7 JULI 1994 – KB tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen.
Artikel 1.
<KB 2003-04-04/58, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 04-04-2003> De technische specificaties die opgenomen zijn in de bijlagen van dit besluit zijn van toepassing op :
- de op te richten gebouwen;
- de uitbreidingen aan bestaande gebouwen maar beperkt tot het gedeelte van de uitbreiding.
De basisnormen zijn niet van toepassing op bestaande gebouwen.
Als " bestaande gebouwen " worden beschouwd :
- de hoge en middelhoge gebouwen waarvoor de bouwaanvraag werd ingediend vóór 26 mei 1995;
- de lage gebouwen waarvoor de bouwaanvraag werd ingediend vóór 1 januari 1998.
Art. 2.
Deze technische specificaties zijn van toepassing op alle [...]1gebouwen zoals gedefinieerd in de bijlagen bij dit besluit ongeacht hun bestemming.
[Ongeacht of een technische specificatie een versoepeling of een verzwaring van de eis inzake brandveiligheid inhoudt, geldt dat een gebouw wordt verondersteld eveneens aan bepaalde technische specificaties te voldoen indien dit gebouw aan de overeenstemmende technische specificaties voldoet die van toepassing zijn op een willekeurig gebouw van dezelfde categorie waarvoor de aanvraag voor de bouw later werd ingediend.]1
Art. 3.
De test- en klasseringsmethoden bedoeld in de bijlagen bij dit besluit zijn van toepassing zolang zij niet zijn vervangen door technische specificaties geconcretiseerd ter uitvoering [van de Verordening (EU) nr. 305/2011, van het Europees parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad]2.
Wanneer, gedurende diezelfde periode, met de nodige dokumenten wordt bewezen dat een produkt voldoet aan de eisen van onderhavig besluit, overeenkomstig met gelijkwaardige test- en klasseringsmethodes in een andere Lid-Staat van de E.E.G., wordt dit produkt geacht te voldoen aan de technische specificaties vastgesteld in dit besluit.
Art. 4.
(Opgeheven) <KB 2008-09-18/64, art. 9, 1°, 006; Inwerkingtreding : 26-10-2008>
Art, 5.
Het koninklijk besluit van 4 april 1972 houdende vaststelling van de algemene eisen, vervat in de norm NBN. 713-010 betreffende de brandbeveiliging in de hoge gebouwen, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 10 november 1974, wordt opgeheven.
(Lid 2 tot 4 opgeheven). <BWG 2007-03-22/38, art. 9, 2°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
Art. 6.
(Opgeheven) <KB 1997-12-19/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 31-12-1997>
Art. 6/1.
[De bouwelementen waarvan de brandweerstand wordt aangetoond volgens de norm NBN 713-020, respectievelijk de norm DIN 4102-6 voor luchtkanalen, en waarvoor een CE-markering nog niet verplicht is, zijn toegelaten [tot 1 december 2016 of tot op het einde van de door de Europese Commissie vastgelegde co-existentieperiode indien ten laatste op 1 december 2016 de Europese Commissie voor de betrokken normen het einde van co-existentieperiode bekend gemaakt heeft in het Publicatieblad van de Europese Unie overeenkomstig artikel 17, 5, c), van de Verordening (EU) nr. 305/2011, van het Europees parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad]3[, zonder daarbij de datum van 1 juli 2022 te overschrijden]4. Daarvoor wordt de tijdsduur van de brandweerstand vereist door de bijlagen bij dit besluit, omgezet in uren, voorafgegaan door 'Rf', respectievelijk 'Ro' voor luchtkanalen. Deze bouwelementen kunnen in de gebouwen behouden blijven na de vermelde overgangsperiode.]5
Art. 6/2.
[De bepalingen van de punten 9 en 10 van bijlage 5/1 zijn slechts van toepassing op de bouwproducten die geen CE-markering moeten dragen en dit ten laatste tot vier jaar na het in werking treden van dit besluit [, met name tot 1 december 2016]6. Deze bouwproducten kunnen in de gebouwen blijven na de vermelde overgangsperiode.]5
Art. 6/3.
[De eindlaagmaterialen van de dakbedekkingen die ingedeeld zijn in A1 volgens het in bijlage 5 beschreven classificatiesysteem mogen, wanneer ze geen CE-markering moeten dragen, aangewend worden in de gebruiken voorzien in punt 8 van de bijlage 5/1 tot vier jaar na het in werking treden van dit besluit [, met name tot 1 december 2016]7. De bouwproducten kunnen in de gebouwen blijven na de vermelde overgangsperiode.]5
Art. 7.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Wetenschapsbeleid en van Infrastructuur en Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Bijlagen.
Bijlage 1. Terminologie. (Bijlage niet opgenomen wegens technische redenen, zie B.St. 26-04-1995, Bijvoegsel, folio 1 - 11).
(NOTA : bijlage 1, punt 2, laatste lid is vernietigd bij het arrest n° 129.614 van de Raad van State van 23-03-2004, zie B.S. van 27-05-2004, p. 41410)
Gewijzigd bij :
<KB 1996-12-18/31, art. 3; Inwerkingtreding : 31-12-1996, zie B.St. 31-12-1996, Ed. 2, p. 32400>
<KB 1997-12-19/40, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 31-12-1997, zie B.St. 30-12-1997, bijvoegsel, folio 3 - 12>
<KB 2003-04-04/58, art. 2, Inwerkingtreding : 04-04-2003; B.S. 05-05-2003, p. 24026>
<KB 2007-06-13/38, art. 1, Inwerkingtreding : 01-01-2008; B.S. 18-07-2007, p. 38758-59>
<KB 2009-03-01/42, art. 1 tot en met 6, 007; Inwerkingtreding : 15-08-2009; B.S. 15-07-2009, p. 49389-49390>
<KB 2012-07-12/38, art. 1-16, 008; Inwerkingtreding : 01-12-2012; B.S. 21-09-2012, p. 58473-58483>
<KB 2016-12-07/20, art. 7-16, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2017>
<KB 2022-05-20/16, art. 2-20, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
Bijlage 2. Lage gebouwen. (Bijlage niet opgenomen wegens technische redenen, zie B.St. 26-04-1995, Bijvoegsel, folio 13 - 35).
Gewijzigd bij :
<KB 1996-12-18/31, art. 4; Inwerkingtreding : 31-12-1996, zie B.St. 31-12-1996, Ed. 2, p. 32400>
<KB 1997-12-19/40, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 31-12-1997, zie B.St. 30-12-1997, bijvoegsel, folio 13 - 34>
<KB 2003-04-04/58, art. 3, 4, 5, 6 en 7, Inwerkingtreding : 04-04-2003; B.S. 05-05-2003, p. 24026-24029>
<KB 2003-04-04/58, art. 17, Inwerkingtreding : 04-04-2003; B.S. 05-05-2003, p. 24035>
<KB 2009-03-01/42, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 15-08-2009; B.S. 15-07-2009, p. 49389-49390>
<KB 2012-07-12/38, art. 17, 008; Inwerkingtreding : 01-12-2012; B.S. 21-09-2012, p. 58483>
<KB 2016-12-07/20, art. 17-18, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2017>
[Bijlage 2/1. Lage gebouwen.]8
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-06-2022, p. 52275)
Bijlage 3. Middelhoge gebouwen. (Bijlage niet opgenomen wegens technische redenen, zie B.St. 26-04-1995, Bijvoegsel, folio 37 - 75).
Gewijzigd bij :
<KB 1996-12-18/31, art. 5; Inwerkingtreding : 31-12-1996, zie B.St. 31-12-1996, Ed. 2, p. 32400>
<KB 1997-12-19/40, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 31-12-1997, zie B.St. 30-12-1997, bijvoegsel, folio 35 - 64>
<KB 2003-04-04/58, art. 8, 9, 10, 11 en 12, Inwerkingtreding : 04-04-2003; B.S. 05-05-2003, p. 24029-24032>
<KB 2003-04-04/58, art. 17, Inwerkingtreding : 04-04-2003; B.S. 05-05-2003, p. 24035>
<KB 2012-07-12/38, art. 19, 008; Inwerkingtreding : 01-12-2012; B.S. 21-09-2012, p. 58483>
<KB 2016-12-07/20, art. 39-40, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2017>
[Bijlage 3/1. Middelhoge gebouwen.]9
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-06-2022, p. 52275)
Bijlage 4. Hoge gebouwen. (Bijlage niet opgenomen wegens technische redenen, zie B.St. 26-04-1995, Bijvoegsel, folio 77 - 119).
Gewijzigd bij :
<KB 1996-12-18/31, art. 6; Inwerkingtreding : 31-12-1996, zie B.St. 31-12-1996, Ed. 2, p. 32400>
<KB 1997-12-19/40, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 31-12-1997, zie B.St. 30-12-1997, bijvoegsel, folio 65 - 101>
<KB 2003-04-04/58, art. 13, 14, 15 en 16, Inwerkingtreding : 04-04-2003; B.S. 05-05-2003, p. 24032-24035>
<KB 2003-04-04/58, art. 17, Inwerkingtreding : 04-04-2003; B.S. 05-05-2003, p. 24035>
<KB 2012-07-12/38, art. 21, 008; Inwerkingtreding : 01-12-2012; B.S. 21-09-2012, p. 58483>
<KB 2016-12-07/20, art. 64-65, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2017>
[Bijlage 4/1. Hoge gebouwen.]10
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-06-2022, p. 52275)
Bijlage 5. Reactie bij brand van de materialen. (Bijlage niet opgenomen wegens technische redenen, zie B.St. 26-04-1995, Bijvoegsel, folio 121 - 127).
Gewijzigd bij :
<KB 1997-12-19/40, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 31-12-1997, zie B.St. 30-12-1997, bijvoegsel, folio 103 - 110>
<KB 2003-04-04/58, art. 18 en 19, Inwerkingtreding : 04-04-2003; B.S. 05-05-2003, p. 24036>
<KB 2016-12-07/20, art. 90, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2017>
Bijlage 5/1. Reactie bij brand.
<Ingevoegd bij KB 2012-07-12/38, art. 23, 008; Inwerkingtreding : 01-12-2012>
GEDRAG BIJ EEN BRAND VANAF DE BUITENZIJDE
0. [0 PLATEN [De platen zijn opgenomen bij de betreffende tekst]
Plaat 5.1 - Typeoplossingen voor de middelhoge gebouwen - Typeoplossing voor gevel met doorlopende luchtspouw
Plaat 5.2 - Typeoplossingen voor de middelhoge gebouwen - Typeoplossing 2 voor gevel zonder doorlopende luchtspouw
Plaat 5.3 - Typeoplossing voor de hoge gebouwen
Plaat 5.4 - Gebouwen met meerdere delen van verschillende hoogten]11
1. Voorwerp
De vereisten inzake de reactie bij brand en het gedrag bij een brand vanaf de buitenzijde die vermeld zijn in deze bijlage, zijn van toepassing op de gebouwen bedoeld in de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1 van dit besluit.
2. Indeling van de gebouwen in functie van het risico verbonden aan de bezetting
De gebouwen worden onderverdeeld in klassen, in functie van het afnemend risico verbonden met het type bezetting :
type 1 : niet zelfredzame bezetters;
type 2 : zelfredzame en slapende bezetters;
type 3 : zelfredzame en wakende bezetters.
Wanneer een gebouw bestaat uit verschillende compartimenten, kan de bezetting of het overeenstemmende type voor elk compartiment afzonderlijk bepaald worden; de desbetreffende voorschriften worden slechts toegepast op het betrokken compartiment.
Op de gemeenschappelijke trappenhuizen en evacuatiewegen worden de voorschriften horende bij het zwaarste risico verbonden met de bezetting toegepast.
De bouwheer of de uitbater bepaalt de typebezetting van het gebouw en/of compartiment en deelt dit mee aan de vergunningverlenende of de controlerende overheid respectievelijk op het moment van de vergunningsaanvraag of op het moment van de controle.
Bij gebrek aan deze informatie wordt het gebouw ingedeeld in de klasse " type 1 ".
3. Lokalen
De vereisten inzake de reactie bij brand die van toepassing zijn op de bouwproducten die gebruikt worden voor de bekleding van verticale wanden, plafonds en vloeren van lokalen met een verhoogd brandrisico omwille van hun gebruik, worden vermeld in tabel I.
TABEL I : RUIMTEN MET VERHOOGD BRANDRISICO INGEVOLGE GEBRUIK
H.G./B.E. | M.G./B.M. | L.G./B.B. | ||
Technische ruimten, [1 parkings]1, machinekamers, technische schachten [1 , schachten van de liften of goederenliften]1 Locaux techniques, parkings, salles des machines, gaines techniques | Verticale wanden Parois verticales |
A2-s3, d2 | A2-s3, d2 | A2-s3, d2 |
Plafonds en verlaagde plafonds Plafonds et faux-plafonds |
A2-s3, d0** | A2-s3, d0** | A2-s3, d0** | |
Vloeren Sols |
A2Fl-s2 [1 BFL-s2* * **]1 | A2Fl-s2[1 BFL-s2* * **]1 | A2Fl-s2[1 BFL-s2* * **]1 | |
Thermische isolatie van de leidingen* Isolation thermique des conduits* |
CL-s3, d2 C-s3, d2* * * |
CL-s3, d2 C-s3, d2* * * |
CL-s3, d2 C-s3, d2* * * |
|
Liftkooien Cabines d'ascenseur |
Verticale wanden Parois verticales | C-s2, d2 | C-s2, d2 | E-d2 |
Plafonds/Plafonds | C-s2, d2 | C-s2, d2 | E-d2 | |
Vloeren/Sols | CFl-s2 | CFl-s2 | EFl | |
Keukens/Cuisines | Verticale wanden Parois verticales Plafonds/Plafonds Vloeren/Sols |
A2-s3, d2 A2-s3, d0 BFl-s2 |
A2-s3, d2 A2-s3, d0 BFl-s2 |
A2-s3, d2 A2-s3, d0 BFl-s2 |
Thermische isolatie van de leidingen* Isolation thermique des conduits* |
CL-s3, d2 C-s3, d2* * * |
CL-s3, d2 C-s3, d2* * * |
CL-s3, d2 C-s3, d2* * * |
|
H.G. hoge gebouwen M.G. middelhoge gebouwen L.G. lage gebouwen * behalve luchtkanalen ** d2 in lokalen <= 30 m2 * * * voor kanalen > 300 mm |
B.E. bâtiments élevés B.M. bâtiments moyens B.B. bâtiments bas * sauf conduits d'air ** d2 dans locaux <= 30 m2 * * * pour conduits > 300 mm |
|||
(1)<KB 2022-05-20/16, art. 25, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022> |
De vereisten inzake de reactie bij brand die van toepassing zijn op de bouwproducten die gebruikt worden voor de bekleding van verticale wanden, plafonds en vloeren van lokalen, worden vermeld in tabel II.
