29 AUGUSTUS 2024 – Besluit tot uitvoering van artikel 15, par. 2, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie van 26 april en 16 mei 2019 betreffende de Brusselse ombudsman

HOOFDSTUK 1 Voorwerp en definities

Artikel 1.

Dit besluit zet gedeeltelijk Richtlijn (EU) 2019/1937 omvan het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake debescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden.

Art. 2.

Dit besluit is van toepassing op het personeel van deinstanties vermeld in artikel 2, 1° van het gezamenlijke decreet enordonnantie van 16 mei 2019 met betrekking tot de Brusselseombudsman, die onder de bevoegdheid van de GemeenschappelijkeGemeenschapscommissie vallen.

Art. 3.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

1° AVG : Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement ende Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijkepersonen in verband met de verwerking van persoonsgegevens enbetreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking vanRichtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming);

2° gezamenlijk decreet en ordonnantie: het gezamenlijk decreet enordonnantie van 26 april en 16 mei 2019 betreffende de Brusselseombudsman;

3° functionele chef: personeelslid dat overeenkomstig het op deinstantie geldend personeelsstatuut als dusdanig wordt geïdentificeerd.Anders is de functionele chef het personeelslid van niveau A of B dat opgrond van zijn functieomschrijving de leiding of dagelijkse controleheeft over het functioneren van een persoon of team.

4° personeelslid: personeelslid zoals omschreven in artikel 15, § 1,leden 2 en 3 van het gezamenlijk decreet en ordonnantie;

5° vermoedelijke integriteitsschending: vermoedelijke integriteitsschending zoals omschreven in artikel 15, § 1, vierde lid van hetgezamenlijk decreet en ordonnantie;

6° melder: het personeelslid dat informatie meldt over vermoedelijkeintegriteitsschendingen;

7° bevoegde dienst bij de Brusselse ombudsman: aanspreekpunt voorvermoedelijke integriteitsschendingen binnen de dienst van de Brusselse ombudsman bedoeld in artikel 15, § 4, van het gezamenlijk decreeten ordonnantie;

8° vertrouwenspersoon integriteit: persoon omschreven in artikel 15,§ 2, derde lid, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie van16 mei 2019 betreffende de Brusselse ombudsman;

9° interne auditdienst: onafhankelijke en onpartijdige dienst die helptde organisatie haar doelstellingen te bereiken door, via een systematische en methodische aanpak, haar risicomanagement-, beheersings- engovernance-processen te evalueren en te verbeteren, en door voorstellen te doen om de doeltreffendheid ervan te versterken;

10° auditcomité: orgaan dat functioneel bevoegd is voor een interneauditdienst;

11° interne actoren die bevoegd zijn voor de ontvangst van meldingen:de vertrouwenspersoon integriteit, de functionele chef of de interneauditdienst;

12° bevoegde actor voor de behandeling van de meldingen:de interne auditdienst of andere als zodanig aangewezen entiteiten;

13° instantie: een instantie zoals bedoeld in artikel 2, 1° van hetgezamenlijk decreet en besluit, die onder de bevoegdheid van deGemeenschappelijke Gemeenschapscommissie valt.

14° beheersorgaan : orgaan van bestuur, als het bestaat, van eeninstantie zoals bedoeld in artikel 2, 1°, van het gezamenlijk decreet enordonnantie.

15° de hoogste hiërarchisch verantwoordelijke : de hoogste administratieve verantwoordelijke op het hoogste niveau binnen een instantiebedoeld in artikel 2, lid 1, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie.HOOFDSTUK 2: Intern luik van het meldingssysteemvan de vermoedelijke integriteitsschendingen

Art. 4.

Elke instantie stelt, voor zover van toepassing, kanalen opvoor de ontvangst en behandeling van meldingen

Art. 5.

Het personeelslid dat overweegt een vermoedelijke integriteitsschending te melden, kan informatie en advies krijgen over deinhoud en toepassing van dit besluit van de vertrouwenspersoonintegriteit die bevoegd is voor zijn instantie

Art. 6.

De interne actoren die bevoegd zijn voor de ontvangst van demeldingen ontvangen de meldingen via systemen die door hunontwerp, uitvoering en beheer de vertrouwelijkheid van de volgendeelementen in alle veiligheid beschermen:

1° de identiteit van de melder;

2° de identiteit van de in het meldingsrapport vermelde derden;

3° informatie die de identiteit van de melder of van in hetmeldingsrapport vermelde derden kan onthullen. De interne actorendie bevoegd zijn voor de ontvangst van de meldingen mogen de doorhen verzamelde informatie in geen enkele fase van het meldingsprocesaan geen enkele andere actor onthullen dan aan de actoren die bevoegdzijn voor het behandelen van de melding.

