28 JANUARI 2021 – Besluit tot uitvoering van de ordonnantie van 10 december 2020 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden

Informele consolidatie

HOOFDSTUK II. - VERMINDERDE ZELFREDZAAMHEID

Art. 2.

§ 1. De [vaststelling]1van de graad van verminderde zelfredzaamheid gebeurt aan de hand van een door de Ministers vastgestelde handleiding, volgens welke rekening wordt gehouden met de volgende factoren:

- verplaatsingsmogelijkheden;

- mogelijkheden om zijn voedsel te nuttigen of te bereiden;

- mogelijkheid om voor zijn persoonlijke hygiëne in te staan en zich te kleden;

- mogelijkheid om zijn woning te onderhouden en huishoudelijk werk te verrichten;

- mogelijkheid om te leven zonder toezicht, bewust te zijn van gevaar en gevaar te kunnen vermijden;

- mogelijkheid tot communicatie en sociaal contact.

§ 2. [Voor ieder van de in § 1 vermelde factoren wordt als volgt een aantal punten toegekend naargelang de graad van verminderde zelfredzaamheid van de begunstigde :]1

- geen moeilijkheden, geen bijzondere inspanning en geen bijzondere hulpmiddelen: 0 punten;

- beperkte moeilijkheden of beperkte bijkomende inspanning of beperkt beroep op bijzondere hulpmiddelen: 1 punt;

- grote moeilijkheden of een grote bijkomende inspanning of uitgebreid beroep op bijzondere hulpmiddelen: 2 punten;

- onmogelijk zonder hulp van derden, zonder opvang in een aangepaste voorziening of zonder volledig aangepaste omgeving: 3 punten;

[De toegekende punten worden samengeteld en naargelang dit totaal behoort de begunstigde tot een van de in artikel 8 van de ordonnantie vermelde categorieën]1.

Art. 3.

[De graad van verminderde zelfredzaamheid wordt vastgesteld door een multidisciplinair team, dat is samengesteld uit een arts en, desgevallend, uit andere beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg. De teamleden behoren tot het personeel van de Dienst of worden door de Dienst aangewezen]2.

Art. 3/1.

[§ 1. Een arts die niet tot het personeel van de Dienst behoort, kan slechts worden aangewezen indien hij beschikt over minimaal drie jaar relevante werkervaring als beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg.

§ 2. Een psycholoog die niet tot het personeel van de Dienst behoort, kan slechts worden aangewezen indien hij beschikt over minimaal drie jaar relevante werkervaring als beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg.

§ 3. Een logopedist die niet tot het personeel van de Dienst behoort, kan slechts worden aangewezen indien hij beschikt over minimaal drie jaar relevante werkervaring als beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg.]3

Art. 3/2.

[Onverminderd de in artikel 3/1 bedoelde voorwaarden, gelden voor de aldaar bedoelde personen de volgende voorwaarden:

1° beschikken over een blanco uittreksel uit het strafregister, model 596-2, zoals bedoeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering;

2° niet verkeren in staat van faillissement of van vereffening, geen gerechtelijke reorganisatie of aangifte van faillissement hebben gedaan, geen voorwerp uitmaken van een procedure van vereffening of gerechtelijke reorganisatie of verkeren in een vergelijkbare toestand ingevolge een soortgelijke procedure;

3° geen ernstige beroepsfout hebben begaan, waardoor de integriteit in twijfel kan worden getrokken;

4° geen voorwerp uitmaken van een rechtstreeks of onrechtstreeks belangenconflict;

5° geen blijk hebben gegeven van aanzienlijke of voortdurende tekortkomingen bij de uitvoering van een wezenlijke verplichting tijdens een vergelijkbare opdracht, die geleid hebben tot het nemen van ambtshalve maatregelen, schadevergoedingen of andere vergelijkbare sancties;

6° zich niet schuldig maken aan het geven van valse verklaringen, het verstrekken van misleidende informatie, het achterhouden van informatie en de onrechtmatige beïnvloeding van het besluitvormingsproces van de Dienst;

7° zich onthouden van de gehele of gedeeltelijke toevertrouwing van de vaststelling van de graad van verminderde zelfredzaamheid aan een derde;

8° voldoende gedekt zijn door een arbeidsongevallenverzekering en een verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid ten opzichte van derden;

9° gebonden zijn door een door de Dienst ter beschikking gestelde vertrouwelijkheidsverklaring en een verklaring om de onafhankelijkheid en objectiviteit te waarborgen;

10° gebonden zijn door een door de Dienst ter beschikking gestelde overeenkomst waarin hij instemt met de verwerking van de in dit besluit bedoelde persoonsgegevens met het oog op de toepassing van dit besluit en op de uitvoering van de vaststelling van de graad van verminderde zelfredzaamheid.]3

Art. 3/3.

[§ 1. De in artikel 3/1 bedoelde personen kunnen slechts worden aangewezen indien zij daartoe een ontvankelijke aanvraag hebben ingediend aan de hand van een door de Dienst ter beschikking gesteld formulier.

