17 AUGUSTUS 2007 – Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 57 en 59 van de programmawet van 2 januari 2001 wat de harmonisering van de barema’s, de loonsverhogingen en tewerkstellingsmaatregelen in bepaalde gezondheidsinstellingen betreft
Artikel 1.
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° de wet : de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
2° RIZIV : het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering zoals bedoeld in artikel 10 van de wet;
3° Dienst : de Dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV;
4° [werkgevers : de inrichtingen zoals bedoeld in artikel 34, eerste lid, 11° en 12°, van de wet, met uitzondering van de psychiatrische verzorgingstehuizen. Vanaf 1 oktober 2007 worden ook de instellingen die zonder als rustoord te zijn erkend, de gemeenschappelijke woon- of verblijfplaats van bejaarden uitmaken, uitgesloten;]16
5° ministerieel besluit van 6 november 2003 : het ministerieel besluit van 6 november 2003 tot vaststelling van het bedrag en de voorwaarden voor de toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rust- en verzorgingstehuizen en in de rustoorden voor bejaarden;
6° ministerieel besluit van 22 juni 2000 : het ministerieel besluit van 22 juni 2000 tot vaststelling van de tegemoetkoming bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de centra voor dagverzorging;
7° personeelsleden :
a) het verplegend en verzorgend personeel, de kinesitherapeuten, de ergotherapeuten en/of de logopedisten, en de leden van het personeel voor reactivering, loontrekkend of statutair, tewerkgesteld bij de werkgever, die, tijdens de referentieperiode die dient als basis voor de berekening van de door dit besluit vastgestelde tegemoetkoming, in overtal zijn ten opzichte van het personeel van de werkgever waarop de berekening van het deel A1 is gebaseerd zoals bepaald in het ministerieel besluit van 6 november 2003 of ten opzichte van het personeel dat overeenstemt met de norm bepaald in artikel 2, § 1, van het ministerieel besluit van 22 juni 2000;
b) het loontrekkend of statutair administratief personeel tewerkgesteld bij de werkgever;
c) het loontrekkend of statutair werklieden- en technisch (logistiek) personeel tewerkgesteld bij de werkgever.
[Bij een exploitatietransfer vanuit een openbare dienst, wordt het gedetacheerd statutair personeel dat op het moment van de overdracht van de exploitatie opgenomen is in een lijst, gelijkgesteld aan eigen loontrekkend of statutair personeel, indien aan de Dienst wordt overgemaakt :
- de exhaustieve lijst met namen van de betrokken statutaire personeelsleden, hun kwalificatie en hun wekelijkse arbeidsduur, en vergezeld van een kopie van de beslissing van hun benoeming. Deze lijst moet worden ondertekend door de openbare dienst én door de verantwoordelijke van de instelling en aan de Dienst worden overgemaakt binnen de maand na de exploitatietransfer. Aan deze lijst kunnen nadien geen personen worden toegevoegd, de wekelijkse arbeidsduur van de personen kan niet worden verhoogd en hun kwalificatie kan niet worden aangepast;
- als de Dienst erom vraagt, alle andere bijkomende informatie met betrekking tot de exploitatietransfer en de rol van de openbare dienst.]1
[8° referentieperiode : de ononderbroken periode voor welke alle gegevens betreffende de activiteiten van de instelling worden meegedeeld aan de dienst. Die periode loopt van 1 juli (of de datum van erkenning) van het jaar J tot en met 30 juni (of de datum van sluiting) van het jaar dat erop volgt (J+1).]2
Art. 2.
De werkgevers hebben recht op een jaarlijkse financiële tegemoetkoming ter vergoeding, voor de personeelsleden, van de maatregelen inzake harmonisering van de barema's en de verhoging van de vergoedingen voorzien in het meerjarenplan voor de gezondheidssector van 1 maart 2000 of in het protocol nr. 120/2 van 28 november 2000 van het Gemeenschappelijk Comité voor alle Overheidsdiensten en het akkoord betreffende de federale gezondheidssectoren van 26 april 2005 afgesloten tussen de federale regering en de representatieve organisaties van de private- non-profitsector of het protocol nr. 148/2 van het Gemeenschappelijk Comité voor het geheel van de openbare diensten, van 18 juli 2005.
Art. 3.
[§ 1. Het recht op de tegemoetkoming bedoeld in artikel 2 is afhankelijk van de naleving, voor alle personeelsleden, van de barema's en de voordelen vastgelegd in artikel 30, 5°, van het ministerieel besluit van 6 november 2003 of in artikel 2, § 4, van het ministerieel besluit van 22 juni 2000, en van de naleving, voor alle bedoelde personeelsleden, vanaf 1 januari 2010 in de openbare instellingen en uiterlijk vanaf 1 juli 2010 in de privé-instellingen, van de voordelen bedoeld in artikel 30, 7° van het ministerieel besluit van 6 november 2003.
