22 JUNI 2023 – Besluit tot uitvoering van de artikelen 18, par. 1, tweede lid en par. 4, eerste lid, 2° en tweede lid, en 19, par. 5 van de ordonnantie van 21 december 2018 betreffende de Brusselse verzekeringsinstellingen in het domein van de gezondheidszorg en de hulp aan personen
HOOFDSTUK II. - Nadere regels van de terugvordering, gevallen waarin van de terugvordering is afgezien en gevallen waarin de terugvordering onmogelijk is
Art. 2.
In geval van terugvordering van ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen kan de debiteur een met redenen omkleed voorstel tot terugbetaling in schijven aan de Brusselse verzekeringsinstelling voorleggen.
De Brusselse verzekeringsinstelling beslist over dat voorstel en deelt hem mee of de terugbetaling in schijven kan worden toegestaan.
Art. 3.
De beslissing tot terugvordering van ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen, die aan de debiteur ter kennis wordt gebracht, moet met redenen worden omkleed en bevat de volgende vermeldingen:
1° de refertes van het dossier en van (de dienst van) de Brusselse verzekeringsinstelling die het dossier beheert;
2° de vaststelling en het totale bedrag van het onverschuldigde, alsook de berekeningswijze ervan, die geldt als motivering;
3° de inhoud en de refertes van de bepalingen in strijd waarmee de betalingen werden verricht;
4° de in aanmerking genomen verjaringstermijn;
5° in voorkomend geval, de mogelijkheid voor de Brusselse verzekeringsinstelling om de terugvordering als uit sociaal oogpunt niet raadzaam te beschouwen en de procedure die in dit kader moet worden gevolgd;
6° de mogelijkheid om een met redenen omkleed voorstel tot terugbetaling in schijven aan de Brusselse verzekeringsinstelling voor te leggen;
7° de mogelijkheid om bij de Brusselse verzekeringsinstelling opheldering te verkrijgen bij de beslissing;
8° de mogelijkheid om bij de arbeidsrechtbank, met vermelding van het adres ervan, beroep in te stellen binnen de drie maanden vanaf de datum van de ontvangst van de bestreden beslissing en de wijze waarop dit moet gebeuren;
9° de inhoud van de artikelen 728 en 1017 van het Gerechtelijk Wetboek.
Indien de beslissing de in het eerste lid genoemde vermeldingen niet bevat, gaat de termijn om een beroep in te stellen niet in.
Art. 4.
De kennisgeving van de in artikel 3 bedoelde beslissing aan de debiteur gebeurt bij een ter post aangetekende brief of bij e-mail met ontvangstbevestiging.
Art. 5.
§ 1. Als terugvordering die uit sociaal oogpunt niet raadzaam is, zoals bedoeld in artikel 18, § 4, eerste lid, 1° van de ordonnantie, wordt beschouwd de terugvordering van ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen bij de debiteur die te goeder trouw is en zich in een behartigenswaardige situatie bevindt.
§ 2. Wordt beschouwd zich in een behartigenswaardige situatie, zoals bedoeld in § 1, te bevinden, de debiteur die:
1° recht heeft op steun, zoals vermeld in de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
2° recht heeft op een leefloon, zoals vermeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
3° recht heeft op de inkomensgarantie voor ouderen, zoals vermeld in de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
4° recht heeft op een inkomensvervangende tegemoetkoming of op een integratietegemoetkoming, zoals vermeld in artikel 1 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, recht heeft op een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, zoals vermeld in artikel 2, 6° van de ordonnantie van 10 december 2020 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden of in artikel 43/32, 1° van het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid van 29 september 2011, recht heeft op een zorgbudget, zoals vermeld in artikel 3, 5° van het decreet van 27 juni 2022 betreffende het zorgbudget voor ouderen, of recht heeft op een zorgbudget voor ouderen met een zorgnood, zoals vermeld in artikel 84 van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming;
5° recht heeft op het minimumdagbedrag van de werkloosheidsuitkering, zoals vermeld in het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.
§ 3. Buiten de gevallen voorzien in § 2, kan de Brusselse verzekeringsinstelling de leidend ambtenaar van Iriscare of, in zijn afwezigheid, de adjunct-leidend ambtenaar, verzoeken de behartigenswaardige situatie vast te stellen. Dit verzoek wordt gemotiveerd en gebeurt via zending met vaste datum.