§ 2. Op straffe van niet-ontvankelijkheid bevat het aanvraagdossier van de in artikel 3/1, § 1, bedoelde arts de volgende stukken:

1° een curriculum vitae;

2° een kopie van het diploma van master of doctor in de geneeskunde of van doctor in de genees-, heel- en verloskunde, vroeger uitgereikt en bekrachtigd overeenkomstig de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens of een gelijkwaardigheidserkenning voor een buitenlands diploma;

3° het visum van de Federale overheidsdienst Volksgezondheid, dat toelaat het beroep van arts uit te oefenen;

4° het bewijs van inschrijving bij de Orde der artsen;

5° een lijst met prestaties, die minimaal drie jaar relevante werkervaring als beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg aantoont;

6° een blanco uittreksel uit het strafregister, model 596-2, zoals bedoeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering;

7° een verklaring op eer waarin de in artikel 3/1, § 1, bedoelde arts verklaart de Code van medische deontologie te zullen naleven, zich niet in één van de in artikel 3/2, 2°, tot en met 7°, bedoelde situaties te bevinden of zich hiervan te onthouden en een voldoende dekkende arbeidsongevallenverzekering en een verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid ten opzichte van derden af te sluiten;

8° de door de Dienst ter beschikking gestelde en door de in artikel 3/1, § 1, bedoelde arts ondertekende vertrouwelijkheidsverklaring en de verklaring om de onafhankelijkheid en objectiviteit te waarborgen.

§ 3. Op straffe van niet-ontvankelijkheid bevat het aanvraagdossier van de in artikel 3/1, § 2, bedoelde psycholoog de volgende stukken:

1° een curriculum vitae;

2° een kopie van master in de klinische of neuropsychologie of een gelijkwaardigheidserkenning voor een buitenlands diploma;

3° een visum van de Federale overheidsdienst Volksgezondheid, dat toelaat het beroep van klinisch psycholoog uit te oefenen;

4° een bewijs van erkenning als klinisch psycholoog of neuropsycholoog in België;

5° een lijst met prestaties, die minimaal drie jaar relevante werkervaring als beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg aantoont;

6° een blanco uittreksel uit het strafregister, model 596-2, zoals bedoeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering;

7° een verklaring op eer waarin de in artikel 3/1, § 2, bedoelde psycholoog verklaart dat het koninklijk besluit van 2 april 2014 tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de psycholoog zal worden nageleefd, zich niet in één van de in artikel 3/2, 2° tot en met 7°, bedoelde situaties te bevinden of zich hiervan te onthouden en een voldoende dekkende arbeidsongevallenverzekering en een verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid ten opzichte van derden af te sluiten;

8° de door de Dienst ter beschikking gestelde en door de in artikel 3/1, § 2, bedoelde psycholoog ondertekende vertrouwelijkheidsverklaring en de verklaring om de onafhankelijkheid en objectiviteit te waarborgen.

§ 4. Op straffe van niet-ontvankelijkheid bevat het aanvraagdossier van de in artikel 3/1, § 3, bedoelde logopedist de volgende stukken:

1° een curriculum vitae;

2° een kopie van het diploma van master in de logopedie of een gelijkwaardigheidserkenning voor een buitenlands diploma;

3° het bewijs van erkenning als logopedist in België;

4° een lijst met prestaties, die minimaal drie jaar relevante werkervaring als beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg aantoont;

5° een blanco uittreksel uit het strafregister, model 596-2, zoals bedoeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering;

6° een verklaring op eer waarin de in artikel 3/1, § 3, bedoelde logopedist verklaart dat de ethische en deontologische code van de logopedisten zal worden nageleefd, zich niet in één van de in artikel 3/2, 2° tot en met 7°, bedoelde situaties te bevinden of zich hiervan te onthouden en een voldoende dekkende arbeidsongevallenverzekering en een verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid ten opzichte van derden af te sluiten;

7° de door de Dienst ter beschikking gestelde en door de in artikel 3/1, § 3, bedoelde logopedist ondertekende vertrouwelijkheidsverklaring en de verklaring om de onafhankelijkheid en objectiviteit te waarborgen.

§ 5. Onverminderd de voorgaande paragrafen, bevat het aanvraagdossier, op straffe van niet-ontvankelijkheid, de volgende gegevens betreffende de aanvrager:

1° de naam en voornaam;

2° de beroepssituatie;

3° de nationaliteit;

4° de woonplaats;

5° de handtekening en dagtekening;

6° het volledige inschrijvingsnummer van de aanvrager bij de Kruispuntbank van Ondernemingen;

7° het nummer en de naam van de rekening van de aanvrager, geopend bij een kredietinstelling, zoals bedoeld in artikel 1, § 3, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen;

8° een contactadres in België.]3

Art. 3/4.

[§ 1. Nadat de Dienst de aanvraag heeft ontvangen, bezorgt hij de in artikel 3/1 bedoelde persoon een ontvangstmelding.

Binnen de dertig kalenderdagen na de dag van ontvangst deelt de Dienst aan de in artikel 3/1 bedoelde persoon mee of de aanvraag ontvankelijk is.

Indien de aanvraag niet ontvankelijk is omdat één of meerdere van de in artikel 3/3 bedoelde stukken of gegevens ontbreken, vraagt de Dienst deze bij de in artikel 3/1 bedoelde persoon op. De termijn voor de indiening van de gegevens of stukken bedraagt vijftien kalenderdagen. Tijdens de periode wordt de in het tweede lid bedoelde beslissingstermijn voor de ontvankelijkheid geschorst. Als er binnen die termijn geen gegevens of stukken aan de Dienst worden bezorgd, is de aanvraag onontvankelijk.

§ 2. De Dienst beslist over de ontvankelijke aanvraag binnen de 90 kalenderdagen nadat aan de in artikel 3/1 bedoelde persoon is meegedeeld dat de aanvraag ontvankelijk is.

§ 3. De Dienst kan aanvullende informatie vragen aan de in artikel 3/1 bedoelde persoon. Hij bezorgt de Dienst de gevraagde informatie binnen de dertig kalenderdagen. Tijdens die periode wordt de in § 1, tweede lid, bedoelde beslissingstermijn voor de ontvankelijkheid en de in § 2 bedoelde beslissingstermijn geschorst. Indien de in artikel 3/1 bedoelde persoon gedurende meer dan dertig kalenderdagen nalaat de aanvullende informatie te verschaffen, kan de Dienst beslissen op grond van de stukken, gegevens en/of inlichtingen waarover hij beschikt.]3

Art. 3/5.