HOOFDSTUK 3 : Benoeming van de vertrouwenspersonen integriteit

Art. 7.

§ 1. Iedere instantie heeft vertrouwenspersonen integriteit.Instanties kunnen gemeenschappelijke vertrouwenspersonen integriteit aanwijzen. Een vertrouwenspersoon integriteit die bewijst detweede taal die niet de taal van zijn taalrol is te kennen op de wijzezoals voorgeschreven door artikel 43, § 3, 3de lid van de wetten op hetgebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966,kan tegelijk voor de Franstalige en de Nederlandstalige rol wordenaangewezen.

§ 2. De vertrouwenspersoon voor integriteit wordt benoemd na eeninterne oproep tot kandidaatstelling. Indien na deze interne oproepgeen vertrouwenspersoon voor integriteit kan worden aangesteld, kaneen vergelijkende selectie- of wervingsprocedure worden georganiseerd overeenkomstig de statuten van de verschillende instanties.

§ 3. Functioneel gezien rapporteert de vertrouwenspersoon integriteit aan de hoogste hiërarchisch verantwoordelijke van een van deinstanties waarbinnen de vertrouwenspersoon werkt. Die verantwoordelijke zorgt voor:

1° de zichtbaarheid van de functie van de vertrouwenspersonenintegriteit, waarvan hij of zij het bestaan, de identiteit, de beschikbaarheid, de toegankelijkheid en de opdracht op permanente basis kenbaarmaakt aan de personeelsleden

;2° de autonome en doeltreffende uitoefening van de functie van devertrouwenspersoon integriteit door:

i) te zorgen voor bescherming tegen ongepaste inmenging of druk,rechtstreeks of onrechtstreeks, van welke persoon dan ook, met nameom informatie te verkrijgen die verband houdt of kan houden met deuitvoering van de functie van de vertrouwenspersoon;

ii) te voorzien in de middelen die nodig zijn om die functie involledige vertrouwelijkheid uit te voeren;

iii) de vertrouwenspersoon in staat te stellen de nodige tijd tebesteden aan het uitoefenen van de functie;

iv) de vertrouwenspersoon in staat te stellen alle contacten teonderhouden die nodig zijn voor het uitoefenen van de functie;

v) de vertrouwenspersoon in staat te stellen de vaardigheden enkennis te verwerven en/of te verbeteren die nodig zijn om de functieuit te oefenen.

3° de basisopleiding van de vertrouwenspersonen integriteit, waarvande inhoud het voorwerp uitmaakt van een voorafgaand overleg met debevoegde interne auditdienst, of indien dit niet kan, met de bevoegdedienst bij de Brusselse ombudsman.

De opleiding bevat ten minste een module met betrekking tot hetrechtskader betreffende de rol van de vertrouwenspersoon integriteiten zijn status alsook een module met betrekking tot de gesprekstechnieken.

Art. 8.

Om te worden aangesteld in de functie van vertrouwenspersoon integriteit moet het personeelslid beschikken over minstens driejaar anciënniteit binnen een instantie en houder zijn van een diplomadat toegang geeft tot de functies van niveau A.

HOOFDSTUK 4: Communicatieregels van de meldingvan een vermoedelijke integriteitsschending

Art. 9.

§ 1. Overeenkomstig artikel 15, § 1, laatste lid, van hetgezamenlijk decreet en ordonnantie kan elk personeelslid een vermoedelijke integriteitsschending melden aan de interne actoren die bevoegdzijn voor de ontvangst van meldingen voor zijn instantie, tenzij hijgegronde redenen heeft om te vrezen dat:

1° binnen de in dit besluit voorgeschreven termijnen geen enkelgevolg zal gegeven worden aan de melding;

2° hij als gevolg van deze melding het risico loopt te wordenonderworpen aan een disciplinaire straf of enige andere vorm vanvergeldingsmaatregelen, met inbegrip van pogingen tot vergeldingsmaatregelen zoals omschreven in artikel 15/1, § 1 en § 2, van hetgezamenlijk decreet en ordonnantie.

