22 JUNI 2000 – Ministerieel besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming bedoeld in artikel 37, par. 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de centra voor dagverzorging
Art. 1.
[De tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging voor de verstrekkingen verleend door de centra voor dagverzorging en bedoeld in artikel 34, eerste lid, 11°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt als volgt vastgesteld :
1° voor de centra voor dagverzorging die zich richten tot de patiënten die de voorwaarden vervullen bedoeld in artikel 148bis, eerste lid, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (centra voor dagverzorging voor afhankelijke bejaarden), die daartoe door de bevoegde overheid erkend zijn, per dag en per rechthebbende : 42,89 euro vanaf 1 januari 2009 [, 44,04 euro vanaf 1 juli 2011 en 55,20 euro vanaf 1 januari 2024 (F-forfait)]1;
2° voor de centra voor dagverzorging die zich richten tot de patiënten die de voorwaarden vervullen bedoeld in artikel 148bis, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996 (centra voor dagverzorging voor personen met een ernstige ziekte), die daartoe door de bevoegde overheid erkend zijn, per dag en per rechthebbende : 83 euro vanaf 1 januari 2012 (Fp-forfait).
De voorbedoelde bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 110.51 (basis 2004 = 100) en worden aangepast krachtens de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.]2
Art. 2.
§ 1. [Om de in artikel 1 bedoelde tegemoetkoming van de ziekte- en invaliditeitsverzekering te kunnen genieten, moeten de centra voor dagverzorging voor afhankelijke bejaarden beschikken over hun eigen loontrekkend of statutair verpleegkundig en verzorgend personeel, over hun eigen loontrekkende of statutair kinesitherapeuten en/of ergotherapeuten en over voldoende aanvullend gekwalificeerd personeel (met name "personeel voor reactivering") dat taken vervult inzake reactivatie, revalidatie en sociale reïntegratie.
Het personeelsbestand, uitgedrukt in voltijds equivalent en voor vijftien patiënten, bedraagt :
- 0,75 verpleegkundige;
- 2,03 leden van het verzorgend personeel;
- [- tot 30 juni 2022: 0,60 lid van het reactiveringspersoneel ;
- vanaf 1 juli 2022: 2,060 leden van het reactiveringspersoneel ;]3;
- 0,60 leden van het personeel voor reactivering.
Tijdens de openingsuren moet door ten minste één lid van dat personeel een permanentie worden verzekerd.
Voor elke instelling bedraagt de personeelsnorm voor de referentieperiode van 1 juli tot 30 juni van volgend jaar het gemiddeld aantal patiënten (N) vermenigvuldigd met de normen bedoeld in het tweede lid, gedeeld door 15, waarbij :
N = aantal gefactureerde dagen/250.]4
[§ 1/1. Om de in artikel 1 bedoelde tegemoetkoming van de ziekte- en invaliditeitsverzekering te kunnen genieten, moeten de centra voor dagverzorging voor personen met een ernstige ziekte beschikken over hun eigen loontrekkend of statutair verpleegkundig en verzorgend personeel, en over voldoende aanvullend gekwalificeerd personeel (met name " personeel voor reactivering ") dat taken vervult inzake reactivatie, revalidatie en sociale reïntegratie. Het personeelsbestand, uitgedrukt in voltijds equivalent en voor vijftien patiënten, bedraagt :
- 2,5 verpleegkundige;
- 2 leden van het verzorgend personeel;
- 0,5 loontrekkend klinisch psycholoog;
- 1 andere lid van het personeel voor reactivering.
Tijdens de openingsuren moet door ten minste één lid van dat personeel een permanentie worden verzekerd.
Bovendien moeten de centra voor dagverzorging voor personen met een ernstige ziekte, naar rata van minstens 5 uur per week voor 15 patiënten, beschikken over de diensten van een arts die belast is met de coördinatie van de activiteiten. Die arts moet op zijn minst de opleiding hebben genoten die geëist wordt van de arts die verantwoordelijk is voor een Sp-dienst voor palliatieve zorg.
