28 JANUARI 2021 – Besluit tot uitvoering van de ordonnantie van 10 december 2020 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden

Informele consolidatie

HOOFDSTUK V. - DE AANVRAAG

Art. 25.

§ 1. De aanvraag wordt door de begunstigde of de daartoe gemachtigde persoon, ingediend bij de Dienst.

§ 2. De Brusselse verzekeringsinstellingen en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn kunnen in naam en voor rekening van de begunstigde een aanvraag indienen.

Art. 26.

De aanvraag mag ten vroegste worden ingediend op de dag waarop de begunstigde de leeftijd van 65 jaar bereikt.

Art. 27.

§ 1. De begunstigde, de daartoe gemachtigde persoon, de Brusselse verzekeringsinstellingen of de openbare centra voor maatschappelijk welzijn dienen de aanvraag in:

1° door middel van een door de Dienst ter beschikking gesteld formulier, dat aan de Dienst [wordt afgegeven of]1 per post wordt toegezonden;

2° door middel van een hiervoor gecreëerde informaticatoepassing.

§ 2. De Dienst bezorgt de begunstigde een ontvangstbewijs, met vermelding van de ontvangstdatum.

Als ontvangstdatum wordt beschouwd de datum waarop de aanvraag door de Dienst voor ontvangst wordt afgestempeld of de datum waarop de Dienst de aanvraag door middel van de voor de indiening ervan gecreëerde informaticatoepassing heeft ontvangen.

HOOFDSTUK VI. - BEHANDELING VAN DE AANVRAAG

Art. 28.

§ 1. De Dienst is verplicht zich tot het Rijksregister van de natuurlijke personen te richten om de informatiegegevens, zoals bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, te verkrijgen, of als hij de juistheid van deze informatiegegevens nagaat.

Het gebruik van een andere bron is enkel toegestaan als de noodzakelijke gegevens niet kunnen bekomen worden bij het Rijksregister van de natuurlijke personen.

§ 2. De fotografische, microfotografische of elektronische afschriften van de documenten bewaard door de Dienst voor de tegemoetkoming hebben dezelfde bewijswaarde als de originelen, indien zij door de Dienst of onder diens controle werden opgesteld.

Art. 29.

§ 1. De Dienst onderzoekt de aanvraag, op basis van de inlichtingen die door de begunstigde worden verstrekt, en de inlichtingen die hij rechtstreeks inzamelt bij de instantie of de persoon die over de inlichtingen beschikt.

De inlichtingen, bescheiden en bewijsstukken die de begunstigde verstrekt, worden voor waar aangenomen, onverminderd de controlebevoegdheid die de Dienst heeft.

§ 2. Voor het administratief onderzoek verzamelt de Dienst bij de instantie die over de inlichtingen beschikt, onder meer de volgende gegevens:

1° de wettelijke identificatiegegevens opgenomen in het Rijksregister van de natuurlijke personen;

2° het beroepsinkomen en het vervangingsinkomen van het referentiejaar, zoals bedoeld in artikel 7;

3° het pensioeninkomen, zoals bedoeld in artikel 8;

4° de inkomsten voortvloeiend uit de toepassing van de wetgeving met betrekking tot de oorlogsslachtoffers;

5° de gegevens over de onroerende goederen, zoals bedoeld in artikel 9 tot en met 15.

De gegevens, zoals bedoeld in het eerste lid, 2° tot 5°, worden voor waar aangenomen tot bewijs van het tegendeel. Dit bewijs kan door de begunstigde met alle middelen van recht geleverd worden.

§ 3. [Als de Dienst of het in artikel 3 bedoelde multidisciplinair team bijkomende inlichtingen vereist, dient de begunstigde deze te verstrekken binnen een termijn van dertig kalenderdagen.

Als de bijkomende inlichtingen niet binnen een termijn van dertig kalenderdagen worden verstrekt, ontvangt de begunstigde een herinnering met het verzoek om die bijkomende inlichtingen alsnog te verstrekken.

