10 DECEMBER 2020 – Ordonnantie betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden

HOOFDSTUK VII. - Uitvoering van de tegemoetkoming

Art. 12.

De tegemoetkoming wordt uitbetaald volgens de door het Verenigd College vastgelegde bepalingen, waaronder onder meer de termijn waarover de Dienst beschikt om over te gaan tot betaling.

De uitbetaling van de tegemoetkoming verjaart na twee jaar, te rekenen vanaf het einde van de maand gedurende dewelke het recht op de tegemoetkoming is ontstaan.

Buiten de oorzaken vermeld in het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door een aangetekende brief, een elektronische brief, of elke zending met vaste datum die uitdrukkelijk de tegemoetkoming of aanleiding betreft. Het stuiten van de verjaring kan worden herhaald.

Overmacht schorst de verjaring vermeld in het tweede lid. De vaststelling van overmacht gebeurt op de wijze vastgelegd door het Verenigd College, die hiertoe een delegatie kan verlenen aan de leidend ambtenaar van de Dienst, of aan zijn afgevaardigde.

Art. 13.

De tegemoetkoming kan als voorschot op de in artikel 6 vermelde uitkeringen en vergoedingen worden toegekend.

Het Verenigd College bepaalt onder welke voorwaarden, op welke wijze en tot welk bedrag de voorschotten kunnen worden toegekend, alsook de wijze waarop ze kunnen worden teruggevorderd.

De Dienst treedt in de rechten van de begunstigde tot het bedrag van de toegekende voorschotten.

Art. 14.

Het Verenigd College bepaalt onder welke voorwaarden, op welke wijze en aan wie de vervallen en nog niet uitbetaalde tegemoetkomingen bij het overlijden van de begunstigde kunnen worden uitbetaald.