6 NOVEMBER 2003 – Ministerieel besluit tot vaststelling van het bedrag en de voorwaarden voor de toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, par. 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rust- en verzorgingstehuizen en in de rustoorden voor bejaarden.
Art. 1
In dit besluit wordt verstaan onder :
1° " Dienst " : de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
2° " inrichting " : één van de inrichting en bedoeld in artikel 34, eerste lid, 11° en 12°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (met uitzondering van de psychiatrische verzorgingstehuizen en de centra voor dagverzorging) of een inrichting die een geheel vormt en is samengesteld uit een sectie die als rust- en verzorgingstehuis (RVT) is erkend en een sectie die als rustoord voor bejaarden (ROB) is erkend; als dat geheel eveneens een centrum voor dagverzorging omvat, dan wordt dit laatste niet in aanmerking genomen;
3° " referentieperiode " : de ononderbroken periode van 12 maanden waarvoor alle gegevens betreffende de activiteit van de inrichting aan de Dienst zijn bezorgd. Deze periode loopt van 1 juli van het jaar J tot 30 juni van het jaar dat daarop volgt (J + 1);
4° " factureringsperiode " : de ononderbroken periode van 12 maanden waarvoor een quota aan dagen en een tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven zijn vastgesteld. Die periode loopt van 1 januari tot 31 december van het jaar J + 2;
5° " volledige tegemoetkoming " : de forfaitaire tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven, bedoeld in artikel 147, § 3, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
6° " partiële tegemoetkoming " : één of meerdere delen van de volledige tegemoetkoming;
7° " patiënten " : alle residenten die in de inrichting zijn opgenomen;
8° " rechthebbenden " : de patiënten die aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor de verstrekkingen bedoeld in artikel 34, eerste lid, 11° en 12°, van de voormelde [....]1, en de patiënten opgenomen in een inrichting of in een deel van een inrichting, erkend als rust- en verzorgingstehuis, en die aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor de verstrekkingen bedoeld in artikel 1, 20°, van het koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen wordt verruimd;
9° " verzorgingspersoneel " : het personeel dat de verpleegkundigen bijstaat in de zorgverlening en de patiënten helpt bij de handelingen van het dagelijks leven, het behoud van hun zelfredzaamheid en hun levenskwaliteit;
10° " personeel voor reactivering " : het personeel dat taken inzake reactivering, revalidatie en sociale reïntegratie vervult [of dat taken uitvoert die bedoeld zijn om bij te dragen aan het welzijn van de bewoners binnen de instelling]2;
11° [" nieuwe inrichting " :
a) elke inrichting die van de bevoegde overheid een nieuw erkenningsnummer krijgt, met uitzondering van de volgende gevallen :
- de bijkomende erkenning als rust- en verzorgingstehuis of als rustoord voor bejaarden;
- de inrichting waarvoor uit de beslissing tot erkenning door de bevoegde overheid duidelijk blijkt dat het niet gaat om een nieuwe inrichting, ondanks de toekenning van een nieuw erkenningnummer;
- de inrichting die als gevolg van een overname, een fusie, een splitsing of een exploitatietransfer op een andere locatie, bewijst dat het de voortzetting van een vroegere activiteit betreft, ondanks de wijziging van het erkenningnummer;
b) de inrichting die tijdens de referentieperiode niets heeft gefactureerd sinds de dag waarop zij de facturering heeft gestart;
c) de inrichting waarvoor uit de beslissing tot erkenning door de bevoegde overheid duidelijk blijkt dat het een nieuwe inrichting betreft, ondanks het behoud van een al bestaand erkenningsnummer;
d) de inrichting die als gevolg van een overname, een fusie of een splitsing bewijst dat het om een nieuwe inrichting gaat, ondanks het behoud van een al bestaand erkenningsnummer.]<MB 2005-02-28/39, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
[e) elke inrichting die het voorwerp uitmaakt van een overname na faillissement;]<MB 2007-02-16/30, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
12° " gelijkgestelde dagen of uren " : de niet-gepresteerde dagen of uren die echter gelijkgesteld worden met arbeidsdagen of -uren, voor zover zij aanleiding geven tot de betaling van een vergoeding door de inrichting (onder meer jaarlijkse vakantie, feestdagen, ziekteperiode gedekt door een gewaarborgd loon);
13° " niet-gelijkgestelde dagen of uren " : de niet-gepresteerde dagen of uren die niet gelijkgesteld worden met arbeidsdagen of -uren, voor zover zij geen aanleiding geven tot de betaling van een vergoeding door de inrichting (onder meer ziekteperiode niet gedekt door een gewaarborgd loon, bevallingsrust, onbetaald verlof, enz.). Hierin moeten eveneens de dagen worden opgenomen van het personeelslid met disponibiliteit wegens ziekte of gebrekkigheid.
[14° " gemiddeld aantal erkende bedden " : het aantal door de bevoegde overheid erkende bedden dat met de volgende formule overeenstemt :
(Formule niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 05-11-2004, p. 75099).
waarbij :
L = aantal erkende bedden op de eerste dag van de referteperiode;
li = verhoging of vermindering van het aantal bedden tijdens de referteperiode;
Ji = aantal kalenderdagen tussen de datum van de aanpassing van het aantal bedden en de laatste dag van de referteperiode;
J = aantal kalenderdagen van de referteperiode
n = aantal aanpassingen van het aantal bedden in de referentieperiode.]<MB 2004-10-19/37, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
[15° " verpleegkundig coördinator " : de loontrekkende of statutaire verpleegkundige van een ROB, aangeduid binnen een zorgequipe van minstens 12 voltijds equivalenten, samengesteld uit verpleegkundig personeel, verzorgingspersoneel en personeel voor reactivering, om er de coördinatie van te verzekeren. Behoudens anders luidende bepalingen in de normen die van toepassing zijn op deze inrichting, wordt de aanduiding van deze verpleegkundig coördinator overgelaten aan de beoordeling van de beheerder;
[15° bis " hoofdverpleegkundige " : het personeelslid, bedoeld in de punten B, 3, e) en f) van Bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 21 september 2004 houdende vaststelling van de normen voor de bijzonder erkenning als rust- en verzorgingstehuis of als centrum voor dagverzorging of als centrum voor niet aangeboren hersenletsels;]1
16° " hoofdparamedicus " : het loontrekkend of statutair lid van het personeel voor reactivering van een instelling, aangeduid binnen een zorgequipe van minstens 12 voltijds equivalenten, samengesteld uit het personeel voor reactivering, om er de coördinatie van te verzekeren. Behoudens anders luidende bepalingen in de normen die van toepassing zijn op deze inrichting, wordt de aanduiding van deze hoofdparamedicus overgelaten aan de beoordeling van de beheerder.]3
[17° "zorgpersoneel" : het verpleegkundige personeel, het verzorgingspersoneel en het personeel voor reactivering.]4
[18° " directeur " : de persoon die door de inrichtende macht belast is met het dagelijks beheer van de inrichting.]1
[19° Ministers: het lid of de leden van het Verenigd College, bevoegd voor het beleid inzake Gezondheid en Bijstand aan Personen.]2
HOOFDSTUK II. - (De financieringsnormen van het personeel.)
<MB 2007-02-16/30, art. 2; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
Sectie 1. - In de rustoorden voor bejaarden.
Art. 2
§ 1. De rustoorden voor bejaarden moeten over hun eigen loontrekkend of statutair verpleegkundig en verzorgingspersoneel beschikken en, indien nodig, over personeel voor reactivering, loontrekkend, statutair of met de inrichting verbonden door een ondernemingscontract. Bij de samenstelling van dat personeel wordt rekening gehouden met het aantal [patiënten] die zijn gerangschikt in elk van de afhankelijkheidscategorieën, bedoeld in artikel 150 van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996. <MB 2007-02-16/30, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
§ 2. In de rustoorden voor bejaarden zijn [de financieringsnormen van het personeel] per kwalificatie, uitgedrukt in voltijds equivalent en per dertig (patiënten), de volgende : <MB 2007-02-16/30, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
a) voor de afhankelijkheidscategorie O :
- 0,25 verpleegkundige;
[- tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023: 0,1 personeelslid voor reactivering;
- vanaf 1 juli 2023: 0,7 personeelslid voor reactivering;]5
[- 1,4 lid van het personeel voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie);]<MB 2008-07-04/33, art. 1, 1°, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
b) voor de afhankelijkheidscategorie A :
- 1,20 verpleegkundige;
- [1,05 leden van het verzorgingspersoneel]6;
[tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023: 0,1 personeelslid voor reactivering;
- vanaf 1 juli 2023: 0,7 personeelslid voor reactivering;]5
[1,4 lid van het personeel voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie);]<MB 2008-07-04/33, art. 1, 1°, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
c) voor de afhankelijkheidscategorie B :
- 2,10 verpleegkundigen;
- 4 leden van het verzorgingspersoneel;
- [tot 30 juni 2022: 0,35 personeelslid voor reactivering;
- tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023: 0,45 personeelslid voor reactivering;
- vanaf 1 juli 2023: 1,05 personeelslid voor reactivering;]5.
[- bijkomend 1,4 lid van het personeel voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie);]<MB 2008-07-04/33, art. 1, 1°, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
d) voor de afhankelijkheidscategorie C :
- 4,10 verpleegkundigen;
- 5,06 leden van het verzorgingspersoneel;
- [tot 30 juni 2022: 0,35 personeelslid voor reactivering;
- tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023: 0,45 personeelslid voor reactivering;
- vanaf 1 juli 2023: 1,05 personeelslid voor reactivering]5.
[- bijkomend 1,4 lid van het personeel voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie);]<MB 2008-07-04/33, art. 1, 1°, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
e) voor de [patiënten] die omwille van hun psychische afhankelijkheid gerangschikt zijn in de afhankelijkheidscategorie C [categorie Cd]<MB 2007-02-16/30, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2007> :
- 4,10 verpleegkundigen;
- 6,06 leden van het verzorgingspersoneel;
[- tot 30 juni 2022: 0,385 personeelslid voor reactivering;
- tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023: 0,485 personeelslid voor reactivering;
- vanaf 1 juli 2023: 1,085 personeelslid voor reactivering]5-
[- bijkomend 1,4 lid van het personeel voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie);]<MB 2008-07-04/33, art. 1, 2°, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
[f) voor de patiënten die in de afhankelijkheidscategorie D zijn opgenomen :
- 1,2 verpleegkundigen;
- 4 leden van het verzorgingspersoneel;
[- tot 30 juni 2022: 1,25 personeelslid voor reactivering;
- tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023: 1,35 personeelslid voor reactivering;
- vanaf 1 juli 2023: 1,95 personeelslid voor reactivering;.]5;
- 1,4 personeelsleden voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie).]7
Sectie 2. - In de rust- en verzorgingstehuizen.
Art. 3
§ 1. De rust- en verzorgingstehuizen moeten over hun eigen verpleegkundig en verzorgingspersoneel, over hun eigen kinesitherapeuten en/of ergotherapeuten, loontrekkend of statutair, beschikken en, indien nodig, over ander personeel voor reactivering, loontrekkend, statutair of met de inrichting verbonden door een ondernemingscontract. Bij de samenstelling van dat personeel wordt rekening gehouden met het aantal (patiënten) dat is gerangschikt in elk van de afhankelijkheidscategorieën, bedoeld in artikel 148 van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996. <MB 2007-02-16/30, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
§ 2. In de rust- en verzorgingstehuizen zijn (de financieringsnormen van het personeel) per kwalificatie, uitgedrukt in voltijds equivalent en per dertig (patiënten), de volgende : <MB 2007-02-16/30, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
a) voor de afhankelijkheidscategorie B :
- 5 verpleegkundigen;
[- tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023: 0,1 personeelslid voor reactivering;
- vanaf 1 juli 2023: 0,7 personeelslid voor reactivering;]8
- [5,2 leden van het verzorgend personeel;]9
- 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist.
[- 0,10 lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming heeft in palliatieve zorg, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten;] <MB 2008-07-04/33, art. 2, 1°, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
b) voor de afhankelijkheidscategorie C :
- 5 verpleegkundigen;
- [6,2 leden van het verzorgend personeel;]9
- 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist;
- [tot 30 juni 2022: 0,5 personeelslid voor reactivering;
- tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023: 0,6 personeelslid voor reactivering;
- vanaf 1 juli 2023: 1,2 personeelslid voor reactivering]8.
[- bijkomend 0,10 lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming heeft in palliatieve zorg, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten;] <MB 2008-07-04/33, art. 2, 2°, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
c) voor de [patiënten] die omwille van hun psychische afhankelijkheid gerangschikt zijn in de afhankelijkheidscategorie C (categorie Cd) : <MB 2007-02-16/30, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
- 5 verpleegkundigen;
- [6,7 leden van het verzorgend personeel;]9
- 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist;
[- tot 30 juni 2022: 0,5 personeelslid voor reactivering;
- tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023: 0,6 personeelslid voor reactivering;
- vanaf 1 juli 2023: 1,2 personeelslid voor reactivering;]8;
[- bijkomend 0,10 lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming heeft in palliatieve zorg, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten;] <MB 2008-07-04/33, art. 2, 2°, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
(d) voor de afhankelijkheidscategorie Cc :
- 7 verpleegkundigen;
- 12 leden van het verzorgend personeel;
- 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist;
- [- tot 30 juni 2022: 1,5 personeelslid voor reactivering;
- tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023: 1,6 personeelslid voor reactivering;
- vanaf 1 juli 2023: 2,2 personeelslid voor reactivering;]8
[e) bij het overmaken van de vragenlijst, zoals bedoeld in artikel 32, kan een inrichting uitdrukkelijk vragen aan de Dienst om, gedurende een overgangsfase die afloopt op 30 september 2004, de norm zoals bedoeld onder het punt a) als volgt toe te passen: <MB 2005-02-28/39, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
4 verpleegkundigen;
5 leden van het verzorgend personeel;
1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist.
Sectie 3. - De leden van het verzorgingspersoneel en het personeel voor reactivering.
Art. 4
§ 1. [De leden van het verzorgingspersoneel moeten als zorgkundige geregistreerd zijn door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid.]10
[Vanaf 1 juli 2013, moeten alle leden van het verzorgingspersoneel, die door de instelling worden aangeworven, voorlopig of definitief geregistreerd zijn door de Federale overheidsdienst Volksgezondheid.
Vanaf die datum en tot 30 juni 2015, mag het percentage leden van het verzorgingspersoneel, die in aanmerking worden genomen om te evalueren of de instelling de normen bedoeld in artikel 2, 3 en 5 naleeft, en die geen specifieke kwalificatie van zorgkundige hebben of die niet voorlopig of definitief door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid geregistreerd zijn, niet hoger liggen dan 5 %.]11
§ 2. [[De leden van het reactiveringspersoneel moeten ten minste een van de volgende kwalificaties hebben of een kwalificatie die door de bevoegde overheid als gelijkwaardig wordt erkend:
- bachelor of master in de kinesitherapie;
- "bachelor in wellbeing- en vitaliteitsmanagement";
- bachelor of master in de logopedie;
- bachelor in de ergotherapie;
- bachelor of master in de arbeidstherapie;
- bachelor of master in de readaptatiewetenschappen;
- bachelor in de dieetleer;
- bachelor of master in de pedagogie of in de orthopedagogie;
- bachelor of master in de psychomotoriek;
- bachelor of master in de psychologie;
- bachelor of master in de gerontologie, geriatrie en psychogeriatrie;
- "bachelor na bachelor opleiding psychosociale gerontologie";
- bachelor in de gemeenschapsgezondheid;
- bachelor of master in de medische antropologie;
- bachelor maatschappelijk assistent of "bachelor in de sociale gezondheidszorg";
- bachelor of master in het sociaal werk;
- bachelor of master in de gezinswetenschappen;
- bachelor sociaal verpleegkundige of verpleegkundige in de geestelijke gezondheidszorg en psychiatrie;
- bachelor gespecialiseerde opvoedkundige of getuigschrift hoger secundair onderwijs opvoedkundige;
- bachelor in de gezondheidstechnologie ;
- bachelor in de audiologie;
- bachelor in de podologie en podotherapie;
- master in de osteopathie;
- bachelor in de kunsttherapie;
- bachelor of master-na-masteropleiding in de muziektherapie;
- bachelor of master in de gezondheidszorgbemiddeling en interculturele bemiddeling;
- getuigschrift hoger secundair onderwijs in de sociale esthetica of bachelor in de sociale esthetica;
- bachelor in beeldende kunst, muziek, theater, circus of film.