[De Dienst bezorgt de beslissing over de aanvraag uiterlijk na verloop van de termijn, zoals bedoeld in artikel 3/4, § 2, aan de in artikel 3/1 bedoelde persoon en heeft betrekking op:

1° de beslissing tot aanwijzing, dan wel;

2° de weigering tot aanwijzing.

De beslissing bedoeld in het eerste lid, 1°, wordt per aangetekende post aan de in artikel 3/1 bedoelde persoon ter kennis gebracht en bepaalt de ingangsdatum van de in artikel 3/6 bedoelde termijn.

De beslissing bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt per aangetekende post aan de in artikel 3/1 bedoelde persoon ter kennis gebracht.]3

Art. 3/6.

[De aanwijzing geldt voor een termijn van één jaar en kan hernieuwd worden. De aanwijzing wordt van rechtswege hernieuwd indien er, aan de hand van de in artikel 3/7, § 1, bedoelde controle, geen indicaties zijn dat de in artikel 3/1 bedoelde persoon de in de artikelen 3/1 en 3/2 bedoelde voorwaarden niet vervult.]3

Art. 3/7.

[§ 1. De Dienst controleert de naleving van de in de artikelen 3/1 en 3/2 bedoelde voorwaarden en kan daarvoor alle nodige inlichtingen en stukken opvragen bij de in artikel 3/1 bedoelde personen.

§ 2. Als wordt vastgesteld dat een in artikel 3/1 bedoelde persoon de voorwaarden, zoals bedoeld in de artikelen 3/1 en 3/2 niet naleeft, of het moeilijk of onmogelijk maakt deze te controleren, wordt, behalve bij dringende noodzakelijkheid, de persoon uitgenodigd voor een gesprek met de Dienst. De Dienst waarschuwt de in artikel 3/1 bedoelde persoon voor de mogelijke schorsing of intrekking van zijn aanwijzing bij blijvende niet-naleving.]3

Art. 3/8.

[§ 1. In de volgende gevallen kan de Dienst de aanwijzing van de in artikel 3/1 bedoelde persoon schorsen:

1° bij niet-naleving van de in de artikelen 3/1 en 3/2 bedoelde voorwaarden, wanneer de Dienst vaststelt dat deze op korte tijd kan worden verholpen;

2° als de in artikel 3/1 bedoelde persoon het moeilijk of onmogelijk maakt de in de artikelen 3/1 en 3/2 bedoelde voorwaarden te controleren;

3° als de Dienst oordeelt dat de opdracht niet naar behoren kan worden uitgevoerd.

§ 2. De Dienst stelt de in artikel 3/1 bedoelde persoon in kennis van zijn beslissing tot schorsing. De in artikel 3/1 bedoelde persoon wordt binnen de vijf werkdagen gehoord. Op basis daarvan neemt de Dienst een beslissing, die betrekking heeft op:

1° opheffing van de schorsing, in voorkomend geval met naleving van de gemaakte afspraken met het oog op de naleving van de in de artikelen 3/1 en 3/2 bedoelde voorwaarden, dan wel;

2° het voornemen tot intrekking van de aanwijzing, zoals bedoeld in artikel 3/9.

De Dienst brengt de in artikel 3/1 bedoelde persoon op de hoogte van de beslissing, vermeld in het vorige lid.]3

Art. 3/9.

[In de volgende gevallen kan de Dienst de in artikel 3/1 bedoelde persoon een beslissing tot intrekking van de aanwijzing formuleren:

1° bij niet-naleving van de in de artikelen 3/1 en 3/2 bedoelde voorwaarden, wanneer de Dienst vaststelt dat deze niet op korte tijd kan worden verholpen;

2° als de niet-naleving die aan de basis van een schorsing van de erkenning lag, niet verholpen is binnen de termijn die bepaald is in de beslissing tot die schorsing;

3° als de in artikel 3/1 bedoelde persoon op basis van onjuiste gegevens werd aangewezen.

De beslissing tot intrekking wordt per aangetekende post aan de in artikel 3/1 bedoelde persoon ter kennis gebracht en vermeldt de mogelijkheid, de voorwaarden en de procedure om hiertegen beroep aan te tekenen.]3

Art. 3/10.

[De in artikel 3/1 bedoelde persoon die de aanwijzing wenst stop te zetten, stelt de Dienst daarvan zo snel mogelijk per aangetekend schrijven in kennis. De Dienst beëindigt de aanwijzing binnen de 45 kalenderdagen.]4

Art. 3/11.

[De overeenkomstig de artikelen 3/1 tot en met 3/6 aangewezen personen doen de vaststelling van de graad van verminderde zelfredzaamheid naargelang de noden van de Dienst en van hun beschikbaarheden.]3

Art. 3/12.

[[§ 1. Voor de vaststelling van de graad van verminderde zelfredzaamheid ontvangen de in artikel 3/1 bedoelde personen de vergoeding bepaald in § 2, die alle kosten, maatregelen en lasten omvat die inherent zijn aan die opdracht.