Voor elke instelling stemt de personeelsnorm voor de referentieperiode van 1 juli tot 30 juni van het volgende jaar overeen met het gemiddelde aantal patiënten (N), vermenigvuldigd met de normen bedoeld in het eerste lid, gedeeld door 15 waar :
N = aantal gefactureerde dagen/250.]5
§ 2. Voor de toepassing van de bepalingen van dit besluit moeten de leden van het verzorgend personeel ten minste een van de kwalificaties bezitten [als bedoeld in artikel 4, § 1, van het ministerieel besluit van 6 november 2003 tot vaststelling van het bedrag en de voorwaarden voor de toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rust- en verzorgingstehuizen en in de rustoorden voor bejaarden]14.
[Vanaf 1 juli 2013 moeten alle leden van het verzorgingspersoneel, die door de instelling worden aangeworven, voorlopig of definitief door de Federale overheidsdienst Volksgezondheid geregistreerd zijn.
Vanaf die datum, mag het percentage leden van het verzorgingspersoneel, die in aanmerking worden genomen om te evalueren of de instelling de normen bedoeld in §§ 1 en 1/1 naleeft, en die geen specifieke kwalificatie van zorgkundige hebben of die niet voorlopig of definitief door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid geregistreerd zijn, niet hoger liggen dan 5 %.
Vanaf 1 juli 2015 moeten alle leden van het verzorgingspersoneel als zorgkundige geregistreerd zijn door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid.]6
Voor de toepassing van de bepalingen van dit besluit moeten de leden van het "aanvullend gekwalificeerd personeel dat taken vervult inzake reactivatie, revalidatie en sociale reïntegratie" een van de kwalificaties bezitten [als bedoeld in artikel 4, § 2, van het voornoemd ministerieel besluit van 6 november 2003]14.
§ 3. Om aan te tonen dat ze over eigen loontrekkend of statutair verpleegkundig en verzorgend personeel beschikken, moeten de centra voor dagverzorging op vraag van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering een afschrift van de R.S.Z.-aangifte of van de R.S.Z.-P.P.O.-aangifte met het personeelsbestand bezorgen, alsmede een afschrift van de arbeidsovereenkomst, eigen aan de inrichting, of een afschrift van de beraadslaging van de inrichtende macht ingeval het om een openbare dienst gaat.
De inrichtingen die te kampen hebben met een tekort aan verpleegkundig personeel en die in de onmogelijkheid zijn om onmiddellijk loontrekkend of statutair verpleegkundig personeel aan te werven, kunnen beroep doen op de diensten van een door de bevoegde overheid erkende interimonderneming. In dat geval dient dit beroep aan de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering te worden gemotiveerd aan de hand van personeelsadvertenties en aanvragen bij één van de volgende instanties : de Vlaamse dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding (V.D.A.B.), de "Office communautaire et régional de la formation professionnelle et de l'emploi" (F.O.R.E.M.), de "Arbeitsamt der Deutschsprachigen Gemeinschaft", de Brusselse gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling (B.G.D.A.) of de "Office régional bruxellois de l'emploi" (O.R.B.E.M.). Aan de genoemde Dienst voor geneeskundige verzorging dient eveneens een exemplaar van het contract dat werd gesloten met de interim-onderneming, alsook een kopie van de facturen waarop het aantal in de inrichting gepresteerde uren van het interim personeel staat vermeld, te worden overgemaakt.
Het personeel dat, overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van [18 juli 2002]7houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector, met toepassing van ofwel collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten voor de privé-sector, ofwel raamovereenkomsten gesloten voor de openbare sector, ofwel gemengd privé/openbaar protocolakkoorden, is aangeworven, komt niet in aanmerking voor het bereiken van de personeelsnormen, opgelegd in § 1 van dit artikel.