Binnen de grenzen van het begrip reactiveringspersoneel bedoeld in artikel 1, 10°, kan de in het vorige lid bedoelde lijst door de ministers worden aangevuld, zowel om de studiegebieden als de studieniveaus uit te breiden]12
Sectie 4. - De continuïteit van de verzorging.
Art. 5.
[De inrichtingen verzekeren de continuïteit van de verzorging, zowel overdag als 's nachts, door minstens een lid van het verpleegkundig personeel, het verzorgend personeel of het personeel voor reactivering.
Voor het verzekeren van deze continuïteit van de verzorging, moeten de inrichtingen, die in de referentieperiode gemiddeld minstens 10 patiënten in [de categorieën B, C, Cd, Cc en/of D]13huisvesten en die minstens t.o.v. het gemiddeld aantal erkende bedden gemiddeld 40 % patiënten huisvesten in [de categorieën B, C, Cd, Cc en/of D]13, beschikken tijdens de referentieperiode gemiddeld over minstens 5 voltijdse equivalenten van loontrekkend of statutair personeel, verpleegkundigen, verzorgenden of personeel voor reactivering, waarvan minstens 2 voltijds equivalenten verpleegkundigen. [Het verplegend uitzendpersoneel, bedoeld in artikel 8, § 2, d), wordt ook in aanmerking genomen.]14]15
HOOFDSTUK III. - De berekening van de forfaitaire tegemoetkoming.
Art. 6
<MB 2008-07-04/33, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
[§ 1.]16De volledige tegemoetkoming bevat de volgende onderdelen :
a) Deel A1 : de financiering van het genormeerde personeel volgens de bepalingen van hoofdstuk II;
b) Deel A2 : een tegemoetkoming als aanmoediging voor bijkomende zorginspanningen;
[Deel A3 : een tegemoetkoming bedoeld om de harmonisering van de barema's te dekken voor alle leden van het verzorgingspersoneel die beschikken over de kwalificatie van zorgkundige;]17
c) Deel B1 : de financiering van het verzorgingsmateriaal zoals bedoeld in artikel 147, §§ 1 en 2, van het hiervoor vermeld koninklijk besluit van 3 juli 1996;
d) Deel B2 : de financiering voor producten en materiaal ter voorkoming van nosocomiale ziekten;
e) Deel C : de financiering van de palliatieve functie;
f) Deel D : een partiële tegemoetkoming in de beheerskost en in de kost voor de gegevensoverdracht;
g) [Deel E1 : het functiecomplement voor de hoofdverpleegkundige in RVT;
Deel E2 : het functiecomplement voor de hoofdverpleegkundigen, de hoofdparamedici en de verpleegkundig coördinatoren, in RVT en in ROB;]18
[Deel E3 : financiering van een referentiepersoon dementie;]19
[...]16;
h) Deel F : de tegemoetkoming voor de [coördinerend en raadgevend arts of de referentiearts]20;
i) Deel G : de bijkomende financiering van het kortverblijf;
j) Deel H : de financiering van de bijkomende vorming van het personeel op het vlak van dementie;
k) Deel Z1 : de financiering van de liaisonfunctie voor kortverblijf voor de periode van 1 juli 2008 tot 31 december 2009;
l) Deel Z2 : de financiering van personeel ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten in RVT voor de periode van 1 juli 2008 tot 31 december 2009.
[m) Deel Z3 : de bijkomende financiering van de zorgafhankelijkheidscategorie A tussen 1 januari 2010 en 31 december 2011;
n) Deel Z4 : de financiering van de verhoging van de norm in RVT tussen 1 juli 2010 en 31 december 2011.]21
[o) Deel Z5 : de financiering van de afhankelijkheidscategorie D tussen 1 januari 2013 en 31 december 2014.]22
[§ 2. Bij de berekening van deze delen gelden de volgende afrondingsregels, waarbij met het cijfer dat volgt op de af te ronden decimaal geen rekening wordt gehouden wanneer het lager is dan vijf en de af te ronden decimaal met een eenheid wordt verhoogd als dat cijfer gelijk is aan of hoger is dan vijf :
a) voor de berekening van het aantal voltijdse equivalent (VTE) : alle (tussen)berekeningen worden per kwalificatie afgerond tot 3 cijfers na de komma, zowel het VTE per trimester als het VTE tijdens de referentieperiode, als het totaal aantal VTE per kwalificatie;
b) voor de berekening van bedragen uitgedrukt in euro : alle berekeningen worden afgerond tot 2 cijfers na de komma;
c) voor de berekening van de anciënniteit, bedoeld in artikel 13 : alle berekeningen worden afgerond tot 3 cijfers na de komma;
d) voor de berekening van het gemiddelde aantal rechthebbenden en niet-rechthebbenden : alle berekeningen worden afgerond tot 3 cijfers na de komma.]22
[§ 3. Bij een exploitatietransfer vanuit een openbare dienst, wordt het gedetacheerd statutair personeel dat op het moment van de overdracht van de exploitatie opgenomen is in een lijst, gelijkgesteld aan eigen loontrekkend of statutair personeel, indien aan de Dienst wordt overgemaakt :
1° de exhaustieve lijst met namen van de betrokken statutaire personeelsleden, hun kwalificatie en hun wekelijkse arbeidsduur, en vergezeld van een kopie van de beslissing van hun benoeming. Deze lijst moet worden ondertekend door de openbare dienst én door de verantwoordelijke van de instelling en aan de Dienst worden overgemaakt binnen de maand na de exploitatietransfer. Aan deze lijst kunnen nadien geen personen worden toegevoegd, de wekelijkse arbeidsduur van de personen kan niet worden verhoogd en hun kwalificatie kan niet worden aangepast;
2° als de Dienst erom vraagt, alle andere bijkomende informatie met betrekking tot de exploitatietransfer en de rol van de openbare dienst.]17
Art. 6bis
[De bedragen die respectievelijk voor elk deel van de forfaitaire tegemoetkoming aan de instellingen toegekend worden, mogen door de instellingen uitsluitend worden gebruikt voor de doeleinden waarvoor zij krachtens dit besluit zijn toegekend.]23
Sectie 1. - Deel A1 : de financiering van de personeelsnorm.
Art. 7.
[De financiering van het genormeerde personeel zoals bedoeld in de artikelen 2, 3 en 5, dekt de loonkost die voor elke personeelskwalificatie is samengesteld uit :
a) het bruto maandloon;
b) [de onregelmatige prestaties en de ongemakkelijke prestaties van de verpleegkundigen en de leden van het verzorgend personeel (13,74 % op het brutomaandloon) en de onregelmatige prestaties van de leden [de onregelmatige en de ongemakkelijke prestaties van de kinesitherapeuten, de ergotherapeuten, de logopedisten en van de leden van het personeel voor reactivering (0,79 % van het brutomaandloon)]24;]25
c) het dubbel vakantiegeld (92 % van het brutomaandloon, inclusief de onregelmatige prestaties en de haard- en standplaatstoelage);
d) de eindejaarspremie (vast bedrag + 2.5 % op brutomaandloon, verhoogd met haard- en standplaatstoelage);
e) de patronale lasten volgens de bedragen die van toepassing zijn in de private sector (forfaitair 34,67 %);
f) de jaarlijkse premies van 164,20 en 13,98 euro;
g) de jaarlijkse attractiviteitspremie (549,84 euro);
h) twee bijkomende dagen verlof;
i) een tussenkomst in de arbeidsongevallenverzekering (0,91 % van het brutojaarsalaris);
j) een tussenkomst in de kost voor sociaal secretariaat (214,53 euro per jaar per voltijds equivalent);
k) een tussenkomst in de kost voor interbedrijfs-geneeskundige dienst (107,09 euro per jaar per voltijds equivalent);
l) een tussenkomst in de kost voor verplaatsing van en naar het werk (303,07 euro per jaar per voltijds equivalent);
m) een tussenkomst in de kost voor beroepskledij (276 euro per jaar per voltijds equivalent);
n) de haard en standplaatstoelage.]26
Art. 8.
[§ 1. De Dienst berekent het aantal voltijds equivalenten per kwalificatie dat in de inrichting aanwezig is tijdens de referentieperiode. Daarbij worden de volgende regels toegepast :
1° een fysiek persoon die voltijds bij dezelfde werkgever is tewerkgesteld, wordt in aanmerking genomen voor een gemiddelde arbeidsduur van maximum 38 uur per week, met inbegrip van zijn prestaties als een uitzendverpleegkundige;
2° het maximum aantal gepresteerde uren per dag is beperkt tot 11 uur;
3° het maximum aantal uren per trimester tx bedraagt : aantal dagen van maandag tot vrijdag in het trimester tx * 7,6 uur/dag;
4° voor het minimum aantal te presteren dagen per trimester, inclusief de gelijkgestelde dagen, voor een voltijdse equivalent geldt de volgende regel :
[(P * 11) + (NP * 7,6)] >= H * (d1/d2)
waarbij :
P = aantal gepresteerde en aantal gelijkgestelde dagen in trimester tx
NP = aantal niet-gelijkgestelde dagen in trimester tx
H = aantal dagen van maandag tot vrijdag, gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag
d1 = aantal kalenderdagen van voltijdse tewerkstelling
d2 = aantal kalenderdagen in het trimester;
5° voor deze maxima wordt rekening gehouden met alle gepresteerde en/of gelijkgestelde dagen of uren in de loop van het trimester, ook al zijn die dagen of uren gepresteerd in meerdere inrichtingen van/bij dezelfde werkgever. Als de Dienst vaststelt dat deze maxima zijn overschreden, zal hij die dagen of uren beperken tot het aanvaarde maximum. Het toegelaten maximum aan prestaties wordt dan proportioneel verdeeld over de verschillende inrichtingen op basis van het aantal uren van het contract van de persoon in iedere inrichting;
6° de dagen waarop de werknemer met disponibiliteit is, worden niet in aanmerking genomen;
7° in geval van ontslag wordt de compenserende opzeggingsvergoeding niet in aanmerking genomen;
8° indien de prestaties van een personeelslid worden gespreid over verschillende activiteiten, worden deze gepresteerde uren/dagen in volgorde toegewezen aan :
a) prestaties zoals bedoeld in artikel 8, § 2, b), 6°, 7°, 12° et 15° ;
b) prestaties zoals bedoeld in artikel 8, § 2, b), 2° ;
c) prestaties zoals bedoeld in artikel 8, § 2, b), 10° en 11° ;
d) en tenslotte de prestaties die het voorwerp uitmaken van de forfaitaire tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 17]27
§ 2. Bij de berekening zoals bedoeld in § 1 gelden de volgende regels :
a) het voltijds equivalent van het loontrekkend of statutair personeelslid wordt als volgt bepaald :
1) Voor de periode van voltijdse tewerkstelling :
Het voltijds equivalent per trimester tx =
((P/(P+NP)) x (d1/d2))
waarbij :
P = aantal gepresteerde en het aantal gelijkgestelde dagen in trimester tx
NP = aantal niet gelijkgestelde dagen in trimester tx
d1 = aantal kalenderdagen van voltijdse tewerkstelling
d2 = aantal kalenderdagen in het trimester
2) Het voltijds equivalent voor deeltijds werkende personeelsleden :
Het voltijds equivalent per trimester tx =
(P/H)
waarbij :
P = aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren tijdens het trimester, met uitsluiting van het aantal uren van voltijdse tewerkstelling zoals bedoeld onder punt 1)
H = aantal dagen van maandag tot vrijdag, [...], gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag <MB 2004-10-19/37, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3) Het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de berekening in punt 1) en 2) en is gelijk aan :
(som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode/aantal trimesters in de referentieperiode);
b) [de VTE's van de volgende personeelsleden worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van de tegemoetkoming, zoals bedoeld in artikel 17 :
1° de personeelsleden die onder de toepassing vallen van de " sociale maribel " met toepassing van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector of onder de toepassing vallen van de " fiscale maribel " met toepassing van het koninklijk besluit van 13 juni 2010 tot wijziging van het voornoemde koninklijk besluit van 18 juli 2002;
2° de personeelsleden die onder de toepassing vallen van de bepalingen van artikel 4, § 1, 3° van het koninklijk besluit van 15 september 2006 tot uitvoering van artikel 59 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, wat de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan betreft (de " vervangers ");
3° de vervangers van de werknemers van minstens 50 jaar, die de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan niet genieten, maar die een bijkomend verlof genieten in het kader van het sociaal akkoord dat betrekking heeft op de sector van de geneeskundige verzorging en dat in 2005 door de Federale Regering werd gesloten met de betrokken representatieve organisaties van de werkgevers en werknemers;
4° de personeelsleden die onder de toepassing vallen van de bepalingen van artikel 6 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 15 februari 2012 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 april 2011, gesloten in het Paritair Comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten, betreffende het vormingsproject tot verpleegkundigen;
5° de personeelsleden die onder de toepassing vallen van artikel 17 van het protocol van raamakkoord van 26 juli 2000 betreffende het opleidingsproject tot verpleegkundige in de federale Gezondheidssector;
6° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van het koninklijk besluit van 2 juli 2009 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Verzekeringscomité met toepassing van artikel 56, § 2, eerste lid, 3°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, overeenkomsten kan sluiten voor de financiering van alternatieve en ondersteunende zorg voor kwetsbare ouderen;
7° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van de overeenkomsten gesloten met toepassing van artikel 22 van de voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994;
8° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende de algemene uitvoeringsbepalingen van de maatregelen ten gunste van de tewerkstelling van jongeren in de sociale profitsector voortspruitend uit de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact;
9° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van bijlage XIV bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 houdende de subsidiëring van de animatiewerking in de woonzorgcentra en de centra voor kortverblijf;
10° de referentiepersoon voor dementie die in deel E 3 wordt gefinancierd;
11° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van de maatregelen bedoeld in artikel 4bis van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007 tot uitvoering van de artikelen 57 en 59 van de programmawet van 2 januari 2001 wat de harmonisering van de barema's en de loonsverhogingen in bepaalde gezondheidsinrichtingen betreft;
12° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van het ministerieel besluit van 22 juni 2000 tot vaststelling van de tegemoetkoming bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de centra voor dagverzorging;
13° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van artikel 60, § 7, van de O.C.M.W.-wet;
14° de personeelsleden die werken onder het statuut van een leercontract of een overeenkomst inzake inschakeling in het maatschappelijk en beroepsleven, bedoeld in het Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 28 juli 1998 betreffende de overeenkomst inzake inschakeling in het maatschappelijk en beroepsleven van de centra voor alternerende opleiding en onderwijs;
15° het aandeel VTE gedurende hetwelk de prestaties van de loontrekkende kinesitherapeut via de nomenclatuur worden gefactureerd.
Daarentegen moet het aantal uren van vrijstelling van arbeidsprestaties dat is toegekend ter uitvoering van het voornoemde koninklijk besluit van 15 september 2006, begrepen zijn in het voltijds equivalent bedoeld onder punt a);]27
c) [...]28;
d) de inrichtingen die te kampen hebben met een tekort aan verpleegkundig personeel en die in de onmogelijkheid zijn om onmiddellijk loontrekkend of statutair verpleegkundig personeel aan te werven, kunnen beroep doen op de diensten van een door de bevoegde overheid erkende interim-onderneming. In dat geval dient dit aan de Dienst te worden gemotiveerd aan de hand van aanvragen voor het aanwerven van personeel bij één van de volgende instanties : de Vlaamse dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding (VDAB), de " Office communautaire et régional de la formation professionnelle et de l'emploi " (FOREm), de Brusselse gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling (BGDA) of de " Office régional bruxellois de l'emploi " (ORBEm). Aan de Dienst dient eveneens een kopie van de facturen waarop het aantal in de inrichting gepresteerde uren van dit personeelslid staat vermeld, te worden overgemaakt. De Dienst kan ook de nodige documenten vragen waaruit blijkt dat het gaat om een gekwalificeerde verpleegkundige. Een verpleegkundige kan voor [een gemiddelde van maximum 38 uur per week]29in aanmerking worden genomen.