[De bedragen vastgesteld in bijlage 1]3worden vanaf 1 januari 2010 alleen maar uitbetaald aan de werkgevers die alle vereisten die in het vorige lid zijn vermeld, vanaf 1 januari 2010 naleven.
In de openbare instellingen worden de voordelen bedoeld in artikel 30, 7° van het ministerieel besluit van 6 november 2003 uitgebreid tot alle personeelsleden.
§ 2. De in artikel 2 bedoelde tegemoetkoming wordt opgeschort op de eerste dag van het trimester waarin wordt vastgesteld dat de werkgever niet de in § 1 bedoelde barema's en voordelen toepast voor een of meerdere personeelsleden.
De opschorting wordt opgeheven op de eerste dag van het trimester dat volgt op het trimester waarin wordt vastgesteld dat de werkgever dat in orde gemaakt heeft.
§ 3. Zijn uitgesloten van het recht op de in artikel 2 bedoelde tegemoetkoming :
1° de personeelsleden die worden gefinancierd in het kader van het koninklijk besluit van 2 juli 2009 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Verzekeringscomité met toepassing van artikel 56, § 2, eerste lid, 3°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, overeenkomsten kan sluiten voor de financiering van alternatieve en ondersteunende zorg voor kwetsbare ouderen;
2° de personeelsleden die worden gefinancierd in het kader van overeenkomsten die met toepassing van artikel 22 van de wet zijn gesloten;
3° de loontrekkende kinesitherapeuten voor het aantal uren tijdens welke hun verstrekkingen per handeling worden gefactureerd volgens de nomenclatuur bedoeld in artikel 35, § 1 van de wet;]4
[4° de personeelsleden die onder de toepassing vallen van de bepalingen van artikel 4, § 1, 3° van het koninklijk besluit van 15 september 2006 tot uitvoering van artikel 59 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, wat de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan betreft (de "vervangers");
5° de vervangers van de werknemers van minstens 50 jaar, die de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan niet genieten, maar die een bijkomend verlof genieten in het kader van het sociaal akkoord dat betrekking heeft op de sector van de geneeskundige verzorging en dat in 2005 door de Federale Regering werd gesloten met de betrokken representatieve organisaties van de werkgevers en werknemers;
6° [personeelsleden aangeworven met een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, die geen lid zijn van het zorgpersoneel zoals gedefinieerd in artikel 1, 17° van het ministerieel besluit van 6 november 2003;]5
7° de referentiepersoon voor dementie die in deel E 3 van het forfait berekend op basis van de bepalingen van het ministerieel besluit van 6 november 2003 wordt gefinancierd;
8° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van de maatregelen bedoeld in artikel 4bis;
9° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van artikel 60, § 7 van de O.C.M.W.-wet;
10° de personeelsleden die werken onder het statuut van een leercontract of een overeenkomst inzake inschakeling in het maatschappelijk en beroepsleven, bedoeld in het Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 28 juli 1998 betreffende de overeenkomst inzake inschakeling in het maatschappelijk en beroepsleven van de centra voor alternerende opleiding en onderwijs.]6
Art. 4.
§ 1. De in artikel 2 bedoelde tegemoetkoming wordt door de Dienst bepaald aan de hand van de gegevens, zoals bedoeld in artikel 5, en van de bedragen, vastgesteld [in bijlage 1]7bij dit besluit.
§ 2. [Voor het geheel van de werkgevers wordt het totale aantal personeelsleden zoals bedoeld :
- in artikel 1, 7°, a) voor de openbare instellingen en
- in artikel 1, 7°, a) tot en met c) voor de private instellingen,
waarvoor de tegemoetkoming bedoeld in artikel 2 wordt gefinancierd, beperkt tot een plafond van 24.882 voltijds equivalenten.
Dit plafond wordt, wat de referentieperiode van 1 juli 2011 tot 30 juni 2012 betreft op basis waarvan de eindafrekening in 2013 gebeurt en op basis waarvan de berekening van de voorschotten gebeurt die worden gestort op 31 januari, 30 april, 31 juli en 31 oktober 2013, verhoogd tot 25.189 voltijds equivalenten.
Dit plafond wordt, wat de referentieperiode van 1 juli 2012 tot 30 juni 2013 betreft, verhoogd tot 25.226 voltijds equivalenten.
Dit plafond wordt, vanaf de referentieperiode van 1 juli 2013 tot 30 juni 2014, verhoogd tot 25.278 voltijds equivalenten.]8
[Vanaf de referentieperiode van 1 juli 2015 tot 30 juni 2016 waarvan de eindafrekening in 2017 wordt vastgesteld, bedraagt dit plafond voor de inrichtingen die onder de bevoegdheid van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie vallen 2.700 voltijdse equivalenten.]9
[In afwijking van het vorige lid voor de referentieperioden van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2021 bedraagt dit plafond voor de instellingen die vallen onder de bevoegdheid van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie 2.900 voltijds equivalenten.]10
§ 3. [Indien het aantal voltijds equivalenten voor personeelsleden bedoeld hierboven, tijdens de referentieperiode die is bedoeld in artikel 6, § 3, groter is dan het plafond zoals bepaald in § 2, dan worden de bedragen die zijn opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit en betrekking hebben op de betrokken referentieperiode vermenigvuldigd met de factor :
[plafond zoals bepaald in § 2/reële aantal vastgestelde voltijds equivalenten voor de in § 2, eerste lid, bedoelde personeelscategorieën].