TABEL II : LOKALEN
type/type | 1 | 2 en/et 3 | |||||
H.G./B.E. | M.G./B.M. | L.G./B.B. | H.G./B.E. | M.G./B.M. | L.G./B.B. | ||
Zalen/Salles | Verticale wanden/Parois verticales | B-s1, d2 | B-s1, d2 | B-s1, d2 | C-s2, d2 | C-s2, d2 | C-s2, d2 |
Plafonds en verlaagde plafonds Plafonds et faux-plafonds |
B-s1, d0 | B-s1, d0 | B-s1, d0 | C-s2, d0 | C-s2, d0 | C-s2, d0 | |
Vloeren/Sols | BFl-s1 | BFl-s1 | BFl-s1 | CFl-s2 | CFl-s2 | CFl-s2 | |
Verticale wanden Parois verticales |
C-s2, d2 | C-s2, d2 | C-s2, d2 | D-s3, d2 | E-d2 | E-d2 | |
Alle overige lokalen Tous les autres locaux |
Plafonds en verlaagde plafonds Plafonds et faux-plafonds |
C-s2, d1 | C-s2, d1 | C-s2, d1 | D-s3, d1** | E** | E** |
Vloeren/Sols | CFl-s1 | CFl-s1 | CFl-s1 | DFl-s2 | EFl | EFl | |
H.G. hoge gebouwen M.G. middelhoge gebouwen L.G. lage gebouwen ** d2 in lokalen <= 30 m2 |
B.E. bâtiments élevés B.M. bâtiments moyens B.B. bâtiments bas ** d2 dans locaux <= 30 m2 |
4. Evacuatiewegen en trappenhuizen
4.1. De vereisten inzake de reactie bij brand die van toepassing zijn op de bouwproducten die gebruikt worden voor de bekleding van verticale wanden, plafonds en vloeren van de evacuatiewegen en trappenhuizen, worden vermeld in tabel III.
TABEL III : EISEN VAN REACTIE BIJ BRAND IN EVACUATIEWEGEN EN TRAPPENHUIZEN
H.G./B.E. | M.G./B.M. | L.G./B.B. | |||||||
type/type | 1 | 2 en/et 3 | 2 | 3 | 2 | 3 | |||
Hor. | Vert. | Hor. | Vert. | Hor. | Vert. | ||||
Verticale wanden Parois verticales |
A2-s1, d1 | B-s1, d2 | B-s1, d2 | C-s2, d2 | B-s2, d2 | C-s2, d2 | B-s1, d2 | D-s3, d2 | C-s3, d2 |
Plafonds en verlaagde plafonds Plafonds et faux plafonds |
A2-s1, d0 | B-s1, d0 | B-s1, d0 | C-s2, d0 | B-s2, d0 | C-s2, d0 | B-s1, d0 | D-s3, d0 | C-s3, d0 |
Vloeren/Sols | A2Fl-s1 | BFl-s1 | BFl-s1 | CFl-s1 | BFl-s1 | CFl-s1 | BFl-s1 | DFl-s2 | CFl-s2 |
H.G. hoge gebouwen M.G. middelhoge gebouwen L.G. lage gebouwen Hor. horizontale evacuatiewegen met uitzondering van die op het gelijkvloers Vert. de traphuizen (met inbegrip van de sassen, de overlopen en de trappen zelf) en het horizontale deel van de evacuatieweg op het gelijkvloers vanaf de trapzalen tot buiten het gebouw |
B.E. bâtiments élevés B.M. bâtiments moyens B.B. bâtiments bas Hor. les chemins d'évacuation qui ne sont pas au niveau d'évacuation Vert. cages d'escalier, (y compris les sas, les paliers et les escaliers) et le chemin d'évacuation au niveau d'évacuation, à partir des cages d'escalier jusqu'à l'extérieurdu bâtiment. |
4.2. Tabel IV vermeldt de vereisten inzake reactie bij brand die van toepassing zijn op de producten die gebruikt worden voor de bekleding van verticale wanden, plafonds en vloeren van de evacuatiewegen en trappenhuizen, wanneer het gebouw uitgerust is met een automatische branddetectie van het type totale bewaking die automatisch een aanduiding van de brandmelding en de plaats ervan geeft en waarvan de detectoren aangepast zijn aan de aanwezige risico's.
TABEL IV : EISEN VAN REACTIE BIJ BRAND IN EVACUATIEWEGEN EN TRAPPENHUIZEN, MET BRANDDETECTIE
H.G./B.E. | M.G./B.M. | ||||||||||
type/type | 1 | 2 en/et 3 | 2 | 3 | 2 | ||||||
Hor. | Vert. | Hor. | Vert. | Hor. | Vert. | ||||||
Verticale wanden Parois verticales |
B-s1, d2 | B-s1, d2 | C-s1, d2 | C-s2, d2 | C-s2, d2 | D-s2, d2 | C-s1, d2 | D-s3, d2 | D-s3, d2 | ||
Plafonds en verlaagde plafonds Plafonds et faux plafonds |
B-s1, d0 | B-s1, d0 | C-s1, d0 | C-s2, d0 | C-s2, d0 | D-s2, d0 | C-s1, d0 | D-s3, d0 | D-s3, d0 | ||
Vloeren/Sols | BFl-s1 | BFl-s1 | CFl-s1 | CFl-s1 | CFl-s1 | DFl-s1 | CFl-s1 | DFl-s2 | DFl-s2 | ||
H.G. hoge gebouwen M.G. middelhoge gebouwen L.G. lage gebouwen Hor. horizontal vluchtwegen met uitzondering van die op het gelijkvloers Vert. verticale vluchtwegen (d.w.z. : de trapzalen met inbegrip van de sassen, de overlopen en de trappen zelf) en het horizontale deel van de evacuatieweg op het gelijkvloers vanaf de trapzalen tot buiten het gebouw |
B.E. bâtiments élevés B.M. bâtiments moyens B.B. bâtiments bas Hor. Les chemins d`évacuation qui ne sont pas situés au niveau d`évacuation Vert. les cages d`escalier, (c à d : les sas, les paliers et les escaliers) et le chemin d`évacuation au niveau d`évacuation, à partir des cages d`escalier jusqu`à l`extérieur du bâtiment. |
4.3 In de evacuatiewegen vertonen de blootgestelde oppervlakken boven de verlaagde plafonds klasse B-s1, d0. Deze vereiste is echter niet van toepassing wanneer deze ruimtes tussen het plafond en het verlaagd plafond onderbroken zijn door verticale scheidingen E30 zodanig dat ze volumes vormen waarvan de horizontale projectie kan ingeschreven worden in een vierkant van maximum 10 m zijde.
5. Vereisten met betrekking tot kleine oppervlakken
Een maximum van 10 % van de zichtbare oppervlakte van elke verticale wand, elk plafond of elke vloer is niet onderworpen aan de vereisten van tabellen I, II, III en IV voor deze verticale wand, plafond en vloer.
6. [GEVELS
6.1 Gevels van het gebouw
6.1.1 De vereisten inzake brandreactie die van toepassing zijn op de producten die worden gebruikt voor de bekleding van gevels worden vermeld in tabel V.
TABEL V: GEVELS
type | H.G. | M.G. | L.G. | |||
1 | 2 en 3 | |||||
Type van onderdelen van de gevel (5) | Condities | |||||
Buitenbekleding (6) | in uiteindelijke toepassings-voorwaarden (1) | A2-s3, d0 | B-s3, d1 | C-s3, d1 | D-s3, d1 | |
Wezenlijke onderdelen (3) | Alle, met uitzondering van de buitenbekleding en de stijlen van de draag-structuur van de gevel | Afzonderlijk beoordeeld (2) Niet-volledig beschermd ten opzichte van de brand (4) |
A2-s3, d0 | A2-s3, d0 OF E indien type-oplossingen(7) |
E | |
Stijlen van de draagstructuur van de gevel | Afzonderlijk beoordeeld (2) Niet-volledig beschermd ten opzichte van de brand (4) |
A1 | A1 OF Hout |
/ | ||
Alle, met uitzondering van de buitenbekleding | Afzonderlijk beoordeeld (2) Volledig beschermd ten opzichte van de brand (4) |
E indien type-oplossing(8) | E | / | ||
Niet-wezenlijke onderdelen (3) | - | / | / | / | ||
H.G. hoge gebouwen M.G. middelhoge gebouwen L.G. lage gebouwen /geen eisen (1) met andere woorden met inbegrip van de onderliggende lagen en de uitvoeringswijze (cf. punt 3.4 van de bijlage 1). De onderliggende lagen moeten echter niet beoordeeld worden bij de bepaling van de reactie bij brand van de buitenbekleding, als zij van buitenaf beschermd worden door een bouwelement met: - een brandbeschermingsvermogen K2 30 of een brandwerendheid EI 30 (hoge gebouwen); - een brandbeschermingsvermogen K2 10 of een brandwerendheid EI 15 (lage en middelhoge gebouwen). (2) dit wil zeggen van het product zoals dit in de handel wordt gebracht, de invloed van onderliggende lagen wordt niet mee beoordeeld; (3) cf. definities opgenomen in punt 3.1 van bijlage 1; (4) volledig beschermd ten opzichte van de brand: de wezenlijke onderdelen zijn volledig beschermd (langs alle zijden, zowel ten opzichte van een brand zowel van binnenuit als van buitenaf) door een bouwelement met: - een brandbeschermingsvermogen K2 30 of een brandwerendheid EI 30 (hoge gebouwen); - een brandbeschermingsvermogen K2 10 of een brandwerendheid EI 15 (middelhoge gebouwen). (5) de raam- en deurprofielen en de beglazing van de gevel zijn niet onderworpen aan de eisen. (6) de deuren, de gevelversieringen, de voegen en de technische uitrustingen in de gevel, zoals uithangborden, verlichtingstoestellen, verluchtingsroosters, afvoergoten, plantenbakken en muurdoorvoeren van verwarmingsinstallaties, zijn niet onderworpen aan de eisen voor zover de totale zichtbare oppervlakte ervan kleiner is dan 5 % van de zichtbare oppervlakte van de desbetreffende gevel. (7) cf. punt 6.1.2 Typeoplossingen voor de middelhoge gebouwen. (8) cf. punt 6.1.3 Typeoplossing voor de hoge gebouwen. |
6.1.2 Typeoplossingen voor de middelhoge gebouwen
Voor de middelhoge gebouwen kunnen de wezenlijke onderdelen van de gevel klasse E vertonen indien de gevel voldoet aan één van de volgende type-oplossingen.
6.1.2.1 Typeoplossing voor gevel met doorlopende luchtspouw
De isolatie mag niet van het type EPS (geëxpandeerd polystyreen) of XPS (geëxtrudeerd polystyreen) zijn.
Ter hoogte van de vloer tussen de 1steverdieping en de 2deverdieping moet er een brandwerend scherm worden geplaatst. Indien de verticale afstand tussen dit brandwerend scherm en het maaiveld groter is dan 8 m, moeten er om de 8 m één of meerdere brandwerende schermen worden toegevoegd. (plaat 5.1)
Na het vorige brandwerende scherm, moet een brandwerend scherm worden geplaatst:
- hetzij om de 2 bouwlagen;
- hetzij rondom elke opening.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-06-2022, p. 52252)
Een brandwerend scherm is een voorziening die het isolatiemateriaal en de luchtspouw onderbreekt, om het risico op verspreiding van de brand binnen de gevel te beperken.
De hieronder beschreven type-oplossingen maken het mogelijk om aan deze vereiste te voldoen:
a) Een onderbreking over de volledige breedte van de gevel door een stalen slab, een houten horizontale lat, of een horizontale strook uit steenwol;
b) Een omkadering (boven- en zijkanten) rond van elke gevelopening door een stalen of houten omkadering, of een horizontale en verticale strook uit steenwol.
De stalen slab of omkadering heeft ten minste de volgende kenmerken:
- Dikte: 1 mm
- Mechanisch bevestigd
De strook uit steenwol heeft ten minste de volgende kenmerken:
- Hoogte/Breedte: 20 cm
- Brandreactieklasse: A2-s3, d0
- Densiteit: 60 kg/m3
- Mechanisch bevestigd
De houten lat of omkadering heeft ten minste de volgende kenmerken:
- Dikte: 25 mm
- Densiteit: 390 kg/m3
- Mechanisch bevestigd
Bovendien zijn verluchtingsopeningen toegestaan in de brandwerende schermen a rato van maximum 100 cm2per lopende meter.
6.1.2.2 Typeoplossingen voor gevel zonder doorlopende luchtspouw
6.1.2.2.1 Typeoplossing 1 voor gevel zonder doorlopende luchtspouw
De isolatie mag niet van het type EPS (geëxpandeerd polystyreen) of XPS (geëxtrudeerd polystyreen) zijn.
6.1.2.2.2 Typeoplossing 2 voor gevel zonder doorlopende luchtspouw
Ter hoogte van de vloer tussen de gelijkvloers en de 1steverdieping moet er een brandwerend scherm worden geplaatst. Indien de verticale afstand tussen dit brandwerend scherm en het maaiveld groter is dan 4 m, moeten er om de 4 m één of meerdere brandwerende schermen worden toegevoegd. (plaat 5.2)
Ter hoogte van de vloer tussen de 2deverdieping en de 3deverdieping moet er een brandwerend scherm worden geplaatst. Indien de afstand tussen dit brandwerend scherm en het vorige brandwerend scherm groter is dan 8 m, moeten er om de 8 m één of meerdere brandwerend schermen worden toegevoegd.
Na het vorige brandwerende scherm, moet een brandwerend scherm worden geplaatst:
- hetzij om de 2 bouwlagen;
- hetzij boven of rondom elke opening.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-06-2022, p. 52253)
Een brandwerend scherm is een voorziening die het isolatiemateriaal onderbreekt, om het risico op verspreiding van de brand binnen de gevel te beperken.
De hieronder beschreven type-oplossingen maken het mogelijk om aan deze vereiste te voldoen:
a) Een onderbreking over de volledige breedte van de gevel door een horizontale strook uit steenwol;
b) Een onderbreking boven elke gevelopening door een horizontale strook uit steenwol;
c) Een omkadering (boven- en zijkanten) rond van elke gevelopening door een horizontale en verticale strook uit steenwol.
De strook uit steenwol heeft ten minste de volgende kenmerken:
- Hoogte/Breedte: 20 cm
- Zijdelingse oversteek (voor de typeoplossing b): 30 cm
- Brandreactieklasse: A2-s3, d0
- Densiteit: 60 kg/m3
- Mechanisch bevestigd
6.1.3 Typeoplossing voor de hoge gebouwen
Voor de hoge gebouwen kunnen de wezenlijke onderdelen van de gevel klasse E vertonen indien alle wezenlijke onderdelen, met uitzondering van de buitenbekleding, volledig zijn beschermd ten opzichte van de brand (cf. punt(4)van de tabel V van de punt 6.1.1), en indien de gevel voldoet aan de volgende type-oplossing.
Ter hoogte van de vloer tussen de 1steverdieping en de 2deverdieping moet er een brandwerend scherm worden geplaatst. Indien de verticale afstand tussen dit brandwerend scherm en het maaiveld groter is dan 8 m, moeten er om de 8 m één of meerdere brandwerende schermen worden toegevoegd. (plaat 5.3)
Na het vorige brandwerende scherm, moet een brandwerend scherm om de 2 bouwlagen worden geplaatst.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-06-2022, p. 52254)
Een brandwerend scherm is een voorziening die het isolatiemateriaal en de eventuele luchtspouw onderbreekt, om het risico op verspreiding van de brand binnen de gevel te beperken.
De hieronder beschreven type-oplossing maakt het mogelijk om aan deze vereiste te voldoen:
- Een onderbreking over de volledige breedte van de gevel door een horizontale strook uit steenwol.
De strook uit steenwol heeft ten minste de volgende kenmerken:
- Hoogte/Breedte: 20 cm
- Brandreactieklasse: A2-s3, d0
- Densiteit: 60 kg/m3
- Mechanisch bevestigd
Bovendien zijn verluchtingsopeningen toegestaan in de brandwerende schermen a rato van maximum 100 cm2per lopende meter.