Als dat voor de vaststelling van de graad van de verminderde zelfredzaamheid nodig is, wordt de begunstigde opgeroepen voor een onderzoek. Overeenkomstig artikel 7, § 2, derde lid, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt kan de begunstigde zich hierbij laten bijstaan door een vertrouwenspersoon.

Indien de aard van de verminderde zelfredzaamheid hiertoe aanleiding geeft, wordt het onderzoek verricht op de feitelijke verblijfplaats van de begunstigde, voor zover het in artikel 3 bedoelde multidisciplinair team dit opportuun acht en met goedkeuring van de begunstigde.

Als de begunstigde nalaat om zich voor het onderzoek te melden, ontvangt hij een tweede oproeping.

Als de begunstigde, ondanks de herinnering, zoals bedoeld in het tweede lid, gedurende meer dan dertig kalenderdagen nalaat de gevraagde inlichtingen te verschaffen, beslist de Dienst of het in artikel 3 bedoelde multidisciplinair team op grond van de elementen waarover hij of het beschikt, behalve indien de begunstigde een reden opgeeft die een langere antwoordtermijn rechtvaardigt. De Dienst of het Centrum bepaalt de duur van de langere antwoordtermijn, zonder afbreuk te doen aan de termijnen, zoals bedoeld in artikel 31.

Als de begunstigde, ondanks de tweede oproeping, zoals bedoeld in het vijfde lid, nalaat zich voor het onderzoek te melden, beslist het in artikel 3 bedoelde multidisciplinair team op grond van de elementen waarover het beschikt, behalve indien de begunstigde een reden opgeeft die rechtvaardigt dat het onderzoek op een later tijdstip plaatsvindt. Het Centrum bepaalt het tijdstip van het onderzoek, zonder afbreuk te doen aan de termijnen, zoals bedoeld in artikel 31]2.

Art. 30.

De tegemoetkoming mag zonder nader onderzoek geweigerd worden als voldoende elementen voorhanden zijn waaruit blijkt dat de begunstigde niet voldoet aan de voorwaarden om de tegemoetkoming te verkrijgen.

Art. 31.

§ 1. De termijn tussen de ontvangstdatum, zoals bedoeld in artikel 27, § 2, of de datum van kennisname van het feit dat aanleiding geeft tot een ambtshalve onderzoek en de datum van de beslissing mag niet langer zijn dan zes maanden.

Indien de Dienst geen beslissing kan treffen binnen de in het voorgaande lid gestelde termijn, deelt hij dit schriftelijk mee aan de begunstigde met opgave van de redenen. In deze schriftelijke mededeling vermeldt de Dienst de termijn waarbinnen hij vermoedelijk kan beslissen, die niet langer mag zijn dan tien maanden [na de ontvangstdatum, zoals bedoeld in artikel 27, § 2, tweede lid, of de datum van kennisname van het feit dat aanleiding geeft tot een ambtshalve onderzoek]3.

Als de tussenkomst van een instelling van de sociale zekerheid vereist is om een beslissing te kunnen nemen, wordt die instelling door de Dienst bevraagd.

§ 2.[De termijnen, zoals bedoeld in § 1, worden geschorst tussen de dag van de verzending van de vraag om bijkomende inlichtingen, zoals bedoeld in artikel 29, § 3, eerste lid, en de dag van de ontvangst van alle gevraagde inlichtingen. De termijnen, zoals bedoeld in § 1, worden ook geschorst tussen de dag van de verzending van de oproeping, zoals bedoeld in artikel 29, § 3, derde lid, en de dag waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden. Deze schorsingen kunnen de maximale termijn waarbinnen de Dienst vermoedelijk kan beslissen, zoals bedoeld in § 1, tweede lid, niet doen overschrijden. In dat geval wordt, na deze maximale termijn, beslist op basis van de beschikbare gegevens.

