28 JANUARI 2021 – Besluit tot uitvoering van de ordonnantie van 10 december 2020 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden

Informele consolidatie

HOOFDSTUK II. - VERMINDERDE ZELFREDZAAMHEID

Art. 3.

[De graad van verminderde zelfredzaamheid wordt vastgesteld door een multidisciplinair team, dat is samengesteld uit een arts en, desgevallend, uit andere beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg. De teamleden behoren tot het personeel van de Dienst of worden door de Dienst aangewezen]1.

Art. 3/1.

[§ 1. Een arts die niet tot het personeel van de Dienst behoort, kan slechts worden aangewezen indien hij beschikt over minimaal drie jaar relevante werkervaring als beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg.

§ 2. Een psycholoog die niet tot het personeel van de Dienst behoort, kan slechts worden aangewezen indien hij beschikt over minimaal drie jaar relevante werkervaring als beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg.

§ 3. Een logopedist die niet tot het personeel van de Dienst behoort, kan slechts worden aangewezen indien hij beschikt over minimaal drie jaar relevante werkervaring als beroepsbeoefenaar in de gezondheidzorg.]2

Art. 3/2.

[Onverminderd de in artikel 3/1 bedoelde voorwaarden, gelden voor de aldaar bedoelde personen de volgende voorwaarden:

1° beschikken over een blanco uittreksel uit het strafregister, model 596-2, zoals bedoeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering;

2° niet verkeren in staat van faillissement of van vereffening, geen gerechtelijke reorganisatie of aangifte van faillissement hebben gedaan, geen voorwerp uitmaken van een procedure van vereffening of gerechtelijke reorganisatie of verkeren in een vergelijkbare toestand ingevolge een soortgelijke procedure;

3° geen ernstige beroepsfout hebben begaan, waardoor de integriteit in twijfel kan worden getrokken;

4° geen voorwerp uitmaken van een rechtstreeks of onrechtstreeks belangenconflict;

5° geen blijk hebben gegeven van aanzienlijke of voortdurende tekortkomingen bij de uitvoering van een wezenlijke verplichting tijdens een vergelijkbare opdracht, die geleid hebben tot het nemen van ambtshalve maatregelen, schadevergoedingen of andere vergelijkbare sancties;

6° zich niet schuldig maken aan het geven van valse verklaringen, het verstrekken van misleidende informatie, het achterhouden van informatie en de onrechtmatige beïnvloeding van het besluitvormingsproces van de Dienst;

7° zich onthouden van de gehele of gedeeltelijke toevertrouwing van de vaststelling van de graad van verminderde zelfredzaamheid aan een derde;

8° voldoende gedekt zijn door een arbeidsongevallenverzekering en een verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid ten opzichte van derden;

9° gebonden zijn door een door de Dienst ter beschikking gestelde vertrouwelijkheidsverklaring en een verklaring om de onafhankelijkheid en objectiviteit te waarborgen;

10° gebonden zijn door een door de Dienst ter beschikking gestelde overeenkomst waarin hij instemt met de verwerking van de in dit besluit bedoelde persoonsgegevens met het oog op de toepassing van dit besluit en op de uitvoering van de vaststelling van de graad van verminderde zelfredzaamheid.]2

Art. 3/3.

[§ 1. De in artikel 3/1 bedoelde personen kunnen slechts worden aangewezen indien zij daartoe een ontvankelijke aanvraag hebben ingediend aan de hand van een door de Dienst ter beschikking gesteld formulier.

§ 2. Op straffe van niet-ontvankelijkheid bevat het aanvraagdossier van de in artikel 3/1, § 1, bedoelde arts de volgende stukken:

1° een curriculum vitae;

2° een kopie van het diploma van master of doctor in de geneeskunde of van doctor in de genees-, heel- en verloskunde, vroeger uitgereikt en bekrachtigd overeenkomstig de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens of een gelijkwaardigheidserkenning voor een buitenlands diploma;

3° het visum van de Federale overheidsdienst Volksgezondheid, dat toelaat het beroep van arts uit te oefenen;

4° het bewijs van inschrijving bij de Orde der artsen;

5° een lijst met prestaties, die minimaal drie jaar relevante werkervaring als beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg aantoont;

6° een blanco uittreksel uit het strafregister, model 596-2, zoals bedoeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering;

7° een verklaring op eer waarin de in artikel 3/1, § 1, bedoelde arts verklaart de Code van medische deontologie te zullen naleven, zich niet in één van de in artikel 3/2, 2°, tot en met 7°, bedoelde situaties te bevinden of zich hiervan te onthouden en een voldoende dekkende arbeidsongevallenverzekering en een verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid ten opzichte van derden af te sluiten;

8° de door de Dienst ter beschikking gestelde en door de in artikel 3/1, § 1, bedoelde arts ondertekende vertrouwelijkheidsverklaring en de verklaring om de onafhankelijkheid en objectiviteit te waarborgen.