6.2 Grootschalige proef
Het punt 6.1 is niet van toepassing op een gevel die werd getest volgens één van de volgende testnormen en die voldeed aan de prestatiecriteria gedefinieerd in de volgende documenten:
Testnorm | Document waarin de prestatiecriteria worden vermeld | ||
H.G. | M.G. | L.G. | |
BS 8414-1 | LPS 1581 | BRE 135 | |
BS 8414-2 | LPS 1582 | BRE 135 | |
DIN 4102-20 | / | Document HR 1882 van de Hoge Raad voor beveiliging tegen brand en ontploffing | |
LEPIR 2 | Arrêté français du 10 septembre 1970 relatif à la classification des façades vitrées par rapport au danger d'incendie | ||
H.G. hoge gebouwen M.G. middelhoge gebouwen L.G. lage gebouwen |
6.3 Gebouwen met verschillende delen van verschillende hoogten
Voor de gebouwen die verschillende delen van verschillende hoogten bevatten is een verticale opdeling in functie van de conventionele hoogte van elk deel van het gebouw toegestaan.
De voorschriften van punten 6.1 en 6.2 die van toepassing zijn, zijn dan de voorschriften die overeenstemmen met de conventionele hoogte van het beschouwde deel, maar enkel vanaf een horizontale afstand van 5 m van de gevel die het beschouwde deel domineert. (plaat 5.4)
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-06-2022, p. 52255)
6.4 Afwijkende bepalingen
De punten 6.1 tot 6.3 zijn niet van toepassing op de gevels van een gebouw waarvoor de aanvraag voor de bouw werd ingediend vóór 1 juli 2022 als het voldoet aan de volgende voorwaarden.
De gevelbekledingen van de lage gebouwen vertonen klasse D-s3, d1.
De gevelbekledingen van de middelhoge en hoge gebouwen vertonen klasse B-s3, d1.
Een maximum van 5 % van de zichtbare oppervlakte van de gevels is niet onderworpen aan deze vereiste.]12
7. Verhoogde vloeren
In de evacuatiewegen vertonen de blootgestelde oppervlakken onder de verhoogde vloeren klasse B-s1, d2.
In de lokalen die geen evacuatieweg zijn, vertonen de blootgestelde oppervlakken onder de verhoogde vloeren klasse C-s1, d2.
De in de twee eerste alinea's vermelde vereisten zijn niet van toepassing op de elektrische- en datakabels.
8. Daken
8.1. Daken van het gebouw
De producten voor de dakbekleding vertonen de kenmerken van de klasse BROOF (t1) of zijn dakbedekkingen bedoeld in punt 3bis3 van bijlage 1. [Deze vereiste is niet van toepassing op groendaken die beantwoorden aan de bepalingen van punt 5 van bijlage 7.]13
8.2 Daken van bijgebouwen.
Indien de beglaasde gevels van een gebouw uitsteken boven bouwwerken, al dan niet met inbegrip van uitspringende daken, luifels, uitkragende delen of andere dergelijke toevoegingen, dan vertonen de eindlaagmaterialen van de dakbedekking van deze bouwwerken de reactie bij brand die bepaald is in punt 8.1 over een afstand, te tellen vanaf de voet van de gevels :
- voor de HG van ten minste 8 m;
- voor de MG en de LG van ten minste 6 m.
8.3 Balkons, galerijen, terrassen
De bekleding van de balkons, galerijen en terrassen vertoont de reactie bij brand die bepaald is in punt 8.1.
[Een houten terras op een plat dak wordt verondersteld aan de voorschriften vermeld onder de punt 8.1 te voldoen, met andere woorden aan de klasse BROOF (t1), op voorwaarde dat er aan de volgende voorwaarden voldaan wordt:
- houten terrasplanken: minimale densiteit van 750 kg/m3, dikte van 21 tot 40 mm, minimale breedte van 120 mm, mechanische bevestiging op een houten draagstructuur, evenwijdig met of loodrecht op de dakhelling
- breedte van de voegen tussen de planken: 4 tot 6 mm
- houten draagstructuur: houten onderliggers (minimale densiteit van 750 kg/m3, sectie van 60 x 40 mm), rechtstreeks op het dak geplaatst of met tussenplaatsing van polypropyleen terrasdragers (max. 6 per m2)
- daken onder het houten terras: alle platte daken (helling van 0 tot 20° ) die tot de klasse BROOF (t1) behoren.]14
8.4 [...]15
9. De onderstaande tabel V geeft de klassen weer volgens het in bijlage 5 beschreven classificatiesysteem, die aanvaard kunnen worden voor alle bouwproducten met uitzondering van de vloerbekledingen, ten opzichte van de vereisten van de tabellen I, II, III en IV van de bijlage bij dit besluit. De producten worden beproefd in hun uiteindelijke toepassingsvoorwaarden.
TABEL V
(Tabel niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-09-2012, p. 58557)
10. De onderstaande tabel VI geeft de klassen weer volgens het in bijlage 5 beschreven classificatiesysteem die aanvaard kunnen worden voor de vloerbekledingen, ten opzichte van de voorschriften van de tabellen I, II, III en IV van de bijlage bij dit besluit.
De producten worden beproefd in hun uiteindelijke toepassingsvoorwaarden.
TABEL VI
(Tabel niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-09-2012, p. 58558)
BIJLAGE 6. - Industriegebouwen
<Ingevoegd bij KB 2009-03-01/42, art. 7, 007; Inwerkingtreding : 15-08-2009>
1. ALGEMEENHEDEN
1.1 Doelstelling
Deze bijlage bepaalt de eisen waaraan het ontwerp, de bouw en de inrichting van industriegebouwen moeten voldoen om :
a) het ontstaan, de ontwikkeling en de voortplanting van brand te voorkomen;
b) de veiligheid van de aanwezigen te waarborgen;
c) preventief het ingrijpen van de brandweer te vergemakkelijken.
1.2 [Toepassingsgebied
1.2.1 Deze bijlage is van toepassing op de volgende op te richten gebouwen en de volgende uitbreidingen van bestaande gebouwen, waarvoor de aanvraag voor de bouw wordt ingediend vanaf 15 augustus 2009 :
1. de industriegebouwen;
2. uitbreidingen die na realisatie een industriegebouw zijn;
3. de lokalen of delen van industriegebouwen waarin niet-industriële activiteiten plaatsvinden en waarvan de totale oppervlakte per compartiment kleiner is dan of gelijk aan 500 m, onder volgende voorwaarden :
- in het compartiment hoofdzakelijk industriële activiteiten plaats vinden; de totale oppervlakte van de lokalen voor industriële activiteit is groter dan de overblijvende oppervlakte van het compartiment;
- de niet-industriële activiteiten in deze lokalen de industriële activiteiten in hetzelfde gebouw ondersteunen;
- deze lokalen zich niet onder het evacuatieniveau bevinden;
- het compartiment waarin niet-industriële activiteiten plaats vinden, is niet bestemd voor nachtbezetting;
- het gebouw uitgerust is met een automatische branddetectie-installatie van het type [totale]16bewaking en een alarminstallatie;
- de lokalen waarin niet-industriële activiteiten plaatsvinden, voldoen aan dezelfde voorschriften als diegene die voortvloeien uit de industriële activiteiten in hetzelfde compartiment, met uitzondering van in voorkomend geval de rook- en warmteafvoerinstallatie.
- de evacuatie van die lokalen met niet-industriële activiteiten gebeurt overeenkomstig punt 7.2.2.
1.2.2 Uitgesloten van het toepassingsgebied van deze bijlage zijn echter :
1. de industriegebouwen met slechts één bouwlaag, waarvan de totale oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 100 m is;
2. de industriële installaties en industriële activiteiten die niet in gebouwen gelegen zijn;
3. de delen van industriegebouwen, waarin geen industriële activiteiten plaats vinden en waarvan de totale oppervlakte van de bouwlagen per compartiment groter is dan 100 m, behalve de delen van industriegebouwen bedoeld in punt 3 van het voormelde punt 1.2.1;
4. de lokalen of delen van gebouwen bedoeld in punt 3 van het punt 0.2.1 van de bijlagen 2, 2/1, 3, 3/1, 4 en 4/1.]17
2. INDELING VAN DE INDUSTRIEGEBOUWEN
De industriegebouwen of delen daarvan kunnen in functie van de maatgevende brandbelasting qfi,d, ingedeeld worden in de volgende klassen :
Klasse Aqfi,d = 350 MJ/m2
Klasse B 350 MJ/m2< qfi,d = 900 MJ/m2
Klasse C 900 MJ/m2< qfi,d
Een industriegebouw of delen daarvan, opgericht voor een bepaalde maatgevende brandbelasting of klasse, mag enkel gebruikt worden voor activiteiten met dezelfde of een lagere maatgevende brandbelasting of voor activiteiten die leiden tot de indeling in dezelfde klasse of een klasse met een lagere maatgevende brandbelasting.
Als een industriegebouw uit meerdere compartimenten bestaat, kan voor ieder compartiment afzonderlijk de overeenstemmende maatgevende brandbelasting of klasse worden bepaald en blijven de bijhorende voorschriften beperkt tot het desbetreffende compartiment.
De bouwheer bepaalt de klasse en eventueel de maatgevende brandbelasting waarin het industriegebouw of delen ervan met betrekking tot de brandbelasting worden ingedeeld.
Bij ontstentenis hiervan, wordt automatisch verondersteld dat het gebouw niet uitsluitend voor opslag wordt gebruikt en tot klasse C behoort.
3. STRUCTURELE ELEMENTEN EN GROOTTE VAN HET COMPARTIMENT
3.1 Stabiliteit bij brand van de structurele elementen
Bij de bepaling van de stabiliteit bij brand van de structurele elementen houdt men rekening met de algemene stabiliteit van het gebouw en de invloed van de structurele elementen op elkaar. Daarbij houdt men rekening met de uitzettingen en vervormingen van de structurele elementen ten gevolge van de blootstelling aan de brand.
De minimale brandweerstand van de structurele elementen type I is :
1° voor een gebouw of deel ervan van klasse A : R 60;
2° voor een gebouw of deel ervan van klasse B of C : R 120.
De structurele elementen type II mogen bij een blootstelling aan de standaard temperatuur-tijdkromme, bepaald in NBN EN 1363-1, niet bezwijken binnen een tijdspanne gelijk aan de equivalente tijdsduur te,d, bepaald op basis van de norm NBN EN 1991-1-2:2003, waarbij deltaq1bepaald is op basis van een aanvaardbare faalkans van instorting gelijk aan 10-3per jaar.
De brandweerstand van tussenvloeren en hun draagstructuur is ten minste gelijk aan R 30.
3.2 Grootte van de compartimenten
De oppervlakte van een industriegebouw of van een compartiment daarvan wordt beperkt zodat de totale brandbelasting per compartiment kleiner is dan of gelijk aan 5700 GJ. Indien dit gebouw gesprinklerd is bedraagt deze 34 200 GJ.
De maximaal toelaatbare oppervlakte wordt bepaald door deling van bovenvermelde energiewaarden door de maatgevende brandbelasting.
Indien in het compartiment meerdere tussenvloeren zijn, wordt de maximaal toelaatbare oppervlakte van een compartiment verminderd door vermenigvuldiging met de waarden uit tabel 1a.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2009, p. 49391)
Tabel 1a - Reductiefactoren voor de toelaatbare oppervlakte van een compartiment in functie van het aantal tussenvloeren in het compartiment
Indien het gebouw of bouwdeel uit meerdere boven elkaar gelegen compartimenten bestaat, wordt de maximaal toelaatbare oppervlakte van een compartiment verminderd door vermenigvuldiging met de waarden uit tabel 1b.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2009, p. 49392)
Tabel 1b - Reductiefactoren voor de toelaatbare oppervlakte van een compartiment
3.3 Typeoplossingen
Een industriegebouw met slechts één bouwlaag, of de compartimenten van dat gebouw, wordt (worden) verondersteld aan de voorschriften vermeld onder de punten 3.1 en 3.2 te voldoen als de oppervlakte ervan kleiner is dan of gelijk aan de maximaal toelaatbare oppervlakte zoals bepaald in tabel 2. Deze oppervlakte is functie van de klasse, de brandweerstand van de structurele elementen en het al dan niet aanwezig zijn van een sprinklerinstallatie.
De brandweerstand van de structurele elementen is deze van het structureel element met de laagste brandweerstand.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2009, p. 49392)
Tabel 2 - toelaatbare oppervlakte in m2voor industriegebouwen met slechts één bouwlaag of voor de compartimenten daarvan.
De in tabel 2 met een asterisk aangeduide oppervlakten, mogen met 60 % vermeerderd worden als de compartimenten beschikken over een verbeterde bereikbaarheid overeenkomstig de bepalingen van punt 8.1.2.
3.4 Compartimentwand
3.4.1 De compartimentwanden, zowel horizontale als verticale, hebben een brandweerstand die ten minste gelijk is aan de brandweerstand vermeld in tabel 3 :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2009, p. 49392)
Tabel 3 - Minimale brandweerstand van de compartimentwanden
Bij de bepaling van de brandweerstand van de compartimentwanden wordt rekening gehouden met de algemene stabiliteit van het gebouw en de invloed van de structurele elementen op de wand. Daarbij houdt men rekening met de uitzettingen en vervormingen van de structurele elementen en de wand ten gevolge van de blootstelling aan de brand.
3.4.2 De openingen in de compartimentwanden die noodzakelijk zijn voor de doorgang van gebruikers en voertuigen zijn afgesloten met zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren met een brandweerstand EI1 60.
Doorvoeringen doorheen wanden van leidingen voor fluïda of voor elektriciteit en de uitzetvoegen mogen de vereiste weerstand tegen brand van de bouwelementen niet nadelig beïnvloeden.
3.4.3 De aansluiting van de compartimentwand met het dak of gevel is zo ontworpen en uitgevoerd dat in geval van brand het risico van verspreiding van brand en rook naar het aanpalend compartiment beperkt wordt.
Voor het dak kan men dit op twee mogelijke manieren realiseren :
- ofwel de compartimentwand ten minste 1 m boven het dakoppervlak uitsteken;
- ofwel de compartimentwand aansluiten met het dak dat [...]18[plaatselijke]18over een [...]18afstand van ten minste [4 m (horizontale afstand gemeten loodrecht op de compartimentwand)]18een brandweerstand E 60 of E 120 heeft (afhankelijk van de vereiste brandweerstand van de wand). Dit gedeelte van het dak, met uitzondering van de dakafdichting, is opgebouwd uit materialen [A1 en/of A2-s1, d0]18.
Voor de gevel kan men dit op twee mogelijke manieren realiseren :
- ofwel de compartimentwand ten minste 0.5 m uit het gevelvlak steken;
- ofwel de compartimentwand aansluiten met de gevel die [...]18[plaatselijke]18over een [...]18afstand van ten minste [2 m (horizontale afstand gemeten loodrecht op de compartimentwand)]18een brandweerstand E 60 of E 120 heeft (afhankelijk van de vereiste brandweerstand van de wand). Dit gedeelte van de gevel is opgebouwd uit [A1 en/of A2-s1, d0]18materialen.
De plaats van de compartimentwanden wordt op de gevels aangeduid.