Het opvragen van bijkomende inlichtingen aan de begunstigde, zoals bedoeld in artikel 29, § 3, eerste lid, schorst de termijn evenwel niet, op voorwaarde dat de begunstigde de gevraagde inlichtingen bezorgt binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de vraag om bijkomende inlichtingen door de Dienst of het Centrum]3.

§ 3. De tegemoetkomingen brengen van rechtswege verwijlintresten op vanaf hun eisbaarheid, maar op zijn vroegst vanaf het verstrijken van de termijn, zoals bedoeld in § 1.

De intresten, zoals bedoeld in het voorgaande lid, worden tegen de wettelijke voet berekend. Zij hebben betrekking op de maandelijkse termijnen, alsmede op de eventuele achterstallige bedragen.

In § 3, tweede lid wordt verstaan onder achterstallige bedragen: de bedragen die aan de begunstigde maandelijks betaald hadden moeten worden na het verstrijken van de termijn, zoals bedoeld in § 1.

Het aantal dagen waarop intresten moet betaald worden, wordt als volgt bepaald:

1° voor de maandelijkse termijnen: het aantal dagen tussen de einddatum van de termijn, zoals bedoeld in § 1, en de eerste dag van de maand na de beslissing van de Dienst;

2° voor de achterstallige bedragen: het aantal dagen tussen de vijftiende van de maand waarop de tegemoetkoming betrekking heeft en de eerste dag van de maand na de beslissing van de Dienst.

§ 4. Er worden geen verwijlintresten betaald, zoals bedoeld in § 3, voor de periode waarvoor gerechtelijke intresten betaald moeten worden.

Art. 32.

Indien de begunstigde op het ogenblik van de aanvraag, zoals bedoeld in artikel 25, een integratietegemoetkoming of een inkomensvervangende tegemoetkoming, zoals bedoeld in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, ontvangt, gaat de Dienst na of deze voor de begunstigde voordeliger is dan de tegemoetkoming.

Indien de tegemoetkoming voordeliger is, neemt de Dienst aangaande deze tegemoetkoming een positieve beslissing. Indien de tegemoetkoming niet voordeliger is, wordt zij niet toegekend.

HOOFDSTUK VII. [DE BESLISSINGEN, HET ONTSTAAN VAN HET RECHT OP DE TEGEMOETKOMING EN HET INGAAN VAN DE BESLISSING OP AANVRAAG]4

Art. 33.

§ 1. [...]5.

§ 2. De Dienst deelt zijn beslissing [over de tegemoetkoming]5 schriftelijk mee aan de begunstigde.

§ 3. De beslissing wordt, op straffe van nietigheid, met redenen omkleed en bevat de volgende vermeldingen:

1° de mogelijkheid om bij de bevoegde rechtbank beroep in te stellen;

2° het adres van de bevoegde rechtbank;

3° de termijn om een beroep in te stellen en de wijze waarop dit moet gebeuren;

4° artikel 728 en 1017 van het Gerechtelijk Wetboek;

5° de refertes van het dossier en van de dienst die het beheert;

6° de mogelijkheid om opheldering te verkrijgen omtrent de beslissing bij de Dienst.

Indien de beslissing de in het vorige lid opgesomde vermeldingen niet bevat, gaat de termijn om een beroep in te stellen niet in.

[§ 4. Onverminderd de toepassing van de voorgaande paragrafen, wordt de beslissing inzake de vaststelling van de graad van verminderde zelfredzaamheid schriftelijk aan de begunstigde meegedeeld.]5

Art. 34.

Het recht op tegemoetkoming ontstaat op de eerste dag van de maand volgend op die in de loop waarvan de begunstigde voldoet aan de voorwaarden bepaald bij de ordonnantie en ten vroegste de eerste dag van de maand die volgt op de maand van de ontvangstdatum, zoals bedoeld in artikel 27, § 2.

Art. 35.