Het voltijds equivalent per trimester tx is in dit geval gelijk aan :
(U/D) waarbij :
U = aantal gepresteerde uren tijdens het trimester
D = aantal dagen van maandag tot vrijdag, [...], gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag <MB 2004-10-19/37, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de hiervoor vermelde formule en is gelijk aan :
(som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode/aantal trimesters in de referentieperiode).
e) [om de vermindering zoals bedoeld in artikel 12 of de verminderingen zoals bedoeld in artikel 16, §§ 2 en 3, gedeeltelijk of volledig te vermijden, kunnen de effectief in zijn kwalificatie gepresteerde uren van de zelfstandige directeur van een inrichting een tekort in die kwalificatie compenseren, voor maximum 19 uur per week wat de toepassing van artikel 12 betreft, en voor maximum 38 uur per week wat de toepassing van artikel 16, §§ 2 of 3 betreft. Het aantal gepresteerde uren per trimester en in de kwalificatie van die directeur wordt, door de zelfstandige directeur zelf bepaald, met een verklaring op erewoord.
Een zelfstandig directeur kan deze uren slechts laten gelden in maximum één inrichting. Ingeval de Dienst vaststelt dat een zelfstandig directeur deze uren meedeelt in meerdere inrichtingen, en waarbij het totaal van 19 uur of 38 uur wordt overschreden, zal in geen enkel geval met deze uren rekening worden gehouden. In eeninrichtingkan maximum en tegelijkertijd één fysiek persoon de functie van zelfstandig directeur uitoefenen.]30
Het voltijds equivalent per trimester tx is in dit geval gelijk aan :
(U/D) waarbij :
U = aantal gepresteerde uren tijdens het trimester
D = aantal dagen van maandag tot vrijdag, [...], gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag <MB 2004-10-19/37, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de hiervoor vermelde formule en is gelijk aan :
(som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode/aantal trimesters in de referentieperiode).
f) [voor de gekwalificeerde loontrekkende of statutaire directeur van een inrichting wordt het voltijds equivalent bepaald volgens de regels, bedoeld in a) van onderhavige paragraaf. De effectief in zijn kwalificatie gepresteerde uren van die loontrekkende of statutaire directeur worden in aanmerking genomen voor maximum 50 % van zijn totaal voltijds equivalent voor het naleven van de normen bedoeld in de artikelen 2, 3 of 5, § 2, en voor gemiddeld maximum 38 uur per week, om de verminderingen bedoeld in artikel 16, §§ 2 of 3 te vermijden. In eeninrichting kan maximum en tegelijkertijd één fysiek persoon de functie van directeur uitoefenen.
Dit aantal uren wordt bepaald volgens de regels zoals bedoeld onder de punten a) of b). Een loontrekkende of statutaire directeur van een inrichting kan in deze functie slechts één keer in aanmerking worden genomen. Indien de Dienst vaststelt dat een persoon als directeur wordt meegedeeld in meerdere inrichtingen zal in geen enkel geval met deze dagen of uren rekening worden gehouden.]30
g) het voltijds equivalent per trimester tx van een zelfstandig lid van het personeel voor reactivering, aan de inrichting gebonden door een ondernemingscontract, is gelijk aan :
(P/D) waarbij :
P = aantal gepresteerde uren tijdens het trimester
D = aantal dagen van maandag tot vrijdag, met uitsluiting van de wettelijke feestdagen, gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag.
Het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de hiervoor vermelde formule en is gelijk aan :
(som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode/aantal trimesters in de referentieperiode).
§ 3. [...]31.
Art. 9.
§ 1. De Dienst berekent, in voltijds equivalenten, het personeelseffectief, per kwalificatie, waarover de inrichting moest beschikken tijdens de referentieperiode (theoretische norm) en dit volgens de normen zoals bedoeld (in de artikelen 2 en 3). <MB 2004-10-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 2. Bij de berekening zoals bedoeld in § 1 gelden de volgende regels :
a) het gemiddeld aantal [patiënten] per categorie is gelijk aan : <MB 2007-02-16/30, art. 10, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
(het aantal (verblijfdagen) van de [patiënten] per afhankelijkheidscategorie in de referentieperiode/het aantal kalenderdagen in de referentieperiode); <MB 2007-02-16/30, art. 10, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
b) de theoretische norm wordt bekomen door het aantal (patiënten) per categorie te vermenigvuldigen met [de financieringsnormen van het personeel] die in de artikelen 2 en 3 is uitgedrukt per 30 rechthebbenden. <MB 2007-02-16/30, art. 10, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
Art. 10.
Indien het aanwezige personeel per kwalificatie dat wordt bepaald volgens de bepalingen van artikel 8, groter of gelijk is aan de theoretische norm per kwalificatie zoals bedoeld in artikel 9, is de financiering per voltijds equivalent in een bepaalde kwalificatie gelijk aan de loonkost zoals bedoeld in artikel 13.
Art. 11.
Indien de inrichting tijdens de referentieperiode in één of meerdere personeelskwalificaties niet voldoet aan de theoretische norm zoals bedoeld in artikel 9, kan dit tekort per kwalificatie in een aantal gevallen worden gecompenseerd door een overschot aan loontrekkende personeelsleden in een andere kwalificatie. Deze compensatie is niet mogelijk als het gaat om een tekort in de norm van 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist per 30 rechthebbenden in RVT.
Daarbij geldt de volgende hiërarchie :
a) [indien er een teveel is aan A1 of A2 verpleegkundigen, moet eerst het teveel aan A1 verpleegkundigen en vervolgens het teveel aan A2 verpleegkundigen worden toegewezen aan het tekort aan personeelsleden voor reactivering ;]32
b) indien er nog een teveel is aan verpleegkundigen (met inbegrip van het resterend aantal A1 verpleegkundigen [of A2 verpleegkundige]32), dit toewijzen aan het tekort aan verzorgenden;
c) indien er nog een tekort is aan personeelsleden voor reactivering kunnen een aantal A1-verpleegkundigen [of A2 verpleegkundige]32vooraleer ze worden toegewezen aan de norm voor verpleegkunde, eerst toegewezen worden aan dit tekort aan personeelsleden voor reactivering. Dit is mogelijk op voorwaarde dat de inrichting beschikt over voldoende personeelsleden om de globale norm op te vullen. Enkel de A1 verpleegkundigen die aanwezig zijn bovenop 80 % van de norm van de verpleegkundigen kunnen voor deze maatregel in aanmerking komen. Het tekort dat op die manier ontstaat bij de verpleegkundigen kan dan gecompenseerd worden volgens de bepalingen van punt f) ;
d) indien er een teveel is aan personeel voor reactivering, dit toewijzen aan het tekort aan verpleegkundigen;
e) indien er nog een teveel is aan personeel voor reactivering, dit toewijzen aan het resterend tekort aan verzorgenden;
f) indien er een teveel is aan verzorgenden, dit toewijzen aan het resterend tekort aan verpleegkundigen.
De compensatie wordt toegepast volgens de volgende regels :
a) het tekort aan personeelsleden voor reactivering kan enkel worden gecompenseerd door een teveel aan leden van het verpleegkundig personeel A1 [of A2 verpleegkundige, met voorrang voor de A1's]32;
b) het tekort aan verpleegkundigen kan voor maximum 20 % worden gecompenseerd door een teveel aan personeelsleden voor reactivering en/of van het verzorgingspersoneel. [Dit percentage van 20 % kan verhoogd worden tot 30 % voor de inrichtingen die minstens 7 VTE verpleegkundigen tewerkstellen]32;
c) het tekort aan verzorgingspersoneel kan onbeperkt worden gecompenseerd door een teveel aan verpleegkundigen en/of personeelsleden voor reactivering.
In deze situatie wordt het te financieren bedrag als volgt bepaald :
a) voor het personeel dat [de theoretische norm] zoals bedoeld in (artikel 9) opvult in zijn eigen kwalificatie is de financiering per voltijds equivalent in een bepaalde kwalificatie gelijk aan de loonkost zoals bedoeld in artikel 13; <MB 2004-10-19/37, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
b) voor het personeel dat in toepassing van dit artikel in aanmerking komt voor het compenseren van een tekort aan personeel in een andere kwalificatie gelden de volgende regels :
- de verpleegkundige A1 [of A2 verpleegkundige]32die een tekort aan personeel voor reactivering compenseert, wordt vergoed volgens de loonkost van een A1 verpleegkundige;
- het personeel voor reactivering dat een tekort aan verpleegkundigen compenseert, wordt vergoed volgens de loonkost van een personeelslid voor reactivering;
- de verzorgende die een tekort aan verpleegkundige compenseert, wordt vergoed volgens de loonkost van een verzorgende;
- het personeelslid dat een tekort aan verzorgenden compenseert, wordt vergoed volgens de loonkost van een verzorgende.
De financiering per voltijds equivalent is gelijk aan de loonkost zoals bedoeld in artikel 13.
Art. 12.
Indien er na toepassing van [artikel 8, § 2, e) of f)] en artikel 11 nog steeds een tekort is aan personeel in een bepaalde kwalificatie wordt hiervoor de volgende vermindering bepaald : <MB 2007-02-16/30, art. 11, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
(het overblijvend procentueel tekort in deze kwalificatie x de loonkost per FTE zoals bedoeld in artikel 13 x aantal FTE tekort).
Deze vermindering wordt toegepast op het bedrag dat in artikel 17 wordt berekend.
Art. 13.
§ 1. [De loonkost is afhankelijk van de gemiddelde anciënniteit per kwalificatie van het verzorgingspersoneel in de inrichtingmet uitzondering van de in artikel 8, § 2, b) bedoelde personeelsleden - met uitzondering van de in 10° bedoelde referentiepersoon dementie, die ook in aanmerking wordt genomen. Die gemiddelde anciënniteit wordt per kwalificatie bepaald als volgt :
som van (de anciënniteit van het personeelslid x VTE van dat personeelslid)/ totale aantal VTE's in die kwalificatie.
Onder anciënniteit wordt de baremieke anciënniteit bedoeld op de laatste dag van de referentieperiode of voor de personeelsleden die de inrichting hebben verlaten of die een andere kwalificatie hebben gekregen, de baremieke anciënniteit zoals die van toepassing is op de einddatum van het contract. De baremieke anciënniteit van een personeelslid is maximum gelijk aan (zijn leeftijd - 18).
De anciënniteit wordt per individu en per kwalificatie berekend. Indien een persoon meerdere contracten tijdens de referentieperiode heeft, wordt rekening gehouden met zijn anciënniteit op de laatste dag van de referentieperiode of op het einde van zijn contract.
Bij deze berekening wordt geen rekening gehouden met de personeelsleden die in de inrichting werkzaam zijn met een uitzendcontract, of als directeur met een statuut van zelfstandige. De personen die er werkzaam zijn op zelfstandige basis, worden meegeteld met een anciënniteit van nul jaar.
Voor een correcte berekening van de gemiddelde anciënniteit per kwalificatie delen de inrichtingen aan de Dienst de baremieke anciënniteit, het aantal gepresteerde dagen en/of uren mee voor alle personen (loontrekkers, statutairen, zelfstandigen, uitzendpersoneel) die tijdens de referentieperiode werkzaam waren in de inrichting als verpleegkundige, personeel voor reactivering of als verzorgende.]33
§ 2. [De loonkost voor een voltijds equivalent gegradueerde verpleegkundige (A1) bedraagt, indien de gemiddelde anciënniteit van alle verpleegkundigen in de inrichting :
a) kleiner is dan 4 jaar : 48.890,56 euro;
b) vanaf 4 jaar en kleiner dan 6 jaar : 52.738 euro;
c) vanaf 6 jaar en kleiner dan 8 jaar : 56.644,85 euro;
d) vanaf 8 jaar en kleiner dan 12 jaar : 58.201,01 euro;
e) vanaf 12 jaar en kleiner dan 14 jaar : 60.221,45 euro;
f) vanaf 14 jaar en kleiner dan 16 jaar : 61.567,11 euro;
g) vanaf 16 jaar : 66.925,74 euro.]34
§ 3. [De loonkost voor een voltijds equivalent verpleegkundige A2 of ziekenhuisassistent bedraagt, indien de gemiddelde anciënniteit van alle verpleegkundigen en ziekenhuisassistenten in de inrichting :
a) kleiner is dan 4 jaar : 44.987,06 euro;
b) vanaf 4 jaar en kleiner dan 6 jaar : 48.120,68 euro;
c) vanaf 6 jaar en kleiner dan 8 jaar : 51.577,81 euro;
d) vanaf 8 jaar en kleiner dan 12 jaar : 53.105,02 euro;
e) vanaf 12 jaar en kleiner dan 14 jaar : 55.105,65 euro;
f) vanaf 14 jaar en kleiner dan 16 jaar : 56.437,07 euro;
g) vanaf 16 jaar : 57.775,76 euro.]34
§ 4. [De loonkost voor een voltijds equivalent verzorgende bedraagt, indien de gemiddelde anciënniteit van alle verzorgenden in de inrichting :
a) kleiner is dan 4 jaar : 42.856,43 euro;
b) vanaf 4 jaar en kleiner dan 6 jaar : 43.363,83 euro;
c) vanaf 6 jaar en kleiner dan 10 jaar : 44.031,31 euro;
d) vanaf 10 jaar en kleiner dan 12 jaar : 45.607,76 euro;
e) vanaf 12 jaar : 46.323,94 euro.]34
§ 5. [De loonkost voor een voltijds equivalent personeelslid voor reactivering en voor een kinesitherapeut, een ergotherapeut of een logopedist bedraagt, indien de gemiddelde anciënniteit van alle leden van dat personeel in de inrichting :
a) minder is dan 4 jaar : 43.784,03 euro
b) vanaf 4 jaar en minder dan 6 jaar : 47.196,14 euro
c) vanaf 6 jaar en minder dan 10 jaar : 50.666,19 euro
d) vanaf 10 jaar en minder dan 12 jaar : 52.047,10 euro
e) vanaf 12 jaar : 53.842,19 euro.]35
(§ 6. Onverminderd de toepassing van de bepalingen in artikel 15 worden de verpleegkundigen die beantwoorden aan de in de artikelen 2, 3 en 5 bedoelde normen voor verpleegkundigen, gefinancierd volgens de loonkost van een verpleegkundige A2.) <MB 2004-10-19/37, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 7. [Tussen 1 juli en 31 december 2010 worden de bedragen bedoeld in §§ 2, 3 en 4 verhoogd met een inhaalbedrag van :
1° voor de bedragen bedoeld in § 2 :
a) 390,38 euro
b) 423,66 euro
c) 457,06 euro
d) 470,45 euro
e) 487,68 euro
f) 499,16 euro
g) 544,47 euro
2° voor de bedragen bedoeld in § 3 :
a) 355,04 euro
b) 383,04 euro
c) 413,03 euro
d) 426,43 euro
e) 443,66 euro
f) 455,14 euro
g) 466,63 euro
3° voor de bedragen bedoeld in § 4 :
a) 332,33 euro
b) 338,23 euro
c) 344,13 euro
d) 358,67 euro
e) 365,75 euro.
Om dit inhaalbedrag te krijgen, moeten de inrichtingen de voordelen zoals bedoeld in artikel 30, 7°, toekennen aan hun verpleegkundig personeel en verzorgingspersoneel vanaf 1 januari 2010.]36
[§ 8. Tussen 1 januari en 30 juni 2012 worden de bedragen, bedoeld in § 5, verhoogd met een inhaalbedrag van :
a) 40,76 euro
b) 44,22 euro
c) 47,72 euro
d) 49,12 euro
e) 50,90 euro.]35
Art. 14.
[§ 1.] In de inrichtingen die na toepassing van de artikelen 8, 9 en 11 nog een reserve aan personeelsleden voor reactivering hebben wordt bij de bepaling van het te financieren bedrag voor de personeelsnorm zoals bedoeld in artikel 17, bijkomend rekening gehouden met een aantal voltijds equivalenten dat maximum gelijk is aan : <MB 2008-03-10/31, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2008>
((gemiddeld aantal [patiënten] 0 x 0,10 voltijds equivalent personeelslid voor reactivering) + (gemiddeld aantal [patiënten] A x 0,20 voltijds equivalent personeelslid voor reactivering))/30 [patiënten]. <MB 2007-02-16/30, art. 13, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
Het gemiddeld aantal [patiënten] 0 en A stemt overeen met het aantal dat berekend wordt in uitvoering van artikel 9, § 2, a). <MB 2007-02-16/30, art. 13, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
Indien de reserve zoals bedoeld in het eerste lid onvoldoende is om dit voltijds equivalent van 0,10 of 0,20/30 [patiënten] op te vullen, kan het verschil worden gecompenseerd door een teveel aan verpleegkundigen A1. <MB 2007-02-16/30, art. 13, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
§ 2. [In de instellingen die na toepassing van § 1, nog een reserve aan personeelsleden voor reactivering hebben, of indien niet, nog een reserve aan verzorgend personeel, wordt bij de bepaling van het te financieren bedrag voor de personeelsnorm zoals bedoeld in artikel 17, bijkomend rekening gehouden [...]37met het aantal voltijds equivalenten dat maximum gelijk is aan :
((aantal patiënten behorend tot de afhankelijkheidscategorie A, die effectief aanwezig zijn [in de instelling op 31 maart van de referentie periode]37en die minstens een (2) scoren voor oriëntatie in tijd en voor oriëntatie in ruimte, zoals bedoeld in artikel 151, § 2, van het hoger genoemd koninklijk besluit van 3 juli 1996) x 0.8 voltijds equivalent personeelslid voor reactivering of verzorgend personeel / 30 patiënten)]38
Art. 15.