3.5 Stabiliteit bij brand van buiten- en compartimentswanden
De buiten- en compartimentswanden zijn zo ontworpen en uitgevoerd dat in geval van brand het risico dat de wanden van het geteisterde compartiment naar buiten toe bezwijken beperkt is.
4. INDUSTRIEGEBOUW MET VERSCHILLENDE DELEN
4.1 Een industriegebouw dat opgedeeld is in verschillende delen met het oog op verschillende industriële activiteiten, is zo ontworpen en uitgevoerd dat de verschillende delen afzonderlijke compartimenten vormen.
Deze delen mogen samen een compartiment vormen, op voorwaarde dat :
- de gezamenlijke oppervlakte van het compartiment kleiner is dan of gelijk aan 2 000 m2;
- en de wanden tussen de verschillende delen doorlopen tot het dak en een brandweerstand EI 60 hebben.
4.2 Als de compartimentering tussen voormelde delen van het industriegebouw over verschillende bouwlagen loopt, maken de verticale compartimentwanden deel uit van hetzelfde verticale vlak.
5 ACTIEVE BRANDBEVEILIGING
5.1 Algemeenheden
Het ontwerp, de uitvoering, het gebruik en het nazicht van de actieve brandbeveiligingsinstallaties voldoen aan de regels van goed vakmanschap en aan de geldende normen terzake.
De actieve brandbeveiligingsinstallaties zijn daarbij zo uitgevoerd dat de verschillende componenten onderling compatibel zijn. Zij werken in synergie zodat de werking of het defect van een component, de werking van de andere installaties en componenten niet in het gedrang brengt.
De actieve brandbeveiligingsinstallaties worden op regelmatige tijdstippen nagekeken en onderhouden door een ter zake bevoegd organisme of persoon.
5.2 Branddetectie, waarschuwing, melding
Industriegebouwen zijn uitgerust met een passende automatische branddetectie-installatie van het type [totale]19bewaking. Voor de industriegebouwen van de klasse A met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 2 000 m2volstaat een branddetectie-installatie met handbediende brandmelders.
5.2.1 Uitvoering van de branddetectie-installatie
De automatische [branddetectie-installatie]20is ontworpen en uitgevoerd volgens de regels van goed vakmanschap. De keuze van de detectoren is aangepast aan de aanwezige risico's en in functie van een snelle ontdekking van de brand.
De [branddetectie-installatie]20geeft automatisch een aanduiding van de brandmelding en de plaats ervan.
Deze installatie wordt bij de indienststelling en om de drie jaar gecontroleerd. Die controle wordt uitgevoerd door een controle-instelling geaccrediteerd overeenkomstig de wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling of volgens een gelijkwaardige [erkenningsprocedure]20van een andere Lidstaat van de Europese Gemeenschap of van Turkije of uit een E.V.A.-land dat partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
5.3 Rook- en warmteafvoerinstallatie
Om de ontwikkeling en de verspreiding van brand en rook in het getroffen compartiment te beperken, is het industriegebouw uitgerust met een rook- en warmteafvoerinstallatie (RWA-installatie).
Dit voorschrift geldt niet voor :
1. een industriegebouw of compartiment dat in klasse A is ingedeeld en waarvan de totale vloeroppervlakte kleiner is dan of gelijk is aan 10 000 m2;
2. een industriegebouw of compartiment dat in klasse B is ingedeeld en waarvan de totale vloeroppervlakte kleiner is dan of gelijk is aan 500 m2;
3. compartimenten voorzien van een [automatische watermist-, schuim- of gasblusinstallatie]21of een ESFR-sprinklerinstallatie.
5.3.1 Uitvoering van de RWA-installatie
De RWA-installatie voldoet aan de voorwaarden vastgelegd in de norm NBN S 21-208-1, behoudens punten 18 en 19 van deze norm.
Voor compartimenten waarvan de [totale]22vloeroppervlakte kleiner is dan of gelijk is aan 2 000 m2wordt evenwel de [geometrische]22oppervlakte van de RWA-verluchters en de luchttoevoer berekend à rato van ten minste [3 %]22van de [totale vloeroppervlakte]22, dit op voorwaarde dat de hoogte van de gestapelde goederen en de hoogte van de bovenkant van de luchttoevoeropeningen maximaal 70 % van de hoogte tot de RWA-verluchters bedragen.
5.3.2 Bediening van de RWA-installatie
De RWA-installatie wordt bediend door de automatische branddetectie-installatie, met uitzondering van die gevallen waarin het compartiment uitgerust is met een automatische blusinstallatie van het type sprinkler of ruimtebeveiliging. Ze moet eveneens handmatig kunnen worden bediend.
Indien een compartiment uitgerust is met een sprinklerinstallatie, wordt de RWA-installatie, in afwijking van NBN S 21-208-1, automatisch bediend door de alarmklep van de sprinklerinstallatie.
5.4 Automatische blusinstallatie
Wanneer een industriegebouw of een compartiment uitgerust is met een algemene automatische blusinstallatie, beantwoordt deze aan de volgende voorwaarden.
1° De automatische blusinstallatie voldoet aan de regels van goed vakmanschap.
2° De installatie wordt gecontroleerd bij de indienststelling en vervolgens jaarlijks. Voor sprinklerinstallaties gebeurt de controle zesmaandelijks. Die controle wordt uitgevoerd door een controle-instelling geaccrediteerd overeenkomstig de wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling of volgens een gelijkwaardige [erkenningsprocedure]23van een andere Lidstaat van de Europese Gemeenschap of van Turkije of uit een E.V.A.-land dat partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
5.5 Doormelding van de brand
Elk begin van brand wordt aan de territoriaal bevoegde brandweer gemeld. Daartoe staan de signalen van de branddetectiecentrale en van automatische blusinstallaties doorlopend onder toezicht van een of meerdere bekwame personen en dit lokaal, op afstand of een combinatie van beide.
Bij de aankomst op de interventieplaats moet de brandweer in contact kunnen treden met een verantwoordelijke van het industriegebouw.
5.6 Centrale controle- en bedieningspost
Het toezicht op de werking en de bediening van de verschillende actieve brandbeveiligingsinstallaties van het gebouw gebeuren vanuit een centrale controle- en bedieningspost. De wanden die dit lokaal scheiden van de rest van het gebouw hebben minstens EI 60.
De ligging van het lokaal wordt bepaald in overleg met de territoriaal bevoegde brandweer, zodat de maximale loopafstand van buiten tot het lokaal 15 m bedraagt. Het lokaal is van buiten toegankelijk ofwel rechtstreeks ofwel via een gang met wanden die minstens EI 60 hebben en deuren die minstens EI1 30 hebben.
Het lokaal is uitgerust met veiligheidsverlichting.
6. AFSTAND TUSSEN GEBOUWEN
6.1 Algemeenheden
Om te vermijden dat een brand tussen twee tegenoverstaande gebouwen kan overslaan, mag de straling van een brand op de tegenoverstaande gebouwen niet meer dan 15 kW/m2bedragen.
Een industriegebouw wordt verondersteld hieraan te voldoen als de afstand ten opzichte van tegenoverstaande gebouwen - in functie van de brandweerstand van de gevel en van de openingen in de gevel - groter is dan of gelijk aan de afstand zoals bepaald in tabel 4.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2009, p. 49395)
Als de tegenoverstaande gebouwen op hetzelfde perceel zijn gelegen, wordt de afstand bepaald in functie van de gevel met de hoogste brandwerendheid.
Als de tegenoverstaande gebouwen op hetzelfde perceel zijn gelegen, volstaat voor beide gevels E60 als de tussenafstand tussen beide gevels groter is dan of gelijk is aan de hoogte van de hoogste gevel.
6.2 Spiegelsymmetrie ten opzichte van de perceelsgrens
Bij de bepaling van de tussenafstand ten opzichte van gebouwen op naburige percelen dient de afstand tot aan de perceelsgrens groter of gelijk te zijn aan de helft van de minimale tussenafstand.
6.3 Brandbare gestapelde goederen
Opslag van brandbare goederen is enkel toegelaten indien deze goederen op een afstand van tegenoverstaande gebouwen liggen die minstens gelijk is aan de afstand zoals respectievelijk bepaald in punt 6.1 resp. punt 6.2.
6.4 Gebouwen uitgerust met een automatische blusinstallatie
De minimale tussenafstand bepaald in tabel 4 wordt voor de gevels van gebouwen uitgerust met een sprinklerinstallatie gehalveerd.
Indien gebouwen bovendien op hetzelfde perceel gelegen zijn en beide gebouwen uitgerust zijn met een automatische blusinstallatie, is er geen minimale tussenafstand vereist.
6.5 Gemeenschappelijke wanden
De gemeenschappelijke wanden van belendende gebouwen moeten voldoen aan de voorschriften van compartimentwanden, zoals bepaald in 3.4.
6.6 Brandgedrag van daken
De dakbedekking van het industriegebouw behoort tot klasse BROOF (t1).
[Deze vereiste is niet van toepassing op groendaken die beantwoorden aan de bepalingen van punt 5 van bijlage 7.]24
7. EVACUATIE
7.1 Aantal uitgangen
7.1.1 Algemene regel
De gebruikers beschikken over ten minste twee uitgangen die toegang geven tot een veilige plaats. Het eerste gedeelte van de af te leggen weg naar deze uitgangen mag gemeenschappelijk zijn.
De uitgangen zijn gelegen in tegenovergestelde zones.
7.1.2 Slechts één uitgang
Eén uitgang is slechts noodzakelijk :
- voor de lokalen, compartimenten of bouwlagen waar tijdens de normale bedrijfsactiviteiten sporadisch een beperkt aantal personen aanwezig zijn voor onderhoud en controle van de installaties;
- wanneer voor lokalen, compartimenten of bouwlagen met minder dan 50 gebruikers, de af te leggen weg om een veilige plaats te bereiken kleiner is dan deze die gemeenschappelijk mag zijn zoals bepaald in punt 7.2.
7.1.3 Meer dan twee uitgangen
Als de ruimte van het lokaal, compartiment of bouwlaag voorzien is op een mogelijke aanwezigheid van meer dan 500 personen, dan zijn er meer dan twee uitgangen noodzakelijk. Het aantal uitgangen wordt bepaald zoals aangegeven in Tabel 5.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2009, p. 49396)
7.2 Af te leggen weg tot een uitgang
[7.2.1]25De af te leggen weg tot een uitgang wordt beperkt tot de afstand vermeld in Tabel 6.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2009, p. 49396)
De wegen naar die uitgangen worden vrij gehouden. Ze zijn zodanig ingeplant dat de aanwezige personen ongehinderd een veilige plaats kunnen bereiken.
Elke uitgang of ontruimingsweg kan in geval van brand onmiddellijk gebruikt worden om het gebouw te verlaten of een veilige plaats te bereiken.
[7.2.2 In de lokalen en delen van gebouwen bedoeld in punt 3 van het punt 1.2.1 is de afstand die in geval van evacuatie dient afgelegd te worden niet hoger dan :
- 30 m tot aan een uitgang naar een veilige plaats;
- 45 m tot aan een uitgang naar een veilige plaats wanneer de toegang naar die uitgang via een evacuatieweg of een trappenhuis geschiedt en op voorwaarde dat er niet meer dan 30 m hoeft afgelegd te worden tot aan die evacuatieweg of dat trappenhuis.
Bovendien hebben de wanden van die evacuatieweg en van het trappenhuis een brandweerstand EI 60 en zijn ze uitgerust met brandwerende deuren EI1 30.]25
7.3 Breedte van de uitgangen en ontruimingswegen
De nuttige breedte van de deuren en ontruimingswegen die uitgeven naar buiten of naar een veilige plaats is minstens gelijk aan 0,8 m. Ze is groter of gelijk aan de vereiste nuttige breedte br berekend volgens bijlage 1, rekening houdende met het maximaal aantal personen die zich in normale omstandigheden in het compartiment bevinden.
Enkel deuren die in de vluchtzin opendraaien komen in aanmerking voor de bepaling van de nuttige breedte.
7.4 Veiligheidssignalering en -verlichting
De uitgangen, ontruimingswegen en brandbeveiligingsmiddelen worden aangeduid met goed waarneembare en herkenbare signalisatie die voldoet aan de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk. Ze worden uitgerust met een veiligheidsverlichting.
Het volgnummer van elke bouwlaag is duidelijk aangebracht op de overlopen en in ontruimingswegen ter hoogte van trappen en liften.
7.5 Alarm en melding
Alle gebruikers worden tijdig op de hoogte gebracht dat er brand is en dat er mogelijkerwijs tot ontruiming van het gebouw overgegaan moet worden.
De industriegebouwen met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 500 m2dienen daartoe uitgerust te zijn met een gepaste alarminstallatie.
In geval van brand, kunnen de gebruikers de brandweer tijdig verwittigen en kan de brandweer in contact treden met een verantwoordelijke van het industriegebouw.
8 VEILIGHEID VAN DE HULPPLOEGEN
8.1 Bereikbaarheid en toegankelijkheid
8.1.1 Algemeenheden
In de nabijheid van het industriegebouw zijn één of meerdere veilige en doelmatige opstelplaatsen ingericht die te allen tijde gemakkelijk bereikbaar zijn voor de voertuigen van de brandweer.
Het aantal en de ligging van de opstelplaatsen zijn, in akkoord met de bevoegde brandweer, zo bepaald dat :
1° de afstand van de brandweertoegang van het gebouw tot een opstelplaats beperkt is;
2° ten minste de helft van de buitenwanden van gebouwen met een [grondoppervlakte]26groter dan of gelijk aan 2 500 m2bereikbaar is;
3° alle buitenwanden van gebouwen met een [grondoppervlakte]26groter dan of gelijk aan 5 000 m2bereikbaar zijn en de toegangswegen daartoe niet doodlopend zijn;
4° het opgestelde voertuig geen schade kan oplopen door de brand.
8.1.2 Verbeterde bereikbaarheid
De toelaatbare oppervlakte van de compartimenten van de industriegebouwen kan voor bepaalde klassen (zie tabel 2) verhoogd worden indien deze compartimenten vlot bereikbaar zijn voor de brandbestrijding.
De volgende voorwaarden worden nageleefd :
1° het terrein waarop het gebouw gelegen is, is bereikbaar langs twee onafhankelijke ingangen; deze ingangen zijn op het perceel met elkaar verbonden door een toegangsweg voor de brandweer;
2° minstens de helft van de wanden van het compartiment zijn buitenwanden die bereikbaar zijn voor de brandweer.
8.2 Blusmiddelen en bluswatervoorziening
8.2.1 Blusmiddelen
In het industriegebouw zijn voldoende aangepaste blusmiddelen aanwezig. De aard en de hoeveelheid worden in overleg met de territoriaal bevoegde brandweer bepaald door de exploitant in functie van de aard en de omvang van het brandrisico.
8.2.2 Bluswatervoorziening
In de onmiddellijke nabijheid van het industriegebouw beschikt de brandweer over een primaire bluswatervoorziening die snel door de brandweer kan gebruikt worden.
Deze primaire bluswatervoorziening kan, in overleg met de brandweer, aangevuld worden met een secundaire en eventueel tertiaire bluswatervoorziening.
8.3 Monodisciplinaire interventieplannen
Indien de territoriaal bevoegde brandweer daarom verzoekt, dient de exploitant van het industriegebouw de nodige informatie ter beschikking te stellen van de brandweer voor de opmaak van een interventieplan voor het industriegebouw.]17
Bijlage 7. Gemeenschappelijke bepalingen.