§ 1. De beslissing op aanvraag gaat in op de datum waarop het recht op tegemoetkoming is ontstaan, zoals bedoeld in artikel 34.

§ 2. Wanneer de Dienst een beslissing ter kennis brengt na haar ingangsdatum, houdt hij van rechtswege rekening met de feiten die zich hebben voorgedaan en de elementen die werden voorgelegd tussen de ingangsdatum van de beslissing en de datum waarop ze ter kennis gebracht werd voor zover de Dienst vóór de datum van de kennisgeving van de beslissing in kennis gesteld werd van deze feiten en elementen.

§ 3. In afwijking van § 1 gaat de beslissing op aanvraag, die door de begunstigde wordt ingediend nadat hij van een ander taalgebied naar het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad verhuisd is en hij op het ogenblik van de verhuis over een vergelijkbare vorm van de tegemoetkoming beschikte, in vanaf de eerste dag van de maand na de verhuizing, op voorwaarde dat de aanvraag binnen de drie maanden na de verhuizing ingediend is. Onder verhuizing wordt verstaan de inschrijving van de begunstigde in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister, zoals bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 1° van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten, volgens de gegevens van het Rijksregister.

Art. 36.

Met behoud van toepassing van [de artikelen]6 37 tot en met 40 geldt de beslissing van de Dienst voor onbepaalde duur, behalve indien:

1° de beslissing wordt getroffen op grond van voorlopige of evoluerende elementen;

2° de beslissing geldt tot de einddatum van de verminderde zelfredzaamheid in [de vaststelling van de graad van verminderde zelfredzaamheid]6.

HOOFDSTUK VIII. - DE INTREKKING EN HERZIENING VAN DE BESLISSING

Afdeling 1. - De intrekking

Art. 37.

De Dienst kan zijn beslissing intrekken en een nieuwe beslissing nemen binnen de termijn voor het instellen van een beroep bij het bevoegde arbeidsgerecht of, als het beroep al is ingesteld, tot aan de sluiting van de debatten, als:

1° op de datum waarop de tegemoetkoming is ingegaan, het recht door een wettelijke of reglementaire bepaling is gewijzigd;

2° een nieuw feit of nieuw bewijsmateriaal dat een weerslag heeft op de rechten van de verzoeker, tijdens het geding wordt ingeroepen;

3° vastgesteld wordt dat de administratieve beslissing aangetast is door een onregelmatigheid of een materiële vergissing.

Afdeling 2. - De aanvraag tot herziening

Art. 38.

Een aanvraag tot herziening mag worden ingediend als zich volgens de begunstigde wijzigingen voordoen die de toekenning of de verhoging van de tegemoetkoming rechtvaardigen.

De aanvragen tot herziening kunnen strekken tot herziening ofwel van de beoordeling van [de inkomsten]7 of van de graad van verminderde zelfredzaamheid van de begunstigde, wegens een wijziging van zijn lichamelijke of psychische toestand, ofwel van het voldoen aan de andere toepassings- en toekenningsvoorwaarden.

De aanvraag tot herziening wordt overeenkomstig de artikelen 25 tot en met 27 ingediend bij de Dienst.

De aanvraag tot herziening wordt onderzocht en behandeld overeenkomstig de artikelen 28 tot en met 31.

Wanneer de aanvraag tot herziening geen betrekking heeft op de beoordeling van de graad van verminderde zelfredzaamheid wordt niet tot een [nieuwe vaststelling ervan]7 overgegaan.

De beslissing die ten gevolge van een aanvraag tot herziening genomen wordt, gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de maand van de ontvangstdatum, zoals bedoeld in artikel 27, § 2.