§ 2. De in § 1 bedoelde vergoeding bedraagt:

1° voor een aan de Dienst bezorgd verslag houdende de beslissing inzake de vaststelling van de graad van verminderde zelfredzaamheid, na het in artikel 29, § 3, derde lid, bedoelde onderzoek van de begunstigde: 105 EUR;

2° voor een aan de Dienst bezorgd verslag houdende de beslissing inzake de vaststelling van de graad van verminderde zelfredzaamheid, zonder dat de begunstigde werd onderzocht: 45 EUR;

3° voor het geval waarin de begunstigde, ondanks de oproeping, nalaat zich voor het in artikel 29, § 3, derde lid, bedoelde onderzoek te melden: 40 EUR;

4° voor de deelname aan een dienstvergadering van minimaal één uur: 55 EUR per volledig uur;

5° voor het volgen van een theoretische opleiding over de handleiding, zoals bedoeld in artikel 2, § 1: 55 EUR per volledige werkdag.

De in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde bedragen worden met 10% verminderd indien het verslag niet door de Dienst werd ontvangen binnen de veertien kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum van het in artikel 29, § 3, derde lid, bedoelde onderzoek of van de vraag van de Dienst om de graad van verminderde zelfredzaamheid vast te stellen zonder dat voornoemd onderzoek voor de vaststelling ervan nodig is.

Het in het eerste lid, 5°, bedoelde bedrag is slechts eenmalig verschuldigd nadat de in artikel 3/1 bedoelde persoon voor de eerste keer wordt aangewezen. Het kan slechts worden aangerekend voor een maximum van tien werkdagen en wordt slechts uitbetaald nadat de in artikel 3/1 bedoelde persoon twintig onderzoeken, zoals bedoeld in artikel 29, § 3, derde lid, voor rekening van de Dienst heeft uitgevoerd.

§ 3. De vergoeding wordt berekend per begunstigde en wordt verkregen door de in § 2 bedoelde prestaties te vermenigvuldigen met de werkelijk uitgevoerde hoeveelheden.

§ 4. De bedragen, zoals bedoeld in § 2, worden verbonden aan de spilindex 123,14 (basis 2013 = 100). Zij variëren conform de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der werknemers, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.

§ 5. De bedragen, zoals bedoeld in § 2, zijn exclusief de belasting over de toegevoegde waarde.

§ 6. De Dienst bezorgt de in artikel 3/1 bedoelde persoon voor elke maand waarin de in § 2 bedoelde prestaties werden geleverd een balans op basis waarvan deze persoon de prestaties aan de Dienst in euro kan factureren. De factuur wordt gedateerd, ondertekend en vergezeld van de stukken die de uitvoering van de in § 2 bedoelde prestaties verantwoorden en vermeldt:

1° het nummer van de dossiers van de begunstigden waarop de factuur betrekking heeft;

2° het aantal onderzoeken, zoals bedoeld in artikel 29, § 3, derde lid, en de data waarop deze plaatsvonden, alsook het aantal bij de Dienst ingediende verslagen houdende de beslissing inzake de vaststelling van de graad van verminderde zelfredzaamheid en de data van deze indieningen;

3° het aantal bij de Dienst ingediende verslagen houdende de beslissing inzake de vaststelling van de graad van verminderde zelfredzaamheid zonder het in artikel 29, § 3, derde lid, bedoelde onderzoek van de begunstigde en de data van deze indieningen;

4° het aantal gevallen waarin en de data waarop de begunstigde, ondanks de oproeping, nalaat zich voor het in artikel 29, § 3, derde lid, bedoelde onderzoek te melden;

5° de data waarop en het aantal uren van deelname aan een dienstvergadering van minimaal één uur;

6° de data waarop en het aantal uren gedurende dewelke een theoretische opleiding over de handleiding, zoals bedoeld in artikel 2, § 1, werd gevolgd.]3

HOOFDSTUK III. - HET HUISHOUDEN

Art. 4.

§ 1. Onder huishouden wordt verstaan elke vorm van samenwonen van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad.

§ 2. Het bestaan van een huishouden wordt vermoed wanneer ten minste twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad, hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres hebben. Het tegenbewijs kan met alle mogelijke middelen worden geleverd door de begunstigde.

§ 3. Wanneer echter één van de leden van het huishouden in een penitentiaire instelling is opgesloten of opgenomen is in een inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij, georganiseerd door de federale overheid, in een forensisch psychiatrisch centrum, georganiseerd door de federale overheid, of in een andere instelling met een vergelijkbaar doel, dan houdt het huishouden op te bestaan.

HOOFDSTUK IV. - HET INKOMEN

Art. 5.

§ 1. Onverminderd de toepassing van art. 6, § 1, worden alle inkomsten, ongeacht de aard of oorsprong ervan, waarover de begunstigde en eventueel de persoon met wie hij een huishouden vormt, in aanmerking genomen.

§ 2. Indien de begunstigde en de persoon met wie hij een huishouden vormt, beide recht hebben op een tegemoetkoming, wordt voor elk van beide personen rekening gehouden met de helft van het inkomen van het huishouden.

Art. 6.

§ 1. Voor de berekening van de inkomsten wordt er geen rekening gehouden met:

1° de gezinsbijslagen;

2° de uitkeringen die verband houden met openbare of private bijstand;

3° de onderhoudsgelden tussen ascendenten en descendenten;

4° de frontstrepen- en gevangenschapsrenten alsmede de renten verbonden aan een nationale orde op grond van een oorlogsfeit;

5° de volgende tegemoetkomingen toegekend aan de persoon met wie de begunstigde een huishouden vormt:

a) een integratietegemoetkoming of een inkomensvervangende tegemoetkoming als vermeld in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;

b) een gewone tegemoetkoming of een bijzondere tegemoetkoming krachtens de wet van 27 juni 1969 betreffende de tegemoetkoming aan gehandicapten;

c) een tegemoetkoming voor hulp aan derden, overeenkomstig artikel 2 van de wet van 27 juni 1969 betreffende de tegemoetkoming aan gehandicapten;

d) een aanvullende tegemoetkoming of een tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen;