De personeelsleden die onder de toepassing van de "fiscale maribel" vallen in toepassing van het koninklijk besluit van 13 juni 2010 tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van de in § 2 bedoelde plafonds.]8
Art. 4bis.
[§ 1. In het kader van creatie van tewerkstelling zoals overeengekomen in de sociale akkoorden door vertegenwoordigers van werkgevers, van werknemers en door de Federale overheid, hebben bepaalde werkgevers in de hierna vermelde omstandigheden recht op een jaarlijkse financiële tegemoetkoming van 50.000 euro per voltijds equivalent (VTE).
1° In de privésector :
a) vanaf 1 oktober 2011 en indien deze tewerkstelling wordt gecreëerd vóór 31 december 2013 : 105 loontrekkend VTE verpleegkundigen of zorgkundigen of personeel voor reactivering;
b) vanaf 1 januari 2013 en indien deze tewerkstelling wordt gecreëerd vóór 31 december 2013 : 467,84 loontrekkend VTE verpleegkundigen of zorgkundigen of personeel voor reactivering.
2° In de openbare sector :
a) vanaf 1 oktober 2011 en indien deze tewerkstelling wordt gecreëerd vóór 31 december 2013 : 60 VTE verpleegkundigen of zorgkundigen of personeel voor reactivering, loontrekkend of statutair;
b) vanaf 1 januari 2013 en indien deze tewerkstelling wordt gecreëerd vóór 31 december 2013 : 250 VTE verpleegkundigen of zorgkundigen of personeel voor reactivering, loontrekkend of statutair.
Deze voltijdse equivalenten zijn niet begrepen in de maxima aan voltijdse equivalenten, bedoeld in artikel 4, § 2.
§ 2. Voor zover ze, op basis van de arbeidsovereenkomst waarin wordt verwezen naar een van die maatregelen van creatie van tewerkstelling, aan de Dienst het bewijs kunnen leveren dat ze de nieuwe tewerkstelling creëren waarvoor deze tegemoetkoming is voorzien, is de tegemoetkoming, bedoeld in § 1, 1°, verschuldigd aan de werkgevers van de privésector, waarvan de lijst, opgesteld en beheerd door de Kamer ouderenzorg van het Fonds Sociale Maribel PC 330 met vermelding per werkgever van het aantal VTE, is goedgekeurd door het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het RIZIV en gepubliceerd op de website van het RIZIV. Deze lijst van werkgevers voldoet aan de volgende criteria :
1° 80 VTE van de 105 VTE zijn toegekend aan de werkgevers die op 13 juli 2011 minstens 15 % van hun patiënten in de afhankelijkheidscategorie Cd hadden ondergebracht én die minstens 15% personeel hadden bovenop de normen vastgelegd in het ministerieel besluit van 6 november 2003. Voor deze verdeling, zijn deze instellingen van groot naar klein gerangschikt in functie van het aantal werknemers.
2° 25 VTE van de 105 VTE zijn toegekend aan de werkgevers waar het sociaal overleg (ondernemingsraad, comité voor bescherming en preventie op het werk, syndicale delegatie) is opgestart vanaf het jaar 2006, en uiterlijk op 13 juli 2011. Deze instellingen zijn gerangschikt van klein naar groot in functie van het aantal werknemers.
3° 467,84 VTE worden toegekend aan de werkgevers volgens de volgende criteria :
a) een regionale verdeling op basis van het aantal VTE "zorgpersoneel" in de sector:
Gewest | Percentage |
Vlaanderen | 56,38 % |
Wallonië | 33,53 % |
Brussel | 10,09 % |
b) op instellingsniveau is de doelstelling om in de mobiele equipe het volgend aantal VTE op te nemen, in functie van het aantal VTE zorgpersoneel in de instelling :
Aantal VTE zorgpersoneel | Aantal VTE mobiele equipe |
15-30 | 1 |
31-50 | 1,5 |
> 50 | 2 |
c) de VTE worden prioritair toegekend aan instellingen die reeds een mobiele equipe hebben, om op die manier de doelstelling te realiseren zoals bedoeld onder punt b);
d) nadien worden de instellingen die nog geen mobiele equipe hebben gerangschikt volgens het aantal VTE zorgpersoneel, van hoog naar laag. Het saldo van de beschikbare VTE wordt toegekend aan de instellingen die een percentage van meer dan 20% C en Cd profielen in ROB bedden hebben, met een maximum dat overeenstemt met de doelstelling zoals bedoeld in punt b), tot uitputting van het beschikbaar aantal VTE.