In de inrichtingen die niet onder de toepassing vallen van artikel 12 of [artikel 16, § 2], worden een aantal van de verpleegkundigen A1 die de in artikel 2 en 3 bedoelde norm voor verpleegkundigen opvullen, gefinancierd volgens de loonkost van een A1 verpleegkundige. Het aantal verpleegkundigen A1 dat aldus wordt gefinancierd, bedraagt maximum 30 % van de theoretische norm voor verpleegkundigen zoals bedoeld in artikel 9. <MB 2004-10-19/37, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 16.
[§ 1. In de inrichtingen die voldoen aan de bepalingen van artikel 5, tweede lid, en waar de norm zoals bedoeld in artikel 2 kleiner is dan vijf voltijdse equivalenten waarvan twee verpleegkundigen, wordt bij de bepaling van het te financieren bedrag voor het genormeerde personeel zoals bedoeld in artikel 17, uitgegaan van twee voltijds equivalenten verpleegkundigen en drie voltijds equivalenten verzorgingspersoneel, behalve als het niet toepassen van deze regel voordeliger is voor de inrichting.
[Het voorgaande lid is niet van toepassing op de inrichtingen bedoeld in artikel 19, §§ 1 tot en met 4.]39
§ 2. Voor de instellingen die tijdens de referentieperiode gemiddeld minstens 10 patiënten in de categorie [B, C, Cd, Cc en/of D]40huisvesten en die minstens t.o.v. het gemiddeld aantal erkende bedden gemiddeld 40 % patiënten huisvesten in de categorie [B, C, Cd, Cc en/of D]40en die tijdens de referentieperiode niet over minstens vijf voltijdse equivalenten van loontrekkend of statutair personeel, verpleegkundigen, verzorgenden of personeel voor reactivering, waarvan minstens twee voltijds equivalenten verpleegkundigen beschikken, wordt de in artikel 17 bedoelde financiering van het genormeerde personeel verminderd met 50 %.
§ 3. Voor de instellingen die tijdens de referentieperiode gemiddeld geen 10 patiënten in de categorie [B, C, Cd, Cc en/of D]40huisvesten of die minstens t.o.v. het gemiddeld aantal erkende bedden gemiddeld geen 40 % patiënten huisvesten in de categorie [B, C, Cd, Cc en/of D]40en die tijdens de referentieperiode niet over minstens vijf voltijdse equivalenten van loontrekkend of statutair personeel, verpleegkundigen, verzorgenden of personeel voor reactivering, waarvan minstens twee voltijds equivalenten verpleegkundigen beschikken, wordt de in artikel 17 bedoelde financiering van het genormeerde personeel bepaald rekening houdende met de helft van de financiering van de norm zoals bedoeld in artikel 2 voor de categorieën [B, C, Cd, Cc en D]40.]41
Art. 17.
<MB 2007-02-16/30, art. 15, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
Het basisbedrag van de financiering van het genormeerde personeel is gelijk aan :
(de som van het aantal voltijds equivalenten in een bepaalde kwalificatie x de loonkost van deze kwalificatie).
waarbij :
- het aantal voltijds equivalenten wordt bepaald in toepassing van de artikelen 8, 9, 11, 14, 15 en 16.
- de loonkost wordt bepaald in toepassing van de artikelen 13 en 16, § 2.
Dit bedrag wordt desgevallend verminderd volgens de bepalingen van artikel 12, tenzij in geval van toepassing van de bepalingen van artikel 16, § 2 of § 3.
Het bedrag van de financiering van het genormeerde personeel per dag en per rechthebbende bedraagt :
(Basisbedrag van de financiering van het genormeerde personeel/aantal verblijfdagen voor de patiënten in de referentieperiode)
In afwijking van de bepalingen van het vorige lid, bedraagt het bedrag per dag en per rechthebbende van de financiering van het genormeerde personeel voor de inrichtingen waarop artikel 19 of artikel 37bis van toepassing is :
((Basisbedrag van de financiering van het genormeerde personeel/aantal verblijfdagen voor de patiënten in de referentieperiode bedoeld in artikel 19 of artikel 37bis ) x (aantal kalenderdagen in de referentieperiode bedoeld in artikel 19 of artikel 37bis /365))
Art. 18.
§ 1. (Het bedrag per dag en per rechthebbende zoals bedoeld in artikel 17 wordt aangepast indien in de inrichting, tijdens de referentieperiode of tijdens de periode die zich situeert tussen de referentie- en de factureringsperiode, een wijziging van de erkende bedden plaatsvindt.
Het bedrag van de aanpassing is gelijk aan :
((aantal RVT-bedden na aanpassing/totaal aantal bedden na aanpassing) - (aantal RVT-bedden voor aanpassing / totaal aantal bedden voor aanpassing)) x [19,43 euro]42x ((aantal dagen tussen de begindatum van de referentieperiode en de datum van de aanpassing met een maximum van het aantal kalenderdagen in de factureringsperiode) / aantal dagen in de factureringsperiode) +
[(aantal bedden kortverblijf na aanpassing/totaal aantal bedden na aanpassing) - (aantal bedden kortverblijf voor aanpassing / totaal aantal bedden voor aanpassing)) x 5,05 euro x ((aantal dagen tussen de begindatum van de referentieperiode en de datum van de aanpassing met een maximum van het aantal kalenderdagen in de factureringsperiode) / aantal dagen in de factureringsperiode).] <MB 2008-07-04/33, art. 5, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
§ 2. (Het bedrag per dag en per rechthebbende zoals bedoeld in artikel 17 wordt aangepast indien tijdens de factureringsperiode een wijziging van de erkende bedden plaatsvindt. Deze aanpassing gebeurt van zodra deze wijziging plaatsvindt.
Het bedrag van de aanpassing is gelijk aan :
((aantal RVT-bedden na aanpassing/totaal aantal bedden na aanpassing) - (aantal RVT-bedden voor aanpassing / totaal aantal bedden voor aanpassing)) x [19,43 euro]42+
[(aantal bedden kortverblijf na aanpassing / totaal aantal bedden na aanpassing) - (aantal bedden kortverblijf voor aanpassing / totaal aantal bedden voor aanpassing)] x 5,05 euro) <MB 2008-07-04/33, art. 5, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
[§ 3. Om het bedrag per dag en per rechthebbende zoals bedoeld in [artikel 6]43te berekenen in de inrichtingen die uit een overname, een fusie, een splitsing of een exploitatietransfer op een andere locatie ontstaan zijn, doet de Dienst :
1° ofwel neemt hij tijdens de referentieperiode de gegevens, bedoeld in artikel 33, van de vroegere inrichting over (in geval van een overname of een exploitatietransfer op een andere locatie);
2° ofwel voegt hij tijdens de referentieperiode de gegevens, bedoeld in artikel 33, van de vroegere inrichtingen toe (in geval van een fusie of de overname van een inrichting door een andere inrichting);
3° ofwel vraagt hij aan de bedoelde inrichtingen om de gegevens, bedoeld in artikel 33, van de vroegere inrichting over de referentieperiode uit te splitsen tussen de inrichtingen die uit de splitsing zijn ontstaan naar rata van het aantal bedden van elke inrichting, zodat de combinatie die voor de desbetreffende inrichtingen de meest gunstige blijkt te zijn, in aanmerking wordt genomen (in geval van een splitsing).] <MB 2005-02-28/39, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 19.
§ 1. [Het bedrag van de volledige tegemoetkoming per rechthebbende en per dag]44voor een nieuwe inrichting die erkend wordt tussen 1 juli en 30 september bedraagt :
a) voor de periode van de erkenningdatum tot 31 maart van het jaar dat daarop volgt bedraagt dit bedrag 14,05 euro;
b) voor de rest van de factureringsperiode (van 1 april van het jaar dat daarop volgt tot 31 december) wordt dit bedrag berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het vierde trimester;
c) het bedrag van de daarop volgende factureringsperiode wordt berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het vierde trimester en het eerste en tweede trimester van het jaar dat daarop volgt.
§ 2. [Het bedrag van de volledige tegemoetkoming per rechthebbende en per dag]44voor een nieuwe inrichting die erkend wordt tussen 1 oktober en 31 december bedraagt :
a) voor de periode van de erkenningdatum tot 30 juni van het jaar dat daarop volgt bedraagt dit bedrag 14,05 euro;
b) voor de rest van de factureringsperiode (van 1 juli van het jaar dat daarop volgt tot 31 december) wordt dit bedrag berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het eerste trimester;
c) het bedrag van de daarop volgende factureringsperiode wordt berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het eerste en het tweede trimester van het jaar dat volgt op dat van de erkenning.
§ 3. [Het bedrag van de volledige tegemoetkoming per rechthebbende en per dag]44voor een nieuwe inrichting die erkend wordt tussen 1 januari en 31 maart bedraagt :
a) voor de periode van de erkenningdatum tot 30 september bedraagt dit bedrag 14,05 euro;
b) voor de rest van de factureringsperiode (van 1 oktober tot 31 december) wordt dit bedrag berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met [het tweede trimester (dit is het trimester dat volgt op dat van de erkenning)]; <MB 2004-10-19/37, art. 10, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
c) het bedrag van de daarop volgende factureringsperiode wordt berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met [het tweede trimester (dit is het trimester dat volgt op dat van de erkenning)]. <MB 2004-10-19/37, art. 10, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 4. [Het bedrag van de volledige tegemoetkoming per rechthebbende en per dag]44voor een nieuwe inrichting die erkend wordt tussen 1 april en 30 juni bedraagt :
a) voor de periode van de erkenningdatum tot het einde van de lopende factureringsperiode (31 december) bedraagt dit bedrag 14,05 euro;
b) het bedrag van de daarop volgende factureringsperiode wordt berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het derde trimester (dit is het trimester dat volgt op dat van de erkenning).
[§ 5. Er wordt een financiële regularisatie bepaald voor de periode van de erkenningsdatum tot en met het tweede kwartaal volgend op het kwartaal van de erkenning.
De berekening van het bedrag voor de financiële regularisatie gebeurt als volgt :
a) [het bedrag van de volledige tegemoetkoming per rechthebbende]44wordt berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het kwartaal van de erkenning en de twee kwartalen volgend op het kwartaal van de erkenning;
b) het verschil tussen [dit bedrag]44en het in punt a) vermelde bedrag van de §§ 1 tot 4 is het bedrag van de financiële regularisatie.
Het bedrag van de financiële regularisatie wordt berekend tegen uiterlijk de laatste dag van het vierde kwartaal volgend op het kwartaal van de erkenning.
Deze financiële regularisatie wordt niet uitgevoerd in geval van een negatief verschil voor inrichtingen die erkend zijn vóór 1 november 2010.]45
Sectie 2. - Deel A2 : tegemoetkoming als aanmoediging voor bijkomende zorginspanningen.
Art. 20.
<MB 2007-02-16/30, art. 17, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
Indien een inrichting [geen personeelstekort, zoals bedoeld in de artikelen 12 of 16, § 2, vertoont]46, en indien de totale loonkost van de verpleegkundigen, het personeel voor reactivering en het verzorgingspersoneel, berekend volgens de kost zoals bedoeld in artikel 13, hoger is dan het basisbedrag voor de in artikel 17 of 19 bedoelde financiering van het genormeerde personeel, wordt een bijkomende tegemoetkoming bepaald als aanmoediging voor bijkomende zorginspanningen, op voorwaarde dat :
(kostprijs aanwezig personeel - kostprijs gefinancierd personeel) groter is of gelijk aan 40.000 euro
en dat :
((kostprijs aanwezig personeel - kostprijs gefinancierd personeel)/kostprijs gefinancierd personeel) groter is of gelijk aan 4 %
waarbij :
- de kostprijs van het aanwezig personeel overeenstemt met de loonkost per kwalificatie zoals bedoeld in artikel 13, vermenigvuldigd met het aantal voltijds equivalenten per kwalificatie;
- de kostprijs van het gefinancierd personeel overeenstemt met het basisbedrag voor de financiering van het genormeerde personeel zoals bedoeld in artikel 17 of 19.
De tegemoetkoming bedraagt dan (78 %) van (de kostprijs van aanwezig personeel - kostprijs van gefinancierd personeel) met een maximum van (9,74 %) van de kostprijs van het gefinancierd personeel. <MB 2008-03-10/31, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2008>
Het bedrag van de tegemoetkoming per dag en per rechthebbende bedraagt :
(Totaal bedrag van de tegemoetkoming/aantal verblijfdagen voor de patiënten in de referentieperiode).
In afwijking van de bepalingen van het vorige lid, bedraagt het bedrag per dag en per rechthebbende voor de inrichtingen waarop artikel 19 of artikel 37bis van toepassing is :
((Totaal bedrag van de tegemoetkoming/aantal verblijfdagen voor de patiënten in de referentieperiode bedoeld in artikel 19 of artikel 37bis ) x (aantal kalenderdagen in de referentieperiode bedoeld in artikel 19 of artikel 37bis /365))
Sectie 2bis. [- Deel A3 : tegemoetkoming bedoeld om de harmonisering van de barema's te dekken voor alle leden van het verzorgingspersoneel die beschikken over de kwalificatie van zorgkundige]47
Art. 20bis.
[De tegemoetkoming per dag huisvesting en per rechthebbende bedraagt vanaf 1 april 2014 :
[(109,63 euro x gemiddeld totaal aantal loontrekkend of statutair VTE zorgkundigen aanwezig in de instelling tijdens de referentieperiode)/aantal verblijfsdagen van de patiënten gedurende de referentieperiode]
Het bedrag van 109,63 euro wordt van 1 april 2014 tot 31 december 2014 verhoogd met een inhaalbedrag van 36,54 euro.
Om deze bedragen te bekomen moeten de instellingen het voordeel beoogd in artikel 30, 8° vanaf 1 januari 2013 toekennen aan al de leden van hun verzorgend personeel dat over een definitieve of voorlopige erkenning als zorgkundige beschikt.]47
Sectie 3. - (Deel B1 : de financiering voor het verzorgingsmaterieel)
<MB 2008-07-04/33, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
Art. 21.
[De tegemoetkoming per dag huisvesting en per rechthebbende voor het verzorgingsmateriaal, bedoeld in artikel 147, §§ 1 en 2, van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996 bedraagt :
[(0,13 euro x aantal patiënten Cat 0) + (0,26 euro x aantal patiënten Cat A) + (0,39 euro x aantal patiënten Cat B) + (0,53 euro x aantal patiënten Cat C en Cat Cd) + (8,60euro x aantal patiënten Cat Cc)]+ (0,39 euro x aantal patiënten Cat D)]/ het aantal patiënten.]48
Sectie 3bis. - Deel B2 : de financiering voor producten en materiaal ter voorkoming van nosocomiale ziekten.
<Ingevoegd bij MB 2008-07-04/33, art. 6; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
Art. 21bis
<Ingevoegd bij MB 2008-07-04/33, art. 6; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
De tegemoetkoming per dag huisvesting en per rechthebbende voor producten en materiaal ter voorkoming van nosocomiale ziekten bedraagt [0,17 euro]49.
De instelling moet het bewijs kunnen geven dat het interne richtlijnen hanteert en dat er regelmatig gebruik is van producten en materieel dat leidt tot een betere hygiëne, in het bijzonder van de handen, ter voorkoming van nosocomiale ziekten. Het correcte gebruik, overeenkomstig de richtlijnen, van deze producten en dit materieel, is een voorwaarde voor de toekenning van de tegemoetkoming zoals bedoeld in dit hoofdstuk.
[De inrichting heeft recht op deze tegemoetkoming vanaf de eerste dag van het trimester waarin de inrichting voldoet aan de voorwaarden bedoeld in vorig lid.]50
Sectie 4. - Deel C : de financiering van de palliatieve functie.
