28 JANUARI 2021 – Besluit tot uitvoering van de ordonnantie van 10 december 2020 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden

Informele consolidatie

HOOFDSTUK XV. - DE TERUGBETALING EN TERUGVORDERING VAN TEN ONRECHTE UITBETAALDE TEGEMOETKOMINGEN

Art. 48.

De begunstigde kan met het oog op de terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen, een afbetalingsplan aanvragen bij de Dienst. De Dienst beslist over dat afbetalingsplan. De Dienst bezorgt een al of niet aangepast afbetalingsplan aan de begunstigde of deelt aan de begunstigde mee dat het afbetalingsplan niet aanvaard kan worden.

Als de begunstigde overlijdt tijdens de uitvoering van het afbetalingsplan, dan wordt er niet verder teruggevorderd behalve in geval van arglist of bedrog.

Art. 49.

Van de beslissing om ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen terug te vorderen of in mindering te brengen worden de schuldenaren, op straffe van nietigheid, per aangetekend schrijven in kennis gesteld.

Dit schrijven vermeldt:

1° de vaststelling en het totale bedrag van het onverschuldigde, alsmede de berekeningswijze ervan;

2° de inhoud en de refertes van de bepalingen in strijd waarmee de betalingen werden verricht;

3° de in aanmerking genomen verjaringstermijn en, als deze geen drie jaar bedraagt, de motivering ervan;

4° de mogelijkheid om binnen drie maanden na ontvangst van de bestreden beslissing, beroep in te stellen bij de bevoegde arbeidsrechtbank;

5° de mogelijkheid om bij de Dienst een afbetalingsplan, zoals bedoeld in artikel 48, te vragen;

6° de mogelijkheid van de Dienst om ambtshalve of op aanvraag van de begunstigde af te zien van de terugvordering van de onverschuldigd betaalde tegemoetkomingen;

7° de mogelijkheid van de Dienst om de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen in mindering te brengen van de toekomstige tegemoetkomingen die aan de begunstigde uitbetaald worden of van de vervallen en nog niet uitbetaalde tegemoetkomingen.

Indien de beslissing de in het eerste lid voorziene vermeldingen niet bevat, gaat de beroepstermijn niet in.

Art. 50.

De [leidend ambtenaar]1 kan ambtshalve afzien van de terugvordering van de onterecht uitbetaalde tegemoetkomingen:

1° bij het overlijden van de begunstigde;

2° als het bedrag van de onterecht uitbetaalde tegemoetkomingen lager ligt dan 750,00 EUR;

3° indien de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen enkel het gevolg zijn van een vergissing van de Dienst, waarvan de begunstigde zich normaal geen rekenschap kan geven en waarvan de Dienst geen melding aan de begunstigde heeft gemaakt binnen de twee maanden;

4° bij overlijden van de persoon met wie de begunstigde een huishouden vormt indien dit tot gevolg heeft dat de begunstigde een overlevingspensioen ontvangt.

Er kan evenwel niet ambtshalve worden afgezien:

1° in geval van bedrog of arglist;

2° indien er bij het overlijden van de begunstigde vervallen en nog niet uitgekeerde tegemoetkomingen bestaan. In dit geval worden de onterecht uitbetaalde tegemoetkomingen teruggevorderd door ze in mindering te brengen op de vervallen en nog niet betaalde tegemoetkomingen.

[In alle andere gevallen dan deze bedoeld in het eerste en het tweede lid, kan de leidend ambtenaar op gemotiveerde aanvraag van de begunstigde afzien van de terugvordering van de onverschuldigd uitbetaalde tegemoetkomingen. Deze aanvraag gebeurt bij aangetekende brief gericht aan de leidend ambtenaar]1.

Art. 51.

De beslissing tot terugvordering kan enkel uitgevoerd worden na het verstrijken van drie maanden volgend op de kennisgeving.

Wanneer de begunstigde vóór het verstrijken van deze termijn van drie maanden een aanvraag heeft ingediend, zoals bedoeld in artikel 50, derde lid, wordt de terugvordering opgeschort tot de [leidend ambtenaar]2 hierover uitspraak heeft gedaan.

Indien de aanvraag, zoals bedoeld in artikel 50, derde lid, wordt ingediend na de termijn van drie maanden, wordt de terugvordering van de onverschuldigde bedragen aangevat of voortgezet totdat de [leidend ambtenaar]2 een tegengestelde beslissing heeft genomen.

Bij de toepassing van het tweede en het derde lid, geldt als datum van indiening de datum van neerlegging van de aangetekende brief waarmee de aanvraag is gebeurd.