<Ingevoegd bij KB 2012-07-12/38, art. 24, 008; Inwerkingtreding : 01-12-2012>
0 ALGEMEEN
0.1 Toepassingsgebied
Deze bijlage bevat voorschriften die van toepassing zijn op de lage, middelhoge en hoge gebouwen en op industriegebouwen.
0.2 Platen
Platen 7.1a en 7.1b - Doorvoeringen van bouwelementen
Plaat 7.2 - Doorvoeringen van bouwelementen
Plaat 7.3 - Doorvoeringen van bouwelementen
Plaat 7.4 - Doorvoeringen van bouwelementen
[Plaat 7.5 - Relatieve positie van luchtinlaten en luchtuitlaten (principeschema's)
Plaat 7.6 - Groendaken]27
(Figuren niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-09-2012, p. 58559)
1 DE DOORVOERINGEN VAN BOUWELEMENTEN
1.1 Toepassingsgebied
De bepalingen van het huidige hoofdstuk zijn van toepassing op de doorvoeringen doorheen bouwelementen van leidingen voor fluïda, vaste stoffen, elektriciteit of elektromagnetische golven, die de vereiste weerstand tegen brand van deze elementen niet nadelig mogen beïnvloeden.
Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de luchtkanalen, verluchtingskokers, rookkanalen en brandwerende kleppen.
1.2 Terminologie
De definities van punt 5.12 van bijlage 1 zijn van toepassing op het huidige hoofdstuk.
1.3 Vereiste criteria
De afdichting van de doorvoering moet het scheidend vermogen van de wand behouden, dit wil zeggen het vermogen om te voldoen aan de criteria van de vlamdichtheid (E) en de thermische isolatie (I) op de plaats van de doorvoeringen.
Voor enkelvoudige doorvoeringen van leidingen met een diameter kleiner dan of gelijk aan 160 mm zonder isolatie of met onbrandbare isolatie mag het criteria van thermische isolatie verwaarloosd worden; het onbrandbaar isolatiemateriaal beantwoordt aan de klassering A2-s1, d0.
1.4 Vereiste tijdsduur
De afdichting moet voldoen aan de vereiste criteria gedurende tenminste dezelfde tijdsduur als vereist voor de wand.
Voor een wand van een leidingenkoker is de vereiste duur evenwel
- tenminste de helft van de tijdsduur van de brandweerstand vereist voor de kokerwand, en
- een minimale tijdsduur van 30 minuten.
1.5 Vaststelling van de productenkenmerken
De brandweerstand van de afdichting in termen van vlamdichtheid E en thermische isolatie I mag aangetoond zijn
- door de toepassing van de bepalingen van punt 2.1 van de bijlage 1
of
- door de toepassing van één van de typeoplossingen beschreven in punten 1.6, 1.7 en 1.8 van deze bijlage.
1.6 Typeoplossing A - Afdichten van een enkelvoudige doorvoering met mortel of steenwol
Een eenvoudige afdichting van de doorvoering met mortel of met steenwol biedt voldoende waarborgen om de aangegeven vereiste brandweerstand niet nadelig te beïnvloeden indien voldaan wordt aan volgende voorwaarden.
1.6.1 Voorwaarden betreffende de bouwelementen
De bouwelementen waarin de doorvoeringen zijn aangebracht hebben een brandweerstand van tenminste EI 60.
1.6.2 Maximale diameter van de leiding in functie van de vereiste brandweerstand
In tabel 7.1 zijn de maximale diameters van de leidingen door bouwelementen weergegeven waarvoor een eenvoudige afdichting met mortel of steenwol de aangegeven vereiste brandweerstand niet nadelig beïnvloedt.
(Tabel niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-09-2012, p. 58560)
Tabel 7.1. Maximale diameter (mm) voor leidingen gewoon afgedicht met mortel of steenwol
1.6.3 Voorwaarden betreffende de afdichting met mortel
De leidingen worden rondom volledig afgedicht met een mortel en dit over een afdichtingdiepte (Lm) van minstens 50 mm voor een vereiste brandweerstand E 30 en E 60 en van minstens 70 mm voor een vereiste brandweerstand E 120; er kan rekening gehouden worden met de dikte van een eventuele bepleistering voor het verkrijgen van de afdichtingsdiepte.
De afdichting gebeurt bij voorkeur langs beide zijden van het bouwelement; de afdichtingsdiepte Lm wordt verkregen door het optellen van de dikte langs elke zijde met een minimum van 25 mm per zijde.
Als de afdichting maar langs één zijde gerealiseerd wordt, moet de afdichtingsdiepte langs deze zijde de volgende zijn : A => Lm. (zie plaat 7.1a)
In geval van een lichte scheidingswand (of een bouwelement met een grote holle binnenruimte in het algemeen) zal de afdichting meestal langs beide zijden moeten gebeuren om de vereiste dikte te kunnen realiseren. (zie plaat 7.1b)
1.6.4 Voorwaarden betreffende de afdichting met steenwol
De leidingen worden rondom volledig afgedicht met steenwol en dit over een totale diepte van minstens 50 mm. (zie plaat 7.2)
De afdichting mag langs één zijde gebeuren.
De steenwol dient goed stevig aangedrukt te worden in het bouwelement.
In geval van een lichte scheidingswand is in de kern ter plaatse van de doorvoering een isolatiemateriaal met zodanige dichtheid aangebracht dat het stevig aangedrukt kan worden. De afdichting met steenwol gebeurt bovendien langs beide zijden van het bouwelement.
1.6.5 Voorwaarden betreffende de afdichting met mortel en steenwol
De afdichting kan bestaan uit een combinatie van mortel en steenwol op voorwaarde dat tenminste voor één van de materialen aan de voorwaarden bepaald in 1.6.3, respectievelijk 1.6.4, voldaan is.
1.6.6 Voorwaarden betreffende de ophanging en de bevestiging van de leidingen.
De leidingen moeten opgehangen en bevestigd zijn volgens de regels van goed vakmanschap. De bevestigingen het dichtst bij het bouwelement mogen niet verder dan 500 mm langs weerszijden ervan gelegen zijn. (zie plaat 7.3)
1.7 Typeoplossing B - Enkelvoudige doorvoering met een mantelbuis.
Wanneer de regels van de goede praktijk het gebruik van een mantelbuis voorschrijven, wordt de vereiste brandweerstand niet nadelig beïnvloed indien voldaan is aan volgende voorwaarden.
1.7.1 Voorwaarden betreffende de bouwelementen
De bouwelementen zijn in metselwerk of beton.
1.7.2 Maximale diameter van de leiding in functie van de vereiste brandweerstand
In tabel 7.2 zijn de maximale diameters van de leidingen door bouwelementen weergegeven waarvoor het gebruik van een mantelbuis uit metaal of ander onbrandbaar materiaal of PVC-U, al dan niet met open speling, de vereiste brandweerstand niet nadelig beïnvloeden.
(Tabel niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-09-2012, p. 58562)
Tabel 7.2. Maximale diameters (mm) van leidingen ingewerkt in een mantelbuis uit metaal of PVC
1.7.3 Voorwaarden betreffende de mantelbuis en zijn afdichting
De mantelbuizen zijn
- onbrandbare leidingen
of
- gemaakt uit harde polyvinylchloride (PVC-U) geklasseerd in B- s3, d0.
De mantelbuis wordt stevig in het bouwelement bevestigd met een afdichting met mortel.
De afdichting in mortel dient te gebeuren langs beide zijden van het bouwelement, met een minimale diepte van 25 mm. (zie plaat 7.4).
De mantelbuis wordt gedeeltelijk zichtbaar gelaten en moet uitsteken ten opzichte van het bouwelement.
1.7.4 Voorwaarden betreffende de leidingen
De leidingen zijn onbrandbare leidingen of leidingen in harde polyvinylchloride (PVC-U).
1.7.5 Voorwaarden betreffende de speling tussen mantelbuis en leiding
Als de speling tussen de mantelbuis en de leiding open blijft, is deze maximum 4 mm.
Indien de diameter van de mantelbuis kleiner dan of gelijk aan 25 mm is, worden er geen voorwaarden opgelegd betreffende de speling tussen de mantelbuis en de leiding.
Als de speling tussen de mantelbuis en de leiding opgevuld is, bedraagt deze ten hoogste 45 mm en wordt rondom volledig afgedicht met steenwol, uitgevoerd zoals voorzien in punt 1.6.6.
1.7.6 Voorwaarden betreffende de ophanging van de leidingen
De leidingen moeten opgehangen en bevestigd worden zoals voorzien in punt 1.5.6.
1.8 Typeoplossing C - Rechtstreekse aansluiting op een hangtoilet
De aansluiting op een hangtoilet beïnvloedt de vereiste brandweerstand niet nadelig, indien voldaan aan volgende voorwaarden :
- de diameter van de leiding bedraagt maximaal 110 mm;
- de afdichting met mortel of met steenwol voldoet aan punt 1.6.3 of 1.6.4;
- het toilet wordt tegen een bouwelement in metselwerk of beton bevestigd;
- de maximale vereiste tijdsduur is gelijk aan 30 minuten.
[2 DE SASSEN
2.1 Toepassingsgebied
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op sassen vereist door de bijlagen 2, 2/1, 3, 3/1, 4 en 4/1 van dit besluit.
2.2 Uitrusting
Alleen de volgende voorwerpen zijn toegelaten in de sassen :
- detectiemiddelen;
- blusmiddelen;
- signalisatietoestellen;
- verlichtingstoestellen;
- verwarmingstoestellen;
- ventilatieinrichtingen;
- ontrokingsinrichtingen.
De elektrische leidingen, de verluchtingskokers en de ontrokingskokers zijn alleen toegelaten :
- als zij slechts dienen voor de werking van de voornoemde voorwerpen die in de sas geïnstalleerd zijn,
- of als de sas slechts uitgeeft op niet voor verblijf bestemde lokalen (bijvoorbeeld : technische ruimten, transformatorlokalen, bergingen, archieflokalen, lokalen voor de opslag van het huisvuil, lokalen voor tellers, verwarmingslokalen,...) of [parkings]28.
Waterleidingen zijn toegelaten in de sassen.
Elke andere leiding is verboden in de sassen.]29
[3 DE PARKINGS
3.1 Voorwerp
Dit hoofdstuk bepaalt de voorwaarden waaraan het ontwerp, de bouw en de inrichting van de parkings moeten voldoen om:
a) het ontstaan, de ontwikkeling en de voortplanting van brand te voorkomen;
b) de veiligheid van de aanwezigen te waarborgen;
c) preventief het ingrijpen van de brandweer te vergemakkelijken.
3.2 Toepassingsgebied
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de parkings bedoeld in het punt 5.2.4 van de bijlagen 2/1, 3/1 et 4/1 van dit besluit.
3.3 Brandbeveiliging
Het ontwerp, de uitvoering, het gebruik en het nazicht van de brandbeveiligingsinstallaties voldoen aan de regels van goed vakmanschap en aan de geldende normen terzake.
De actieve brandbeveiligingsinstallaties zijn daarbij zo uitgevoerd dat de verschillende componenten onderling compatibel zijn. Zij werken in synergie zodat de werking of het defect van een component, de werking van de andere installaties en componenten niet in het gedrang brengt.
De actieve brandbeveiligingsinstallaties worden op regelmatige tijdstippen nagekeken en onderhouden door een ter zake bevoegd organisme of persoon.
De specifieke voorschriften betreffende de elektrische leidingen voor bediening en voeding van de actieve brandbeveiligingsinstallaties blijven van toepassing.
3.3.1 Beveiligingstype
Er worden verschillende beveiligingstypes geïdentificeerd op basis van het toegepaste brandbeveiligingsconcept:
- RWA & Sprinkler
- RWA
- Sprinkler
- Ventilatieopening
- Open
In de parkings met een totale oppervlakte groter dan 250 m2(*), moet één van deze beveiligingstypes worden toegepast op iedere parkeerbouwlaag, zoals aangegeven in onderstaande tabel:
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-06-2022, p. 52259)
(*) Voor de parkings zonder autolift, wordt deze grens verhoogd tot 625 m2op voorwaarde dat geen enkel punt van de parking zich verder dan 45 m van de ingang van de parking bestemd voor de tussenkomst van de brandweer (cf. punt 7.2 van de bijlage 1) bevindt.
RWA# = RWA type #
Sprinkler# = Sprinkler type #
Alle ondergrondse parkeerbouwlagen, met uitzondering van de open bouwlagen, moeten van hetzelfde beveiligingstype zijn. Alle bovengrondse parkeerbouwlagen, met uitzondering van de open bouwlagen, moeten van hetzelfde beveiligingstype zijn. Het beveiligingstype van de bovengrondse bouwlagen mag wel verschillen van dat van de ondergrondse bouwlagen.
3.3.2 Branddetectie- en alarminstallatie
De parkeerbouwlagen zijn uitgerust met een automatische branddetectie- en alarminstallatie die de hele parking bewaakt (met inbegrip van de in het compartiment aanwezige lokalen).
Deze vereiste is niet van toepassing op:
a) de parkings met een totale oppervlakte kleiner dan of gelijk aan de grens vermeld in punt 3.3.1 waarboven één van de beveiligingstypes dient toegepast te worden op elke parkeerbouwlaag;
b) de parkings van uitsluitend type "Ventilatieopening" of "Open", op voorwaarde:
- dat er geen deelcompartimenten zijn;
- dat, behalve bij brand zelfsluitende deuren, er geen andere uitrusting aanwezig is waarvoor de bediening door de branddetectie vereist is;
- en dat ze geen autolift heeft.
3.3.2.1 Uitvoering van de branddetectie-installatie
De automatische branddetectie-installatie is ontworpen en uitgevoerd volgens de norm NBN S 21-100-1. De keuze van de detectoren is aangepast aan de aanwezige risico's en in functie van een snelle ontdekking van de brand.
Voor de parkeerbouwlagen uitgerust met een sprinklerinstallatie, kan deze installatie de functie van automatische branddetectie verzekeren in de zones die zij beschermt, op voorwaarde:
- dat de sprinklers een nominale werkingstemperatuur hebben van ten hoogste 68° C en deze van het type quick response zijn;
- dat het leidingnet van de sprinklerinstallatie is uitgerust met waterstroomdetectors en/of drukschakelaars die het leidingnet opdelen in detectiezones;
- dat deze detectiezones voldoen aan de overeenkomstige voorschriften van de norm NBN S 21-100-1;
- dat voor de parkeerbouwlagen van het type "RWA & Sprinkler", elke detectiezone ten hoogste één RWA-zone omvat;
- dat elke onderverdeling van het leidingnet is voorzien van een testklep;
- en dat deze installatie in de omgeving van bij brand zelfsluitende deuren aangevuld wordt met rookdetectoren.
De branddetectie-installatie geeft automatisch een aanduiding van de brandmelding en de plaats ervan.
3.3.2.2 Werking van de alarminstallatie
Alle gebruikers van het gebouw worden tijdig op de hoogte gebracht dat er brand is in de parking en dat er tot ontruiming van het gebouw overgegaan moet worden.
Wanneer de parking onder toezicht staat van één of meer bevoegde personen, dan wordt een voorafgaande waarschuwing gestuurd naar die personen die de passende maatregelen nemen en de brandweer verwittigen.
3.3.3 RWA-installatie
Voor de parkeerbouwlagen uitgerust met een rook- en warmteafvoerinstallatie (RWA-installatie), moet deze installatie de parkeerplaatsen van de voertuigen, de circulatiewegen en de hellingen beveiligen. Het is niet vereist om in een installatie te voorzien voor de in het compartiment aanwezige lokalen en de parkeerboxen.