Art. 22.
[De tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging, die bestemd is voor de financiering van de opleiding en de sensibilisatie voor de palliatieve verzorging van al het personeel van de inrichtingen, wordt vastgesteld op 0,27 euro per dag en per opgenomen rechthebbende die gerangschikt is in de afhankelijkheidscategorieën B, C, Cd of Cc bedoeld in de artikelen 148 en 150 van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996.
Die tegemoetkoming wordt verleend aan de rust- en verzorgingstehuizen, aan de rustoorden voor bejaarden met een afdeling die een bijzondere erkenning van " rust- en verzorgingstehuis " heeft, en aan de rustoorden voor bejaarden die tijdens de referentieperiode gemiddeld minstens 25 patiënten in de categorieën B, C, Cd en/of Cc huisvesten, die minstens 40 % uitmaken van het aantal erkende bedden in de referentieperiode.
De tegemoetkoming per dag huisvesting en per rechthebbende bedraagt :
[(0,27 euro x aantal patiënten B, C, Cd, Cc)/totale aantal patiënten].]
Art. 23.
Met die tegemoetkoming organiseren de voormelde inrichtingen een continue opleiding voor hun personeel, waarvan het totale aantal uren over een jaar dat hierna " schooljaar " [van 1 september tot 31 augustus] wordt genoemd, minstens gelijk is aan het aantal [rechthebbenden B, C, Cd of Cc]51die op de vorige 30 juni in de inrichting waren opgenomen. <MB 2004-10-19/37, art. 13, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Rekening houdende met de prioriteiten die ze zelf vaststellen, organiseren de voormelde inrichtingen die opleiding [bij voorkeur voor al hun personeel, maar minstens voor het zorgpersoneel]52. Ze zien er in het bijzonder op toe dat die opleiding wordt gegeven door personen die hooggeschoold zijn op het vlak van de palliatieve verzorging.
Wanneer verscheidene personeelsleden van dezelfde inrichting tegelijkertijd dezelfde opleiding volgen, wordt bij de eindafrekening het aantal uren bepaald op basis van het aantal personeelsleden dat deze vorming heeft gevolgd, met een maximum van 10 personeelsleden per uur vorming.
Art. 24.
Om de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 22, eerste lid, te genieten, moeten de voormelde inrichtingen de volgende voorwaarden vervullen :
1° het opstellen van een intentieverklaring waarin het beleid wordt beschreven dat de inrichting van plan is te volgen op het vlak van de palliatieve verzorging. Die verklaring wordt op grote schaal verspreid en wordt ten minste aan de Dienst, aan elk personeelslid, alsook aan de opgenomen patiënten bezorgd. De nieuwe inrichtingen stellen die verklaring op en verspreiden ze binnen de zes maanden na hun erkenning;
2° het aanwijzen van een verantwoordelijke voor de organisatie binnen de inrichting van de palliatieve verzorging en van de opleiding van het personeel in de cultuur van de palliatieve verzorging. In de rust- en verzorgingstehuizen is die verantwoordelijke persoon normaliter de coördinerend en adviserend geneesheer of de hoofdverpleegkundige. In de rustoorden voor bejaarden is die verantwoordelijke persoon bij voorkeur een verpleegkundige of een lid van het geschoold personeel dat al een zekere ervaring op dat vlak bezit;
3° voor de rustoorden voor bejaarden die geen sectie hebben met een bijzondere erkenning voor " rust- en verzorgingstehuizen " : het sluiten van een overeenkomst die minstens voorziet in een periodiek overleg, met een regionale vereniging die zich met palliatieve verzorging bezighoudt, binnen de zes maanden na hun erkenning.
[De inrichting heeft recht op de bedoelde in artikel 22 tegemoetkoming vanaf de eerste dag van het trimester waarin de inrichting voldoet aan de voorwaarden bedoeld in vorig lid.]53
Art. 25.
Binnen de termijnen bedoeld in artikel 32, 1°, bezorgen de voormelde inrichtingen aan de Dienst op een elektronische vragenlijst waarvan het model door die Dienst aan de inrichtingen wordt verstrekt, de volgende gegevens voor alle patiënten die het afgelopen jaar gestorven zijn :
- leeftijd en geslacht van de patiënt;
- eerste datum van opname in de inrichting;
- datum waarop het verzorgingsteam de palliatieve verzorging heeft gestart;
- datum vanaf wanneer de patiënt beantwoordde aan de criteria, bedoeld in artikel 3, 1° tot 5°, van het koninklijk besluit van 2 december 1999 tot vaststelling van de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor geneesmiddelen, verzorgingsmiddelen en hulpmiddelen voor palliatieve thuispatiënten bedoeld in artikel 34, 14°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; die datum moet door de huisarts worden vastgesteld;
- datum van het einde van het verblijf in de inrichting;
- plaats en datum van het overlijden.
De inrichting geeft op datzelfde document eveneens een overzicht van de opleiding die tijdens het afgelopen schooljaar is gegeven.
Art. 26.
Voor de nieuwe inrichtingen past de Dienst de volgende regels toe :
1° Voor de rust- en verzorgingstehuizen, de rustoorden voor bejaarden die beschikken over een afdeling met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis en de rustoorden voor bejaarden die de laatste dag van de maand [die volgt op die van de erkenning]54de voorwaarden vervullen zoals voorzien in artikel 22, tweede lid, wordt het aantal uren opleiding dat moet worden georganiseerd door de inrichting vastgesteld met de volgende formule :
H = P x M/12
waarbij :
H = het aantal uren opleiding dat moet worden georganiseerd (afgerond tot de naasthogere eenheid als de eerste twee decimalen hoger dan of gelijk zijn aan 50);
P = het aantal [rechthebbenden B, C, Cd of Cc]55dat de laatste dag van de maand die volgt op die van de erkenning in de inrichting zijn opgenomen; <MB 2004-10-19/37, art. 14, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
M = het aantal maanden tussen de eerste dag van de maand die volgt op die van de erkenning en het einde van het lopende schooljaar.
2° voor de rustoorden voor bejaarden die de laatste dag van de maand die volgt op die van de erkenning niet voldoen aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 22, tweede lid, wordt de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 22, eerste lid, toegekend vanaf de eerste factureringsperiode die volgt op de eerste referentieperiode tijdens welke die voorwaarden zijn vervuld.
Sectie 5. - Deel D : partiële tegemoetkoming in de beheerskost en in de kost voor de gegevensoverdracht.
Art. 27.
[De tegemoetkoming per dag huisvesting]56en per rechthebbende voor de dekking van de beheerskost en de kost voor de gegevensoverdracht bedraagt 0,10 euro.
Sectie 6. - [Deel E1 : financiering van het functiecomplement voor hoofdverpleegkundige in RVT]57
Art. 28.
[De tegemoetkoming per dag huisvesting]56en per rechthebbende voor de functie van hoofdverpleegkundige in de RVT-afdeling bedraagt :
((0,55 euro x aantal rechthebbenden in RVT)/totaal aantal rechthebbenden).
Sectie 6bis. - [Deel E2 : financiering van het functiecomplement voor hoofdverpleegkundigen, hoofdparamedici en verpleegkundig coördinatoren.]58
Art. 28bis.
[§ 1. De tegemoetkoming per dag huisvesting en per rechthebbende voor het functiecomplement in de ROB's en RVT's voor de hoofdverpleegkundigen, de hoofdparamedici en de verpleegkundig coördinatoren bedraagt :
[1.057,28 euro x het aantal te financieren voltijds equivalent verpleegkundig coördinatoren, hoofdparamedici en hoofdverpleegkundigen in de inrichting/totaal aantal patiënten]/aantal kalenderdagen van de facturatieperiode.
Voor de hoofdverpleegkundigen in RVT's, mag dat bedrag worden gecumuleerd met het bedrag bedoeld in artikel 28.]59
Om tegemoet te komen aan de kost van dit functiecomplement voor het jaar 2008, wordt dit bedrag voor de facturatieperiode 2009 verdubbeld in de inrichtingen die erkend waren voor 1 januari 2008. In de inrichtingen, erkend in de loop van het jaar 2008, wordt dit bedrag proportioneel verhoogd met de duur van de erkenning in 2008.
§ 2. Komen in aanmerking voor de financiering van het functiecomplement de verpleegkundig coördinatoren, hoofdparamedici en hoofdverpleegkundigen die aan de volgende voorwaarden beantwoorden :
a) een contract hebben waarin de rol van verpleegkundig coördinator of van hoofdparamedicus is voorzien, of een contract hebben als hoofdverpleegkundige. Voor het statutair personeel moet de rol van verpleegkundig coördinator of van hoofdparamedicus blijken uit de benoemingsbeslissing of de beslissing tot aanstelling;
b) op de laatste dag van de referentieperiode, voldoen aan een baremieke anciënniteit van minstens 17 jaar;
[c) [op de laatste dag van de referentieperiode,]60geslaagd zijn in een van volgende aanvullende basisopleidingen :
1° kaderopleiding;
2° universitaire opleiding : master in de verpleegkunde of verloskunde, of master in het beleid en management van de gezondheidszorg, of master in de gezondheidszorg (alle opties inbegrepen);
3° opleiding die toegang geeft tot de functie van rusthuisdirecteur;
4° of een aanvullende opleiding van minimum 24 uren, waarvan het programma werd goedgekeurd door de FOD Volksgezondheid, aangaande :
* uurroosters, arbeidsduur en collectieve arbeidsverhoudingen,
* welzijn op het werk,
* beheer van een team;
d) jaarlijks een permanente vorming van minimum 8 uren volgen, erkend door de FOD Volksgezondheid, aangaande een of meerdere domeinen bedoeld in punt c), 4°.]61
§ 3. Het functiecomplement kan, voor maximum een voltijds equivalent verpleegkundige of paramedicus, worden gefinancierd in elke instelling die tijdens de referentieperiode over een zorgequipe van minstens 12 loontrekkende of statutaire voltijds equivalenten beschikt (verpleegkundig, verzorgend en personeel voor reactivering). Telkens als de instelling de helft van een nieuwe schijf van 12 voltijds equivalent bereikt, kan het functiecomplement voor maximum een bijkomend voltijds equivalent verpleegkundige of paramedicus worden gefinancierd.
[De personeelsleden, bedoeld in artikel 8, § 2, b) en d), die in de inrichting aanwezig zijn, worden ook meegeteld in de samenstelling van dat verzorgingsteam.]62
§ 4. [Voor de eerste toepassing van dit artikel, wordt, indien nodig, het contract van de personeelsleden waarvoor het functiecomplement kan worden gefinancierd aangepast]60volgens de vereisten uit § 2, a), binnen de zes maanden die volgen op de publicatie van dit besluit. Voor het statutair personeel wordt, indien nodig, een beslissing genomen, teneinde te voldoen aan de vereisten van § 2, a), binnen de zes maanden die volgen op de publicatie van dit besluit.]58
[[Voor de eerste toepassing van dit artikel,]60deze hoofdverpleegkundigen, hoofdparamedici en verpleegkundig coördinatoren moeten de basisvorming bedoeld in § 2, c), uiterlijk op 31 december 2010 hebben gevolgd. De permanente vorming bedoeld in § 2, d), zal gevolgd worden vanaf het jaar 2011.]61
Sectie 6ter. [- Deel E3 : financiering van een referentiepersoon dementie]63
Art. 28ter
[§ 1. [De tegemoetkoming per dag huisvesting en per rechthebbende voor de referentiepersoon dementie wordt bepaald aan de hand van de volgende criteria :
- het voltijds equivalent van de referentiepersoon dementie tijdens de referentieperiode wordt berekend volgens de bepalingen van artikel 8;
- gedurende eenzelfde periode wordt maximum een referentiepersoon dementie in aanmerking genomen. Tijdens deze periode waarin een personeelslid de functie van referentiepersoon dementie uitoefent, wordt rekening gehouden met maximum 19 uur per week;
- de tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de volgende formule : [((VTE van de referentiepersoon dementie tijdens de referentieperiode x jaarlijkse loonkost volgens de gemiddelde anciënniteit van de kwalificatie van die persoon )/gemiddeld aantal patiënten tijdens de referentieperiode)/aantal kalenderdagen van de facturatieperiode];
- het is mogelijk dat tijdens de referentieperiode meerdere opeenvolgende referentiepersonen worden aangeduid.]64
§ 2. [Om in aanmerking te kunnen komen voor die financiering moet de inrichting de volgende voorwaarden vervullen :
1° gedurende de referentieperiode gemiddeld minstens 25 patiënten in de afhankelijkheidscategorie Cd te hebben gehuisvest. Van zodra gedurende een referentieperiode en dit ten vroegste vanaf de referentieperiode die begon op 1 juli 2010 aan deze voorwaarde is voldaan, is ze nadien niet meer van toepassing. Als vastgesteld wordt dat de inrichting gedurende een volledige referentieperiode niet over een referentiepersoon dementie beschikt, is deze voorwaarde terug van toepassing gedurende minstens een referentieperiode;
2° aan de Dienst de nodige stukken overmaken die aantonen dat een personeelslid voor minstens 19 uur/week een contract heeft of benoemd is, als referentiepersoon dementie;
3° geen financiering ontvangen voor een referentiepersoon dementie op basis van artikel 4bis van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007 tot uitvoering van de artikelen 57 en 59 van de programmawet van 2 januari 2001 wat de harmonisering van de barema's en de loonsverhogingen in bepaalde gezondheidsinrichtingen betreft;
4° die functie van referentiepersoon dementie kan tegelijkertijd worden uitgeoefend door maximum een personeelslid. In geval van afwezigheid kan deze functie wel uitgeoefend worden door een andere personeelslid dat beantwoordt aan de voorwaarden.]64
§ 3. De functie van referentiepersoon dementie kan als volgt omschreven worden :
1° als raadgever optreden in verband met en advies geven over vragen in verband met de omkadering van en de verzorging die gegeven wordt aan personen die lijden aan dementie en hun omgeving;
2° [zich informeren over de wetgeving en de ontwikkelingen op het vlak van de kennis over dementie]65;
3° de directie bijstaan bij de vorming van het personeel in verband met dementie en voorstellen formuleren over externe deskundigen die delen van deze opleidingen kunnen geven;
4° het personeel bewust maken van tekenen van beginnende dementie. Op basis hiervan in samenspraak met de hoofdverpleegkundige de behandelende arts en/of de raadgevend en coördinerend arts hiervan op de hoogte brengen;
5° het personeel en de omgeving van personen met dementie stimuleren om over de problematiek van dementie na te denken en om een aanpak en een houding te ontwikkelen die het welzijn van deze personen kan verbeteren;
6° meewerken aan het ontwikkelen van een kwaliteitspolitiek (procedures, multidisciplinair overleg, enz.) in verband met de omkadering van en de zorg voor personen met dementie;
7° pleiten voor het oprichten van een netwerk met daarin alle belangrijke partners : het expertisecentrum dementie, het geriatrisch dagziekenhuis waarmee er een functionele band moet gecreëerd worden, de coördinerend en raadgevend arts, andere referentiepersonen in verband met dementie;
8° instaan voor een verbindingsfunctie tussen dit netwerk en de coördinerend en raadgevend arts;
9° het personeel en de directie stimuleren om te blijven zoeken naar middelen die de levenskwaliteit van personen met dementie kunnen verbeteren;
10° aan de directie voorstellen doen in verband met de verbetering van de levenskwaliteit van het personeel dat personen met dementie verzorgt of bijstaat en dit binnen de ganse organisatie en onder toezicht van externe deskundigen.
[11° bijdragen tot de sensibilisering, de supervisie en de opleiding van het personeel op het vlak van dementie. Hij/zij houdt zich bij voorrang bezig met de psychosociale en ethisch-deontologische aspecten van dementie, alsook met de communicatie. Het is meer bepaald de bedoeling om een effect te hebben op het agressieve gedrag van de bewoners en het gebruik van zowel chemische als fysieke fixatie te verminderen.]65
§ 4. Komen in aanmerking om de functie van referentiepersoon dementie uit te voeren, die personeelsleden [die houder zijn van een diploma of een brevet van verpleegkundige (A1 of A2)]64of van een van de diploma's vermeld in artikel 4, § 2, en die :
1° [voor personen die vóór 1 juli 2014 voor het eerst als referentiepersoon dementie zijn aangewezen]66]67]68een relevante vorming van minstens 30 uren gevolgd hebben of gedurende 24 maanden relevante beroepservaring hebben opgedaan;
2° [voor personen die tussen 1 juli 2014 en 30 juni 2024 voor het eerst als referentiepersoon dementie zijn aangewezen:]66]68een opleiding gevolgd hebben van minstens 60 uren die de volgende onderwerpen behandeld :
a) de medische aspecten van dementie;
b) de psychosociale aspecten van dementie;
c) de ethisch-deontologische aspecten van dementie;
d) de juridische aspecten van dementie;
e) [de organisatie]66van de zorg;
f) [de communicatie]66.
