23 MAART 2017 – Ordonnantie houdende de oprichting van de bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslag
HOOFDSTUK IV. - Beheer van de dienst
Afdeling 1. - De organen
Art. 9.
[§ 1. Voor de toepassing van dit artikel dient onder "leden" te worden verstaan, de vaste of plaatsvervangende leden voorgedragen door de belanghebbende organisaties, met uitsluiting van de vijf vertegenwoordigers van het Verenigd College, zoals bedoeld in artikel 10, § 1, e).
§ 2. Het beheer van de Dienst wordt verzekerd door drie organen:
1° het Algemeen Beheerscomité;
2° de Beheerraad voor Gezondheid en Bijstand aan Personen;
3° de Beheerraad voor het Gezin.
§ 3. Elk van deze organen bestaat uit twee taalgroepen.
Twee derde van de vaste leden moet behoren tot dezelfde taalgroep als de grootste taalgroep in de Verenigde Vergadering, het overblijvende derde moet behoren tot de kleinste taalgroep van diezelfde Vergadering. Het aldus berekend aantal vaste leden van de grootste taalgroep wordt, in voorkomend geval, naar de hogere eenheid afgerond. In geval van afronding, behoort het overblijvend aantal leden tot de kleinste taalgroep.
Elk orgaan mag uit niet meer dan twee derde vaste leden van hetzelfde geslacht bestaan.
§ 4. Het Verenigd College benoemt de voorzitter en de ondervoorzitter van elk orgaan. Zij behoren tot een verschillende taalgroep.
Zij moeten beantwoorden aan alle volgende voorwaarden:
1° gedomicilieerd zijn of een activiteit kunnen verantwoorden op het grondgebied van Brussel-Hoofdstad;
2° onafhankelijk zijn van de organisaties die in het Algemeen Beheerscomité vertegenwoordigd zijn;
3° hiërarchisch niet onder de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of een College van één van de gemeenschapscommissies vallen.
§ 5. Het Verenigd College stelt de vaste en plaatsvervangende leden van elk orgaan aan, in gelijk aantal, op dubbele lijsten voorgedragen door de belanghebbende organisaties. Bij de voordracht dienen de belanghebbende organisaties de praktische richtlijnen, opgesteld door de Dienst na te leven.
§ 6. Een vast lid kan zich laten vervangen door ieder plaatsvervangend lid, behorend tot dezelfde bank, volgens de bepalingen opgenomen in het huishoudelijk reglement van het betrokken orgaan.
§ 7. Voor de leden is het verboden om:
1° aanwezig te zijn op de beraadslaging en de stemming over aangelegenheden waarbij zij rechtstreeks, hetzij persoonlijk, hetzij als consultant zowel vóór als na hun aanstelling belang hebben of waarbij bloed- of aanverwanten persoonlijk en rechtstreeks belang hebben;
2° rechtstreeks of onrechtstreeks deel te nemen aan enige overheidsopdracht die met de Dienst werd gesloten;
3° tegen de Dienst op te treden als consultant, notaris of advocaat. In diezelfde hoedanigheid mogen zij evenmin pleiten, adviezen verstrekken of instaan voor de opvolging van betwistingen in het belang van de Dienst.
Elk lid meldt uit eigen beweging aan het Algemeen Beheerscomité de mogelijke rechtstreekse of onrechtstreekse belangenconflicten die op hem betrekking hebben.
Het Verenigd College gaat over tot afzetting van het lid dat ingaat tegen de verbodsbepalingen van dit artikel.
Het Verenigd College beslist over de in het derde lid bedoelde afzetting na de betrokkene in diens verweermiddelen op tegenspraak te hebben gehoord.
§ 8. Het mandaat van de voorzitter, de ondervoorzitter en de leden duurt vijf jaar. Het is hernieuwbaar.
De in het eerste lid bedoelde mandaten nemen vroegtijdig een einde, in geval van vrijwillig ontslag, onbekwaamheid, of als niet langer is voldaan aan de voorwaarden van deze ordonnantie.