6° het vakantiegeld en het aanvullend vakantiegeld dat betaald wordt ten laste van de pensioenregeling voor de werknemers, de bijzondere bijslag die betaald wordt ten laste van de pensioenregeling der zelfstandigen evenals het vakantiegeld ten laste van de pensioenregeling van de openbare sector;

7° de vergoedingen die in het kader van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen toegekend worden aan de persoon met wie de begunstigde een huishouden vormt;

8° het deel van het pensioen dat overeenstemt met het bedrag van het aan de echtgenoot of ex-echtgenoot betaalde onderhoudsgeld door de van tafel en bed gescheiden, de feitelijk of uit de echt gescheiden begunstigde die een pensioen geniet, indien de verplichting tot het betalen van het onderhoudsgeld bij gerechtelijke beslissing werd vastgesteld;

9° de vergoedingen die door de Duitse overheid bij wijze van schadeloosstelling worden betaald voor de gevangenhouding tijdens de Tweede Wereldoorlog.

10° de vergoedingen die worden toegekend met toepassing van [de artikelen]5en 11 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, voor zover die vergoedingen voldoen aan de voorwaarden vermeld in het voormeld artikel 10, eerste en derde lid en artikel 11.

11° de vergoedingen die worden toegekend met toepassing van de wet van 18 juli 2017 betreffende de oprichting van het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van terrorisme.

[12° de inkomensgarantie voor ouderen toegekend aan de begunstigde die geen huishouden vormt.]5

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel zijn de in aanmerking te nemen inkomsten degene waarop de begunstigde recht heeft op de ingangsdatum van een beslissing op aanvraag, zoals bedoeld in artikel 35, § 1, de ingangsdatum van een beslissing op aanvraag tot herziening, zoals bedoeld in artikel 38, zesde en zevende lid, of op de eerste dag van de maand die volgt op de ambtshalve herziening, zoals bedoeld in de artikelen 39 en 40.

Met het oog op het aftrekken van deze inkomsten van het bedrag van de tegemoetkoming, worden de bedragen van de inkomsten bedoeld in dit besluit berekend op jaarbasis.

Art. 7.

§ 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder referentiejaar verstaan: het jaar -2, zijnde het tweede kalenderjaar voorafgaand aan:

1° de ingangsdatum van een beslissing op aanvraag, zoals bedoeld in artikel 35, § 1, de ingangsdatum van een beslissing op aanvraag tot herziening, zoals bedoeld in artikel 38, zesde of zevende lid;

2° de maand die volgt op het feit dat aanleiding geeft tot een ambtshalve herziening, zoals bedoeld in de artikelen 39 en 40.

§ 2. Wanneer de begunstigde of de persoon met wie hij een huishouden vormt een beroepsactiviteit als werknemer uitoefent, wordt bij de berekening van het inkomen rekening gehouden met het belastbaar inkomen van het referentiejaar.

§ 3. Voor een zelfstandige is het in aanmerking te nemen beroepsinkomen het bedrag van het inkomen zoals bepaald in artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende het sociaal statuut van de zelfstandigen, dat betrekking heeft op het referentiejaar.

§ 4. In geval van begin of hervatting van een beroepsactiviteit als zelfstandige, wordt, zolang § 3 niet kan worden toegepast, en in alle gevallen waarin er niet naar een door de Administratie der Directe Belastingen vastgesteld beroepsinkomen kan worden verwezen, het beroepsinkomen in rekening gebracht dat door de begunstigde of, in voorkomend geval, door de persoon met wie hij een huishouden vormt, is aangegeven. Dat inkomen kan nagezien en, in voorkomend geval, verbeterd worden op grond van bij de Administratie der Directie Belastingen verkregen gegevens.

Wanneer de begunstigde de beroepsactiviteit als zelfstandige van de overleden persoon met wie hij een huishouden vormde, voortzet, wordt het inkomen, dat deze laatste heeft verworven in de loop van het referentiejaar dat voor de vaststelling van het inkomen in aanmerking moet worden genomen, geacht door de begunstigde verworven te zijn.

§ 5. Als op de datum, zoals bedoeld in § 1, 1° of 2°, de begunstigde of de persoon met wie hij een huishouden vormt, de beroepsactiviteit heeft stopgezet om een pensioen of een inkomensgarantie voor ouderen te verkrijgen, dan wordt er met geen enkel beroepsinkomen meer rekening gehouden.

§ 6. Wanneer het beroepsinkomen van het jaar -2 voortkomt uit een activiteit uitgeoefend voordat de begunstigde of de persoon met wie hij een huishouden vormt gepensioneerd waren, daar waar op de ingangsdatum deze persoon of deze personen een pensioen genieten en tevens een toegelaten beroepsactiviteit uitoefenen, is het bedrag van het beroepsinkomen waarmee rekening moet gehouden worden dit laatste bedrag, omgerekend op jaarbasis.

§ 7. lndien de begunstigde of de persoon met wie hij een huishouden vormt, op de datum, zoals bedoeld in § 1, 1° of 2°, een vervangingsinkomen, met uitzondering van de pensioeninkomens, zoals bedoeld in artikel 8 heeft, wordt bij de berekening van het inkomen rekening gehouden met het bedrag van het referentiejaar. Het belastbare bedrag wordt in rekening genomen.

§ 8. Het inkomen dat voortkomt van een bedrijfsafstand wordt aangerekend in toepassing van [de artikelen]617 tot en met 22.

Art. 8.

§ 1. Voor de berekening van het inkomen, wordt een bedrag gelijk aan 90 % procent van de pensioenen toegekend aan de begunstigde of aan de persoon met wie hij een huishouden vormt, in aanmerking genomen. De bedrijfsvoorheffing, de bijdrage voor de ziekte- en invaliditeitsverzekering en de solidariteitsbijdrage worden niet tot het pensioen gerekend.