[2/1° voor personen die vanaf 1 juli 2024 voor het eerst als referentiepersoon dementie zijn aangewezen: een door de bevoegde ministers erkende opleiding van minstens 70 uur gevolgd hebben en met vrucht geslaagd zijn voor de certificeringstest die deze opleiding bekrachtigt. Deze opleiding omvat de volgende onderwerpen:
a) kennis van cognitieve stoornissen en dementie, de medische actualiteit en vooruitzichten in de begeleiding en behandeling van mensen met cognitieve stoornissen;
b) psychosociale aspecten van begeleiding en verzorging van mensen met dementie of cognitieve stoornissen, hun naaste omgeving en personeelsleden;
c) ethische en deontologische aspecten van begeleiding van mensen met cognitieve stoornissen of dementie;
d) juridische aspecten van cognitieve stoornissen en dementie en bicommunautaire regelgeving over de referentiepersoon dementie;
e) organisatie van de zorgverlening en de begeleiding;
f) communicatie en interdisciplinaire samenwerking in de instelling;
g) kennisoverdracht: bewustmaking, ontwikkeling en methoden van interne opleiding;
h) projectbeheer: ontwikkeling op basis van de behoeften en methodologie ;
i) werken in netwerken: de oprichting van netwerken rond mensen met cognitieve stoornissen met de relevante externe actoren, en de presentatie van het Brusselse bicommunautaire netwerk van referentiepersonen dementie.]66
[3° loontrekkende of statutair zijn. Een loontrekkende of statutaire directeur, een hoofdverpleegkundige, een hoofdparamedicus of een verpleegkundig coördinator mogen echter niet tegelijkertijd de functie van referentiepersoon dementie uitoefenen.]69
§ 5. De minimumvereisten voor [de opleidingen bedoeld in § 4, 2° en 2/1°]70, worden via omzendbrief bekend gemaakt aan de instellingen door [Iriscare]70.
§ 6. [Het programma van de opleidingen bedoeld in § 4, 2° en 2/1°, wordt door de opleidingsorganisaties meegedeeld aan Iriscare, die binnen 60 dagen nagaat of het voldoet aan de minimumvereisten bedoeld in § 5. Als er binnen 60 dagen volgend op de datum van indiening van de aanvraag geen antwoord is gegeven, wordt het opleidingsprogramma als goedgekeurd beschouwd.
De geldigheidsduur van deze erkenning bedraagt vier schooljaren, behalve wanneer uit een controle blijkt dat het werkelijk gevolgde programma niet overeenstemt met het programma waarvoor de goedkeuring is verleend.
Er worden maximum 30 leerlingen toegelaten per opleidingsmodule.
De opleidingsorganisatie kan voor haar studenten een facultatieve observatiestage organiseren, vooral voor studenten zonder ervaring met paramedisch werk in ROB's/RVT's]71.]68]63
[§ 7.[Van de opleidingen bedoeld in § 4, 2° en 2/1°, zijn vrijgesteld op voorwaarde dat ze kunnen aantonen dat ze voldoende kennis hebben van projectbeheer, cognitieve stoornissen of dementie, en voldoende geschoold zijn in de communicatieve vaardigheden die nodig zijn voor de begeleiding en verzorging van mensen met cognitieve stoornissen: verpleegkundigen (bachelor of gelijkgesteld) die beschikken over een titel van verpleegkundige gespecialiseerd in de geriatrie, of een licentiaat of een master in gerontologie of geriatrie en de "bachelor na bachelor opleiding psychosociale gerontologie".
Voor de opleidingen bedoeld in het vorige lid worden de erkenningsaanvragen, samen met de nodige bewijsstukken, door de instellingen, de betrokken personen of de opleidingsorganisaties bezorgd aan Iriscare, die binnen 60 dagen antwoordt. De lijst van erkende opleidingen wordt bekendgemaakt op de website van Iriscare]72.]68
[§ 8. Opleidingscursussen georganiseerd op basis van de regelgeving van andere Belgische deelentiteiten, en equivalente opleidingscursussen gevolgd in andere lidstaten van de Europese Unie, worden tot en met 30 juni 2024 gelijkgesteld met de opleidingen bedoeld in § 4, 2°.
Opleidingscursussen georganiseerd op basis van de regelgeving van andere Belgische deelentiteiten, en equivalente opleidingscursussen gevolgd in andere lidstaten van de Europese Unie, worden vanaf 1 juli 2024 gelijkgesteld met de opleidingen bedoeld in § 4, 2/1.]73
Sectie 6quater.
<Opgeheven bij MB 2012-12-05/07, art. 20, 015; Inwerkingtreding : 01-04-2012>
Art. 28quater.
<Opgeheven bij MB 2012-12-05/07, art. 20, 015; Inwerkingtreding : 01-04-2012>
Sectie 7. [Deel F: financiering van de coördinerend en raadgevend arts of de referentieart]74
Art. 29
[De tegemoetkoming per dag huisvesting en per rechthebbende voor de functie van coördinerend en raadgevend arts of referentiearts bedraagt:
(0,63 euro x aantal patiënten in RVT + 0,30 euro x aantal patiënten in ROB)/totaal aantal patiënten.
Die financiering is bestemd voor de bezoldiging van de coördinerend en raadgevend arts of, in de rusthuizen die geen bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis hebben, de referentiearts.
De coördinerend en raadgevend arts en de referentiearts zijn op zijn minst door een ondernemingscontract aan de inrichting verbonden. De prestaties van de coördinerend en raadgevend arts bedragen gemiddeld 2 uur 20' per week en per 30 patiënten in het RVT.
Een exemplaar van het contract waardoor de coördinerend en raadgevend arts of de referentiearts verbonden is aan de inrichting, wordt bewaard in de inrichting en op verzoek aan Iriscare bezorgd.]75
Sectie 8: Deel G : bijkomende financiering van het kortverblijf.
<ingevoegd bij MB 2008-03-10/31, art. 6; Inwerkingtreding : 01-04-2008>
Art. 29bis.
<ingevoegd bij MB 2008-03-10/31, art.6; Inwerkingtreding : 01-04-2008>
In de instellingen die beschikken over erkende bedden voor kortverblijf, bedraagt de kost van de bijkomende financiering per dag huisvesting en per rechthebbende :
((1,41 euro x gemiddeld aantal erkende bedden voor kortverblijf tijdens de referentieperiode)/gemiddeld totaal aantal erkende bedden tijdens de referentieperiode).
Sectie 9: Deel H : financiering van de bijkomende vorming van het personeel op het vlak van dementie.
<ingevoegd bij MB 2008-03-10/31, art. 6; Inwerkingtreding : 01-04-2008>
Art. 29ter.
<ingevoegd bij MB 2008-03-10/31, art. 6; Inwerkingtreding : 01-04-2008>
§ 1. De tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging die bestemd is voor de financiering van de opleiding en de sensibilisering van [al]76het personeel op het vlak van de dementie, wordt vastgesteld op 0,27 euro per dag en per opgenomen rechthebbende die, omwille zijn psychische afhankelijkheid, gerangschikt is in de afhankelijkheidscategorie C (categorie Cd), zoals bedoeld in de artikelen 148 en 150 van voormeld koninklijk besluit van 3 juli 1996.
Die tegemoetkoming wordt verleend aan de rust- en verzorgingstehuizen, aan de rustoorden voor bejaarden met een afdeling die een bijzondere erkenning als "rust- en verzorgingstehuis" heeft, en aan de rustoorden voor bejaarden die tijdens de referentieperiode gemiddeld minstens 15 patiënten in de categorie Cd huisvestten.
§ 2. Met die tegemoetkoming organiseren de voormelde inrichtingen een continue opleiding voor hun personeel, waarvan het totale aantal uren over een jaar dat " schooljaar " (van 1 september tot 31 augustus) wordt genoemd, minstens gelijk is aan het aantal rechthebbenden Cd die op de vorige 30 juni in de inrichting waren opgenomen.
Rekening houdende met de prioriteiten die ze zelf vaststellen, organiseren de inrichtingen die opleiding [bij voorkeur voor al hun personeel, maar minstens voor het zorgpersoneel]76. Ze zien er in het bijzonder op toe dat die opleiding wordt gegeven door personen die hooggeschoold zijn op het vlak van de aanpak rond dementie.
Wanneer verscheidene personeelsleden van dezelfde inrichting tegelijkertijd dezelfde opleiding volgen, wordt bij de eindafrekening het aantal uren opleiding, te organiseren door de inrichting, rekening gehouden met het aantal personeelsleden dat deze opleiding heeft gevolgd, met een maximum van 10 personeelsleden per uur opleiding.
De Dienst kan op elk ogenblik aan de instelling vragen om een overzicht te krijgen van de opleidingen die hebben plaatsgevonden, om op die wijze te kunnen nagaan of voldaan werd aan het minimum aantal uren opleiding.
§ 3. Om de tegemoetkoming bedoeld in § 1 te genieten, moeten de voormelde inrichtingen de volgende voorwaarden vervullen :
1° het opstellen van een intentieverklaring waarin het beleid wordt beschreven dat de inrichting van plan is te volgen op het vlak van personen met dementie. Die verklaring wordt op grote schaal verspreid en wordt ten minste aan de Dienst, aan elk personeelslid, alsook aan de opgenomen patiënten bezorgd. De nieuwe inrichtingen stellen die verklaring op en verspreiden ze binnen de zes maanden na hun erkenning;
2° [het aanstellen van een verantwoordelijke voor de tenlasteneming binnen de inrichting van de problematiek inzake dementie en van de opleiding van het personeel. Die verantwoordelijke is in principe de referentiepersoon dementie bedoeld in artikel 28ter. Als de inrichting niet over een dergelijke referentiepersoon beschikt, dan is die verantwoordelijke normaliter de coördinerend en adviserend geneesheer of de hoofdverpleegkundige in de rust- en verzorgingstehuizen en in de rustoorden voor bejaarden, een verpleegkundige of een gekwalificeerd lid van het personeel dat al een zekere ervaring op dat vlak bezit.]77]78
§ 4. Voor de nieuwe inrichtingen past de Dienst de volgende regels toe :
1° Voor de rust- en verzorgingstehuizen, de rustoorden voor bejaarden die beschikken over een afdeling met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis en de rustoorden voor bejaarden die de laatste dag van de maand volgend op de erkenning de voorwaarden vervullen zoals voorzien in § 1, tweede lid, wordt het aantal uren opleiding dat moet worden georganiseerd door de inrichting vastgesteld met de volgende formule :
H = P x M / 12
waarbij :
H = het aantal uren opleiding dat moet worden georganiseerd (afgerond tot de naasthogere eenheid als de eerste twee decimalen hoger dan of gelijk zijn aan 50);
P = het aantal rechthebbenden Cd dat de laatste dag van de maand die volgt op die van de erkenning in de inrichting zijn opgenomen;
M = het aantal maanden tussen de eerste dag van de maand die volgt op die van de erkenning en het einde van het lopende schooljaar.
2° voor de rustoorden voor bejaarden die de laatste dag van de maand die volgt op die van de erkenning niet voldoen aan de voorwaarden zoals bedoeld in § 1, tweede lid, wordt de tegemoetkoming, bedoeld in § 1, eerste lid, toegekend vanaf de eerste factureringsperiode die volgt op de eerste referentieperiode tijdens welke die voorwaarden zijn vervuld.
§ 5. [De tegemoetkoming per dag huisvesting]79en per rechthebbende voor de bijkomende vorming van het personeel op het vlak van dementie (deel H) bedraagt :
((0,27 euro x aantal [patiënten]80Cd)/totaal aantal [patiënten]80).
[De inrichting heeft recht op deze tegemoetkoming vanaf de eerste dag van het trimester waarin de inrichting voldoet aan de voorwaarden bedoeld in § 3.]79
Sectie 10. - Deel Z1 : de financiering van de liaisonfunctie voor kortverblijf voor de periode van 1 juli 2008 tot 31 december 2009.
<Ingevoegd bij MB 2008-07-04/33, art. 7; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
Art. 29quater.
<Ingevoegd bij MB 2008-07-04/33, art. 7; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
Voor de periode van 1 juli 2008 tot 31 december 2008 bedraagt de financiering van de liaisonfunctie voor kortverblijf per rechthebbende en per dag :
((5,05 euro x gemiddeld aantal bedden in kortverblijf tijdens de referentieperiode) / (totaal aantal gefactureerde dagen in de referentieperiode / aantal kalenderdagen in de referentieperiode)).
Voor de periode van 1 januari 2009 tot 31 december 2009 bedraagt deze financiering per rechthebbende en per dag :
((5,62 euro x gemiddeld aantal patiënten in kortverblijf tijdens de referentieperiode) / (totaal aantal gefactureerde dagen in de referentieperiode/aantal kalenderdagen in de referentieperiode)).
Sectie 11. - Deel Z2 : de financiering van personeel ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten in het RVT voor de periode van 1 juli 2008 tot 31 december 2009.
<Ingevoegd bij MB 2008-07-04/33, art. 7; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
Art. 29quinquies.
<Ingevoegd bij MB 2008-07-04/33, art.7; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
Voor de periode van 1 juli 2008 tot 31 december 2009 bedraagt de financiering van personeel ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten in het RVT, per rechthebbende en per dag :
(0,40 euro x aantal gefactureerde dagen in RVT tijdens de referentieperiode / totaal aantal gefactureerde dagen in de referentieperiode)
Section 12. [Deel Z3 : bijkomende financiering afhankelijkheidscategorie A.]81
Art. 29sexies.
[Voor de periode van 1 januari tot 31 december 2010 bedraagt de bijkomende financiering per rechthebbende en per dag van de afhankelijkheidscategorie A :
[(0,87 euro * gemiddeld aantal patiënten in afhankelijkheidscategorie A tijdens de referentieperiode)/gemiddeld aantal patiënten tijdens de referentieperiode]
Voor de periode van 1 januari tot 31 december 2011 bedraagt de bijkomende financiering per rechthebbende en per dag van de afhankelijkheidscategorie A :
[(0,44 euro * gemiddeld aantal patiënten in afhankelijkheidscategorie A tijdens de referentieperiode)/gemiddeld aantal patiënten tijdens de referentieperiode] "]81
Sectie 13. [Deel Z4 : de financiering van de verhoging van de norm van RVT tussen 1 juli 2010 en 31 december 2011.]82
Art. 29septies.
[Voor de periode van 1 juli 2010 tot 31 december 2011 bedraagt de bijkomende financiering per rechthebbende en per dag :
[(0,70 euro * gemiddeld aantal patiënten in afhankelijkheidscategorieën B, C en Cd in RVT tijdens de referentieperiode)/gemiddeld aantal patiënten tijdens de referentieperiode].]82
Sectie 14. [Deel Z5 : financiering van de afhankelijkheidscategorie D in het rustoord tussen 1 januari 2013 en 31 december 2014]83
Art. 29octies.
[§ 1.Voor de periode van 1 januari 2013 tot 31 december 2013 bedraagt de bijkomende financiering per rechthebbende en per dag :
(17,78 euro * aantal patiënten A die op 1 januari 2013 worden ondergebracht in afhankelijkheidscategorie D)/gemiddelde aantal patiënten tijdens de referentieperiode.
De instelling deelt uiterlijk op 31 januari 2013 aan de Dienst het aantal patiënten A mee die op 1 januari 2013 werden ondergebracht in afhankelijkheidscategorie D.
Deze bijkomende financiering is niet van toepassing voor de instellingen erkend na 30 september 2012.
§ 2. Voor de periode van 1 januari 2014 tot 31 december 2014 bedraagt de bijkomende financiering per rechthebbende en per dag :
(17,78 euro * 184/365 * [gemiddeld aantal patiënten D die tussen 1 januari en 30 juni 2013 voldoen aan de criteria van de afhankelijkheidscategorie A, berekend op basis van het aantal verblijfsdagen van deze patiënten]84)/gemiddelde aantal patiënten tijdens de referentieperiode.