§ 2. In geval van gegronde vrees zoals bedoeld in paragraaf 1, 1° en2°, kan het personeelslid de vermoedelijke integriteitsschending meldenaan de bevoegde dienst bij de Brusselse ombudsman

Art. 10.

§ 1. De melding kan schriftelijk en/of mondeling enanoniem worden gedaan.

De in het eerste lid bedoelde mondelinge melding kan een meldingvia telefoon en andere gesproken berichtensystemen omvatten en, opverzoek van de melder, door middel van een persoonlijke ontmoeting.

Als de melder hierom vraagt, kan een ontmoeting worden georganiseerd met een of meerdere bevoegde interne actoren voor de ontvangstvan de meldingen.Deze ontmoeting moet binnen vijftien dagen vanaf het verzoekplaatsvinden.

Deze ontmoeting wordt zó georganiseerd dat de identiteit van de melder en van elke derde die in de melding wordt genoemd,vertrouwelijk blijft.

§ 2. Elke instantie zet wat haar betreft kanalen op voor de ontvangstvan meldingen die zó zijn ontworpen, opgebouwd en worden beheerddat de vertrouwelijkheid van de identiteit van de melder en van elke inde melding genoemde derde gewaarborgd is en dat onbevoegden geentoegang hebben tot deze kanalen.

Deze kanalen maken zowel schriftelijke als mondelinge meldingenmogelijk en garanderen de vertrouwelijkheid en, indien nodig, deanonimiteit van de melder en van elke derde die in de melding wordtgenoemd.

Art. 11.

§ 1. De schriftelijke melding of het schriftelijke bewijs van demondelinge melding bevat minstens de volgende elementen:

1° de datum van de melding;

2° de naam en de contactgegevens van de melder, behalve in hetgeval van een anonieme melding;

3° een beschrijving van de vermoedelijke integriteitsschending;

4° de datum waarop of de periode waarbinnen de vermoedelijkeintegriteitsschending heeft plaatsgevonden, plaatsvindt of zal plaatsvinden;

5° de elementen op grond van redelijke vermoedens kan wordenaangenomen dat er sprake is van een integriteitsschending.

§ 2. De schriftelijke melding of het schriftelijke bewijs van demondelinge melding wordt ondertekend door de melder, behalve ingeval van een anonieme melding.

HOOFDSTUK 5: Behandelingsregels van de meldingvan een vermoedelijke integriteitsschending

Art. 12.

§ 1. De bevoegde interne actor voor de ontvangst van demeldingen, die de melding heeft ontvangen, bezorgt aan de melder eenontvangstbewijs binnen een termijn van zeven dagen vanaf deontvangst van de melding schriftelijk of het bewijs van de mondelingemelding dat bij de melding is gevoegd.I

n geval van een anonieme melding wordt ook een ontvangstbewijsverstrekt via een van de beveiligde kanalen bedoeld in artikel 10, § 3.

§ 2. Als een melding wordt gedaan bij de functionele chef dan stuurthij het meldingsrapport zo snel mogelijk en veilig door naar devertrouwenspersoon integriteit of naar de bevoegde interne auditdiensten brengt hij de melder onmiddellijk op de hoogte dat deze meldingwerd doorgestuurd.

§ 3. Alle meldingen worden opgenomen in een register vanvermoedelijke integriteitsschendingen, overeenkomstig artikel 15/3,§ 1,,van het gezamenlijk decreet en ordonnantie, door de vertrouwenspersonen integriteit en de bevoegde interne auditdienst binnen eentermijn van zeven dagen na ontvangst van de melding door deauditdienst. De toegang tot het register is beschermd en beperkt totpersonen die bevoegd zijn om de inschrijving in het register tewaarborgen en de melding te verwerken, en tot de bevoegde dienst bijde Brusselse ombudsman.

Art. 13.

Indien nodig wordt de melder uitgenodigd voor eengesprek door de vertrouwenspersonen integriteit of door de bevoegdeinterne auditdiensten om de elementen van de vermoedelijke schending van de integriteit die hij heeft gemeld, toe te lichten, uiterlijk op devijftiende werkdag na de ontvangstbevestiging bedoeld in artikel 12,§ 1 .

Deze toelichtingen kunnen op verzoek van de melder binnendezelfde termijn als in het eerste lid schriftelijk worden verstrekt.