§ 3. Op straffe van niet-ontvankelijkheid bevat het aanvraagdossier van de in artikel 3/1, § 2, bedoelde psycholoog de volgende stukken:

1° een curriculum vitae;

2° een kopie van master in de klinische of neuropsychologie of een gelijkwaardigheidserkenning voor een buitenlands diploma;

3° een visum van de Federale overheidsdienst Volksgezondheid, dat toelaat het beroep van klinisch psycholoog uit te oefenen;

4° een bewijs van erkenning als klinisch psycholoog of neuropsycholoog in België;

5° een lijst met prestaties, die minimaal drie jaar relevante werkervaring als beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg aantoont;

6° een blanco uittreksel uit het strafregister, model 596-2, zoals bedoeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering;

7° een verklaring op eer waarin de in artikel 3/1, § 2, bedoelde psycholoog verklaart dat het koninklijk besluit van 2 april 2014 tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de psycholoog zal worden nageleefd, zich niet in één van de in artikel 3/2, 2° tot en met 7°, bedoelde situaties te bevinden of zich hiervan te onthouden en een voldoende dekkende arbeidsongevallenverzekering en een verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid ten opzichte van derden af te sluiten;

8° de door de Dienst ter beschikking gestelde en door de in artikel 3/1, § 2, bedoelde psycholoog ondertekende vertrouwelijkheidsverklaring en de verklaring om de onafhankelijkheid en objectiviteit te waarborgen.

§ 4. Op straffe van niet-ontvankelijkheid bevat het aanvraagdossier van de in artikel 3/1, § 3, bedoelde logopedist de volgende stukken:

1° een curriculum vitae;

2° een kopie van het diploma van master in de logopedie of een gelijkwaardigheidserkenning voor een buitenlands diploma;

3° het bewijs van erkenning als logopedist in België;

4° een lijst met prestaties, die minimaal drie jaar relevante werkervaring als beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg aantoont;

5° een blanco uittreksel uit het strafregister, model 596-2, zoals bedoeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering;

6° een verklaring op eer waarin de in artikel 3/1, § 3, bedoelde logopedist verklaart dat de ethische en deontologische code van de logopedisten zal worden nageleefd, zich niet in één van de in artikel 3/2, 2° tot en met 7°, bedoelde situaties te bevinden of zich hiervan te onthouden en een voldoende dekkende arbeidsongevallenverzekering en een verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid ten opzichte van derden af te sluiten;

7° de door de Dienst ter beschikking gestelde en door de in artikel 3/1, § 3, bedoelde logopedist ondertekende vertrouwelijkheidsverklaring en de verklaring om de onafhankelijkheid en objectiviteit te waarborgen.

§ 5. Onverminderd de voorgaande paragrafen, bevat het aanvraagdossier, op straffe van niet-ontvankelijkheid, de volgende gegevens betreffende de aanvrager:

1° de naam en voornaam;

2° de beroepssituatie;

3° de nationaliteit;

4° de woonplaats;

5° de handtekening en dagtekening;

6° het volledige inschrijvingsnummer van de aanvrager bij de Kruispuntbank van Ondernemingen;

7° het nummer en de naam van de rekening van de aanvrager, geopend bij een kredietinstelling, zoals bedoeld in artikel 1, § 3, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen;

8° een contactadres in België.]2

Art. 3/4.

[§ 1. Nadat de Dienst de aanvraag heeft ontvangen, bezorgt hij de in artikel 3/1 bedoelde persoon een ontvangstmelding.

Binnen de dertig kalenderdagen na de dag van ontvangst deelt de Dienst aan de in artikel 3/1 bedoelde persoon mee of de aanvraag ontvankelijk is.

Indien de aanvraag niet ontvankelijk is omdat één of meerdere van de in artikel 3/3 bedoelde stukken of gegevens ontbreken, vraagt de Dienst deze bij de in artikel 3/1 bedoelde persoon op. De termijn voor de indiening van de gegevens of stukken bedraagt vijftien kalenderdagen. Tijdens de periode wordt de in het tweede lid bedoelde beslissingstermijn voor de ontvankelijkheid geschorst. Als er binnen die termijn geen gegevens of stukken aan de Dienst worden bezorgd, is de aanvraag onontvankelijk.

§ 2. De Dienst beslist over de ontvankelijke aanvraag binnen de 90 kalenderdagen nadat aan de in artikel 3/1 bedoelde persoon is meegedeeld dat de aanvraag ontvankelijk is.