4° De in 1° tot 3° bedoelde VTE worden ingezet in mobiele equipes zoals omschreven in de Collectieve arbeidsovereenkomst van 13 mei 2013 van het Paritair Comité 330.
§ 3. Voor zover ze, op basis van een arbeidsovereenkomst of benoemingsbeslissing waarin wordt verwezen naar een van die maatregelen van creatie van tewerkstelling, aan de Dienst het bewijs kunnen leveren dat ze de nieuwe tewerkstelling creëren waarvoor deze tegemoetkoming is voorzien, is de tegemoetkoming, bedoeld in § 1, 2°, verschuldigd aan de werkgevers van de openbare sector, en waarvan de lijst, op voorstel van het Fonds Sociale Maribel van de overheidssector, is goedgekeurd door het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het RIZIV en gepubliceerd op de website van het RIZIV. Deze lijst van werkgevers voldoet aan de volgende criteria:
1° 60 VTE zijn toegekend aan de instellingen die, volgens hun eigen verklaringen verzameld tijdens de referentieperiode 2010-2011 minder dan 25 en meer dan 14,274 patiënten hadden ondergebracht in de afhankelijkheidscategorie Cd.
2° 0,6 VTE worden toegekend aan elke instelling van de openbare sector, met een maximum van 250 VTE voor het geheel van de werkgevers van de openbare sector. Wanneer dit plafond van 250 VTE is bereikt, kan geen enkel VTE worden toegekend aan nieuwe instellingen, tenzij dat er VTE vrijkomen, zoals bepaald in § 4.
3° De VTE bedoeld in 1° en 2° worden aangeworven als referentiepersoon dementie, waarvan de functie en de kwalificatie gedefinieerd zijn in artikel 28ter van het ministerieel besluit van 6 november 2003, en/of voor een betere tenlasteneming van de patiënten met dementie.
§ 4. Van de in §§ 2 en 3 bedoelde lijsten zijn zonder opzegging en definitief uitgesloten:
a) de werkgevers die uiterlijk op 31 december 2013 de creatie van tewerkstelling niet hebben gerealiseerd volgens de voorwaarden bedoeld in § 2 of § 3;
b) de werkgevers voor welke de Dienst de volledige afwezigheid van dit personeel vaststelt tijdens een volledige referentieperiode;
c) de werkgevers die zijn gesloten opgeheven na een faillissement.
Indien op die manier een aantal VTE vrijkomen, dan worden deze VTE ter beschikking gesteld van de respectievelijke Fondsen Sociale Maribel, die aan het Verzekeringscomité kunnen voorstellen om ze toe te wijzen aan een andere werkgever volgens de criteria zoals bedoeld in § 2, 1° en/of 2° en/of 3° voor wat betreft de privésector, en § 3, 2° voor wat betreft de openbare sector, en ze op te nemen in de lijsten zoals bedoeld in §§ 2 en 3.
§ 5. In de elektronische vragenlijst, bedoeld in artikel 5, vermelden de werkgevers het personeelslid dat pas is aangeworven of dat een verhoging van het aantal werkuren heeft verkregen in het kader van de maatregel bedoeld in dit artikel, als een personeelslid met een arbeidsovereenkomst/benoemingsbeslissing "jobcreatie 2011-2013".
§ 6. Indien een personeelslid wordt aangeworven in het kader van de maatregel bedoeld in dit artikel en indien in het kader van dit besluit hiertoe nog geen enkele financiering (voorschot en/of eindafrekening) is toegekend aan de werkgever, kan de werkgever aan de Dienst verzoeken om een voorschot van maximum 45.000 euro per VTE te ontvangen.
Bij de berekening van dit voorschot wordt rekening gehouden met de begindatum van de arbeidsovereenkomst/benoemingsbeslissing, het voltijds equivalent van dat personeelslid en de bepaling in de overeenkomst/benoemingsbeslissing waaruit blijkt dat dit personeelslid is aangeworven in het kader van de "jobcreatie 2011-2013", volgens de voorwaarden zoals bedoeld in § 2 of in § 3.]11
Art. 5.
§ 1. De werkgevers bezorgen de volgende documenten aan de Dienst :
1° per trimester, een elektronische vragenlijst die naar behoren is ingevuld en waarvan het model wordt geleverd door de Dienst;
2° op verzoek van de Dienst, een afschrift van de diploma's van het nieuw aangeworven verpleegkundig personeel en/of van het personeel dat taken vervult inzake reactivatie;
3° op verzoek van de Dienst, een afschrift van de RSZ-verklaring of van de RSZ-PPO-verklaring betreffende het personeelsbestand, alsook een afschrift van de arbeidsovereenkomsten die eigen zijn aan de inrichting of, in het geval van een publieke dienst, een afschrift van de beslissing van de inrichtende macht;
4° op verzoek van de Dienst, een verklaring waaruit blijkt dat de in artikel 3 bedoelde voordelen correct zijn toegepast.