[§ 4. Om aanspraak te kunnen maken op de tegemoetkoming bedoeld in artikel 1, kennen de centra voor dagverzorging aan de verpleegkundigen, de leden van het verzorgingspersoneel en aan de leden van het loontrekkend aanvullend gekwalificeerd personeel dat taken vervult inzake reactivatie, revalidatie en sociale reïntegratie minstens de voordelen toe zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 26 september 2002 tot uitvoering van artikel 35, § 3, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, voor de in artikel 34, 11° en 12° van dezelfde wet bedoelde verstrekkingen. De inrichtingen van de openbare sector kunnen aanspraak maken op de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 1, als zij één van de volgende akkoorden toepassen :
1° het sectoraal akkoord betreffende een algemene weddeschaalherziening voor het personeel van de lokale en regionale sector van de Vlaamse Gemeenschap en gemeenschappelijke krachtlijnen voor een samenhangend personeelsbeleid in de lokale en regionale besturen (omzendbrief BA 93/07 van 18 juni 1993 van de Vlaamse Gemeenschap);
2° " la circulaire du 27 mei 1994 du Ministre des Affaires intérieures et de la Fonction publique du Gouvernement wallon concernant la révision générale des barèmes applicable aux pouvoirs provinciaux et locaux de Wallonie ";
3° het Sociaal Handvest van 28 april 1994 - Harmonisatie van het administratief statuut en algemene weddeherziening voor het personeel van de plaatselijke besturen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
4° het protocol nr. 59/1 van 13 juni 1991 betreffende het intersectoraal akkoord van sociale programmatie van de jaren 1991-1994 toepasselijk op het geheel van de overheidssector;
5° de " Allgemeine Revision der Sätze der Gehaltstabellen für die Bediensteten der öffentlichen Sozialhilfezentren des deutschen Sprachgebietes (Rundschreiben von 11 Januar 1995)]14
[Indien deze niet begrepen is in hogervermelde protocolakkoorden, wordt de jaarlijkse attractiviteitspremie, bedoeld in artikel 2 van het voornoemde koninklijk besluit van 26 september 2002, toch toegekend vanaf 1 december 2006 aan de werknemers van de openbare sector die gefinancierd worden door dit besluit.]15
§ 5. Om de in artikel 1 bedoelde tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging te kunnen genieten, moeten de centra voor dagverzorging het aanwezigheidsregister en het individueel verzorgingsdossier bijhouden, zoals bepaald in artikel 153bis, §§ 4 en 5, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
Art. 3.
§ 1. (De inrichtingen bezorgen de volgende documenten [aan Iriscare]8:
1° ieder trimester, een elektronisch ingevulde vragenlijst waarvan het model wordt bepaald door [Iriscare]8;
[1bis° vanaf de eerste werkdag na afloop van een kwartaal, het aantal dagen dat tijdens dat kwartaal werd gefactureerd;]8
2° als [Iriscare]8erom vraagt, de kopie van de diploma's van het pas aangeworven verplegend personeel en/of van het personeel voor reactivering;
3° als [Iriscare]8erom vraagt, een kopie van de RSZ-aangifte of van de RSZ-PPO-aangifte, waarin het personeelsbestand is opgenomen, alsook een kopie van de arbeidsovereenkomsten eigen aan de inrichting of een kopie van de beslissing van de organiserende instantie als het gaat om een overheidsdienst;
4° als [Iriscare]8erom vraagt, een verklaring waaruit blijkt dat de voordelen zoals bedoeld in artikel 2, § 4, effectief worden toegepast.