In afwijking van het voorgaande lid kan, als de ontvangstdatum, zoals bedoeld in artikel 27, § 2, niet verder ligt dan drie maanden die volgen op de datum waarop zich een feit heeft voorgedaan dat toekenning of de verhoging van de tegemoetkoming rechtvaardigt, of op de datum waarop de begunstigde daarvan kennis heeft gekregen, de nieuwe beslissing ingaan op de eerste dag van de maand die de datum van het feit volgt en ten vroegste op dezelfde datum als de te wijzigen beslissing.

Afdeling 3. - De ambtshalve herziening

Art. 39.

Wanneer vastgesteld wordt dat de beslissing aangetast is door een juridische of materiële vergissing, neemt de Dienst ambtshalve een nieuwe beslissing die ingaat op de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan.

Onverminderd de toepassing van artikel 37, gaat de nieuwe beslissing, indien de vergissing aan de Dienst te wijten is en als het recht op de tegemoetkoming kleiner is dan het aanvankelijk toegekend recht, in op de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving ervan aan de begunstigde.

Art. 40.

§ 1. Er kan ambtshalve worden overgegaan tot een herziening van het recht op de tegemoetkoming:

1° wanneer de begunstigde niet meer beantwoordt aan [één of beide van]8 de in artikel 3, 1° van de ordonnantie bedoelde voorwaarden;

2° als er een wijziging is in de samenstelling van het huishouden, die een weerslag heeft op het recht op de tegemoetkoming;

3° op de datum bepaald door een vorige beslissing wanneer die werd getroffen op grond van voorlopige of evoluerende elementen;

4° wanneer er een wijziging is in de graad van verminderde zelfredzaamheid van de begunstigde;

5° wanneer de Dienst vaststelt dat de inkomsten zijn gedaald ten opzichte van de vorige beslissing;

6° wanneer de Dienst vaststelt dat de inkomsten zijn gestegen ten opzichte van de vorige beslissing;

7° wanneer op grond van de controlemethode via steekproeftrekking een impact op het bedrag van de tegemoetkoming, zoals bedoeld in artikel 42, is vastgesteld.

[8° wanneer de begunstigde overlijdt.]8

§ 2. De nieuwe beslissing gaat in op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de begunstigde zich in één van de in § 1, 1°, 2°, 6° [of 8°]8 bedoelde toestanden bevindt.

Indien de nieuwe beslissing evenwel een vermindering van de tegemoetkoming tot gevolg heeft en indien de in § 1,[...]8 6° bedoelde gebeurtenis werd meegedeeld of vastgesteld binnen de drie maanden volgend op het plaatsvinden ervan of werd aangegeven binnen de drie maanden volgend op de datum van kennisgeving aan de begunstigde, gaat de nieuwe beslissing in op de eerste dag van de maand volgend op de datum van de kennisgeving van de beslissing.

In de in § 1, 3°, 4° en 5° bedoelde gevallen gaat de nieuwe beslissing in op de eerste dag van de maand volgend op de datum van de kennisgeving van de beslissing. Indien het bedrag van de tegemoetkoming toegekend krachtens de in § 1, 3° bedoelde beslissing hoger is dan het aanvankelijk toegekende bedrag, gaat deze in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de geplande herzieningsdatum.

In het in § 1, 7° bedoelde geval gaat de nieuwe beslissing in op de eerste dag van de maand volgend op de vaststelling van het verschil tussen het bedrag van de tegemoetkoming, voorwerp van een beslissing tot weigering, toekenning, intrekking of herziening en het bedrag van de tegemoetkoming waarop de begunstigde recht heeft, zoals bedoeld in artikel 42, 4°.

§ 3. De nieuwe beslissing kan niet ingaan voor de ingangsdatum van de beslissing waarbij voor de eerste maal een tegemoetkoming wordt toegekend.

[§ 4. De ambtshalve herziening wordt onderzocht en behandeld overeenkomstig de artikelen 28 tot en met 31. Wanneer de ambtshalve herziening geen betrekking heeft op de beoordeling van de graad van verminderde zelfredzaamheid wordt niet tot een nieuwe vaststelling ervan overgegaan.]8