25 OKTOBER 2007 – Besluit betreffende de erkenning en de subsidiëringswijze van de centra en diensten voor personen met een handicap
TITEL III. - Erkenningsnormen betreffende de centra en diensten voor personen met een handicap.
HOOFDSTUK I. - Algemene normen toepasselijk op alle centra en diensten voor personen met een handicap.
Afdeling 1. - Algemeen.
Art. 21.
Deze afdeling stelt de normen vast waaraan alle centra en de diensten moeten voldoen om door de Ministers te worden erkend.
Afdeling 2. - Erkenning en opname van de personen met een handicap.
Art. 22.
De handicap van elke persoon die opgenomen wenst te worden in een centrum of dienst dient door de Gemeenschappelijke Gemeenschapcommissie erkend te zijn.
Het College legt de procedure van de genoemde erkenning vast.
De centra en diensten kunnen slechts personen opnemen waarvan de handicap erkend is.
Afdeling 3. - Normen betreffende de eerbiediging van de politieke, filosofische en godsdienstige overtuiging van de gebruiker alsmede van zijn privéleven en zijn individuele rechten.
Art. 23.
De centra en diensten nemen de personen met een handicap op zonder onderscheid van geslacht of van politieke, culturele, raciale, filosofische, religieuze of seksuele geaardheid. Ze zorgen ervoor dat de hulp en de opname in het Nederlands of in het Frans worden geboden, in de taal van hun keuze.
Art. 24.
De centra en diensten maken voor elke persoon met een handicap, bij zijn aankomst in het centrum of de dienst, een vertrouwelijk dossier op.
Dit dossier wordt, onder de verantwoordelijkheid van de directeur van de centra en de diensten, in een hiervoor geschikt en gesloten meubel of in een hiertoe voorbehouden en gesloten lokaal bewaard. Indien deze dossiers op de computer verwerkt werden, worden deze gegevens beveiligd.
Art. 25.
Elke hulpverlener dient, ongeacht zijn hoedanigheid, bij de opname en de hulpverlening aan de persoon met een handicap het beroepsgeheim na te leven.
Mits uitdrukkelijke instemming van de gebruiker of in voorkomend geval van zijn wettelijke vertegenwoordiger mag hij deze inlichtingen met andere hulpverleners uitwisselen om samen een gemeenschappelijke opname uit te bouwen.
Art. 26.
De centra en diensten moeten een verzekeringscontract voor civielrechtelijke en beroepsaansprakelijkheid sluiten die de aansprakelijkheid van hun personeel dekt.
Afdeling 4. - Normen betreffende de kwalificatie van het personeel.
Art. 27.
Vóór de aanwerving van elk personeelslid moeten de centra en diensten een attest van goed zedelijk gedrag ontvangen waarvan de afgiftedatum niet meer dan drie maanden aan de datum van indiensttreding mag voorafgaan. Dit document maakt deel uit van het persoonlijk dossier van elk personeelslid.
Art. 28.
De centra en diensten moeten paritair een plan van voortgezette opleiding voor hun personeel opstellen dat over twee jaar wordt gespreid. Dit plan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de administratie. De administratie controleert de kwaliteit van de verstrekte opleiding.
Afdeling 5. - Normen betreffende de nadere regels van beroep van de gebruikers.
Art. 29.
Elk centrum of dienst legt de procedure vast voor de registratie en de behandeling van de klachten van de gebruikers.
Deze procedure beschrijft de nadere regels voor de indiening van de klachten, voor de beoordeling van hun ontvankelijkheid, voor hun behandeling en voor de mededeling van hun resultaat aan de klagende partijen.
Afdeling 6. - Normen betreffende het huishoudelijk reglement.
Art. 30.
Alle centra en diensten dienen een huishoudelijk reglement vast te stellen. Dit reglement en elke latere wijziging ervan, worden aan de administratie medegedeeld.
Art. 31.