§ 2. In de elektronische vragenlijst bedoeld in § 1, worden per trimester voornamelijk de volgende gegevens vermeld :
1° gegevens met betrekking tot de werkgever :
a) het statuut;
b) het RSZ of RSZ-PPO nummer;
c) de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur voor voltijdse prestaties;
d) het aantal gefactureerde dagen per afhankelijkheidscategorie voor de rechthebbenden (en op verzoek van de Dienst, per ziekenfonds);
e) het aantal gefactureerde dagen per afhankelijkheidscategorie (en op verzoek van de Dienst, per ziekenfonds) voor de patiënten die niet onder punt d vallen;
2° gegevens per personeelslid waarvan de verstrekkingen rechtstreeks verbonden zijn aan de inrichting en niet vergoed worden door de nomenclatuur bedoeld in artikel 35 van de wet (in de openbare sector, enkel voor de leden van het verplegend en verzorgend personeel, de kinesitherapeuten, ergotherapeuten en logopedisten, en de leden van het aanvullend gekwalificeerd personeel dat taken vervult inzake reactivatie, revalidatie en sociale integratie) :
a) naam en voornaam;
b) inschrijvingsnummer in het rijksregister;
c) de beroepskwalificatie;
d) het statuut : loontrekkend of statutair;
e) het aantal gepresteerde en/of gelijkgestelde dagen zoals bedoeld in artikel 8, § 2, a) van het ministerieel besluit van 6 november 2003;
f) het aantal gepresteerde en/of gelijkgestelde uren zoals bedoeld in artikel 8, § 2, a) van het ministerieel besluit van 6 november 2003;
g) het aantal niet-gelijkgestelde dagen zoals bedoeld in artikel 8, § 2, a) van het ministerieel besluit van 6 november 2003;
h) als het gaat om een nieuw personeelslid of als de indienstneming is afgelopen, de begin- en/of de einddatum;
i) de baremieke anciënniteit zoals bedoeld in artikel 13 van het ministerieel besluit van 6 november 2003.
§ 3. In een schrijven gericht aan de Dienst, verklaart de werkgever dat de gegevens die zijn overgemaakt via elektronische drager correct en volledig zijn. In datzelfde schrijven, verbindt de werkgever zich om de eventueel te veel betaalde voorlopige tegemoetkomingen, zoals die zijn voorzien in artikel 6, terug te storten aan het RIZIV indien blijkt dat de recuperatie ervan op geen andere wijze kan gebeuren.
§ 4. Als, voor een bepaalde periode, de gegevens bedoeld in § 1 niet worden bezorgd binnen de toegemeten termijn en als de werkgever niet binnen de dertig dagen antwoordt op de herinneringsbrief die de Dienst hem stuurt, kan de Dienst de terugbetaling eisen van de in artikel 6 bedoelde voorlopige tegemoetkomingen die voor die periode zijn gestort.
§ 5. Aanvullende gegevens betreffende de periode waarvoor de werkgever een definitieve tegemoetkoming heeft ontvangen zoals bedoeld in artikel 6, zijn niet langer ontvankelijk wanneer ze meer dan een jaar nadat de werkgever in kennis is gesteld van het bedrag van die definitieve tegemoetkoming, aan de Dienst worden bezorgd.
Art. 6.
§ 1. De bedragen van de voorlopige tegemoetkomingen, hierna " voorschotten " genoemd, en van de definitieve tegemoetkomingen, worden door de Dienst meegedeeld aan de werkgever en worden op de aan de Dienst meegedeelde bankrekening gestort.
§ 2. De voorschotten worden op de volgende manier betaald aan de werkgevers die de bepalingen van artikel 5 naleven :
a) de voorschotten die zijn gestort op 31 januari, 30 april, 31 juli en 31 oktober 2006 zijn gelijk aan : 1/4 x (som van de voorschotten die zijn berekend voor het jaar 2003 in toepassing van het koninklijk besluit van 1 oktober 2002 tot uitvoering van artikelen 57 en 59 van de programmawet van 2 januari 2001 betreffende de harmonisering van de barema's en de baremaverhoging in bepaalde gezondheidsinrichtingen, volgens de loonkost op 1 januari 2006);
b) de voorschotten die zijn gestort op 31 januari, 30 april, 31 juli en 31 oktober 2007 zijn gelijk aan 1/10 x ((bedrag van de definitieve tegemoetkoming voor de jaren 2004 en 2005 en de twee eerste trimesters van het jaar 2006) x 1,04);
c) vervolgens zijn de voorschotten die worden gestort op 31 januari, 30 april, 31 juli en 31 oktober van het jaar J gelijk aan : 1/4 x ((bedrag van de definitieve tegemoetkoming voor de laatste twee trimesters van het jaar J-2 en voor de eerste twee trimesters van het jaar J-1) x 1,03).
§ 3. Voor de werkgevers die voldoen aan de bepalingen van dit besluit wordt een definitieve tegemoetkoming bepaald die wordt berekend voor de periode van 1 januari 2004 tot 30 juni 2006 en jaarlijks vanaf 1 juli 2006.