§ 2. Worden beschouwd als pensioen: de voordelen toegekend hetzij in toepassing van een Belgische verplichte pensioenregeling, ingesteld bij of krachtens een wet, een provinciaal reglement of door de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, hetzij in toepassing van een buitenlandse verplichte pensioenregeling, hetzij in toepassing van een verplichte pensioenregeling voor het personeel van een volkenrechterlijke instelling, hetzij bij wijze van vergoedingen, bijslagen of pensioenen welke tot herstel of als schadeloosstelling aan oorlogsslachtoffers of hun rechtverkrijgenden worden toegekend.

§ 3. Het bedrag bedoeld in § 1 is het werkelijk uitgekeerd bedrag in voorkomend geval vermeerderd met het bedrag dat overeenstemt met de vermindering:

1° wegens terugvordering van een onverschuldigde betaling;

2° wegens schorsing ten titel van sanctie.

Art. 9.

Voor de berekening van het inkomen wordt van het globaal kadastraal inkomen van de bebouwde onroerende goederen, die de begunstigde of de persoon met wie hij een huishouden vormt, in volle eigendom of in vruchtgebruik bezitten, een bedrag van 1.500,00 EUR afgetrokken. Dit bedrag wordt verhoogd met 250,00 EUR voor elk kind ten laste.

Art. 10.

Indien de begunstigde of de persoon met wie hij een huishouden vormt, slechts de volle eigendom of het vruchtgebruik bezitten van onbebouwde onroerende goederen, wordt voor de berekening van het inkomen, rekening gehouden met het bedrag van de kadastrale inkomens van deze goederen, verminderd met 60,00 EUR.

Art. 11.

Bij de berekening van het inkomen, wordt rekening gehouden met:

1° wat betreft de bebouwde onroerende goederen: het bedrag van het niet vrijgesteld kadastraal inkomen vermenigvuldigd met 3;

2° wat betreft de onbebouwde onroerende goederen: het bedrag van het niet vrijgesteld kadastraal inkomen vermenigvuldigd met 9.

Art. 12.

De in het buitenland gelegen onroerende goederen worden in aanmerking genomen overeenkomstig de bepalingen die toepasselijk zijn op de in België gelegen onroerende goederen.

[...]7

Art. 13.

Het kadastraal inkomen van een gedeelte van een onroerend goed is gelijk aan het kadastraal inkomen van het onroerend goed vermenigvuldigd met de breuk die het gedeelte van dat onroerend goed vertegenwoordigt.

Art. 14.

Wanneer de begunstigde of de personen met wie hij een huishouden vormt, de hoedanigheid van eigenaar of van vruchtgebruiker in onverdeeldheid hebben, wordt vooraleer artikel 9 tot 13 worden toegepast, het kadastraal inkomen vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van de rechten, in volle eigendom of in vruchtgebruik, van de begunstigde of van de persoon met wie hij een huishouden vormt.

Art. 15.

Wanneer het onroerend goed met een hypotheek bezwaard is, mag het bedrag, in aanmerking genomen voor de vaststelling van de inkomsten, verminderd worden met het jaarlijks bedrag der hypothecaire intresten, op voorwaarde:

1° dat de schuld door de begunstigde of de persoon met wie hij een huishouden vormt voor eigen behoeften werd aangegaan en de aan het ontleende kapitaal gegeven bestemming wordt bewezen;

2° dat het bewijs wordt geleverd dat de hypothecaire intresten eisbaar waren en werkelijk werden betaald voor het jaar dat datgene van de ingangsdatum van de beslissing voorafgaat.

Het bedrag van de vermindering mag evenwel niet hoger zijn dan de helft van het in aanmerking te nemen bedrag.

Wanneer het onroerend goed werd verworven tegen betaling van een lijfrente, wordt het bedrag, in aanmerking genomen voor de vaststelling van de inkomsten, verminderd met het bedrag van de lijfrente die door de begunstigde of door de persoon met wie hij een huishouden vormt, werkelijk wordt betaald. Het tweede lid is van toepassing op deze vermindering.

Art. 16.

Voor de al dan niet belegde roerende kapitalen wordt rekening gehouden met een som gelijk aan 6 % van de kapitalen.

Art. 17.

Er wordt een inkomen in rekening gebracht dat forfaitair vastgesteld wordt door op de verkoopwaarde van de goederen op het tijdstip van de afstand de bij artikel 16 beoogde berekeningsmodaliteiten toe te passen, wanneer de begunstigde of de persoon met wie hij een huishouden vormt, roerende of onroerende goederen om niet of onder bezwarende titel hebben afgestaan in de loop van de tien jaren vóór:

1° de ingangsdatum van een beslissing op aanvraag, zoals bedoeld in artikel 35, § 1, de ingangsdatum van een beslissing op aanvraag tot herziening, zoals bedoeld in artikel 38, zesde en zevende lid;

2° de maand die volgt op het feit dat aanleiding geeft tot een ambtshalve herziening, zoals bedoeld in de artikelen 39 en 40;

Art. 18.

Voor de toepassing van artikel 17 wordt de verkoopwaarde van de afgestane roerende of onroerende goederen, waarvan de begunstigde, de persoon met wie hij een huishouden vormt, eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid waren, vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid van de rechten van de begunstigde, zijn echtgenoot of de persoon met wie hij een huishouden vormt, uitdrukt.

Voor de toepassing van deze bepalingen zal de respectievelijke waarde van het vruchtgebruik en van de naakte eigendom geraamd worden zoals voorzien in het kader van de successierechten.

Art. 19.