Op grond van die gegevens gaat de hierboven genoemde Dienst na of de inrichting gedurende de verstreken periode van 1 juli van het jaar J-1 tot 30 juni van het jaar J [[met name " referentieperiode "]16]9heeft voldaan aan de in artikel 2, § 1, vastgestelde normen, en wordt de tegemoetkoming bepaald die deze inrichting kan in rekening brengen gedurende de facturatieperiode van 1 januari tot 31 december van het jaar J+1. Hij stelt de inrichtingen en de verzekeringsinstellingen daarvan ten gepaste tijde in kennis. )
§ 2. [Indien de inrichting tijdens de referentieperiode in één of meerdere personeelskwalificaties niet voldoet aan de norm zoals bedoeld in artikel 2, § 1 [of in artikel 2, § 1/1]10, kan dit tekort per kwalificatie in een aantal gevallen worden gecompenseerd door een overschot aan loontrekkende personeelsleden in een andere kwalificatie. Deze compensatie is niet mogelijk als het gaat om een tekort in de norm van 0,35 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist per 15 patiënten [of aan de norm van 0,5 klinisch psycholoog voor 15 patiënten]10.
Daarbij geldt de volgende hiërarchie :
a) indien er een teveel is aan A1 verpleegkundigen, moet men dit eerst toewijzen aan het tekort aan personeelsleden voor reactivering;
b) indien er nog een teveel is aan verpleegkundigen (met inbegrip van het resterend aantal A1 verpleegkundigen), dit toewijzen aan het tekort aan verzorgenden;
c) indien er een teveel is aan personeel voor reactivering, moet men dit toewijzen aan het tekort aan verpleegkundigen;
d) indien er nog een teveel is aan personeel voor reactivering, moet men dit toewijzen aan het resterend tekort aan verzorgenden.
De compensatie wordt toegepast volgens de volgende regels :
a) het tekort aan personeelsleden voor reactivering kan voor maximum 20 % worden gecompenseerd door een teveel aan leden van het verpleegkundig personeel A1;
b) het tekort aan verpleegkundigen kan voor maximum 20 % worden gecompenseerd door een teveel aan personeelsleden voor reactivering;
c) het tekort aan verzorgingspersoneel kan onbeperkt worden gecompenseerd door een teveel aan verpleegkundigen en/of personeelsleden voor reactivering.]11
§ 3. [Indien er na toepassing van § 2 nog steeds een tekort is aan personeel in een bepaalde kwalificatie wordt hiervoor de volgende vermindering bepaald :
1° als voor een bepaalde personeelscategorie de inrichting gemiddeld voldoet aan een norm die lager ligt dan 100 %, maar gelijk is aan of hoger ligt dan 90 % van de normen die in artikel 2, § 1 [of in artikel 2, § 1/1]10zijn vastgesteld, wordt de [in artikel 1, 1° of 2°,]10bedoelde tegemoetkoming met 20 % verminderd;
2° als voor een bepaalde personeelscategorie de inrichting gemiddeld voldoet aan een norm die lager ligt dan 90 %, maar gelijk is aan of hoger ligt dan 75 % van de normen die in artikel 2, § 1 [of in artikel 2, § 1/1]10zijn vastgesteld, wordt de [in artikel 1, 1° of 2°,]10bedoelde tegemoetkoming met 50 % verminderd;
3° als voor een bepaalde personeelscategorie de inrichting niet beantwoordt aan 75 % van de normen die in artikel 2, § 1 [of in artikel 2, § 1/1]10zijn vastgesteld, kan geen enkele tegemoetkoming worden toegekend.]11
§ 4. Voor de inrichtingen die recent zijn erkend, worden voor de eerste toepassing van de voorafgaande bepalingen de samenstelling van het personeel en het aantal rechthebbenden in aanmerking genomen zoals ze in de inrichting zijn op de laatste dag van de maand welke volgt op de erkenning.
Indien de inrichting op die dag niet voldoet aan de normen bedoeld in artikel 2, § 1 [of in artikel 2, § 1/1]10, dan moeten [de regels van §§ 2 en 3]12worden toegepast.
§ 5. [Indien de gegevens zoals bedoeld in § 1 niet worden overgemaakt binnen 90 dagen volgend op de referentieperiode, en de inrichting niet antwoordt binnen de 30 dagen na de herinnering die haar is gestuurd door de Dienst na het verstrijken van deze termijn, wordt het bedrag van de tegemoetkoming verminderd met 25 %.