Deze bijkomende financiering is niet van toepassing voor de instellingen erkend na 30 september 2012.]83
HOOFDSTUK IV. - Algemene voorwaarden van de tussenkomst.
Sectie 1. - De volledige of partiële tegemoetkoming.
Art. 30.
Om aanspraak te kunnen maken op de in artikel 6 bedoelde volledige tegemoetkoming moeten de inrichtingen beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
1° erkend zijn door de bevoegde overheid;
2° voor de inrichtingen die een erkenning hebben als rust- en verzorgingstehuis : toetreden tot de overeenkomst tussen de rust- en verzorgingstehuizen en de verzekeringsinstellingen zoals bedoeld in artikel 47 van de hiervoor genoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994;
3° voor de rustoorden voor bejaarden : toetreden tot de nationale overeenkomst tussen de rustoorden voor bejaarden en de verzekeringsinstellingen zoals bedoeld in artikel 47 van de hiervoor genoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994;
4° daadwerkelijk het individueel verzorgingsdossier bijhouden, bedoeld in artikel 152, § 4 van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996;
5° het verpleegkundig personeel, het verzorgingspersoneel en het personeel voor reactivering dient minstens de voordelen te genieten zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 26 september 2002 tot uitvoering van artikel 35, § 3, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. De openbare inrichtingen die een van de volgende akkoorden toepassen voldoen aan de bepalingen van het genoemde besluit van 26 september 2002 :
- het sectoraal akkoord betreffende een algemene weddeschaalherziening voor het personeel van de lokale en regionale sector van de Vlaamse Gemeenschap en gemeenschappelijke krachtlijnen voor een samenhangend personeelsbeleid in de lokale en regionale besturen (omzendbrief BA 93/07 van 18 juni 1993 van de Vlaamse Gemeenschap);
- " la circulaire du 27 mai 1994 du Ministre des Affaires intérieures et de la Fonction publique du Gouvernement wallon concernant la révision générale des barèmes applicable aux pouvoirs provinciaux et locaux de Wallonie ";
- het Sociaal Handvest van 28 april 1994 - Harmonisatie van het administratief statuut en algemene weddeherziening voor het personeel van de plaatselijke besturen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
- het protocol nr. 59/1 van 13 juni 1991 betreffende het intersectoraal akkoord van sociale programmatie van de jaren 1991-1994 toepasselijk op het geheel van de overheidssector;
- de " Allgemeine Revision der Sätze der Gehaltstabellen für die Bediensteten der öffentlichen Sozialhilfezentren des deutschen Sprachgebietes (Rundschreiben von 11 Januar 1995) ".
[Het vakantiegeld bedoeld in artikel 7, c) wordt betaald aan de werknemers van de openbare sector, zoals die gefinancierd wordt of op een andere manier, op voorwaarde dat er een akkoord bestaat of een akkoord overeengekomen is met de vakbondsorganisaties op niveau van het bevoegde Comité, dat als gevolg heeft of vaststelt dat gelijkaardige rechten zijn toegekend, eventueel onder een andere vorm en volgens een vooropgestelde timing.
Indien die niet begrepen zijn in hogervermelde akkoorden, worden de jaarlijkse premies bedoeld in artikel 7, f) betaald aan de werknemers van de openbare sector, zoals die gefinancierd worden of op een andere manier, op voorwaarde dat er een akkoord bestaat of een akkoord overeengekomen is met de vakbondsorganisaties op niveau van het bevoegde Comité, dat als gevolg heeft of vaststelt dat gelijkaardige rechten zijn toegekend, eventueel onder een andere vorm en volgens een vooropgestelde timing.
Indien deze niet begrepen is in hogervermelde akkoorden, wordt de jaarlijkse attractiviteitspremie bedoeld in artikel 7, g) toch toegekend vanaf 1 december 2006 aan de werknemers van de openbare sector die gefinancierd worden door dit besluit.] <MB 2007-02-16/30, art. 18, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
[Als het niet vervat zit in hogervermelde akkoorden, wordt het functiecomplement dat overeenkomt met het deel E2 bedoeld in artikel 28bis in de publieke sector betaald zoals het gefinancierd wordt.]85
[6° voor de rust- en verzorgingstehuizen die zijn opgenomen in bijlage 3 bij het protocol van 24 mei 2004, gesloten tussen de federale overheid en de overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet, betreffende het gezondheidsbeleid t.a.v. patiënten in een persisterende vegetatieve status : beschikken over een overeenkomst die is gesloten met een van de deskundige ziekenhuiscentra die zijn opgenomen in bijlage 2 van het voormelde protocol van 24 mei 2004. Die overeenkomst moet de modaliteiten regelen volgens welke :
- de permanente vorming van het personeel van de instelling wordt door het expertisecentrum verzorgd;
- de gespecialiseerde adviezen worden uitgewisseld als antwoord op complexe individuele problemen.] <MB 2005-02-28/39, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
[7° [aan alle loontrekkende of statutaire personeelsleden]86minstens de volgende toeslagen toekennen :
a) voor de gepresteerde uren tussen 19 u. en 20 u., pro rata de effectief gepresteerde uren tijdens deze uurperiode :
- voor het personeel dat wordt betaald volgens het zogenaamde regime " per prestatie " : 20 % van het barema-uurloon ongeacht de dag van de week aangezien de toeslag op zaterdag, zon- en feestdagen van toepassing is indien voordeliger dan de 20 %;
- voor het personeel dat forfaitair betaald wordt (11 %) : de toeslag voor het nachtuurloon toegevoegd aan het basisbarema van 111 %, ongeacht de dag van de week, inclusief zaterdag en zon- en feestdagen;
b) de gepresteerde uren tussen 20 u. en 6 u. worden beschouwd als nachturen en als dusdanig betaald, volgens de geldende voorwaarden op 31 december 2009, zowel voor de week als voor de zaterdagen, zondagen en feestdagen. Bovendien worden alle uren of fractie ervan van een prestatie die mindernacht overschrijdt, beschouwd en betaald als nachturen zelfs indien de prestatie start voor 20 u. of eindigt na 6 u.
[8° op uniforme wijze het barema 1.35 toekennen, zoals bedoeld in de Collectieve arbeidsovereenkomst van 7 november 2013 met betrekking tot de harmonisatie van de barema's van de zorgkundigen, voor wat betreft de private inrichtingen, of gelijkaardige rechten, voor wat betreft de openbare inrichtingen, aan alle leden van het verzorgingspersoneel die beschikken over een definitieve registratie of, in voorkomend geval, een voorlopige registratie als zorgkundige, ongeacht of ze deel uitmaken van het normpersoneel.]87
De akkoorden of gebruiken die betere voorwaarden bepalen, blijven van toepassing ook wat betreft de andere personeelscategorieën.]88
[...]89.
Art. 31.
Het aantal volledige tegemoetkomingen dat de inrichting tijdens de factureringsperiode voor zijn rechthebbenden kan aanrekenen wordt beperkt door het quotum van dagen zoals bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 9 juli 2003 tot uitvoering van artikel 69, § 4, tweede lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
Vanaf de dag volgend op de dag waarop dit quotum is bereikt, kan tijdens de nog resterende kalenderdagen in de factureringsperiode enkel nog een partiële tegemoetkoming aan alle verzekeringsinstellingen worden aangerekend. Deze partiële tegemoetkoming is maximum gelijk aan [de som van de delen B1, B2, C, D, E1, F, G en H]90. De datum waarop het quotum wordt bereikt, moet vermeld worden op de kostennota's. <MB 2008-03-10/31, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2008>
Sectie 2. - Gegevensmededeling aan de Dienst.
Art. 32
De inrichtingen bezorgen [...] de volgende documenten [aan Iriscare]91: <MB 2007-02-16/30, art.19, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
1° ieder trimester], een elektronisch ingevulde vragenlijst waarvan het model wordt bepaald door [Iriscare]91; <MB 2007-02-16/30, art. 19, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
[1bis° vanaf de eerste werkdag na afloop van een kwartaal, het aantal dagen dat tijdens dat kwartaal werd gefactureerd;]91
2° [als [Iriscare]91erom vraagt, een kopie van de diploma's van het verplegend personeel, van het verzorgingspersoneel en/of van het personeel voor reactivering;]92
3° als [Iriscare]91erom vraagt, een kopie van de RSZ-aangifte of van de RSZ-PPO-aangifte, waarin het personeelsbestand is opgenomen, alsook een kopie van de arbeidsovereenkomsten eigen aan de inrichting of een kopie van de beslissing van de organiserende instantie als het gaat om een overheidsdienst;
4° als [Iriscare]91erom vraagt, een kopie van de ondernemingscontracten gesloten met het zelfstandig personeel bedoeld in artikel 8, § 2, c) en g), een kopie van de facturen met het aantal gepresteerde uren door dit personeel, alsook de betalingsbewijzen;
5° als [Iriscare]91erom vraagt, een verklaring waaruit blijkt dat de voordelen zoals bedoeld in artikel 30, 5°, worden toegepast;
6° als [Iriscare]91erom vraagt, het aantal erkende bedden en de verdeling van de patiënten over de afhankelijkheidscategorieën op een bepaalde datum.
[7° als [Iriscare]91erom vraagt, de gegevens met betrekking tot het gebruik, conform met de interne richtlijnen van de inrichting, van de producten en materiaal die leiden tot betere hygiëne, ter voorkoming van nosocomiale ziekten.]93
8° [als [Iriscare]91erom vraagt, een kopie van de overeenkomst die werd gesloten met de persoon die als referentiepersoon dementie is aangewezen;]92
[9° als [Iriscare]91erom vraagt, alle andere gegevens met betrekking tot de financiering van enig onderdeel van de volledige tegemoetkoming.]92
Art. 33.
In de elektronische vragenlijst zoals bedoeld in artikel 32, 1°, worden ondermeer de volgende gegevens opgenomen per trimester :
1° gegevens met betrekking tot de inrichting :
a) het RSZ of RSZ-PPO-nummer;
b) het statuut;
c) de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur voor voltijdse prestaties;
d) aantal gefactureerde dagen per afhankelijkheidscategorie voor de rechthebbenden per ziekenfonds;
e) aantal gefactureerde dagen per afhankelijkheidscategorie voor de patiënten die niet zijn opgenomen in punt d);
[f) aantal patiënten die behoren tot de afhankelijkheidscategorie A, die effectief aanwezig zijn in de instelling op [31 maart van de referentie periode]94en die minstens een (2) scoren voor oriëntatie in tijd en voor oriëntatie in ruimte, zoals bedoeld in artikel 151, § 2 van voormeld koninklijk besluit van 3 juli 1996.] <MB 2008-03-10/31, art. 8, 1°, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2008>
[g) bankrekeningnummer van de inrichting;
h) nummer Kruispuntbank van Ondernemingen en vestigingseenheidsnummer.]95
2° gegevens voor alle verpleegkundigen, personeel voor reactivering en verzorgenden : per persoon :
a) naam en voornaam;
b) inschrijvingsnummer in het rijksregister;
c) aantal gepresteerde en/of gelijkgestelde dagen zoals bedoeld in artikel 8, § 2, a) ;
d) aantal niet gelijkgestelde dagen, zoals bedoeld in artikel 8, § 2, a) ;
e) aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren zoals bedoeld in artikel 8, § 2, a) ;
f) aantal gepresteerde uren zoals bedoeld in artikel 8, § 2, c), d), e) en g) ;
g) de beroepskwalificatie;
h) statuut : loontrekkende of statutair, interim, zelfstandige, [zelfstandig, statutair of loontrekkend directeur, vervanger]95, en de informaties met betrekking tot de bepalingen van artikel 8, § 2, d);
i) indien het gaat om een nieuw personeelslid of indien een einde werd gesteld aan de tewerkstelling, de begin- en/of einddatum;
j) de baremieke anciënniteit zoals bedoeld in artikel 13;
3° de gegevens zoals bedoeld in artikel 25 met betrekking tot de palliatieve functie.
[4° de gegevens zoals bedoeld in artikel 29 met betrekking tot de coördinerend geneesheer.] <MB 2007-02-16/30, art. 20, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
[5° De gegevens bedoeld in artikel 29ter, § 3, betreffende de bijkomende vorming van het personeel op het vlak van dementie.] <MB 2008-03-10/31, art. 8, 2°, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2008>
6° [de gegevens, bedoeld in artikel 28bis, met betrekking tot het functiecomplement;]95
[7° de gegevens, bedoeld in 28ter, met betrekking tot de referentiepersoon dementie;
8° de naam en het rijksregisternummer van de directeur;
9° één of twee e-mailadressen waarnaar de Dienst nuttige informatie kan versturen.]95
HOOFDSTUK V. - Afwijkingen en sancties.
Art. 34.
[...] <Opgeheven bij MB 2007-02-16/30, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
Art. 35
[§1. Indien de gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1° niet worden overgemaakt binnen 90 dagen volgend op de referentieperiode, en de inrichting niet antwoordt binnen de 30 dagen na de herinnering die haar is gestuurd door [Iriscare]96na het verstrijken van deze termijn, wordt het bedrag van de volledige tegemoetkoming verminderd met 25 %.
De inrichting kan de volledige tegemoetkoming bekomen vanaf de eerste dag van het trimester die volgt op de trimester waarin zij de gegevens bedoeld als in artikel 32, 1°, heeft meegedeeld en dit ten vroegste vanaf 1 april van de factureringsperiode.
Aanvullende gegevens of correcties [van gegevens]96zoals bedoeld in artikel 32, 1°,[die betrekking hebben tot een facturatieperiode voor het lopende jaar geen aanleiding geven tot een herberekening van het forfait van deze facturatieperiode]96.]97
[§ 2. Indien de gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1bis° niet worden overgemaakt uiterlijk de laatste kalenderdag van de tweede maand na afloop van het betreffende kwartaal, ondanks de herinnering die Iriscare, uiterlijk op de vijftiende dag van de tweede maand na afloop van het betreffende kwartaal, naar de inrichting heeft verstuurd, wordt het bedrag van de volledige tegemoetkoming verminderd met 10 % vanaf de eerste dag van de derde maand na afloop van het betreffende kwartaal.
In afwijking van het voorgaande lid, moeten de gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1bis° die het derde en vierde kwartaal van 2023 betreffen uiterlijk op 29 februari 2024 worden overgemaakt. Als de inrichting de gegevens niet heeft overgemaakt uiterlijk op 29 februari 2024, ondanks de herinnering die Iriscare haar heeft gestuurd uiterlijk op 15 februari 2024, wordt het bedrag van de volledige tegemoetkoming verminderd met 2% vanaf de eerste dag van de derde maand na afloop van het betreffende kwartaal.
In afwijking van het eerste lid, wordt het bedrag van de volledige tegemoetkoming verminderd met 5% voor de gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1bis° betreffende het eerste en tweede kwartaal van 2024.
De inrichting kan de volledige tegemoetkoming bekomen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin zij de gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1bis° meedeelt.
Aanvullende gegevens of correcties van gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1bis°, die vooraf zijn meegedeeld en een kwartaal betreffen waarvoor de tegemoetkoming reeds werd berekend, zijn niet langer ontvankelijk wanneer zij meer dan negen maanden na afloop van het betreffende kwartaal aan de dienst van Iriscare, verantwoordelijk voor de financiering van de instellingen, worden overgemaakt.]96
Art. 36.
<MB 2004-10-19/37, art. 15, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 1. Mogen met leden van verzorgingspersoneel worden gelijkgesteld, de personen die op 1 januari 2004 de leeftijd van 45 jaar hebben bereikt en die zijn tewerkgesteld in een instelling die uitsluitend is erkend als rust- en verzorgingstehuis, en die tussen 1 april 1992 en 1 januari 2004 een beroepservaring van 5 jaar voltijdse verzorgende in die instelling kunnen bewijzen. Daartoe moeten zij als verzorgenden zijn ingeschreven en volgens de daarmee overeenstemmende loonschaal zijn betaald.
Teneinde die gelijkstelling effectief te maken, moeten die personen, uiterlijk tegen 31 maart 2005, het registratienummer bedoeld in artikel 4, § 1, derde lid aanvragen.
§ 2. De beperkingen bedoeld in artikel 8, § 2, e) en f) worden voor de eerste keer toegepast bij de berekening van de volledige tegemoetkoming vanaf 1 januari 2007. Tot 30 juni 2005 kunnen de uren, daadwerkelijk gepresteerd door de gekwalificeerde beheerder van de instelling, zelfstandig, loontrekkend of statutair, voor maximum 38 uur per week, in aanmerking worden genomen voor de in artikel 17 bedoelde financiering van de personeelsnorm.