In geval van afstand onder bezwarende titel van roerende of onroerende goederen, worden de persoonlijke schulden van de begunstigde, de persoon met wie hij een huishouden vormt, die dateren van vóór de afstand en die werden afgelost met de opbrengst van de afstand, afgetrokken van de verkoopwaarde van de afgestane goederen, op het ogenblik van de afstand.

Art. 20.

In geval van afstand onder bezwarende titel van roerende of onroerende goederen en onverminderd de bepalingen van artikel 19, wordt met het oog op de toepassing van artikel 17, van de verkoopwaarde der goederen een jaarlijks abattement van 1.500,00 EUR afgetrokken.

Het aftrekbaar abattement wordt berekend in verhouding tot het aantal maanden begrepen tussen de eerste van de maand die volgt op de datum van de afstand en de ingangsdatum van een beslissing op aanvraag, zoals bedoeld in artikel 35, § 1.

Indien de begunstigde of de persoon met wie hij een huishouden vormt verscheidene afstanden hebben verricht, mag het abattement slechts eenmaal voor dezelfde periode worden toegepast.

Art. 21.

Het bepaalde in artikel 17 tot 20 is niet van toepassing op de opbrengst van de afstand in zoverre die opbrengst geheel of gedeeltelijk nog in het in aanmerking te nemen vermogen wordt teruggevonden. Op die opbrengst zijn, [naargelang]8het geval, de bepalingen van [de artikelen]89 tot 16 van toepassing.

Art. 22.

Wanneer een roerend of onroerend goed tegen lijfrente is afgestaan, wordt een bedrag in rekening gebracht dat, gedurende de eerste tien jaren die volgen op de afstand, berekend wordt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 17 tot 21. Dit bedrag mag nochtans niet lager zijn dan het bedrag van de lijfrente. Na de voornoemde periode van tien jaar, is dit bedrag gelijk aan het bedrag van de lijfrente.

Art. 23.

Wanneer een uitkering, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid van de ordonnantie, wordt uitbetaald onder de vorm van een kapitalen of afkoopwaarden, wordt hun tegenwaarde in periodieke uitkering in aanmerking genomen ten belope van de lijfrente die verkregen wordt uit de omzetten tegen het procent dat in de onderstaande tabel is vermeld tegenover de volle leeftijd van de begunstigde op de datum van het feit dat heeft aanleiding gegeven tot de uitbetaling:

Volle leeftijd van de begunstigde op de datum van het feit dat aanleiding heeft gegeven tot de uitbetaling Procent voor de omzetting van kapitalen of afkoopwaarden in een lijfrente
- -
0 4,7535
1 4,7622
2 4,7713
3 4,7809
4 4,7909
5 4,8014
6 4,8125
7 4,8241
8 4,8362
9 4,4890
10 4,8623
11 4,8764
12 4,8911
13 4,9066
14 4,9229
15 4,9399
16 4,9578
17 4,9766
18 4,9964
19 5,0171
20 5,0389
21 5,0618
22 5,0858
23 5,1111
24 5,1377
25 5,1656
26 5,1949
27 5,2258
28 5,2582
29 5,2923
30 5,3282
31 5,3660
32 5,4057
33 5,4476
34 5,4916
35 5,5380
36 5,5868
37 5,6383
38 5,6925
39 5,7497
40 5,8099
41 5,8735
42 5,9405
43 6,0112
44 6,0859
45 6,1647
46 6,2480
47 6,3359
48 6,4289
49 6,5272
50 6,6311
51 6,7411
52 6,8575
53 6,9808
54 7,1114
55 7,2497
56 7,3965
57 7,5521
58 7,7172
59 7,8925
60 8,0787
61 8,2766
62 8,4869
63 8,7106
64 8,9487
65 9,2021
66 9,4721
67 9,7598
68 10,0665
69 10,3936
70 10,7427
71 11,1154
72 11,5134
73 11,9387
74 12,3933
75 12,8795
76 13,3994
77 13,9558
78 14,5513
79 15,1887
80 15,8712
81 16,6020
82 17,3845
83 18,2225
84 19,1198
85 20,0804
86 21,1085
87 22,2084
88 23,3845
89 24,6414
90 25,9836
91 27,4157
92 28,9419
93 30,5665
94 32,2933
95 34,1259
96 36,0670
97 38,1187
98 40,2823
99 42,5577
100 44,9438
101 47,4381
102 50,0367
103 52,7355
104 55,5321
105 58,4333
106 61,4794
107 64,8168
108 68,9976
109 76,2770
110 100

[De verrekening gebeurt vanaf de ingangsdatum van het recht op de tegemoetkoming.

In de gevallen waarin het vonnis of de minnelijke schikking het gedeelte van het kapitaal dat voor de vergoeding van de verminderde zelfredzaamheid is bestemd niet nader bepaalt, gebeurt de omzetting in lijfrente op 30% van het kapitaal dat als vergoeding aan de begunstigde voor de verminderde zelfredzaamheid wordt toegekend.]9

Art. 24.

§ 1. Naargelang de begunstigde behoort tot de categorie A of B worden de volgende delen van het inkomen niet in aanmerking genomen: respectievelijk 14.214,53 EUR en 17.762,27 EUR.

§ 2. Behoren tot de:

1° categorie A: de personen met een handicap die niet behoren tot categorie B.

2° categorie B: de personen met een handicap die een huishouden[...]10vormen.

§ 3. De in dit artikel vermelde bedragen worden gekoppeld aan de schommelingen van de afgevlakte gezondheidsindex. Zij worden verbonden aan de spilindex 107,20 (basis 2013 = 100). Zij variëren conform de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der werknemers, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.