De inrichting kan het volledige tegemoetkomingsbedrag bekomen vanaf de eerste dag van het trimester volgt op het trimester waarin zij de gegevens bedoeld als in § 1 heeft meegedeeld en dit ten vroegste vanaf 1 april van de factureringsperiode.
Aanvullende gegevens of correcties [van gegevens]8zoals bedoeld in § 1 [,die betrekking hebben tot een facturatieperiode vóór het lopende jaar geen aanleiding geven tot een herberekening van het forfait van deze facturatieperiode.]8.]13
[§ 6. Indien de gegevens zoals bedoeld in § 1, 1bis° niet worden overgemaakt uiterlijk de laatste kalenderdag van de tweede maand na afloop van het betreffende kwartaal, ondanks de herinnering die Iriscare, uiterlijk op de vijftiende dag van de tweede maand na afloop van het betreffende kwartaal, naar de inrichting heeft verstuurd, wordt het bedrag van de volledige tegemoetkoming verminderd met 10 % vanaf de eerste dag van de derde maand na afloop van het betreffende kwartaal.
In afwijking van het voorgaande lid, moeten de gegevens zoals bedoeld in § 1, 1bis° die het derde en vierde kwartaal van 2023 betreffen uiterlijk op 29 februari 2024 worden overgemaakt. Als de inrichting de gegevens niet heeft overgemaakt uiterlijk op 29 februari 2024, ondanks de herinnering die Iriscare haar heeft gestuurd uiterlijk op 15 februari 2024, wordt het bedrag van de volledige tegemoetkoming verminderd met 2% vanaf de eerste dag van de derde maand na afloop van het betreffende kwartaal.
In afwijking van het eerste lid, wordt het bedrag van de volledige tegemoetkoming verminderd met 5% voor de gegevens zoals bedoeld in § 1, 1bis° betreffende het eerste en tweede kwartaal van 2024.
De inrichting kan de volledige tegemoetkoming bekomen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin zij de gegevens zoals bedoeld in § 1, 1bis° meedeelt.
Aanvullende gegevens of correcties van gegevens zoals bedoeld in § 1, 1bis°, die vooraf zijn meegedeeld en een kwartaal betreffen waarvoor de tegemoetkoming reeds werd berekend, zijn niet langer ontvankelijk wanneer zij meer dan negen maanden na afloop van het betreffende kwartaal aan de dienst van Iriscare, verantwoordelijk voor de financiering van de instellingen, worden overgemaakt.]8
Art. 4.
Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2000.
Bijlage
Formulier
(NOTA : bijlage ingevoegd bij MB 2002-09-26/39, art. N, maar opgeheven door MB 2006-02-07/35, art. 3; Inwerkingtreding : 16-03-2006)
Brussel, 22 juni 2000.
- 1 <BESL 2024-07-04/13, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2024>
- 2 <MB 2012-03-14/04, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
- 3 <BESL 2024-01-18/03, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 4 <MB 2012-12-13/07, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2012, met uitzondering het derde lid, Inwerkingtreding : 01-01-2000>
- 5 <MB 2012-03-14/04, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
- 6 <MB 2013-04-16/09, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
- 7 <MB 2011-06-30/66, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
- 8 <BESL 2023-11-30/07, art. 7, 014; Inwerkingtreding : 15-12-2023>
- 9 <MB 2011-06-30/66, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
- 10 <MB 2012-03-14/04, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
- 11 <MB 2011-06-30/66, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
- 12 <MB 2011-06-30/66, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
- 13 <MB 2011-06-30/66, art. 7, 009; Inwerkingtreding : 01-09-2010>
- [14] <MB 2006-02-07/35, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 16-03-2006>
- [15] <MB 2007-03-01/41, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 25-03-2007>
- [16] <MB 2008-03-25/30, art. 3, 1°, 008; Inwerkingtreding : 01-05-2008>