Voor de berekening van de definitieve tegemoetkoming worden voor het bepalen van het aantal voltijds equivalenten aanwezig loontrekkend of statutair personeel de formules gehanteerd zoals voorzien in artikel 8 van het ministerieel besluit van 6 november 2003. Het personeel dat al wordt gedekt door de tegemoetkoming bedoeld in het ministerieel besluit van 6 november 2003 of het ministerieel besluit van 22 juni 2000 (" normpersoneel ") komt overeen met het aantal voltijds equivalenten dat voorzien is in artikel 17 van het ministerieel besluit van 6 november 2003 of het artikel 3, § 1, van het ministerieel besluit van 22 juni 2000. De in die besluiten bedoelde referentieperiode komt overeen met de periodes die zijn bedoeld in 1° en 2° van onderhavige paragraaf.
De definitieve tegemoetkoming wordt berekend als volgt :
1° Voor de periode van 1 januari 2004 tot 30 juni 2006 wordt de definitieve tegemoetkoming bepaald aan de hand van de gegevens zoals bedoeld in artikel 5, § 2. Deze definitieve tegemoetkoming komt voor de openbare instellingen overeen met de som van wat berekend wordt onder punt a) en b) en komt voor de private instellingen overeen met de som van wat berekend wordt onder punt a) en c) :
a) som van voltijds equivalenten aanwezig loontrekkend of statutair personeel zoals bedoeld in artikel 1, 7°, a), vermenigvuldigd per kwalificatie met de overeenstemmende bedragen zoals opgenomen in de bijlage bij dit besluit;
b) som van de voltijds equivalenten van de leden van het verplegend en verzorgend personeel, de kinesitherapeuten, ergotherapeuten en logopedisten, en de leden van het aanvullend gekwalificeerd personeel dat taken vervult inzake reactivatie, revalidatie en sociale integratie, loontrekkend of statutair, aanwezig in openbare instellingen, vermenigvuldigd met het bedrag, zoals opgenomen in de bijlage bij dit besluit, voorzien voor het loontrekkend of statutair personeel zoals bedoeld in artikel 1, 7°, b) en c) in openbare instellingen;
c) som van de voltijds equivalenten van het aanwezig loontrekkend personeel zoals bedoeld in artikel 1, 7°, b) en c) in private instellingen, vermenigvuldigd met het overeenstemmende bedrag zoals opgenomen in de bijlage bij dit besluit.
2° Vanaf 1 juli 2006, voor de jaarlijkse periodes gaande van 1 juli tot 30 juni van het daaropvolgende jaar, wordt de definitieve tegemoetkoming bepaald aan de hand van de gegevens zoals bedoeld in artikel 5, § 2. Deze definitieve tegemoetkoming komt voor de openbare instellingen overeen met de som van wat berekend wordt onder punt a) en b) en komt voor de private instellingen overeen met de som van wat berekend wordt onder punt a) en c) :
a) som van voltijds equivalenten aanwezig loontrekkend of statutair personeel zoals bedoeld in artikel 1, 7°, a), vermenigvuldigd per kwalificatie met de overeenstemmende bedragen zoals opgenomen in de bijlage bij dit besluit;
b) som van de voltijds equivalenten van de leden van het verplegend en verzorgend personeel, de kinesitherapeuten, ergotherapeuten en logopedisten, en de leden van het aanvullend gekwalificeerd personeel dat taken vervult inzake reactivatie, revalidatie en sociale integratie, loontrekkend of statutair, aanwezig in openbare instellingen, vermenigvuldigd met het bedrag, zoals opgenomen in de bijlage bij dit besluit, voorzien voor het loontrekkend of statutair personeel zoals bedoeld in artikel 1, 7°, b) en c) in openbare instellingen;
c) som van de voltijds equivalenten van het aanwezig loontrekkend personeel zoals bedoeld in artikel 1, 7°, b) en c) in private instellingen, vermenigvuldigd met het overeenstemmende bedrag zoals opgenomen in de bijlage bij dit besluit.
§ 4. Het verschil tussen de definitieve tegemoetkoming zoals bedoeld in § 3, 1° en de voorschotten (gestort tussen 1 april 2004 en 31 juli 2006 en verhoogd met 50 % van het gestorte voorschot dat betrekking heeft op de eindejaarspremie van 2006) wordt betaald ten laatste binnen de drie maand volgend op de publicatie van dit besluit. Het verschil tussen de definitieve tegemoetkoming zoals bedoeld in § 3, 2° en de gestorte voorschotten (voorzien voor de periode van 1 oktober tot 31 juli en éénmalig voor de afrekening van de periode van 1 juli 2006 tot 30 juni 2007 verminderd met 50 % van het gestorte voorschot dat betrekking heeft op de eindejaarspremie van 2006) wordt betaald op 31 januari van het jaar dat volgt op de jaarlijkse overeenstemmende periode.