3.3.3.1 Uitvoering van de RWA-installatie
De RWA-installatie is ontworpen en uitgevoerd:
- ofwel volgens de norm NBN S 21-208-2 voor een RWA-installatie type 1 of 2;
- ofwel volgens de bepalingen van het punt 3.3.3.3 voor een RWA-installatie type 3;
De rookafvoer van het getroffen deelcompartiment mag niet gebeuren via een ander deelcompartiment, met uitzondering voor de rookafvoer van de hellingen zonder parkeerzones voor voertuigen. De luchttoevoer naar het getroffen deelcompartiment kan daarentegen gebeuren via een ander deelcompartiment.
3.3.3.1.1 Afwijkingsbepaling - Autonome stroombron.
In afwijking van de norm NBN S 21-208-2 en van het punt 6.5.3 van de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1, moet de RWA-installatie niet gevoed worden met een autonome stroombron voor de parkings die een totale oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 2500 m2hebben.
3.3.3.1.2 Afwijkingsbepaling - Brandwerende kleppen.
In afwijking van het punt 6.7.4 van de bijlagen 2/1, 3/1 et 4/1, wanneer de RWA-installatie meerdere deelcompartimenten bedient, mogen de rookkleppen en -registerkleppen op de grenzen van het deelcompartiment behoren tot klasse E600 60 (ve-ho i(-)o) MA single volgens de norm NBN EN 12101-8.
3.3.3.2 RWA-installatie type 2
Voor een deelcompartiment met beveiligingstype "RWA":
a) met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 2500 m2en bovengronds;
b) met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 2500 m2en een diepte kleiner dan of gelijk aan 7 m;
c) met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 1250 m2en een diepte kleiner dan of gelijk aan 14 m;
en op voorwaarde dat de totale oppervlakte van de parking kleiner dan of gelijk is aan 10 000 m2;
worden de volgende afwijkingen op bijlage A van de norm NBN S 21-208-2 toegekend:
- het deelcompartiment wordt opgesplitst in RWA-zones met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 1250 m2;
- de breedte wref van het deelcompartiment kan groter zijn dan 20 m. In dit geval is de vereiste snelheid die in rekening dient gebracht te worden, gegeven in tabel A.1 voor een breedte w van 20 m.
- het ontwerpdebiet Qd is de grootste waarde tussen de debieten Qmin et Qin.
3.3.3.3 RWA-installatie type 3
Het principe houdt in de brandweer toe te laten een horizontale ventilatie tot stand te brengen zonder gebruik te maken van hun eigen ventilatoren, om een interventieweg relatief rookvrij te maken vanaf de ingang van de parking tot in de nabijheid van de brandhaard.
Deze vereenvoudigde type-oplossing is slechts van toepassing op een deelcompartiment van het type "RWA":
a) met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 1250 m2en bovengronds;
b) met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 1250 m2en een diepte kleiner dan of gelijk aan 7 m;
waarvan de afstand d groter dan of gelijk is aan 0,6 D (zie plaat 7.5);
en op voorwaarde dat de totale oppervlakte van de parking kleiner dan of gelijk is aan 60 000 m2.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-06-2022, p. 52262)
waarbij
D de kortste horizontale afstand is af te leggen binnen het deelcompartiment tussen de verst gelegen punten van dit deelcompartiment;
d de kortste horizontale afstand is af te leggen binnen het deelcompartiment tussen het midden van de luchtuitlaatmond en de meest nabijgelegen rand van de luchtinlaatmond;
Elk deelcompartiment vormt een RWA-zone.
3.3.3.3.1 Uitvoering van de RWA-installatie type 3
Het rookafvoersysteem verzekert een afvoerdebiet van minstens 120.000 m3/h.
Het rookafvoersysteem kan ook gebruikt worden voor het beheersen van de reglementair bepaalde maximale concentratie aan schadelijke gassen, zoals vereist bij permanente ventilatie (zonder brand). In geval van brand moet de aansturing van het rookafvoersysteem voorrang hebben op de sturing van de permanente ventilatie.
De rookafzuigtoestellen moeten voldoen aan de norm NBN EN 12101-3. Hun toebehoren (rookkleppen, rookregisters, ...) die hen beschermen ten opzichte van de buitenomgeving moeten voldoen aan de norm NBN EN 12101-2. De afzuigtoestellen en hun toebehoren moeten eveneens voldoen aan de prestatie-eisen volgens de vereiste klassering gedefinieerd in de tabel hieronder:
Prestatie-eisen | Vereiste klassen | Referentienormen |
Weerstand tegen hitte van de ventilator | F 300 | NBN EN 12101-3 (proef: Bijlage C) |
Werking onder sneeuwlast van het toebehoren van de ventilator, geplaatst op het eind van een netwerk en in buitenomgeving, behalve bij verwarmde gebouwen waarbij het toebehoren niet thermisch geïsoleerd is | SL 125 | NBN EN 12101-3 (proef: Bijlage E) |
Werking van het toebehoren van de ventilator dat kan worden blootgesteld aan lage omgevingstemperatuur en dat niet werkt door het drukverschil geproduceerd door de ventilator | T (-15) | NBN EN 12101-2 (proef: Bijlage E) |
Betrouwbaarheid van het toebehoren van de ventilator dat niet werkt door het drukverschil geproduceerd door de ventilator | Re 1000 (*) | NBN EN 12101-2 (proef: Bijlage C) |
(*) Als het afvoersysteem twee functies heeft, moeten 10 000 cycli worden uitgevoerd in de normale positie voor comfortventilatie, vooraleer over te gaan tot de test om de betrouwbaarheidsklasse ervan te bepalen.
De afzuigkanalen, hun toebehoren en hun ophangingen moeten zijn uitgevoerd in staal.
3.3.3.4 Bediening van de RWA-installatie
De RWA-installatie wordt bediend door de automatische branddetectie-installatie voorzien in punt 3.3.2.
De RWA-installatie moet ook manueel kunnen worden bediend.
3.3.3.4.1 Afwijkingsbepaling - Norm NBN S 21-208-2
In afwijking van de norm NBN S 21-208-2, voor de parkeerbouwlagen met beveiligingstype "RWA & Sprinkler":
- kan de automatische sturing worden verzekerd door een branddetectie-installatie waarvan de functie van automatische branddetectie gebeurt via de sprinklerinstallatie in de zones die zij beschermt, zoals voorzien in punt 3.3.2.1;
- dient de rookafvoer ten vroegste 3 minuten na de ontvangst van het signaal van het waterstromingsalarm van de sprinklerinstallatie in regime zijn.
3.3.4 Sprinklerinstallatie
Voor de parkeerbouwlagen uitgerust met een sprinklerinstallatie, moet deze installatie de parkeerplaatsen van de voertuigen, de circulatiewegen en de hellingen en de lokalen in het compartiment beveiligen, behalve deze die door brandwerende wanden en deuren van de rest van het parkeercompartiment zijn gescheiden.
3.3.4.1 Uitvoering van de sprinklerinstallatie
De sprinklerinstallatie is ontworpen en uitgevoerd volgens de norm NBN EN 12845, de norm NFPA 13 of iedere andere regel van goed vakmanschap met een gelijkaardig veiligheidsniveau. Die normen en regels van goed vakmanschap moeten integraal toegepast worden, zonder hun specificaties onderling te mengen.
3.3.4.1.1 Afwijkingsbepaling - Autonome stroombron.
In afwijking van het punt 6.5.3 van de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1, moeten eventuele elektrische pompen van de sprinklerinstallatie niet gevoed worden met een autonome stroombron voor de parkings met het beveiligingstype "Sprinkler" die een totale oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 2500 m2hebben.
3.3.4.2 Sprinklerinstallatie type 2
Voor een deelcompartiment met het beveiligingstype "Sprinkler":
a) met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 1250 m2en bovengronds;
b) met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 1250 m2en een diepte kleiner dan of gelijk aan 7 m;
en op voorwaarde dat de totale oppervlakte van de parking kleiner dan of gelijk is aan 10 000 m2;
worden de volgende afwijkingen op de norm NBN EN 12845 of NFPA 13 toegekend:
- voor de norm NBN EN 12845, is de risicoklasse OH1;
- voor de norm NFPA 13, is de risicoklasse LH met een ontwerpdichtheid van minstens 4 mm/min;
- de watervoorraad moet een voldoende capaciteit hebben om gedurende 30 minuten de voorwaarden van druk/debiet vereist voor het systeem te verzekeren.
3.3.5 Deelcompartimentering
Het principe geldt van de automatische onderverdeling bij brand van de parkeerbouwlagen in verschillende deelcompartimenten om de branduitbreiding te vertragen en de geteisterde oppervlakte te beperken.
De oppervlakte van een deelcompartiment is beperkt in functie van de diepte ervan, teneinde rekening te houden met de moeilijke interventie van de brandweer in de diepste bouwlagen.
Deze vereiste is niet van toepassing:
a) op de parkings met een totale oppervlakte kleiner dan of gelijk aan de grens vermeld in punt 3.3.1 waarboven één van de beveiligingstypes dient toegepast te worden op elke parkeerbouwlaag;
b) op de parkings met een totale oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 2500 m2die zich in de hoogte over maximum twee bouwlagen uitstrekken;
c) op de parkings van het beveiligingstype "RWA & Sprinkler" of "Open".
Een parkeerbouwlaag kan een enkel deelcompartiment vormen op voorwaarde dat de voorschriften hieronder worden nageleefd.
3.3.5.1 Afmeting van de deelcompartimenten
Het parkeercompartiment is derwijze in verschillende deelcompartimenten onderverdeeld dat:
- de oppervlakte van elk deelcompartiment kleiner is dan of gelijk aan de grens vermeld in punt 3.3.1 in functie van de diepte van het parkeerbouwlaag en het toegepaste beveiligingstype;
- elk deelcompartiment zich over slechts een parkeerbouwlaag uitstrekt;
- het oppervlak van de vloer van elk deelcompartiment continu is; het oppervlak kan horizontaal zijn of in helling, maar er mag geen onderbreking zijn (bijvoorbeeld: vloer in schaar of met split-levels).
3.3.5.2 Wanden van een deelcompartiment
De wanden van een deelcompartiment hebben EI 60.
Elke opening in de wanden van een deelcompartiment bestemd voor doorgang van de bezetters en de brandweer is afgesloten:
- ofwel door een sas met wanden EI 60 en zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren EI1 30;
- ofwel door een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur EI1 60.
De openingen in de wanden voor deelcompartimentering voor de doorgang van voertuigen zijn uitgerust met bij brand zelfsluitende afsluitingen E 60, zoals draaideuren, schuifwanden, oprolbare luiken en schermen.
In geval van activering van de afsluitingen vermeld in het derde lid van dit punt, moet de verbinding met ieder deelcompartiment verzekerd blijven:
- ofwel via een opening conform het tweede lid van dit punt, voorzien in de nabijheid van elk van de openingen bedoeld in het derde lid van dit punt;
- ofwel via een andere welbepaalde toegang, bepaald in overeenstemming met de brandweer.
Doorvoeringen doorheen wanden van leidingen voor fluïda of voor elektriciteit en de uitzetvoegen van een bouwelement mogen de vereiste weerstand tegen brand van dit bouwelement niet nadelig beïnvloeden.
3.3.5.3 Werking bij brand
De deuren en afsluitingen van de deelcompartimenten sluiten automatisch bij brand, behalve deze die nodig zijn voor de werking van de eventuele RWA-installatie.
3.3.6 Verluchtingsopening
Het principe houdt in de brandweer toe te laten een horizontale ventilatie tot stand te brengen door gebruik te maken van hun eigen ventilatoren, om zodoende een interventieweg vanaf de ingang van de parking tot in de nabijheid van de brandhaard relatief rookvrij te maken.
Dit beveiligingstype is slechts van toepassing op een deelcompartiment:
a) met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 1250 m2en bovengronds;
b) met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 1250 m2en een diepte kleiner dan of gelijk aan 7 m;
waarvan de afstand d groter dan of gelijk is aan 0,6 D (zie plaat 7.5);
en op voorwaarde dat de totale oppervlakte van de parking kleiner dan of gelijk is aan 60 000 m2.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-06-2022, p. 52265)
waarbij
D de kortste horizontale afstand is af te leggen binnen het deelcompartiment tussen de verst gelegen punten van dit deelcompartiment;
d de kortste horizontale afstand is af te leggen binnen het deelcompartiment tussen het midden van de verluchtingsopening en de meest nabijgelegen rand van de ingang van het deelcompartiment bestemd voor de tussenkomst van de brandweer;
De rookafvoer en de luchttoevoer van het getroffen deelcompartiment mag niet gebeuren via een ander deelcompartiment.
3.3.6.1 Uitvoering van de verluchtingsopening
De verluchtingsopening mondt rechtstreeks uit in open lucht. Deze opening kan uitgerust zijn met een klep of een kleppenregister.
De verluchtingsopening heeft een doorsnede van minstens 5 m2. De doorsnede van de verluchtingsopening wordt bepaald door eventuele obstructies aan de binnenkant van het afvoersysteem af te trekken, zoals bedieningen, verluchtingsluiken en schoepen.
De kleinste afmeting van de verluchtingsopening is groter dan of gelijk aan dan 1 m.
De verluchtingsopening kan ook gebruikt worden voor het beheersen van de reglementair bepaalde maximale concentratie aan schadelijke gassen, zoals vereist bij permanente ventilatie (zonder brand). In geval van brand moet de aansturing van het rookafvoersysteem voorrang hebben op de sturing van de permanente ventilatie.
De prestaties van de eventuele klep of kleppenregister van de verluchtingsopening worden bepaald overeenkomstig de proefmethoden bepaald door de norm NBN EN 12101-2. De volgende tabel definieert de klassen waaraan de klep of kleppenregister moet voldoen:
Prestatie-eisen | Vereiste klassen | Referentienormen |
Weerstand tegen hitte | B 300 | NBN EN 12101-2 (proef: Bijlage G) |
Opening onder sneeuwlast | SL 125 (**) (* * *) | NBN EN 12101-2 (proef: Bijlage D) |
Opening aan lage omgevingstemperatuur | T (-15) | NBN EN 12101-2 (proef: Bijlage E) |
Betrouwbaarheid | Re 50 (*) | NBN EN 12101-2 (proef: Bijlage C) |
Weerstand tegen windbelasting | WL 1500 | NBN EN 12101-2 (proef: Bijlage F) |
(*) Als het afvoersysteem twee functies heeft, moeten 10 000 cycli worden uitgevoerd in de normale positie voor comfortventilatie, vooraleer over te gaan tot de test om de betrouwbaarheidsklasse ervan te bepalen
(**) Een afvoersysteem geklasseerd als SL 0 kan worden geïnstalleerd overeenkomstig de instructies van de fabrikant, met een minimale installatiehoek groter dan 45° (hellingen van het dak en van het evacuatiesysteem opgeteld in gesloten stand), behalve als de sneeuw niet van het afvoersysteem kan afglijden (door winddeflectoren bijvoorbeeld).
(* * *) Met uitzondering van de afvoersystemen geklasseerd als SL 0, volstaat het voor de afvoersystemen uitgerust met deflectoren of gelijkaardige elementen, dat de classificatie van de sneeuwbelasting niet lager is dan SL = 2000 d, waarbij d staat voor de sneeuwdikte, uitgedrukt in meters, die kan worden tegengehouden binnen de grenzen van de deflectoren.
