10 DECEMBER 2020- Ordonnantie betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden

HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied

Art. 3.

§ 1. Deze ordonnantie is van toepassing op elke persoon die :

2° voldoet aan de toekenningsvoorwaarden, zoals bedoeld in de artikelen 4 tot en met 7.

HOOFDSTUK III. - Toekenningsvoorwaarden

Art. 4.

De tegemoetkoming wordt enkel toegekend aan de persoon :

1° die ten minste 65 jaar oud is ;

2° van wie een verminderde zelfredzaamheid is vastgesteld.

De leeftijdsgrens, zoals bedoeld in het eerste lid, kan door het Verenigd College worden herzien op basis van de evolutie van de wettelijke pensioenleeftijd, op voorwaarde dat de maximale leeftijd waarop de eerste aanvraag voor een integratietegemoetkoming en een inkomensvervangende tegemoetkoming kan worden ingediend, op dezelfde wijze wordt aangepast.

Het Verenigd College bepaalt vanaf welke graad, volgens welke criteria, op welke wijze en door wie de verminderde zelfredzaamheid wordt vastgesteld.

Art. 5.

De tegemoetkoming wordt toegekend na aanrekening van het inkomen van het huishouden.

De tegemoetkoming kan enkel worden toegekend indien het bedrag van het inkomen van de begunstigde, samen met het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, het in artikel 8 bedoelde bedrag van de tegemoetkoming, waar de begunstigde aanspraak op kan maken overeenkomstig de categorie waarin hij zich in bevindt, niet overschrijdt.

Het Verenigd College bepaalt wat moet worden verstaan onder " huishouden " en onder " inkomen ", zoals bedoeld in het eerste lid en door wie, volgens welke criteria en op welke wijze het bedrag van het inkomen moet worden bepaald.

Het Verenigd College kan bepalen dat sommige inkomsten of delen van inkomsten, onder voorwaarden die het bepaalt, niet of maar gedeeltelijk in aanmerking worden genomen.

Het Verenigd College kan daarbij een onderscheid maken naargelang :

1° de samenstelling van het huishouden van de begunstigde ;

2° de graad van verminderde zelfredzaamheid van de begunstigde ;

3° het gaat om het inkomen van de begunstigde of het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt ;

4° de bron van het inkomen.

Art. 6.

De begunstigde en de persoon met wie hij een huishouden vormt, moeten hun rechten laten gelden op :

1° de uitkeringen en vergoedingen waarop zij aanspraak kunnen maken krachtens een door de Belgische wetgeving, regelgeving uitgevaardigd door een andere Belgische deelentiteit, buitenlandse wetgeving of krachtens de regels van toepassing op het personeel van een internationale openbare instelling en die hun grond vinden in een gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid of in de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid ;

2° de sociale uitkeringen inzake ziekte en invaliditeit, werkloosheid, arbeidsongevallen, beroepsziekten, rust- en overlevingspensioenen, de inkomensgarantie voor ouderen, het gewaarborgd inkomen voor bejaarden.

Het Verenigd College kan de wijze bepalen waarop de tegemoetkoming kan worden verminderd of geweigerd bij niet-naleving van het eerste lid.

Art. 7.

De tegemoetkoming kan niet worden toegekend aan de persoon die een inkomensvervangende of integratietegemoetkoming, zoals vermeld in artikel 1 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, geniet.