[Vanaf de referentieperiode van 1 juli 2015 tot en met 30 juni 2016 waarvan de eindafrekening in 2017 wordt gemaakt, wordt er in een bijkomende tegemoetkoming voorzien voor het loontrekkende of statutaire personeel, vermeld in artikel 1, 7°, b) en c), in openbare instellingen, van 163,41 euro per vte (index 102,10 b-2004=100). Die bijkomende tegemoetkoming maakt geen deel uit van het bedrag van de definitieve tegemoetkoming, vermeld in paragraaf 2, c).]12
§ 5. Indien een werkgever teveel voorschotten heeft ontvangen, en indien de terugvordering via de volgende voorschotten niet mogelijk is, wordt het saldo door de werkgever teruggestort aan het RIZIV vóór het einde van de maand die volgt op de maand waarin de Dienst het terug te vorderen bedrag aan de werkgever heeft meegedeeld.
Dat bedrag kan eventueel worden teruggevorderd via een compensatie op de bedragen die het RIZIV in de loop van datzelfde jaar verschuldigd is aan de werkgever krachtens het koninklijk besluit van 15 september 2006 tot uitvoering van artikel 59 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, wat de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan betreft.
§ 6. De werkgevers die nog geen tegemoetkomingen hebben ontvangen, kunnen een voorschot vragen voor zover zij aan de Dienst de gegevens van een volledig kalendertrimester meedelen.
§ 7. In geval een uitbreiding van het aantal erkende bedden een significante verhoging van de definitieve tegemoetkoming veroorzaakt, kan de Dienst, op gemotiveerde aanvraag van de werkgever, het bedrag van de voorschotten herzien. Die gemotiveerde aanvraag is gebaseerd op de gegevens van een volledig burgerlijk trimester.
Art. 6bis.
[...] <Opgeheven bij KB 2012-12-12/01, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 28-12-2012>
Art. 7.
§ 1. De Dienst en de Dienst voor administratieve controle van het RIZIV worden belast met de controle op de juistheid van de door de werkgevers meegedeelde gegevens.
[De controle op de inzet van de middelen voor de creatie van tewerkstelling zoals bedoeld in artikel 4bis, § 2, 4°, en in artikel 4bis, § 3, 3°, wordt respectievelijk uitgevoerd door de Kamer ouderenzorg van het Fonds Sociale Maribel PC 330 en door het Fonds Sociale Maribel van de overheidssector.]13
§ 2. Op het einde van elk jaar vanaf 2006, stelt de Dienst ter beschikking van de bevoegde sectorale Fondsen Sociale Maribel een lijst naargelang het geval de private sector of de openbare sector met vermelding van, per werkgever :
1° per kwalificatie, het aantal voltijds equivalenten begrepen in het deel A1 zoals bepaald in voornoemd ministerieel besluit van 6 november 2003;
2° per kwalificatie, het aantal voltijds equivalenten dat in overtal is in verhouding tot het in 1° bedoelde personeel;
3° het aantal voltijds equivalenten van het loontrekkend of statutair administratief personeel, tewerkgesteld bij de werkgever;
4° het aantal voltijds equivalenten van het loontrekkend of statutair arbeiders- en technisch personeel, tewerkgesteld bij de werkgever;
[5° het gemiddeld aantal bewoners per categorie van zorgbehoevendheid per werkgever;
6° het aantal VTE personeelsleden per kwalificatie per werkgever dat is tewerkgesteld in het kader van de "jobcreatie 2011-2013" zoals bedoeld in artikel 4bis;
7° het statuut van de werkgever : openbaar, commercieel of VZW;
8° de Gemeenschap/Gewest die de erkenning van de werkgever heeft afgeleverd.]13
Art. 8.
De kost van de in artikel 6 bedoelde tegemoetkomingen wordt ten laste gelegd van de globale begroting van financiële middelen van het Riziv. De verdeling van deze kost over de algemene regeling en over de regeling der zelfstandigen gebeurt pro rata van de verdeling over deze twee regelingen van de basisuitgaven van de sector waarop zij betrekking hebben.
Art. 9.
De in de bijlage bij dit besluit vermelde bedragen worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 102.10 (basis 2004 = 100) en worden aangepast in overeenstemming met de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.
[De in artikel 4bis, §§ 1 en 6, vermelde bedragen van 50.000 en 45.000 euro zijn gekoppeld aan gezondheidsspilindexcijfer 119,62 (1 december 2012, basis 2004).]14
Art. 10.
Het koninklijk besluit van 1 oktober 2002 tot uitvoering van artikelen 57 en 59 van de programmawet van 2 januari 2001 wat de harmonisering van de barema's en de baremaverhoging in bepaalde gezondheidsinrichtingen betreft, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 4 juni 2003 en 13 oktober 2004, wordt opgeheven.
Art. 11.
Dit besluit heeft uitwerking met ingang op 1 januari 2006.
Art. 12.
Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit.
Bijlagen
[Bijlage 1.