De opening van de eventuele klep of kleppenregister van elke ventilatieopening wordt als volgt bevolen:
- automatisch bij brand in de parking;
- automatisch bij een defect aan de energiebron, de voeding of de bediening (toestel met positieve veiligheid);
- manueel via een bediening bestemd voor de brandweer.
3.3.7 Open parkeerbouwlagen
Dit beveiligingstype is slechts van toepassing op een open parkeerbouwlaag (cf. punt 7.4 van de bijlage 1).
Het principe bestaat erin dat deze parkeerbouwlaag voldoende verlucht wordt, waardoor er bij brand een vlotte afvoer van rook en warmte en aanvoer van verse lucht is, en dat actieve beschermingsmaatregelen in deze bouwlaag niet nodig zijn.
3.3.8 Centrale controle- en bedieningspost
Het toezicht op de werking en de bediening van de verschillende actieve brandbeveiligingsinstallaties gebeuren vanuit een centrale controle- en bedieningspost.
De centrale controle- en bedieningspost heeft een synoptisch bord waarop de brand kan gelokaliseerd worden, waarmee de verschillende voorziene beschermingsmiddelen kunnen worden vastgesteld en waarmee hun activering kan worden gecontroleerd.
De ligging van de centrale controle- en bedieningspost wordt bepaald in overleg met de territoriaal bevoegde brandweer.
De centrale controle- en bedieningspost wordt aangegeven met een signalisatie die duidelijk zichtbaar en herkenbaar is door de brandweer, en is uitgerust met veiligheidsverlichting.
3.4 Blusmiddelen
In afwijking van het punt 6.8.5.3 van de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1 is voor de parkeerbouwlagen uitgerust met een sprinklerinstallatie geen enkele muurhaspel vereist. De specifieke eisen voor muurhydranten blijven van toepassing.
3.5 In het compartiment aanwezige lokalen
In het parkeercompartiment mogen de volgende lokalen worden opgenomen:
- niet voor verblijf bestemde lokalen (bijvoorbeeld: technische lokalen, transformatorlokalen, bergingen, archieflokalen, lokalen voor vuilnisopslag, tellerlokalen, verwarmingslokalen,...);
- de lokalen die rechtstreeks dienen voor de uitbating van de parking (betaalposten, bewakingslokalen, sanitair, kantoren, werkplaatsen,...).
Het is niet toegelaten om in het parkeercompartiment bijkomende activiteiten uit te voeren zoals automatische carwash-stations, laadkades, tankstations of vulstations voor brandstof.
3.5.1 Binnenwanden en -deuren
De binnenwanden van de in het compartiment aanwezige lokalen hebben dezelfde brandweerstand als de wanden van het parkeercompartiment en:
- ofwel geschiedt de toegang door een sas met wanden die dezelfde brandweerstand hebben als de wanden van het parkeercompartiment en zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren EI1 30;
- ofwel geschiedt de toegang tot elk lokaal door een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur EI1 60.
Deze vereiste is niet van toepassing op de betaalposten, de bewakingslokalen, het sanitair en de kantoren die rechtstreeks dienen voor de uitbating van de parking.
3.5.2 Specifieke lokalen
De specifieke voorschriften betreffende de stookafdelingen, de transformatorlokalen en de lokalen voor vuilnisopslag blijven van toepassing (cf. respectievelijk de punten 5.1.2, 5.1.3 en 5.1.4 van de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1).
3.6 Uitrusting
3.6.1 Autoliften
De specifieke voorschriften betreffende de liften blijven van toepassing (cf. punten 6.1 van de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1), met toepassing van de volgende afwijkingsbepalingen:
- het punt 6.1.4.1 van de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1 is niet van toepassing;
- bij branddetectie worden de kooien van de autoliften naar het aangeduide bordes gebracht zodat de passagiers kunnen uitstappen, vervolgens worden ze uit normale dienst gehaald, behalve bij storing van de stroomvoorziening;
- bij storing van de stroomvoorziening worden de kooien van de liften naar het eerste bordes gebracht dat technisch mogelijk is, zodat de passagiers kunnen uitstappen, vervolgens worden ze uit normale dienst gehaald. Hiertoe beschikt elke autolift over een autonome stroombron met een toereikende capaciteit en vermogen.
3.6.2 Parkeerbox
De parkeerboxen maken deel uit van de parkeerzones en hun hoofdactiviteit moet het parkeren van voertuigen blijven.
De oppervlakte van een parkeerbox is beperkt tot maximaal twee parkeerplaatsen.
De wanden en deuren die de parkeerboxen scheiden van de parkeerzones voor voertuigen en de circulatiewegen, zijn niet onderworpen aan een vereiste inzake brandweerstand. De vereisten inzake reactie bij brand blijven van toepassing.
Elke parkeerbox moet uitgerust zijn met twee verluchtingsopeningen:
- één bovenaan, met een oppervlakte van minstens 500 cm2en een hoogte van minstens 15 cm;
- de andere onderaan, met een oppervlakte van minstens 200 cm2.
Deze verluchtingsopeningen verbinden elke parkeerbox rechtstreeks met een circulatieweg van de parking.
Deze verluchtingsopeningen mogen met een traliewerk tegen inbraak voorzien zijn.
De wanden die de parkeerboxen van elkaar of van de parkeerzones voor voertuigen scheiden hebben geen openingen of verluchtingsopeningen.
3.6.3 Gasleidingen
De aanwezigheid van gasleidingen in de parking is toegelaten op voorwaarde:
- dat deze gasleidingen uit staal zijn en gelast;
- dat de leidingonderdelen en de toestellen van deze gasleidingen van het type RHT zijn, zoals bepaald in de normen NBN D 51-003 en NBN D 51-004;
- dat deze gasleidingen beschermd zijn tegen eventuele schokken afkomstig van voertuigen;
- dat deze gasleidingen boven de circulatiewegen worden geplaatst.
Wanneer de positie van de binnenkomende of van de verticale aansluiting zich evenwel boven een parkeerplaats bevindt, dan is een verbindingsleiding naar de leidingen boven de circulatiewegen toegestaan;
- en dat een afsluitklep voor de gasvoorziening wordt voorzien aan de buitenzijde van het parkeercompartiment, die door de brandweer kan worden gebruikt.
3.7 Evacuatie
3.7.1 Aantal uitgangen
Elke parkeerbouwlaag beschikt over minstens twee uitgangen.
De uitgangen van een parking voldoen aan het eerste lid van punt 4.4.1.2 van de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1, met de volgende aanpassingen:
- de verbinding met een trappenhuis mag geschieden door bij brand zelfsluitende deuren;
- de verbinding met een evacuatieweg uit het parkeercompartiment moet geschieden door een verbinding conform het punt 5.2.2 van de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1.
De uitgangen bevinden zich in de tegenovergestelde zones van de parkeerbouwlagen en moeten toegankelijk blijven in geval van activering van eventuele rookschermen voor de RWA-installatie en van eventuele afsluitingen van de deelcompartimentering.
De te openen deuren tot de uitgangen mogen geen vergrendeling hebben die het openen in de vluchtrichting verhindert.
3.7.2 Af te leggen afstand
Geen enkel punt van de parking mag zich bevinden op een afstand van meer dan:
- 45 m van de toegang tot een evacuatieweg die naar een uitgang leidt, behalve voor de open parkeerbouwlagen;
- 60 m van de toegang tot een uitgang.
Deze afstanden worden gemeten rekening houdend met het sluiten van de eventuele afsluitingen van de deelcompartimentering.
3.7.3 Eén enkele uitgang
In afwijking van het punt 3.7.1 is één enkele uitgang per parkeerbouwlaag voldoende, op voorwaarde:
- dat de parking zich in de hoogte uitstrekt over maximum twee bouwlagen;
- dat geen enkele van deze beide bouwlagen zich ondergronds bevindt op een diepte groter dan 7 m of bovengronds hoger dan 7 m;
- dat geen enkel punt van de parking zich op een afstand verder dan 15m bevindt van de toegang tot de evacuatieweg die naar de uitgang leidt;
- en dat geen enkel punt van de parking zich op een afstand verder dan 30m van de toegang tot de uitgang bevindt.
3.7.4 Evacuatiewegen
De evacuatiewegen in een parking voldoen aan het punt 4.4 van de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1, met de volgende aanpassingen:
- de binnenwanden van de evacuatiewegen hebben EI 60 en de deuren die er toegang tot geven hebben EI1 30 en zijn zelfsluitend of zelfsluitend bij brand;
- de verbinding tussen de trappen moet niet verplicht worden verzekerd door evacuatiewegen of vluchtterrassen;
- voor de open parkeerbouwlagen kan de verbinding tussen de parking en een binnentrappenhuis dat enkel de parking bedient, verzekerd worden door een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur EI1 30.
Op een evacuatieniveau, wanneer het traject van binnentrappenhuizen tot de openbare weg of tot een buitenruimte die het mogelijk maakt deze te bereiken, geschiedt via een parking, dan wordt die verbinding verzekerd door een evacuatieweg.
3.7.5 Breedte van de uitgangen en evacuatiewegen
De nuttige breedte van de evacuatiewegen, vluchtterrassen, uitgangen en hun toegangs-, uitgangs- of doorgangsdeuren bedraagt ten minste 0,80 m voor de evacuatiewegen, de uitgangen en de deuren en ten minste 0,60 m voor de vluchtterrassen.
3.7.6 Signalisatie en veiligheidsverlichting
De uitgangen, evacuatiewegen en brandbeveiligingsmiddelen worden aangeduid met goed waarneembare en herkenbare signalisatie die voldoet aan de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk. Zij zijn uitgerust met een veiligheidsverlichting. De specifieke voorschriften hiervoor blijven van toepassing (cf. punt 6.5.4 van de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1).
Het volgnummer van elke bouwlaag wordt duidelijk aangebracht op de overlopen en in de vluchtruimten bij trappenhuizen, liften en hellingen.
3.8 Interventie
3.8.1 Interventiewegen
De specifieke eisen betreffende de interventiewegen hangen af van het beveiligingstype van de parkeerbouwlaag.
3.8.1.1 Beveiligingstype "RWA"
De interventie van de brandweer moet kunnen gebeuren:
- ofwel via een helling zonder parkeerzones voor voertuigen;
- ofwel rechtstreeks vanaf de ingang van de parking bestemd voor de tussenkomst van de brandweer (cf. punt 7.2 van de bijlage 1).
Ter hoogte van het getroffen deelcompartiment moet de toegang tot dit deelcompartiment vanaf deze helling of de ingang van de parking bestemd voor de tussenkomst van de brandweer:
- ofwel rechtstreeks gebeuren;
- ofwel via ten hoogste één ander deelcompartiment.
3.8.1.2 Beveiligingstype "Sprinkler"
De interventie van de brandweer moet kunnen gebeuren:
- ofwel via een helling zonder parkeerzones voor voertuigen;
- ofwel via een uitgang van de parking (cf. punt 3.7.1);
- ofwel rechtstreeks vanaf de ingang van de parking bestemd voor de tussenkomst van de brandweer (cf. punt 7.2 van de bijlage 1).
Ter hoogte van het getroffen deelcompartiment moet de toegang tot dit deelcompartiment vanaf deze helling, de uitgang van de parking of de ingang van de parking bestemd voor de tussenkomst van de brandweer rechtstreeks zijn.
3.8.1.3 Beveiligingstype "Ventilatieopening"
De interventie van de brandweer moet kunnen gebeuren:
- ofwel via een helling zonder parkeerzones voor voertuigen;
- ofwel rechtstreeks vanaf de ingang van de parking bestemd voor de tussenkomst van de brandweer (cf. punt 7.2 van de bijlage 1).
Ter hoogte van het getroffen deelcompartiment moet de toegang tot dit deelcompartiment vanaf deze helling of de ingang van de parking bestemd voor de tussenkomst van de brandweer rechtstreeks zijn.
3.8.1.4 Beveiligingstype "RWA & Sprinkler" of "Open"
De interventie van de brandweer moet kunnen gebeuren:
- ofwel via een helling zonder parkeerzones voor voertuigen;
- ofwel via een uitgang van de parking (cf. punt 3.7.1);
- ofwel rechtstreeks vanaf de ingang van de parking bestemd voor de tussenkomst van de brandweer (cf. punt 7.2 van de bijlage 1).
De deelcompartimentering is niet van toepassing op de parkings van het beveiligingstype "RWA & Sprinkler" of "Open" (cf. punt 3.3.5).
3.8.2 Centrale controle- en bedieningspost
Bij elke ingang van de parking bestemd voor de tussenkomst van de brandweer geeft een signalisatie die duidelijk zichtbaar en herkenbaar is voor de brandweer, aan of de parking beschikt over een centrale controle- en bedieningspost en de plaats ervan in het gebouw.
3.8.3 Plannen van de parking
Een exemplaar van de plannen van de parking (inplanting, plannen, doorsnedes, ...) is ter beschikking van de brandweer in de centrale controle- en bedieningspost, of als het niet over een dergelijke post beschikt, bij elke ingang van de parking bestemd voor de tussenkomst van de brandweer.
De beschermingsmiddelen, blusmiddelen en interventiewegen zijn aangegeven op die plannen.]30
[4 DE STOOKAFDELINGEN
4.1 Voorwerp
Dit hoofdstuk bepaalt de voorwaarden waaraan het ontwerp, de bouw en de inrichting van de stookafdelingen moeten voldoen om:
a) het ontstaan, de ontwikkeling en de voortplanting van brand te voorkomen;
b) de veiligheid van de aanwezigen te waarborgen;
c) preventief het ingrijpen van de brandweer te vergemakkelijken.
4.2 Toepassingsgebied
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de stookafdelingen bedoeld in het punt 5.1.2.2 van de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1 van dit besluit.
4.3 Algemeen
Verbrandingstoestellen mogen niet worden geïnstalleerd in trappenhuizen en evacuatiewegen.
4.4 Installaties voor opslag en drukreductie van vloeibaar petroleumgas
De installaties voor opslag en drukreductie van vloeibaar petroleumgas, gebruikt voor de verwarming van het gebouw en de productie van warm water, liggen buiten het gebouw.
Dit voorschrift is niet van toepassing op de individuele tweedetrapsdrukregelaar(s) onmiddellijk vóór het verbrandingstoestel van een installatie met dubbele ontspanning die voldoet aan de voorschriften van de norm NBN D 51-006.
4.5 Stooklokalen met verbrandingstoestellen met een gecumuleerd verbrandingsdebiet groter dan of gelijk aan 75 kW
4.5.1 Toegelaten uitrustingen
Alleen de volgende uitrustingen zijn toegelaten in de stooklokalen met verbrandingstoestellen met een gecumuleerd verbrandingsdebiet groter dan of gelijk aan 75 kW :
- toestellen die rechtstreeks betrokken zijn bij de werking van de verbrandingstoestellen, zoals laders, inrichtingen voor het behandelen van de as en individuele tweedetrapsdrukregelaars bedoeld in de uitzondering opgenomen in punt 4.4;
- elektrische toestellen bestemd voor de centrale verwarming of voor de productie van warm water, zoals elektrische warmtepompen, elektrische ketels en elektrische warmwatertoestellen;
- toestellen die deel uitmaken van de centrale verwarmingsinstallatie of van de installatie voor het aanmaken van warm water, zoals pomp, circulatiepompen, hydrofoorgroep, warmtewisselaar, warmwateraccumulator, toestel voor de brandstofbehandeling (voorverwarmer, filter, pomp, ... ), watermeter en elektriciteitsbord dat enkel de stookafdeling bedient;
- taakgerichte uitrustingen, zoals kunstlicht en gasmeter, en de veiligheidsuitrustingen, zoals de brandbestrijdingsmiddelen, die enkel de stookafdeling bedienen;
- ventilatie-uitrustingen die enkel de stookafdeling bedienen;
- uitrustingen voor de behandeling van water, zoals filter en waterverzachter.