Het huishoudelijk reglement dient onder meer de volgende punten te vermelden :
1° het juridisch statuut van het centrum of de dienst, de samenstelling van zijn bestuursorgaan alsook de maatschappelijke zetel van het centrum of de dienst;
2° de aan de gebruikers geboden dienstverlening;
3° de beschrijving van het centrum of de dienst en van zijn werking;
4° de rechten en plichten van de gebruikers en van het centrum of de dienst;
5° het waarborgen van het respect voor de waardigheid van de gebruiker en het beroepsgeheim;
6° de nadere regels voor het instellen van een beroep door de gebruiker en de wijze waarop dit wordt behandeld;
7° de maatregelen die genomen worden in geval van overtreding van de leef- en werkingsregels door de gebruiker;
8° de vermelding van de erkenning van het centrum of de dienst door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de personalia van de administratie en van de Ministers;
9° de nauwkeurige personalia van de organiserende instantie en van de directeur.
Afdeling 7. - Normen betreffende de veiligheid en de architectuur.
Onderafdeling 1. - Veiligheidsnormen.
Art. 32.
Onverminderd de veiligheidsnormen waaraan ze moeten beantwoorden, moeten de centra en diensten zich tegen brand verzekeren.
Onderafdeling 2. - Architectonische normen.
Art. 33.
De lokalen van de centra en de diensten moeten aangepast zijn voor gebruikers waarvan het profiel wordt bepaald in het document bedoeld in artikel 4, 8°, d).
Art. 34.
Alle voorzorgen dienen te worden genomen om brandgevaar te beperken.
Art. 35.
Alle lokalen moeten steeds zindelijk worden gehouden en beantwoorden aan hun bestemming.
Afdeling 8. - Normen betreffende het activiteitenverslag en de boekhouding.
Art. 36.
De centra en diensten dienen jaarlijks een activiteitenverslag op te stellen, waarvan het model door de Ministers kan worden vastgesteld, na advies van de afdeling.
Dit verslag bevat onder meer de volgende inlichtingen :
1° de doelstellingen van het centrum of de dienst;
2° een analyse van het geheel van de in het centrum of de dienst opgenomen gebruikers en van de ondervonden problemen;
3° het aantal gebruikers;
4° de aangewende methodes en de verkregen resultaten;
5° de identificatie van de gebruikte netwerken en van hun bijdrage tot de uitvoering van de opdrachten.
Art. 37.
De centra en diensten dienen, vóór 30 april van het jaar dat volgt op het einde van het dienstjaar, de volgende documenten te versturen naar de administratie :
1° een jaarlijks activiteitenverslag;
2° een jaarrekening van de ontvangsten en uitgaven, waarvan het model door de Ministers wordt vastgesteld, na advies van de afdeling, en die voor wat betreft de privécentra en privédiensten door een bedrijfsrevisor of een zelfstandige accountant geviseerd is, overeenkomstig de wet van 2 mei 2002 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;
3° een begroting voor het lopende dienstjaar, waarvan het model door de Ministers kan worden vastgesteld, na advies van de afdeling. Als de organiserende instantie een openbare overheid is zoals bedoeld in artikel 4 van de ordonnantie betreft het de door de bevoegde instelling goedgekeurde begroting;
4° een afschrift van de loonfiches van de gesubsidieerde personeelsleden alsmede de erelonen en de prestaties van derden.
TITEL V. - Slotbepalingen.
Art. 118.
Op gemotiveerde aanvraag van de centra en diensten voor personen met een handicap kunnen de Ministers, na advies van de afdeling, afwijkingen toestaan van de door dit besluit vastgestelde architectonische normen.
Art. 119.
Op gemotiveerde aanvraag van de centra en diensten voor personen met een handicap kunnen de Ministers, na advies van de afdeling, afwijkingen toestaan van de door dit besluit vastgestelde normen betreffende de kwalificatie van het personeel.