Bedragen vanaf 1 januari 2004
Index 102,10
Basis 2004 = 100 |
verpleegkundige A1 | verpleegkundige A2 | verzorgenden | kinesitherapeuten
ergotherapeuten logopedisten reactivering |
administratief en logistiek personeel
(privé) |
administratief en logistiek personeel (publiek) |
4.121,32 | 3.791,10 | 6.822,60 | 2.221,31 | 4.644,22 | 1.351,40 |
Bedragen vanaf 1 oktober 2004
Index 102,10
Basis 2004 = 100 |
verpleegkundige A1 | verpleegkundige A2 | verzorgenden | kinesitherapeuten
ergotherapeuten logopedisten reactivering |
administratief en logistiek personeel
(privé) |
administratief en logistiek personeel (publiek) |
4.179,71 | 3.937,08 | 7.419,48 | 2.396,48 | 8.503,30 | 2.474,34 |
Bedragen vanaf 1 januari 2006
Index 102,10
Basis 2004 = 100 |
verpleegkundige A1 | verpleegkundige A2 | verzorgenden | kinesitherapeuten
ergotherapeuten logopedisten reactivering |
administratief en logistiek personeel
(privé) |
administratief en logistiek personeel (publiek) |
4.903,37 | 4.651,53 | 8.107,74 | 2.198,39 | 8.142,93 | 2.913,18 |
Bedragen vanaf 1 januari 2007
Index 102,10
Basis 2004 = 100 |
verpleegkundige A1 | verpleegkundige A2 | verzorgenden | kinesitherapeuten
ergotherapeuten logopedisten reactivering |
administratief en logistiek personeel
(privé) |
administratief en logistiek personeel (publiek) |
5.169,98 | 4.911,71 | 8.351,06 | 2.375,04 | 8.303,92 | 2.970,78 |
Bedragen vanaf 1 januari 2008
Index 102,10
Basis 2004 = 100 |
verpleegkundige A1 | verpleegkundige A2 | verzorgenden | kinesitherapeuten
ergotherapeuten logopedisten reactivering |
administratief en logistiek personeel
(privé) |
administratief en logistiek personeel (publiek) |
5.345,82 | 5.087,55 | 8.526,90 | 2.550,88 | 8.479,76 | 3.033,69 |
Bedragen vanaf 1 januari 2009
Index 102,10
Basis 2004 = 100 |
verpleegkundige A1 | verpleegkundige A2 | verzorgenden | kinesitherapeuten
ergotherapeuten logopedisten reactivering |
administratief en logistiek personeel
(privé) |
administratief en logistiek personeel (publiek) |
5.411,76 | 5.153,49 | 8.592,84 | 2.616,82 | 8.545,70 | 3.057,28 |
Bedragen vanaf 1 januari 2010 (*) of 1 juli 2010
Index 102,10
Basis 2004 = 100 |
verpleegkundige A1 | verpleegkundige A2 | verzorgenden | kinesitherapeuten
ergotherapeuten logopedisten reactivering |
administratief en logistiek personeel
(privé) |
administratief en logistiek personeel (publiek) |
5.864,40 | 5.556,30 | 8.915,45 | 2.616,82 | 8.545,70 | 3.076,85 |
(*) Deze bedragen worden enkel gefinancierd aan de werkgevers die vanaf 1 januari 2010 alle voordelen zoals bedoeld in artikel 3, § 1, toekennen aan hun personeel.
Bedragen vanaf 1 januari 2011
Index 102,10
Basis 2004 = 100 |
verpleegkundige A1 | verpleegkundige A2 | verzorgenden | kinesitherapeuten
ergotherapeuten logopedisten reactivering |
administratief en logistiek personeel
(privé) |
administratief en logistiek personeel (publiek) |
5.864,40 | 5.556,30 | 8.915,45 | 2.638,13 | 8.587,67 | 3.073,71 |
]15
Bijlage 2
[...] <Opgeheven bij KB 2014-04-25/62, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
Gegeven te Brussel, 17 augustus 2007.
- 1 <KB 2014-06-13/06, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
- 2 <KB 2012-12-12/01, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 28-12-2012>
- 3 <KB 2012-12-12/01, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 28-12-2012>
- 4 <KB 2011-06-28/03, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 18-07-2011>
- 5 <KB 2014-06-13/06, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 30-06-2014>
- 6 <KB 2014-04-25/62, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 7 <KB 2012-12-12/01, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 28-12-2012>
- 8 <KB 2014-04-25/62, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 9 <BESL 2017-03-09/26, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-05-2017>
- 10 <BESL 2022-12-08/16, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2021>
- 11 <KB 2014-04-25/62, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 12 <BVR 2016-09-16/06, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 16-10-2016>
- 13 <KB 2014-04-25/62, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 14 <KB 2014-04-25/62, art. 6, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 15 <KB 2012-12-12/01, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 28-12-2012>
- [16] <KB 2008-07-10/30, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 18-07-2008>