Het nieuwe bedrag wordt verkregen door het basisbedrag te vermenigvuldigen met een multiplicator gelijk aan 1,0200, verhoogd tot de nde macht (1,0200n), waarbij n overeenstemt met de rang van de bereikte spilindex. De spilindex volgend op deze vermeld in het derde lid wordt als rang 1 beschouwd. De multiplicator wordt uitgedrukt in eenheden, gevolgd door vier cijfers. Het vijfde cijfer na de komma wordt weggelaten en leidt tot een verhoging met één eenheid van het vorige cijfer indien het minstens 5 bereikt.

Indien ingevolge de toepassing van deze paragraaf de aangepaste bedragen eindigen op een gedeelte van een cent, wordt het centgedeelte tot de hogere of lagere cent afgerond naargelang het gedeelte al dan niet 0,5 bereikt.

HOOFDSTUK XVIII. - BESTENDIG EN DAADWERKELIJK VERBLIJF

Art. 54.

Met bestendig en daadwerkelijk verblijf in België, zoals bedoeld in artikel 3, § 1, van de ordonnantie wordt gelijkgesteld:

1° het verblijf in het buitenland gedurende maximaal 90 al dan niet opeenvolgende dagen per kalenderjaar;

2° het verblijf in het buitenland ten gevolge van de opname ter verpleging in een ziekenhuis of een andere instelling voor zorgverstrekking;

3° het verblijf in het buitenland om beroepsredenen;

4° het verblijf bij een bloed- of aanverwant die verplicht is, of waarvan de echtgenoot of de persoon met wie de bloed- of aanverwant wettelijk samenwoont, verplicht is, tijdelijk in het buitenland te vertoeven om er een zending uit te voeren of functies uit te oefenen in dienst van de Belgische Staat;

5° het verblijf in het buitenland gedurende meer dan 90 al dan niet opeenvolgende dagen per kalenderjaar, voor zover uitzonderlijke omstandigheden dit verblijf wettigen en op voorwaarde dat de Dienst hiertoe zijn toelating heeft verleend.

De persoon met een handicap die het grondgebied van de Belgische Staat verlaat, is verplicht de Dienst daarvan ten minste één maand voor zijn vertrek in te lichten, met vermelding van de vermoedelijke duur van het verblijf in het buitenland en, in de gevallen bedoeld in 2° tot en met 5°, de redenen daarvan.

HOOFDSTUK XIV. - OVERGANGSMAATREGELEN EN INWERKINGTREDING

Art. 55.

§ 1. In afwijking van [de artikelen]112 en 3, gebeurt de [vaststelling]11van de graad van verminderde zelfredzaamheid, in een overgangsfase, door de artsen of de multidisciplinaire teams die voor de inwerkingtreding van de ordonnantie voor rekening van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie voor deze [vaststelling]11instonden en volgens de nadere regels, zoals bepaald in de samenwerkingsovereenkomsten tussen de Federale Staat en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad of tussen de Federale overheidsdienst Sociale Zekerheid en de Dienst. De [vaststelling]11gebeurt aan de hand van de handleiding gevoegd bij het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de [vaststelling]11van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming. Deze handleiding houdt rekening met de volgende factoren:

1° verplaatsingsmogelijkheden;

2° mogelijkheden om zijn voedsel te nuttigen of te bereiden;

3° mogelijkheid om voor zijn persoonlijke hygiëne in te staan en zich te kleden;

4° mogelijkheid om zijn woning te onderhouden en huishoudelijk werk te verrichten;

5° mogelijkheid om te leven zonder toezicht, bewust te zijn van gevaar en gevaar te kunnen vermijden;

6° mogelijkheid tot communicatie en sociaal contact.

§ 2. Voor ieder van de in § 1 vermelde factoren wordt als volgt een aantal punten toegekend naargelang de graad van verminderde zelfredzaamheid van de begunstigde:

1° geen moeilijkheden, geen bijzondere inspanning en geen bijzondere hulpmiddelen: 0 punten;

2° beperkte moeilijkheden of beperkte bijkomende inspanning of beperkt beroep op bijzondere hulpmiddelen: 1 punt;

3° grote moeilijkheden of een grote bijkomende inspanning of uitgebreid beroep op bijzondere hulpmiddelen: 2 punten;

4° onmogelijk zonder hulp van derden, zonder opvang in een aangepaste voorziening of zonder volledig aangepaste omgeving: 3 punten.

De toegekende punten worden samengeteld en [naargelang]11dit totaal behoort de begunstigde tot een van de in artikel 8 van de ordonnantie vermelde categorieën.

§ 3. De overgangsfase, zoals bedoeld in § 1, neemt een aanvang op 1 januari 2021 en wordt ten laatste beëindigd:

1° op 1 januari 2022 voor de evaluatie van de graad van verminderde zelfredzaamheid naar aanleiding van een aanvraag, zoals bedoeld in artikel 25;

2° op 1 januari 2024 voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid naar aanleiding van een aanvraag tot herziening, zoals bedoeld in artikel 38, of een ambtshalve herziening, zoals bedoeld in de artikelen 39 en 40.

Art. 55/1.

[In afwijking van de artikelen 2 en 3, kan een vaststelling van de graad van verminderde zelfredzaamheid, die door andere Belgische deelentiteiten of door de Federale overheidsdienst Sociale Zekerheid werd uitgevoerd, beschouwd worden als een vaststelling van de graad van verminderde zelfredzaamheid, zoals bedoeld in artikel 2, op voorwaarde dat het in artikel 3 bedoelde multidisciplinair team aanneemt dat de vaststelling van de graad van de verminderde zelfredzaamheid beantwoordt aan de in artikel 2 bepaalde voorwaarden.]12