Om aan te tonen dat er sprake is van een behartigenswaardige situatie, kan de Brusselse verzekeringsinstelling aanhalen dat het OCMW de behartigenswaardige situatie heeft vastgesteld op grond van medische, sociale of financiële redenen. In dat geval voegt de Brusselse verzekeringsinstelling bij zijn verzoek de gemotiveerde beslissing van het OCMW.
De beslissing van de leidend ambtenaar of de adjunct-leidend ambtenaar van Iriscare wordt, bij een ter post aangetekende brief of bij e-mail met ontvangstbevestiging, ter kennis gebracht van de Brusselse verzekerde en de Brusselse verzekeringsinstelling.
De beslissing die het bestaan van een behartigenswaardige situatie afwijst, wordt met redenen omkleed.
De kennisgeving aan de Brusselse verzekerde vermeldt dat tegen de beslissing beroep kan worden ingesteld bij de arbeidsrechtbank, met vermelding van het adres ervan, binnen de drie maanden vanaf de datum van de bestreden beslissing en de wijze waarop dit moet gebeuren.
Art. 6.
Indien de Brusselse verzekeringsinstelling meent dat de terugvordering te onzeker of te duur is, zoals bedoeld in artikel 18, § 4, eerste lid, 2° van de ordonnantie, dient hij het te onzekere of het te dure karakter ervan aan te tonen, hetgeen Iriscare bewezen acht. De beslissing waarbij het te onzekere of te dure karakter wordt afgewezen of bewezen wordt geacht, wordt genomen door de leidend ambtenaar van Iriscare of, in zijn afwezigheid, de adjunct-leidend ambtenaar, op verzoek van de Brusselse verzekeringsinstelling.
De Brusselse verzekeringsinstelling zendt hiertoe een verzoek met vaste datum aan de leidend ambtenaar van Iriscare of, in zijn afwezigheid, de adjunct-leidend ambtenaar.
Om aan te tonen dat de terugvordering te duur is, kan de Brusselse verzekeringsinstelling aanhalen dat de kosten van de aan te wenden rechtsmiddelen het bedrag van de onterecht uitbetaalde tegemoetkomingen overschrijden.
De beslissing van de leidend ambtenaar of de adjunct-leidend ambtenaar van Iriscare wordt, bij een ter post aangetekende brief of bij e-mail met ontvangstbevestiging, ter kennis gebracht van de Brusselse verzekeringsinstelling.
De beslissing die het te onzekere of te dure karakter van de terugvordering afwijst, wordt met redenen omkleed.
Art. 7.
Als een terugvordering die bescheiden bedragen betreft, zoals bedoeld in artikel 18, § 4, eerste lid, 2° van de ordonnantie, wordt beschouwd een terugvordering van onterecht uitbetaalde tegemoetkomingen ten bedrage van minder dan 33,07 euro.
Het in het vorige lid vermelde bedrag wordt op 1 januari van elk jaar en voor de eerste keer op 1 januari 2024 aangepast aan de evolutie van de waarde van de afgevlakte gezondheidsindex tussen 30 juni van het tweede jaar ervoor en 30 juni van het jaar ervoor.
Art. 8.
Als een terugvordering die technisch onmogelijk is, zoals bedoeld in artikel 18, § 4, tweede lid, 3° van de ordonnantie, wordt beschouwd de terugvordering van de debiteur:
1° die niet kon worden geïdentificeerd of waarvan de betrouwbare informatie onmogelijk kan worden gevonden;
2° die spoorloos is verdwenen;
3° waarvan de erfgenamen aan de nalatenschap hebben verzaakt;
4° die een collectieve schuldenregeling heeft gekregen waardoor zijn schulden ten dele zijn kwijtgescholden;
5° die insolvabel is.
Art. 9.
Artikel 18, § 4, eerste lid, § 4, 4°, van de ordonnantie, waarbij van de terugvordering kan worden afgezien, verhindert de terugvordering van onverschuldigde tegemoetkomingen niet bij wijze van verrekening op tegemoetkomingen wanneer die, op het ogenblik van het overlijden van de debiteur, vervallen waren doch nog niet waren uitbetaald.