7 NOVEMBER 2002 – Ordonnantie betreffende de centra en diensten voor bijstand aan personen
HOOFDSTUK III. - Erkenning en voorlopige werkingsvergunning.
Art. 6.
Niemand mag een van de in artikel 3 bedoelde opdrachten vervullen indien hij daartoe niet erkend is of daartoe niet voorlopig gemachtigd is door de bevoegde overheid.
Art. 8.
Het Verenigd College kent een voorlopige werkingsvergunning toe aan het centrum of de dienst die een aanvraag om erkenning indient, voor zover die aanvraag voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden die dit College, na advies van de afdeling heeft gesteld.
Die vergunning wordt verleend voor een periode van één jaar, die één n keer hernieuwd kan worden. Zij wordt aan de organiserende instantie betekend binnen zestig dagen na ontvangst van de aanvraag.
Art. 9.
De erkenning of de voorlopige werkingsvergunning moet worden vermeld op alle akten, facturen, brieven, bestelbons en andere stukken die van het centrum of de dienst uitgaan.
De naam en het nummer van erkenning of voorlopige werkingsvergunning van het centrum of de dienst worden goed zichtbaar op de voorgevel van het centrum of de dienst aangebracht.
Het Verenigd College kan evenwel om veiligheidsredenen van dit artikel afwijken bij een met redenen omkleed besluit.
Art. 10.
De erkenning en de voorlopige werkingsvergunning gelden slechts voor het centrum of de dienst gevestigd op het adres vermeld in de erkenningsaanvraag en voor de organiserende instantie vernield in de aanvraag. Zij vervallen van rechtswege in geval van verandering van adres of van organiserende instantie.
Art. 11.
Tijdens de erkenningsperiode, of tijdens de periode van de voorlopige werkingsvergunning wordt elke wezenlijke wijziging van de kenmerken van het centrum of de dienst in verband met de toepassing van artikel 7 of 8 onverwijld medegedeeld aan het Verenigd College.
Art. 12.
§ 1. Wanneer wordt vastgesteld dat de voorwaarden bepaald bij of krachtens artikel 7, niet meer worden nageleefd, wordt de erkenning ingetrokken, na advies van de afdeling.
§ 2. Wanneer vastgesteld wordt dat aan de bij of krachtens artikel 8 bepaalde voorwaarden niet meer wordt voldaan, wordt de voorlopige werkingsvergunning ingetrokken.
§ 3. Zodra de in §§ 1 en 2 bedoelde beslissingen zijn betekend, mag de organiserende instantie geen nieuwe gebruikers meer opnemen en moet hij binnen een termijn van drie maanden voor de opvang in een ander centrum of een andere dienst zorgen van de gebruikers die in het centrum of de dienst opgenomen zijn.
§ 4. Wanneer redenen van uiterst dringende noodzakelijkheid inzake volksgezondheid of veiligheid het rechtvaardigen, kan het Verenigd College bij een met redenen omklede beslissing en bij wijze van bewarende maatregel, de onmiddellijke sluiting van het centrum of de dienst bevelen.
Het Verenigd College zal de afdeling hieromtrent onmiddellijk op de hoogte brengen. Hij neemt een definitieve beslissing na advies van de afdeling uitgebracht binnen de dertig dagen na de aanhangigmaking.
Als de beslissing tot onmiddellijke sluiting bij wijze van bewarende maatregel betrekking heeft op een centrum of dienst die personen huisvest, moet de organiserende instantie toezien op hun onmiddellijke evacuatie.
§ 5. De beslissing houdende intrekking van de erkenning of van de voorlopige werkingsvergunning brengt de afschaffing van de in hoofdstuk IV bedoelde subsidies mee, op het einde van de in § 3, bedoelde periode van drie maanden.
De in § 4, eerste lid, bedoelde beslissing tot onmiddellijke sluiting brengt de afschaffing van dezelfde subsidies mee, te rekenen vanaf de sluiting bij wijze van bewarende maatregel.
Art. 13.
Het Verenigd College stelt, na advies van de afdeling, de procedure en de wijze vast waarop de beslissingen betreffende de toekenning, de weigering of de intrekking van de voorlopige werkingsvergunning en van de erkenning, alsmede de sluiting worden betekend en uitgevoerd.