4.5.2 Stooklokalen die gevoed worden met gasvormige brandstof
4.5.2.1 De energietoevoer (elektrisch en brandstof) van het stooklokaal is uitgerust met een automatische uitschakeling.
De automatische uitschakeling van de brandstoftoevoer wordt verzekerd door een magneetafsluiter die zich bevindt:
- hetzij in het stooklokaal waar de gastoevoerleiding binnenkomt;
- hetzij in open lucht.
4.5.2.2 Het stooklokaal is voorzien van twee verluchtingsopeningen, één bovenaan, de andere onderaan, elk met een doorsnede van minstens 4 dm2. Deze verluchtingsopeningen verbinden het stooklokaal met de open lucht, hetzij rechtstreeks, hetzij via een kanaalstelsel. Bovendien:
- als de brandstof lichter is dan lucht:
- bevindt de bovenrand van de bovenste verluchtingsopening zich op minder dan 30 cm van het hoogste punt van het stooklokaal;
- bevindt de onderrand van de onderste verluchtingsopening zich op minder dan 30 cm van het laagste punt van het stooklokaal;
- mag het kanaal of het kanaalstelsel van de bovenste verluchtingsopening die het stooklokaal met de buitenlucht verbindt, geen neerwaartse helling hebben.
- als de brandstof zwaarder is dan lucht:
- bevindt de bovenrand van de bovenste verluchtingsopening zich op minder dan 30 cm van het hoogste punt van het stooklokaal;
- bevindt de onderrand van de onderste verluchtingsopening zich gelijk met de vloer van het stooklokaal;
- mag het kanaal of het kanaalstelsel van de onderste verluchtingsopening die het stooklokaal met de buitenlucht verbindt, geen opwaartse helling hebben;
- mogen de vloeren van de lokalen die aan het stooklokaal grenzen en daarmee in verbinding staan, zich niet op een lager peil dan dat van de vloer van het stooklokaal bevinden.
De verluchtingsopeningen mogen uitgerust worden met gemotoriseerde verluchtingskleppen.
4.5.2.3 De automatische uitschakeling van de energietoevoer en de opening van de eventuele gemotoriseerde verluchtingskleppen wordt als volgt bevolen:
- automatisch bij de detectie van een gaslek in het stooklokaal ;
- automatisch bij de detectie van een brand in het stooklokaal;
- automatisch bij een defect aan de energiebron, de voeding of de bediening (toestel met positieve veiligheid).
4.5.2.4 Bovendien, moet het mogelijk zijn om de energietoevoer (elektrisch en brandstof) manueel uit te schakelen via een bediening gelegen buiten het stooklokaal.
De manuele uitschakeling van de brandstoftoevoer wordt verzekerd door een handmatig bediende sectioneerkraan voorzien in de gastoevoer naar de stookafdeling, zodat de gastoevoer van buiten de stookafdeling, op een bereikbare plaats buiten het gebouw of een ruimte binnen het gebouw waartoe men toegang heeft zonder sleutel, op een afstand van maximum 20 van de stookafdeling, zonder hulpmiddelen kan worden bediend in geval van nood.
De kraan van de gasmeter of tussengasmeter kan de functie van deze sectioneerkraan vervullen indien aan bovenstaande voorwaarden voldaan is.
4.6 Brandstofopslagruimtes
4.6.1 Toegelaten uitrustingen
Alleen de volgende uitrustingen zijn toegelaten in de brandstofopslagruimtes:
- uitrustingen voor de opslag of het vervoer van brandstoffen;
- taakgerichte uitrustingen, zoals kunstlicht en gasmeter, en de veiligheidsuitrustingen, zoals de brandbestrijdingsmiddelen, die enkel de stookafdeling bedienen;
- ventilatie-uitrustingen die enkel de stookafdeling bedienen.
4.6.2 Opslagruimtes voor vloeibare brandstof
Voor brandstofopslagruimtes gelden de voorschriften van titel 5 "Opslagplaatsen voor ontvlambare vloeistoffen" van boek III van de codex over het welzijn op het werk.
Deze voorschriften gelden ook voor brandstofopslagruimtes in gebouwen waar geen arbeidsplaatsen zijn, mits volgende wijzigingen:
- artikel III.5-8 en punt 2.1 van bijlage III.5-1, die verwijzen naar de voorschriften van artikel 52 van het Algemeen reglement op de arbeidsbescherming (ARAB), zijn niet van toepassing;
- de beheerder van het gebouw houdt de verslagen van de beproevingen en dichtheidsonderzoeken ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren.
4.6.3 Opslagruimtes voor vaste brandstof
4.6.3.1 Bescherming tegen vlamterugslag
Het transportsysteem tussen het stooklokaal en de brandstofopslagruimte is uitgerust met een geschikte uitrusting die de terugslag van vlammen vermijdt om de brandverspreiding te voorkomen.
4.6.3.2 Opslagruimte voor een grote hoeveelheid brandstof
In brandstofopslagruimtes waarvan de capaciteit zodanig is dat de totale brandlast van de brandstofopslagruimte groter is dan 187,5 GJ :
- moeten de toestellen minstens van categorie 3 zijn (toestellen die ontworpen zijn om een normaal beschermingsniveau te bieden in een omgeving die weinig waarschijnlijk explosief is en waar een dergelijk gevaar van korte duur is) overeenkomstig de ATEX-reglementering;
- moeten de elektrische toestellen minstens IP 54 zijn.
Bovendien, moeten deze brandstofopslagruimtes toegankelijk zijn om de brandweer in staat te stellen tussen te komen en de brandstof af te voeren nadat de brand is geblust.
4.6.3.3 Bijzondere bepalingen voor pelletsilo's
De pellets worden opgeslagen in silo's. In het gebouw moeten deze silo's opgesteld worden in een brandstofopslagruimte. De brandstofopslagruimte kan ook meteen als silo (silo op maat) worden gebruikt.
4.6.3.3.1 Laden van de silo's
Bij pneumatisch vullen mag er geen sprake zijn van overdruk of onderdruk in een silo. Het is noodzakelijk om de silo uit te rusten met minstens één aansluiting voor het inblazen van de pellets en één aansluiting voor het aanzuigen.
De transportleidingen en hun ophangingen moeten uit staal zijn en zijn verbonden met de hoofdaardingsklem door een hoofdequipotentiale geleider overeenkomstig het Algemeen reglement op de elektrische installaties (A.R.E.I.).
4.6.3.3.2 Bescherming tegen giftige gassen
Door het ontgassen van pellets en storingen in het verbrandingstoestel kunnen giftige gassen, zoals koolstofmonoxide, in de silo vrijkomen. Eén van de volgende twee bepalingen is derhalve van toepassing:
- ofwel moet de silo luchtdicht zijn;
- ofwel moet de brandstofopslagruimte luchtdicht ten opzichte van de rest van het gebouw en naar buiten verlucht zijn, hetzij rechtstreeks, hetzij via een kanaalstelsel, om de opeenhoping van giftige gassen te voorkomen.
Bij de ingang van de brandstofopslagruimte wijst een specifieke signalisatie op de veiligheidsvoorschriften:
- de toegang tot de brandstofopslagruimte is voorbehouden voor bevoegde personen;
- alvorens de brandstofopslagruimte te betreden, moet deze zodanig worden verlucht zodat een gevaarlijke concentratie van giftige gassen wordt vermeden.
4.7 Leidingen en kanalen in de stooklokalen met verbrandingstoestellen met een gecumuleerd verbrandingsdebiet groter dan of gelijk aan 75 kW en brandstofopslagruimtes
Leidingen voor gas, fluïda, vaste stoffen, elektriciteit of elektromagnetische golven en ventilatie-, rook- en verbrandingsluchttoevoerkanalen zijn alleen toegelaten als zij slechts dienen voor de werking van de uitrustingen die in deze stookafdelingen geïnstalleerd zijn.
Water- en waterafvoerleidingen zijn toegelaten in deze stookafdelingen.
Elke andere leiding is verboden in deze stookafdelingen.
4.8 Rook- en verbrandingsluchttoevoerkanalen
De rookkanalen:
1. Hetzij dezelfde brandweerstand hebben als vereist is voor de technische kokers;
2. Hetzij worden ze in een eigen technische koker geplaatst;
3. Hetzij worden ze in een technische koker die gedeeld wordt met andere leidingen en kanalen, maar daarvan gescheiden is door een wand EI 30.
In de gevallen 2 en 3 mogen de verbrandingsluchttoevoerkanalen in dezelfde koker of deel van koker worden geplaatst als de rookkanalen.
Het ontwerp, de installatie en de uitvoering van de rook- en verbrandingsluchttoevoerkanalen voldoen aan de regels van goed vakmanschap en aan de geldende normen terzake.
De doorvoeringen van brandwerende wanden door rook- en verbrandingsluchttoevoerkanalen die ontworpen en uitgevoerd zijn volgens de regels van goed vakmanschap en aan de geldende normen terzake, worden verondersteld te voldoen aan de voorschriften van punt 3.1 van de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1.
4.9 Afwijkende bepalingen
Voor de gebouwen waarvoor de aanvraag voor de bouw werd ingediend vóór 1 juli 2022, gelden de volgende afwijkende bepalingen:
- Punt 4.3: Niet van toepassing op verbrandingstoestellen die vóór 1 juli 2022 zijn geïnstalleerd;
- Punten 4.5.1 en 4.6.1: Niet van toepassing op uitrustingen die vóór 1 juli 2022 zijn geïnstalleerd;
- Punten 4.5.2.1, 4.5.2.3 en 4.5.2.4: Enkel van toepassing op stooklokalen waarin één of meerdere verbrandingstoestellen geïnstalleerd of gemoderniseerd werden vanaf 1 juli 2022;
- Punten 4.5.2.2, 4.6.2, 4.6.3 en 4.7: Niet van toepassing.]31
[5 GROENDAKEN
5.1 Voorwerp
Dit hoofdstuk bepaalt de voorwaarden waaraan het ontwerp, de bouw en de inrichting van de groendaken moeten voldoen om:
a) het ontstaan, de ontwikkeling en de voortplanting van brand te voorkomen;
b) de veiligheid van de aanwezigen te waarborgen;
c) preventief het ingrijpen van de brandweer te vergemakkelijken.
5.2 Toepassingsgebied
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de groendaken bedoeld in het punt 8.1 van de bijlage 5/1 en het punt 6.6 van de bijlage 6 van dit besluit.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-06-2022, p. 52273)
5.3 Substraatlaag.
De substraatlaag is minimum 3 cm dik.
Indien de substraatlaag een dikte heeft van minder dan of gelijk aan 10 cm, bevat het substraat maximum 20% organische stoffen (in massapercentage).
Indien de substraatlaag niet voldoet aan de in de eerste twee leden vermelde vereisten, kan deze substraatlaag toch toegepast worden mits de laag behoort tot klasse BROOF (t1) volgens een test conform de norm CEN/TS 1187 onder een hoek van 15° in droge toestand en zonder plantenbegroeiing.
In industriegebouwen mag de dikte van de substraatlaag niet meer dan 10 cm bedragen.
5.4 Compartimentering van de groendaken.
De groendaken worden opgedeeld in compartimenten met een maximale lengte van 40 m.
Aan weerskanten van de grens van het compartiment is de hoogte van de omliggende vegetatie lager dan of gelijk aan de grens van de omliggende vegetatie die berekend werd ten opzichte van de grens van het compartiment (zie bijlage 1 "Terminologie").
Indien er een wand E 30 is op de grens van het compartiment, dan is he gelijk aan de hoogte ervan.
5.5 Scheiding tussen de groendaken en de aangrenzende gebouwen.
Aan weerskanten van de middenas is de hoogte van de omliggende vegetatie lager dan of gelijk aan de grens van de omliggende vegetatie die berekend werd ten opzichte van de middenas (zie bijlage 1 "Terminologie").
Indien er een wand E 30 is op de middenas, dan is he gelijk aan de hoogte ervan.
5.6 Lichtkoepels, ventilators, rookafvoerbuizen of openingen in de groendaken.
De hoogte van de omliggende vegetatie is lager dan of gelijk aan de grens van de omliggende vegetatie die berekend werd ten opzichte van de rand van de opening (zie bijlage 1 "Terminologie").
Indien de opening verhoogd is door wanden E 30, dan is he gelijk aan hun hoogte.
5.7 Vensters, ventilators, rookafvoerbuizen of openingen die ingebouwd zijn in de gevels die uitgeven op de groendaken.
De hoogte van de omliggende vegetatie is lager dan of gelijk aan de grens van de omliggende vegetatie die berekend werd ten opzichte van de opening in de gevel (zie bijlage 1 "Terminologie"), zowel loodrecht als parallel met de gevel.
Indien de opening een steunmuur E 30 heeft, dan is he gelijk aan de hoogte ervan.
5.8 Niet-brandbare strook.
Indien er een strook is langs de grens van het compartiment, de middenas of de opening waarin geen vegetatie mag zijn omdat de grens van de omliggende vegetatie er negatief of te klein is, dan moet deze strook gerealiseerd worden in materialen van minimum klasse A2FL-s2.]32
Gegeven te Brussel, 7 juli 1994.
- 1 <KB 2016-12-07/20, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2017>
- 2 <KB 2016-12-07/20, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2017>
- 3 <KB 2016-12-07/20, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
- 4 <KB 2022-05-20/16, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 5 <Ingevoegd bij KB 2012-07-12/38, art. 25, 008; Inwerkingtreding : 01-12-2012>
- 6 <KB 2016-12-07/20, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2017>
- 7 <KB 2016-12-07/20, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2017>
- 8 <KB 2022-05-20/16, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 9 <KB 2022-05-20/16, art. 22, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 10 <KB 2022-05-20/16, art. 23, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 11 <KB 2022-05-20/16, art. 24, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 12 <KB 2022-05-20/16, art. 27, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 13 <KB 2022-05-20/16, art. 28, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 14 <KB 2022-05-20/16, art. 29, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 15 <KB 2022-05-20/16, art. 30, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 16 <KB 2022-05-20/16, art. 31, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 17 <KB 2016-12-07/20, art. 91, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2017>
- 18 <KB 2022-05-20/16, art. 35, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 19 <KB 2022-05-20/16, art. 36, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 20 <KB 2022-05-20/16, art. 37, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 21 <KB 2022-05-20/16, art. 38, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 22 <KB 2022-05-20/16, art. 39, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 23 <KB 2022-05-20/16, art. 40, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 24 <KB 2022-05-20/16, art. 42, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 25 <KB 2016-12-07/20, art. 92, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2017>
- 26 <KB 2022-05-20/16, art. 48, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 27 <KB 2022-05-20/16, art. 49, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 28 <KB 2022-05-20/16, art. 50, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 29 <KB 2016-12-07/20, art. 93, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2017>
- 30 <KB 2022-05-20/16, art. 51, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 31 <KB 2022-05-20/16, art. 52, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
- 32 <KB 2022-05-20/16, art. 53, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2022>