbijslagdossier wordt uitgeoefend.
TITEL 6. - Diverse bepalingen
Art. 37.
De volmachten, kwitanties, uittreksels uit de registers van de akten van de burgerlijke stand, kadastrale uittreksels en inlichtingen, attesten, verklaringen van bekendheid en alle andere stukken afgeleverd voor de uitvoering van deze ordonnantie dragen bovenaan de vermelding van hun bestemming. Zij mogen tot geen ander doeleinde dienen.
Art. 38.
Iriscare draagt de kosten van:
- de medische expertise die gepaard gaat met de toekenning van kinderbijslag ten gunste van het kind met een aandoening die voor hemzelf gevolgen heeft op het gebied van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het gebied van de activiteit en de participatie, of voor zijn familiale omgeving;
- de ambtshalve verschuldigde interesten in geval van laattijdige betaling aan de bijslagtrekkende natuurlijke persoon volgens de regels bepaald in de ordonnantie;
- de uitgaven voor betaalorders.
Art. 38/1.
[Iriscare is gemachtigd om de oninvorderbare vorderingen inzake gezinsbijslag ten gunste van de openbare operator te annuleren overeenkomstig artikel 48 van de ordonnantie van 21 november 2006 houdende de bepalingen die van toepassing zijn op de begroting, de boekhouding en de controle, in een van de volgende situaties:
1° de vordering voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 32 van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag;
2° er wordt afgezien van terugvordering omdat deze uit sociaal oogpunt niet raadzaam is;
3° de terugvordering is technisch onmogelijk;
4° er wordt bij het overlijden van diegene aan wie ze zijn betaald ambtshalve afgezien van de terugvordering van de onterecht betaalde gezinsbijslagen, op voorwaarde dat op dat ogenblik nog geen kennis was gegeven van de terugvordering overeenkomstig de bij ordonnantie vastgelegde regels;
5° de ten onrechte betaalde gezinsbijslag kan niet worden teruggevorderd wegens de bij ordonnantie vastgelegde verjaring of, volgens de bij ordonnantie vastgelegde regels, wegens een administratieve vergissing.]20
TITEL 7. - Overgangsbepalingen
Art. 39.
Voor de bijslagtrekkenden die voor de maand december 2019 afhangen van een bevoegde federale kinderbijslaginstelling voor een of meer rechtgevende kinderen, mag een verandering van aansluiting niet gebeuren in de twee jaar vanaf de datum waarop het beheer en de uitbetaling door de kinderbijslaginstellingen is overgenomen, met inbegrip van een nieuwe geboorte vanaf die overname.
Dezelfde regel geldt ten aanzien van de bijslagtrekkenden die voor de maand december 2019 afhangen van meerdere bevoegde federale kinderbijslaginstellingen voor verschillende rechtgevende kinderen, aangezien de bevoegdheid voor al de kinderen die door een bijslagtrekkende worden opgevoed op 1 januari 2020 toegekend is aan de kinderbijslaginstelling die de federale kinderbijslaginstelling opvolgt die bevoegd was voor het jongste rechtgevende kind.
TITEL 8. - Inwerkingtreding
Art. 40.
Deze ordonnantie treedt in werking op 1 januari 2020, met uitzondering van de bepalingen over de voorwaarden en de procedure houdende de erkenning van de kinderbijslagfondsen die in werking treden op de datum waarop deze ordonnantie bekendgemaakt wordt in het Belgisch Staatsblad.
Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 4 april 2019.
Het Lid van het Verenigd College bevoegd voor het Gezondheidsbeleid, het Openbaar Ambt, de Financiën, de Begroting en de Externe Betrekkingen,
G. VANHENGEL
Het Lid van het Verenigd College bevoegd voor het Gezondheidsbeleid, het Openbaar Ambt, de Financiën, de Begroting en de Externe Betrekkingen,
D. GOSUIN
Het Lid van het Verenigd College bevoegd voor het Beleid inzake Bijstand aan Personen, het Gezinsbeleid en de Filmkeuring,
P. SMET
Het Lid van het Verenigd College bevoegd voor het Beleid inzake Bijstand aan Personen, het Gezinsbeleid en de Filmkeuring,
C. FREMAULT
- 1 <ORD 2021-07-22/07, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2021>
- 2 <ORD 2022-12-15/31, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2024>
- 3 <ORD 2021-07-22/07, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2022>
- 4 <ORD 2022-12-15/31, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 11-02-2023>
- 5 <Ingevoegd bij ORD 2021-12-24/07, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2022>
- 6 <ORD 2021-07-22/07, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2021>
- 7 <ORD 2022-12-15/31, art. 9, 004; Inwerkingtreding : 11-02-2023>
- 8 <ORD 2021-07-22/07, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2021>
- 9 <ORD 2022-12-15/31, art. 10,1°,b, 004; Inwerkingtreding : 11-02-2023>
- 10 <ORD 2021-12-24/07, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2022>
- 11 <ORD 2022-12-15/31, art. 10,1°,a, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2024>
- 12 <ORD 2022-12-15/31, art. 10,3°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2024>
- 13 <ORD 2022-12-15/31, art. 10,2°, 004; Inwerkingtreding : 11-02-2023>
- 14 <ORD 2022-12-15/31, art. 11, 004; Inwerkingtreding : 11-02-2023>
- 15 <Ingevoegd bij ORD 2021-12-24/07, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2022>
- 16 <ORD 2022-12-15/31, art. 12, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2024>
- 17 <Ingevoegd bij ORD 2022-12-15/31, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2023>
- 18 <ORD 2022-12-15/31, art. 13, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2024>
- 19 <Ingevoegd bij ORD 2022-12-15/31, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2023>
- 20 <Ingevoegd bij ORD 2021-07-22/07, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2021>