§ 3. De Dienst kan aanvullende informatie vragen aan de in artikel 3/1 bedoelde persoon. Hij bezorgt de Dienst de gevraagde informatie binnen de dertig kalenderdagen. Tijdens die periode wordt de in § 1, tweede lid, bedoelde beslissingstermijn voor de ontvankelijkheid en de in § 2 bedoelde beslissingstermijn geschorst. Indien de in artikel 3/1 bedoelde persoon gedurende meer dan dertig kalenderdagen nalaat de aanvullende informatie te verschaffen, kan de Dienst beslissen op grond van de stukken, gegevens en/of inlichtingen waarover hij beschikt.]2

Art. 3/5.

[De Dienst bezorgt de beslissing over de aanvraag uiterlijk na verloop van de termijn, zoals bedoeld in artikel 3/4, § 2, aan de in artikel 3/1 bedoelde persoon en heeft betrekking op:

1° de beslissing tot aanwijzing, dan wel;

2° de weigering tot aanwijzing.

De beslissing bedoeld in het eerste lid, 1°, wordt per aangetekende post aan de in artikel 3/1 bedoelde persoon ter kennis gebracht en bepaalt de ingangsdatum van de in artikel 3/6 bedoelde termijn.

De beslissing bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt per aangetekende post aan de in artikel 3/1 bedoelde persoon ter kennis gebracht.]2

Art. 3/6.

[De aanwijzing geldt voor een termijn van één jaar en kan hernieuwd worden. De aanwijzing wordt van rechtswege hernieuwd indien er, aan de hand van de in artikel 3/7, § 1, bedoelde controle, geen indicaties zijn dat de in artikel 3/1 bedoelde persoon de in de artikelen 3/1 en 3/2 bedoelde voorwaarden niet vervult.]2

Art. 3/7.

[§ 1. De Dienst controleert de naleving van de in de artikelen 3/1 en 3/2 bedoelde voorwaarden en kan daarvoor alle nodige inlichtingen en stukken opvragen bij de in artikel 3/1 bedoelde personen.

§ 2. Als wordt vastgesteld dat een in artikel 3/1 bedoelde persoon de voorwaarden, zoals bedoeld in de artikelen 3/1 en 3/2 niet naleeft, of het moeilijk of onmogelijk maakt deze te controleren, wordt, behalve bij dringende noodzakelijkheid, de persoon uitgenodigd voor een gesprek met de Dienst. De Dienst waarschuwt de in artikel 3/1 bedoelde persoon voor de mogelijke schorsing of intrekking van zijn aanwijzing bij blijvende niet-naleving.]2

Art. 3/8.

[§ 1. In de volgende gevallen kan de Dienst de aanwijzing van de in artikel 3/1 bedoelde persoon schorsen:

1° bij niet-naleving van de in de artikelen 3/1 en 3/2 bedoelde voorwaarden, wanneer de Dienst vaststelt dat deze op korte tijd kan worden verholpen;

2° als de in artikel 3/1 bedoelde persoon het moeilijk of onmogelijk maakt de in de artikelen 3/1 en 3/2 bedoelde voorwaarden te controleren;

3° als de Dienst oordeelt dat de opdracht niet naar behoren kan worden uitgevoerd.

§ 2. De Dienst stelt de in artikel 3/1 bedoelde persoon in kennis van zijn beslissing tot schorsing. De in artikel 3/1 bedoelde persoon wordt binnen de vijf werkdagen gehoord. Op basis daarvan neemt de Dienst een beslissing, die betrekking heeft op:

1° opheffing van de schorsing, in voorkomend geval met naleving van de gemaakte afspraken met het oog op de naleving van de in de artikelen 3/1 en 3/2 bedoelde voorwaarden, dan wel;

2° het voornemen tot intrekking van de aanwijzing, zoals bedoeld in artikel 3/9.

De Dienst brengt de in artikel 3/1 bedoelde persoon op de hoogte van de beslissing, vermeld in het vorige lid.]2

Art. 3/9.

[In de volgende gevallen kan de Dienst de in artikel 3/1 bedoelde persoon een beslissing tot intrekking van de aanwijzing formuleren:

1° bij niet-naleving van de in de artikelen 3/1 en 3/2 bedoelde voorwaarden, wanneer de Dienst vaststelt dat deze niet op korte tijd kan worden verholpen;

2° als de niet-naleving die aan de basis van een schorsing van de erkenning lag, niet verholpen is binnen de termijn die bepaald is in de beslissing tot die schorsing;

3° als de in artikel 3/1 bedoelde persoon op basis van onjuiste gegevens werd aangewezen.

De beslissing tot intrekking wordt per aangetekende post aan de in artikel 3/1 bedoelde persoon ter kennis gebracht en vermeldt de mogelijkheid, de voorwaarden en de procedure om hiertegen beroep aan te tekenen.]2

Art. 3/10.

