31 DECEMBER 2018. – Samenwerkingsakkoord tussen de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de financiering van zorg bij gebruik van zorgvoorzieningen over de grenzen van de deelstaat

Samenwerkingsakkoord tussen de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de financiering van zorg bij gebruik van zorgvoorzieningen over de grenzen van de deelstaat

HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1.

In dit samenwerkingsakkoord wordt verstaan onder:

1° deelentiteiten: de Vlaamse Gemeenschap, het Waals Gewest, de Duitstalige Gemeenschap, de Franse gemeenschap, de Franse Gemeenschapscommissie (Cocof) en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC);

2° woonplaats: het adres waar de persoon met een zorgbehoefte woont, conform artikel 32, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek;

3° zorgvoorziening: de voorzieningen die werden overgedragen aan de gemeenschappen met de Bijzondere Wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, vermeld in artikel 5, § 1, I, 2° tot en met 5°, en artikel 5, § 1, II, 5°, van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied

Art. 2.

Het samenwerkingsakkoord heeft betrekking op de volgende bevoegdheden die in uitvoering van de Zesde Staatshervorming werden overgeheveld naar de deelentiteiten:

1° de residentiële ouderenzorg, inclusief dagverzorgingscentra en kortverblijf;

2° de revalidatieziekenhuizen en revalidatiecentra;

3° de psychiatrische verzorgingstehuizen;

4° de initiatieven voor beschut wonen.

Art. 3.

Het samenwerkingsakkoord geldt enkel voor personen die hun woonplaats hebben binnen België, en voor personen die rechten openen binnen de toepassing van de Europese en internationale regelgeving.

HOOFDSTUK III. - Basisprincipes

Art. 4.

Het samenwerkingsakkoord heeft tot doel om de continuïteit in de dienstverlening en de rechtszekerheid van alle betrokken actoren te garanderen.

HOOFDSTUK IV. - Afspraken tussen de deelentiteiten

Art. 5.

§ 1. De woonplaats van de persoon met een zorgbehoefte bepaalt welke deelentiteit bevoegd is voor de tegemoetkoming in de voorzieningen waarop dit samenwerkingsakkoord van toepassing is.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 bepaalt de exploitatiezetel van de werkplaats van personen die hun woonplaats hebben in een andere lidstaat van de Europese Unie of van een andere staat die partij is bij de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland, welke deelentiteit bevoegd is indien zij op basis van de Europese regelgeving of internationale verdragen rechten openen op prestaties in het kader van dit samenwerkingsakkoord.

Voor personen die hun woonplaats hebben in een andere lidstaat van de Europese Unie of in van een andere staat die partij is bij de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland, die recht hebben op een Belgisch pensioen op basis van de Europese regelgeving of internationale verdragen, bepaalt de exploitatiezetel van laatste de werkgever van desbetreffende persoon, alvorens deze op pensioen gegaan is, welke deelentiteit bevoegd is.

§ 3. Voor de inwoners van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad treedt dit artikel pas in werking na de verdere concretisering van dit principe tussen de bevoegde overheden in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad in een samenwerkingsakkoord.

Art. 6.

§ 1. In een overgangsfase kennen de deelentiteiten aan alle personen met een zorgbehoefte met woonplaats in een bepaalde deelentiteit maar die verblijven in of gebruik maken van een voorziening die door een andere deelentiteit erkend is, dezelfde rechten toe, ongeacht hun woonplaats of, voor personen vermeld in artikel 5, § 2, ongeacht hun exploitatiezetel van tewerkstelling.

Bij de toekenning van deze rechten gelden de regels en voorwaarden zoals vastgelegd in de eigen regelgeving van de betrokken deelentiteit.

De deelentiteit die de betrokken voorziening erkent, betaalt aan de erkende voorziening in een derdebetalersregeling een tegemoetkoming uit overeenkomstig de regelgeving en ten laste van de erkennende deelentiteit.

§ 2. In een overgangsfase kennen de bevoegde overheden binnen het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad aan alle inwoners van België of personen vermeld in artikel 5, § 2, met woonplaats buiten het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, en die gebruik maken van een voorziening gevestigd in het tweetalig gebied Brussel Hoofdstad, dezelfde rechten toe als aan de inwoners van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.

In een overgangsfase kent de deelentiteit die de betrokken voorziening erkent in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de tegemoetkoming op gelijke wijze toe aan alle personen met woonplaats in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, die gebruik maken van de erkende voorziening. Deze tegemoetkoming wordt door die deelentiteit aan de voorziening uitbetaald door middel van een derdebetalersregeling.

Art. 7.

De overgangsfase, vermeld in artikel 6, geldt voor drie jaar en wordt éénmalig stilzwijgend verlengd voor een nieuwe periode van drie jaar, bij gebrek aan een nieuw akkoord.

Art. 8.

Gedurende de overgangsfase monitort iedere deelentiteit personen met een zorgbehoefte met woonplaats in andere deelentiteiten die gebruik maken van de door de eigen deelentiteit erkende voorzieningen, evenals de vergoedingen die hiervoor worden uitbetaald. Deze monitoring gebeurt, volgens verder te bepalen afspraken in een uitvoeringsakkoord, vermeld in artikel 92bis, § 1, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, en met het oog op de opmaak van een coördinerend samenwerkingsakkoord na de overgangsfase waarin de financiële afrekeningen tussen de verschillende deelentiteiten worden geregeld.

Art. 9.

De modaliteiten voor verdere toepassing van dit samenwerkingsakkoord worden verder uitgewerkt in een uitvoeringsakkoord, vermeld in artikel 92bis, § 1, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

HOOFDSTUK V. - Regels voor een herziening

Art. 10.

Indien een deelentiteit het samenwerkingsakkoord wil herzien, kan zij op elk moment de herziening aanvragen, indien kan worden vastgesteld dat er een duidelijk onevenwicht in de wederzijdse verplichtingen ingevolge dit akkoord. Voor een herziening van het samenwerkingsakkoord is een consensus met alle partijen vereist.

Elke deelentiteit kan, op ieder moment, een ad hoc overleg hierover samenroepen.

HOOFDSTUK VI. - Inwerkingtreding van het samenwerkingsakkoord

Art. 11.

Dit samenwerkingsakkoord heeft uitwerking vanaf 1 januari 2019 met uitzondering van artikel 5, § 1 en § 2, dat in werking treedt op een in een uitvoeringsakkoord, vermeld in artikel 92bis, § 1, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, te bepalen datum.

Getekend te Brussel op 31 december 2018, in één origineel exemplaar in het Nederlands, het Frans en het Duits, dat zal worden gedeponeerd bij de Vlaamse Gemeenschap, die zal instaan voor de eensluidend verklaarde afschriften en de publicatie in het Belgisch Staatsblad.