28 JANUARI 2021 – Besluit tot uitvoering van de ordonnantie van 10 december 2020 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden

Informele consolidatie

HOOFDSTUK XI. - BETALINGSMODALITEITEN EN -VOORWAARDEN

Art. 43.

§ 1. De tegemoetkoming wordt per maand en per twaalfden betaald.

Zij bedraagt minimaal 0,12 EUR op jaarbasis.

§ 2. [De betaling van de tegemoetkoming wordt uitgevoerd door overschrijving op een betaalrekening, die werd geopend op naam van de begunstigde of waarvan hij medetitularis is.

Onverminderd de toepassing van het voorgaande lid, kan de tegemoetkoming vanaf 1 juni 2023 worden uitbetaald op een vooraf betaalde kaart, die wordt uitgegeven door een kredietinstelling, die aan de begunstigde wordt afgegeven door de Dienst en die de mogelijkheid biedt tot debetkaarttransacties in de zin van artikel 2, 4) van de Verordening (EU) 2015/751 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties, indien de begunstigde hierom verzoekt.

Onverminderd de toepassing van het eerste of van het eerste en tweede lid, kan de tegemoetkoming tot 1 januari 2024 per circulaire cheque worden betaald als deze om technische of sociale redenen niet per overschrijving of op betaalkaart kan betaald worden en de begunstigde hierom verzoekt.

De overschrijving op de betaalrekening, de betaling op de betaalkaart of het uitschrijven van een circulaire cheque gebeurt op de 23ste van de maand. Wanneer deze dag evenwel een zaterdag, een zondag of een feestdag is, gebeurt de over- of uitschrijving of de betaling op de daaraan voorafgaande werkdag.

Onder kredietinstelling, zoals bedoeld in het tweede lid, moet worden verstaan de in België gevestigde kredietinstellingen, zoals bedoeld in artikel 1, § 3, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en beursvennootschappen]1.

§ 3. De betaling van de tegemoetkoming wordt uitgevoerd door een kredietinstelling, waarmee de Dienst een overeenkomst heeft gesloten.

Onder kredietinstelling, zoals bedoeld in het voorgaande lid, moet worden verstaan de in België gevestigde kredietinstellingen, zoals bedoeld in artikel 1, § 3 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en beursvennootschappen.

§ 4. De Dienst sluit een overeenkomst met de kredietinstellingen van de begunstigden van de betaalde tegemoetkomingen.

Onder kredietinstellingen, zoals bedoeld in het voorgaande lid, moet worden verstaan de in België gevestigde kredietinstellingen, zoals bedoeld in artikel 1, § 3 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en beursvennootschappen.

De in het eerste lid bedoelde overeenkomst stelt de respectieve verantwoordelijkheden van de Dienst en de kredietinstelling vast om de regelmatigheid van de overdracht van tegemoetkomingen naar de begunstigde of de door hem gekozen kredietinstelling te verzekeren.

Art. 44.

Artikel 43 is van overeenkomstige toepassing op de betaling van de tegemoetkoming tijdens de overgangsfase, zoals bedoeld in artikel 22 van de ordonnantie.

HOOFDSTUK XII. - DE BETALING VAN VOORSCHOTTEN

Art. 45.

In geval van toepassing van artikel 13 van de ordonnantie moet de begunstigde als begunstigde van het voorschot aanduiden op welke uitkeringen of vergoedingen hij een voorschot wenst te verkrijgen, door wie deze naar zijn mening verschuldigd zijn en voor welke periode.

Hij moet eveneens mededelen of de instanties welke deze uitkeringen of vergoedingen verschuldigd zijn, voorschotten hebben toegekend.

De begunstigde moet de Dienst bovendien verwittigen van zodra hij deze uitkeringen of vergoedingen verkrijgt.

Het voorschot wordt niet toegekend voor perioden voorafgaand aan de aanvraag.

Het wordt verleend ten belope van de bedragen van de tegemoetkoming waarop de begunstigde aanspraak kan maken.

HOOFDSTUK XIII. - DE BETALING VAN DE VERVALLEN EN BIJ HET OVERLIJDEN VAN DE BEGUNSTIGDE NIET UITBETAALDE TEGEMOETKOMINGEN

Art. 46.

[In geval van overlijden van de begunstigde, worden de vervallen en nog niet uitbetaalde tegemoetkomingen, met inbegrip van de tegemoetkoming voor de maand van overlijden, uitbetaald in de volgende orde:

1° aan de echtgenoot of de echtgenote, ingeschreven op hetzelfde adres als de begunstigde;

2° aan de persoon met wie de begunstigde op het ogenblik van zijn overlijden een huishouden vormde;

3° aan de kinderen met wie de begunstigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;

4° aan de vader en de moeder met wie de begunstigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;

5° aan iedere persoon met wie de begunstigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;

6° aan de persoon die in de verplegingskosten tussenbeide kwam;

7° aan de persoon die de begrafeniskosten betaalde;

8° aan de echtgenoot of echtgenote die op het ogenblik van het overlijden feitelijk gescheiden leefde van de begunstigde.

De rechthebbenden, zoals bedoeld in het eerste lid, 5° tot en met 8°, dienen een aanvraag tot uitbetaling in bij de Dienst]2.

De gedagtekende en ondertekende aanvraag wordt ingediend door middel van een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door de Dienst.

Op straffe van verval moeten de aanvragen tot uitbetaling van termijnen ingediend worden binnen een termijn van zes maanden.

Die termijn gaat in op de dag van het overlijden van de begunstigde of op de dag van de verzending van de kennisgeving van de beslissing, indien deze na het overlijden verzonden werd.