[De in artikel 3/1 bedoelde persoon die de aanwijzing wenst stop te zetten, stelt de Dienst daarvan zo snel mogelijk per aangetekend schrijven in kennis. De Dienst beëindigt de aanwijzing binnen de 45 kalenderdagen.]2

Art. 3/11.

[De overeenkomstig de artikelen 3/1 tot en met 3/6 aangewezen personen doen de vaststelling van de graad van verminderde zelfredzaamheid naargelang de noden van de Dienst en van hun beschikbaarheden.]2

Art. 3/12.

[[§ 1. Voor de vaststelling van de graad van verminderde zelfredzaamheid ontvangen de in artikel 3/1 bedoelde personen de vergoeding bepaald in § 2, die alle kosten, maatregelen en lasten omvat die inherent zijn aan die opdracht.

§ 2. De in § 1 bedoelde vergoeding bedraagt:

1° voor een aan de Dienst bezorgd verslag houdende de beslissing inzake de vaststelling van de graad van verminderde zelfredzaamheid, na het in artikel 29, § 3, derde lid, bedoelde onderzoek van de begunstigde: 105 EUR;

2° voor een aan de Dienst bezorgd verslag houdende de beslissing inzake de vaststelling van de graad van verminderde zelfredzaamheid, zonder dat de begunstigde werd onderzocht: 45 EUR;

3° voor het geval waarin de begunstigde, ondanks de oproeping, nalaat zich voor het in artikel 29, § 3, derde lid, bedoelde onderzoek te melden: 40 EUR;

4° voor de deelname aan een dienstvergadering van minimaal één uur: 55 EUR per volledig uur;

5° voor het volgen van een theoretische opleiding over de handleiding, zoals bedoeld in artikel 2, § 1: 55 EUR per volledige werkdag.

De in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde bedragen worden met 10% verminderd indien het verslag niet door de Dienst werd ontvangen binnen de veertien kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum van het in artikel 29, § 3, derde lid, bedoelde onderzoek of van de vraag van de Dienst om de graad van verminderde zelfredzaamheid vast te stellen zonder dat voornoemd onderzoek voor de vaststelling ervan nodig is.

Het in het eerste lid, 5°, bedoelde bedrag is slechts eenmalig verschuldigd nadat de in artikel 3/1 bedoelde persoon voor de eerste keer wordt aangewezen. Het kan slechts worden aangerekend voor een maximum van tien werkdagen en wordt slechts uitbetaald nadat de in artikel 3/1 bedoelde persoon twintig onderzoeken, zoals bedoeld in artikel 29, § 3, derde lid, voor rekening van de Dienst heeft uitgevoerd.

§ 3. De vergoeding wordt berekend per begunstigde en wordt verkregen door de in § 2 bedoelde prestaties te vermenigvuldigen met de werkelijk uitgevoerde hoeveelheden.

§ 4. De bedragen, zoals bedoeld in § 2, worden verbonden aan de spilindex 123,14 (basis 2013 = 100). Zij variëren conform de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der werknemers, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.

§ 5. De bedragen, zoals bedoeld in § 2, zijn exclusief de belasting over de toegevoegde waarde.

§ 6. De Dienst bezorgt de in artikel 3/1 bedoelde persoon voor elke maand waarin de in § 2 bedoelde prestaties werden geleverd een balans op basis waarvan deze persoon de prestaties aan de Dienst in euro kan factureren. De factuur wordt gedateerd, ondertekend en vergezeld van de stukken die de uitvoering van de in § 2 bedoelde prestaties verantwoorden en vermeldt:

1° het nummer van de dossiers van de begunstigden waarop de factuur betrekking heeft;

2° het aantal onderzoeken, zoals bedoeld in artikel 29, § 3, derde lid, en de data waarop deze plaatsvonden, alsook het aantal bij de Dienst ingediende verslagen houdende de beslissing inzake de vaststelling van de graad van verminderde zelfredzaamheid en de data van deze indieningen;

3° het aantal bij de Dienst ingediende verslagen houdende de beslissing inzake de vaststelling van de graad van verminderde zelfredzaamheid zonder het in artikel 29, § 3, derde lid, bedoelde onderzoek van de begunstigde en de data van deze indieningen;

4° het aantal gevallen waarin en de data waarop de begunstigde, ondanks de oproeping, nalaat zich voor het in artikel 29, § 3, derde lid, bedoelde onderzoek te melden;

5° de data waarop en het aantal uren van deelname aan een dienstvergadering van minimaal één uur;

6° de data waarop en het aantal uren gedurende dewelke een theoretische opleiding over de handleiding, zoals bedoeld in artikel 2, § 1, werd gevolgd.]2