25 OKTOBER 2007 – Besluit betreffende de erkenning en de subsidiëringswijze van de diensten voor thuishulp
HOOFDSTUK III. - De urenquota.
Art. 41.
§ 1 De Ministers bepalen, na advies van de afdeling, per erkende dienst een maximum aantal subsidieerbare prestatie-uren [en niet-gepresteerde uren]1, het zogenaamde urenquotum, voor de gezins- en bejaardenhelpers alsmede voor de poetshulpen.
Deze urenquota worden berekend op grond van het aantal tijdens het voorgaande jaar gepresteerde uren in elke dienst, vermenigvuldigd met de door de Ministers vastgestelde coëfficiënt.
Op gemotiveerde aanvraag van een dienst kunnen de Ministers deze urenquota bepalen op grond van het gemiddelde van de twee voorgaande jaren.
De Ministers bepalen het aantal gesubsidieerde prestatie-uren van de nieuwe dienst waaraan ze een voorlopige werkingsvergunning toekennen.
Indien een dienst het geheel van het urenquotum betreffende de gezinshelpers niet kan opgebruiken, is het mogelijk, op gemotiveerde aanvraag van de dienst, een afwijking te verkrijgen die de omzetting van bepaalde poetshulpuren in gezins- en bejaardenhelpersuren mogelijk moet maken. Deze omzetting gebeurt via een sleutel die door de Ministers wordt bepaald.
[§ 2. Na advies van de afdeling, kunnen de Ministers de urenquota bedoeld in § 1 tijdens het lopende jaar herzien.]2
§ 3 Na de definitieve kennisgeving van de in artikel 44 bedoelde afrekening, en vóór het einde van de maand september van elk jaar, zullen de Ministers op grond van deze afrekening de door de quota van het voorgaande jaar bepaalde uren die niet door een dienst werden gebruikt, verdelen naar rata van de uren die de diensten respectievelijk boven hun quota gepresteerd hebben.