Indien een mandaat vroegtijdig een einde neemt, wordt zo snel mogelijk voorzien in de vervanging van, al naargelang, de voorzitter, de ondervoorzitter, of het lid.
Bij de voordracht met het oog op de vervanging van een lid, dienen de belanghebbende organisaties de praktische richtlijnen, opgesteld door de Dienst, na te leven.
In geval van vrijwillig ontslag van een vast lid, en in geval geen plaatsvervanger beschikbaar is, oefent het vast lid zijn mandaat verder uit tot in zijn vervanging is voorzien.
In geval van vrijwillig ontslag van zowel de voorzitter, als de ondervoorzitter, oefent de leidend ambtenaar het mandaat van waarnemend voorzitter uit, tot in hun vervanging is voorzien.
Als een voorzitter, ondervoorzitter, of lid wordt vervangen vóór het verstrijken van de normale einddatum van het betrokken mandaat, dient de nieuwe voorzitter, ondervoorzitter, of het nieuwe lid het mandaat uit van de voorzitter, ondervoorzitter, of het lid dat hij vervangt.
Op het einde van hun mandaat oefenen de voorzitter, de ondervoorzitter en de leden dit verder uit tot er in hun vervanging wordt voorzien.
§ 9. Onverminderd artikel 10, § 2, derde lid, worden de beslissingen, adviezen of voorstellen van die organen, al naargelang, goedgekeurd met een absolute meerderheid van de stemmen die door de ter zake stemgerechtigde leden zijn uitgebracht. Onthoudingen worden niet meegeteld.
§ 10. Elk orgaan stelt zijn huishoudelijk reglement vast.
Het huishoudelijk reglement van elk orgaan bepaalt dat het maar geldig over een agendapunt kan beraadslagen indien minstens de helft van de leden van elke bank met stemrecht over dat punt aanwezig is.
Het huishoudelijk reglement van het Algemeen Beheerscomité wordt door het Verenigd College goedgekeurd en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Het voorziet in het bijzonder in de bepalingen bedoeld in artikel 13.
Het huishoudelijk reglement van elke Raad wordt door het Algemeen Beheerscomité goedgekeurd en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
§ 11. Het Verenigd College bepaalt de vergoedingen die aan de voorzitter en de ondervoorzitter van elk van de organen, aan de leden, en aan de commissarissen bedoeld in artikel 39, § 1, worden toegekend.
Het Verenigd College kan de vergoedingen bepalen van, in voorkomend geval, de leden van de werkgroepen bedoeld in artikel 13, 3°, of van de leden van de expertencommissies, bedoeld in artikel 23/1.
De vergoedingen bedoeld in deze paragraaf zijn ten laste van de Dienst]1.
Art. 9/1.
[Het Verenigd College duidt zijn vertegenwoordigers, zoals bedoeld in artikel 10, § 1, e), aan, binnen zes maanden na de vernieuwing van de Verenigde Vergadering, voor een mandaat van vijf jaar.
Het in het eerste lid bedoelde mandaat, neemt vroegtijdig een einde bij vrijwillig ontslag van de vertegenwoordiger, of bij afzetting van de vertegenwoordiger door het Verenigd College, in welk geval het Verenigd College zo snel mogelijk een nieuwe vertegenwoordiger aanduidt.
In geval van vrijwillig ontslag van een vertegenwoordiger, oefent deze zijn mandaat verder uit tot in zijn vervanging is voorzien.
Als een vertegenwoordiger wordt vervangen vóór het verstrijken van de normale einddatum van het mandaat, oefent de nieuwe vertegenwoordiger het mandaat van de vertegenwoordiger uit die hij vervangt.
De bepalingen van artikel 9, § 7, zijn van overeenkomstige toepassing op de vertegenwoordigers van het Verenigd College, bedoeld in dit artikel.]2