[§ 3. De instellingen die een rust- en verzorgingstehuis omvatten en die zijn opgenomen in bijlage 3 bij het voormelde protocol van 24 mei 2004, kunnen dagelijks een hoger aantal rechthebbenden uit de afhankelijkheidscategorie Cc factureren dan het aantal " gespecialiseerde comabedden " dat hen is toegekend, op voorwaarde dat dit aantal niet wordt overschreden door het gemiddelde aantal gevallen Cc die in de loop van de referentieperiode zijn gefactureerd. De " gespecialiseerde comabedden " die niet door rechthebbenden uit de afhankelijkheidscategorie Cc zijn ingenomen, kunnen worden gebruikt voor de patiënten uit de afhankelijkheidscategorie B of C.
§ 4. Voor de factureringsperiode van 1 juli 2004 tot 31 december 2005 wordt de volledige tegemoetkoming van de instellingen met een door de bevoegde overheid geselecteerd rust- en verzorgingstehuis, overeenkomstig het protocol van 24 mei 2004, verhoogd met (41,10 euro x aantal toegewezen " gespecialiseerde comabedden in RVT ")/totaal aantal rechthebbenden.] <MB 2005-02-28/39, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
[Voor de referentieperiode van 1 juli 2004 tot 31 maart 2005, is de personeelsnorm die dient toegepast te worden op de rechthebbenden geklasseerd in de afhankelijkheidscategorie Cc degene die van toepassing is op de rechthebbenden geklasseerd in de afhankelijkheidscategorie C in RVT.
Voor de factureringsperiode 2006 wordt de volledige tegemoetkoming van de instellingen met een door de bevoegde overheid geselecteerd rust- en verzorgingstehuis, overeenkomstig het protocol van 24 mei 2004, verhoogd met (274/365 x 32,50 euro x gemiddeld aantal rechthebbenden in de afhankelijkheidscategorie Cc tijdens de referentieperiode)/totaal aantal rechthebbenden tijdens de referentieperiode.] <MB 2007-02-16/30, art. 23, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
Art. 37.
<MB 2005-02-28/39, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 1. Alle vrijstellingen en afwijkingen, die de inrichtingen konden genieten op basis van de tot 31 december 2003 geldende wetgeving, blijven tot die datum behouden.
Voor de inrichtingen die in de loop van de eerste twee referentieperiodes personeel hebben aangeworven teneinde, op basis van de tot 31 december 2003 geldende wetgeving, te voldoen aan de norm bedoeld in artikel 5, wordt voor de controle van de naleving van die norm rekening gehouden met de situatie op 31 december 2003.
§ 2. De inrichtingen waarop de vorige bepalingen niet werden toegepast, en die menen zich daarop te kunnen beroepen, dienen daartoe een gemotiveerde aanvraag in bij de Dienst, uiterlijk op 30 juni 2005 voor wat de eerste referentieperiode betreft, en uiterlijk op 30 september 2005 voor wat de tweede referentieperiode betreft.
Art. 37bis.
<Ingevoegd bij MB 2004-10-19/37, art.16; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
In afwijking van de bepalingen van artikel 19, zijn volgende bepalingen van toepassing op de nieuwe inrichtingen die erkend worden in de periode van 1 juli 2002 tot en met 31 december 2003 :
§ 1. Het bedrag per rechthebbende en per dag voor een nieuwe inrichting die erkend wordt tussen 1 januari 2003 en 31 maart 2003 wordt als volgt berekend :
a) voor de factureringsperiode 2004 (van 1 januari 2004 tot 31 december 2004) wordt dit bedrag berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het tweede trimester van het jaar 2003;
b) voor de factureringsperiode 2005 (van 1 januari 2005 tot 31 december 2005) wordt dit bedrag berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16.
§ 2. Het bedrag per rechthebbende en per dag voor een nieuwe inrichting die erkend wordt tussen 1 april 2003 en 30 juni 2003 wordt als volgt berekend :
a) voor de factureringsperiode 2004 (van 1 januari 2004 tot 31 december 2004) wordt dit bedrag berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het derde trimester van het jaar 2003;
b) voor de factureringsperiode 2005 (van 1 januari 2005 tot 31 december 2005) wordt dit bedrag berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16.
§ 3. Het bedrag per rechthebbende en per dag voor een nieuwe inrichting die erkend wordt tussen 1 juli en 30 september 2003 wordt als volgt berekend :
a) voor de periode van 1 januari 2004 tot 31 maart 2004 bedraagt dit bedrag 14,05 euro;
b) voor de rest van de factureringsperiode 2004 (van 1 april 2004 tot 31 december 2004) wordt dit bedrag berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het vierde trimester 2003;
c) het bedrag van de factureringsperiode 2005 (van 1 januari 2005 tot 31 december 2005) wordt berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het vierde trimester 2003 en het eerste en tweede trimester 2004.
§ 4. Het bedrag per rechthebbende en per dag voor een nieuwe inrichting die erkend wordt tussen 1 oktober 2003 en 31 december 2003 wordt als volgt berekend :
a) voor de periode van 1 januari 2004 tot 30 juni 2004 bedraagt dit bedrag 14,05 euro;
b) voor de rest van de factureringsperiode 2004 (van 1 juli 2004 tot 31 december 2004) wordt dit bedrag berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het eerste trimester 2004;
c) het bedrag van de factureringsperiode 2005 (van 1 januari 2005 tot 31 december 2005) wordt berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het eerste en tweede trimester 2004.
§ 5. Voor een nieuwe inrichting die erkend wordt tussen 1 juli 2002 en 30 september 2002, wordt het bedrag per rechthebbende en per dag voor de factureringsperiode 2004 (van 1 januari 2004 tot 31 december 2004) berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het vierde trimester 2002 en het eerste en tweede trimester 2003.
§ 6. Voor een nieuwe inrichting die erkend wordt tussen 1 oktober 2002 en 31 december 2002, wordt het bedrag per rechthebbende en per dag voor de factureringsperiode 2004 (van 1 januari 2004 tot 31 december 2004) berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het eerste en tweede trimester 2003.
HOOFDSTUK VI. - Niet erkende inrichtingen.
Art. 38.
De inrichtingen die zonder erkend te zijn als rustoord voor bejaarden, de woonplaats of de gewone verblijfplaats van bejaarden zijn, worden geregistreerd door de Dienst overeenkomstig het koninklijk besluit van 19 december 1997 tot vaststelling van de voorwaarden welke moeten worden vervuld door de instellingen die zonder als rustoord te zijn erkend, een gemeenschappelijke woonplaats of verblijfplaats van bejaarden uitmaken als bedoeld in artikel 34, 12° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkering, gecoördineerd op 14 juli 1994.
Art. 39.
In de geregistreerde inrichtingen wordt het bedrag van de forfaitaire tegemoetkoming beperkt tot 1,27 euro per dag en per rechthebbende.
Art. 40.
De geregistreerde inrichtingen moeten bewijzen dat ze beschikken over 0,25 FTE loontrekkende of statutaire verpleegkundigen per 30 opgenomen rechthebbenden. Als die norm niet wordt gehaald, kan geen enkele tegemoetkoming worden toegekend.
Art. 41.
De bepalingen van de artikelen 32 tot 34 zijn eveneens van toepassing voor de geregistreerde inrichtingen.
Indien de gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1° niet worden overgemaakt binnen de gestelde termijn, en indien de inrichting niet antwoord binnen de 15 dagen na de herinnering die haar is gestuurd door de Dienst na het verstrijken van die termijn, wordt de tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 39 verminderd tot 0,10 euro.
HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.
Art. 42.
[[]De in dit besluit vermelde bedragen, met uitzondering van de bedragen bedoeld in artikel 13, §§ 7 en 8, en in artikel 41, tweede lid, worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 109,45 in de basis 1996 = 100, met uitzondering van:
1° de bedragen bedoeld in de artikelen 7 en 13, §§ 2 tot 5, die gekoppeld worden aan het spilindexcijfer 110,51 in de basis 2004 = 100;
2° de bedragen bedoeld in de artikelen 21bis en 29, die gekoppeld worden aan het spilindexcijfer 107,20 in de basis 2013 = 100.
De bedragen bedoeld in het eerste lid worden aangepast overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld-3.]1
Art. 43.
Het ministerieel besluit van 19 mei 1992 tot vaststelling van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rust- en verzorgingstehuizen, wordt opgeheven.
Art. 44.
Het ministerieel besluit van 5 april 1995 tot vaststelling van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 voor de in artikel 34, 12° van dezelfde wet bedoelde verstrekkingen wordt opgeheven.
Art. 45.
Het ministerieel besluit van 22 november 2001 tot vaststelling van de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, bestemd voor de financiering van de opleiding en van de sensibilisering van het personeel voor de palliatieve verzorging in de rust- en verzorgingstehuizen en in de rustoorden voor bejaarden wordt opgeheven.
Art. 46.
§ 1. De Dienst wordt belast met de uitvoering van dit besluit. Hij deelt te gepaste tijde aan de inrichtingen en aan de verzekeringsinstellingen het bedrag van de volledige of partiële tegemoetkoming mee, waarop de instelling aanspraak kan maken op basis van de bepalingen opgenomen in dit besluit, alsook het quotum van dagen bedoeld in artikel 31.
§ 2. De in artikelen 32 en 33 bedoelde gegevens kunnen in de inrichting of bij de verzekeringsinstellingen gecontroleerd worden door de daartoe bevoegde diensten van het RIZIV.
Art. 47.
Het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het RIZIV is tijdens het jaar dat volgt op de inwerkingtreding van dit besluit, belast met de evaluatie van de weerslag van de bepalingen die er in zijn opgenomen op basis van de voorbereidende werkzaamheden van de bevoegde overeenkomstencommissie.
Art. 48.
Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2004, met uitzondering van artikelen 22 tot 26, 32, 33, 35 en 45, die in werking treden op 1 september 2003.
Brussel, 6 november 2003.
- 1 <MB 2012-12-05/07, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 2 <BESL 2023-09-14/05, art. 1, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2023>
- 3 <MB 2009-03-02/31, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 19-03-2009>
- 4 <MB 2010-05-04/03, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
- 5 <BESL 2023-09-14/05, art. 2, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 6 <MB 2009-12-10/08, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
- 7 <MB 2012-12-05/07, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 8 <BESL 2023-09-14/05, art. 3, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 9 <MB 2010-06-30/02, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
- 10 <MB 2013-04-16/08, art. 1,1°, 016; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
- 11 <MB 2013-04-16/08, art. 1,2°, 016; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
- 12 <BESL 2023-09-14/05, art. 4, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2023>
- 13 <MB 2012-12-05/07, art. 5, 1°, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 14 <MB 2012-12-05/07, art. 5, 2°, 015; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
- 15 <MB 2009-12-10/08, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
- 16 <MB 2012-12-05/07, art. 6, 1°, 015; Inwerkingtreding : 01-04-2012>
- 17 <MB 2014-06-25/02, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
- 18 <MB 2009-03-02/31, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 19-03-2009>
- 19 <MB 2010-05-04/03, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
- 20 <BESL 2022-09-22/05, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2022>
- 21 <MB 2010-06-30/02, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
- 22 <MB 2012-12-05/07, art. 6, 2° et 3°, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 23 <Ingevoegd bij BESL 2023-09-14/05, art. 5, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2023>
- 24 <MB 2012-12-05/07, art. 7, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2011>
- 25 <MB 2012-03-14/05, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2012>
- 26 <MB 2010-06-30/02, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
- 27 <MB 2012-12-05/07, art. 8, §1, §2, 015; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
- 28 <MB 2012-12-05/07, art. 8, §3, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 29 <MB 2012-12-05/07, art. 8, §4, 015; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
- 30 <MB 2012-12-05/07, art. 8, §5, §6, 015; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
- 31 <MB 2012-12-05/07, art. 8, §7, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 32 <MB 2012-12-05/07, art. 9, 015; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
- 33 <MB 2012-12-05/07, art. 10, 1°, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 34 <MB 2010-06-30/02, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
- 35 <MB 2012-12-05/07, art. 10, 2°, 3°, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
- 36 <MB 2012-03-14/05, art. 5, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2012>
- 37 <MB 2010-05-04/03, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
- 38 <MB 2009-03-02/31, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 19-03-2009>
- 39 <MB 2014-05-26/01, art. 1, 019; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
- 40 <MB 2012-12-05/07, art. 11, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 41 <MB 2009-12-10/08, art. 7, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
- 42 <MB 2013-05-16/23, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 01-07-2012 of 01-07-2013, zie MB 2013-05-16/23, art. 2>
- 43 <MB 2009-12-10/08, art. 8, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
- 44 <MB 2012-12-05/07, art. 12, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 45 <MB 2011-01-12/06, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-10-2008>
- 46 <MB 2012-12-05/07, art. 13, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 47 <Ingevoegd bij MB 2014-06-25/02, art. 3, 020; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
- 48 <MB 2012-12-05/07, art. 14, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 49 <BESL 2022-09-22/05, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2022>
- 50 <MB 2009-12-10/08, art. 10, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
- 51 <MB 2012-12-05/07, art. 16, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 52 <MB 2010-05-04/03, art. 6, 011; Inwerkingtreding : 01-09-2010>
- 53 <MB 2009-12-10/08, art. 11, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
- 54 <MB 2009-12-10/08, art. 12, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
- 55 <MB 2012-12-05/07, art. 17, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 56 <MB 2009-12-10/08, art. 13, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
- 57 <MB 2009-03-02/31, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 19-03-2009>
- 58 <Ingevoegd bij MB 2009-03-02/31, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 19-03-2009>
- 59 <MB 2012-12-05/07, art. 18, 1°, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 60 <MB 2012-03-14/05, art. 6, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2012>
- 61 <MB 2010-05-04/03, art. 7, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
- 62 <MB 2012-12-05/07, art. 18, 2°, 015; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
- 63 <Ingevoegd bij MB 2010-05-04/03, art. 8, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
- 64 <MB 2012-12-05/07, art. 19, 1°, 2° et 5°, 015; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
- 65 <MB 2012-12-05/07, art. 19, 3° et 4°, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 66 <BESL 2023-09-14/05, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2023>
- 67 <MB 2013-12-05/02, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
- 68 <MB 2012-03-14/05, art. 7, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2012>
- 69 <MB 2012-12-05/07, art. 19, 6°, 015; Inwerkingtreding : 01-017-2013>
- 70 <BESL 2023-09-14/05, art. 7, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2023>
- 71 <BESL 2023-09-14/05, art. 8, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2023>
- 72 <BESL 2023-09-14/05, art. 9, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2023>
- 73 <BESL 2023-09-14/05, art. 10, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2023>
- 74 <BESL 2022-09-22/05, art. 3, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2022>
- 75 <MB 2022-09-22/05, art. 4, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2022>
- 76 <MB 2010-05-04/03, art. 9, 011; Inwerkingtreding : 01-09-2010>
- 77 <MB 2012-12-05/07, art. 22,1°, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 78 <MB 2012-03-14/05, art. 9, 014; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
- 79 <MB 2009-12-10/08, art. 14, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
- 80 <MB 2012-12-05/07, art. 22, 2°, 015; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
- 81 <Ingevoegd bij MB 2009-12-10/08, art. 15, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
- 82 <Ingevoegd bij MB 2010-06-30/02, art. 5, 012; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
- 83 <Ingevoegd bij MB 2012-12-05/07, art. 23, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 84 <MB 2013-12-05/02, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
- 85 <MB 2009-03-02/31, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 19-03-2009>
- 86 <MB 2012-12-05/07, art. 24,1°, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2011>
- 87 <MB 2014-06-25/02, art. 5, 020; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
- 88 <MB 2010-06-30/02, art. 6, 012; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
- 89 <MB 2012-12-05/07, art. 24, 2°, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 90 <MB 2009-12-10/08, art. 16, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
- 91 <BESL 2023-11-30/07, art. 3,1°-3,2°, 029; Inwerkingtreding : 15-12-2023>
- 92 <MB 2012-12-05/07, art. 25, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 93 <MB 2009-12-10/08, art. 17, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
- 94 <MB 2010-05-04/03, art. 10, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
- 95 <MB 2012-12-05/07, art. 26, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 96 <BESL 2023-11-30/07, art. 4,1°-4,2°, 029; Inwerkingtreding : 15-12-2023>
- 97 <MB 2009-12-10/08, art. 19, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2009>