Indien de vertrouwenspersonen integriteit of de bevoegde interneauditdiensten voor de ontvangst van een melding de melder uitnodigen voor een gesprek op de laatste dag van de termijn zoals voorzienin lid 1, kan de melder vragen dat de verklaringen schriftelijk wordenverstrekt binnen een termijn van vijftien dagen die ingaat op de datumvan ontvangst van de uitnodiging voor het gesprek.

Art. 14.

De vertrouwenspersoon integriteit die de melding heeftopgenomen in het register bedoeld in artikel 9, § 3, bezorgt de meldingaan een van de actoren die bevoegd zijn voor de behandeling van demeldingen.

Indien er geen interne auditdienst is binnen de betrokken instantie,kan een samenwerkingsprotocol worden gesloten tussen een competente interne auditdienst binnen een andere instantie en de betrokkeninstantie, of kan deze laatste een externe dienstverlener inschakelen dievoldoet aan de voorwaarden zoals vermeld in artikel 3, 9°. In dat gevalneemt de interne auditdienst of de externe dienstverlener de rol op zichvan verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevensverwerking diewordt uitgevoerd in het kader van de opvolging van de internemelding.

Art. 15.

De interne auditdienst die bevoegd is voor de behandelingvan de melding voert een voorafgaand ontvankelijkheidsonderzoek uiten stelt een schriftelijk en gemotiveerd advies op over het gevolg datmoet worden gegeven aan de melding, uiterlijk binnen veertig dagenvanaf het ontvangstbewijs bedoeld in artikel 12, § 1

De acties die worden ondernomen als gevolg van de melding kunnenzijn:

1° de onontvankelijkheid: bij gebrek aan voldoende elementen om tespreken van een redelijk vermoeden van een integriteitsschending;

2° het openen van een intern onderzoek overeenkomstig hoofdstuk 6;

3° het doorverwijzen naar de bevoegde dienst van de Brusselseombudsman wanneer een vermoedelijke integriteitsschending :

a) onderzoeksmiddelen vereist die verder gaan dan deze die kunnenworden ingezet in het kader van een intern onderzoek;

b) niet het voorwerp mag uitmaken van een intern onderzoek geletop het risico op belangenconflicten voor de door de bevoegde interneauditdienst gemachtigde onderzoekers of op inmenging van hetpersoneelslid of de personeelsleden die bij de gemelde feiten betrokkenzijn.

Art. 16.

§ 1. De bevoegde interne auditdienst bezorgt het schriftelijke en gemotiveerde advies bedoeld in artikel 12 aan de melder,uiterlijk binnen veertig dagen vanaf het ontvangstbewijs bedoeld inartikel 12, § 1.

§ 2. De bevoegde interne auditdienst stelt de hoogste hiërarchischeverantwoordelijke van de betrokken instantie schriftelijk in kennis vande opening van een onderzoek of, indien er een redelijk vermoedenbestaat dat hij betrokken is bij de vermoedelijke integriteitsschending,ofwel de bevoegde leden van het Verenigd College, ofwel het devoorzitter van het beheersorgaan als de instantie over een beheersorgaan beschikt.

De bevoegde interne auditdienst brengt het bevoegde beheersorgaanslechts op de hoogte van het starten van een onderzoek als de hoogstehiërarchisch verantwoordelijke niet op deze manier kan wordengeïnformeerd

.De bevoegde interne auditdienst mag geen enkele informatieverstrekken die de personen uit het eerste lid in staat stelt de identiteitvan de melder of van derden die in het rapport van de melding wordengenoemd, direct of indirect te identificeren.

§ 4. De bevoegde interne auditdienst legt in het register bedoeld inartikel 12, § 3, vast welke acties werden ondernomen naar aanleidingvan de melding.

Art. 17.

Op elk moment mag de melder contact opnemen met debevoegde dienst bij de Brusselse ombudsman indien hij van mening isdat de behandeling van zijn melding door de bevoegde interneauditdienst kan worden bemoeilijkt door een gebrek aan vertrouwelijkheid of garanties van onafhankelijkheid, of indien er geen bevoegdeinterne auditdienst is.

HOOFDSTUK 6: Onderzoeksregels betreffende de meldingvan een vermoedelijke integriteitsschending

Art. 18.

§ 1. De verantwoordelijke van de bevoegde interne auditdienst stelt een schriftelijke onderzoeksopdracht op over de vermoedelijke integriteitsschending. Deze opdracht vermeldt minstens:

1° een beschrijving van de vermoedelijke integriteitsschending;

2° de naam van de betrokken instanties waar het onderzoek zalworden uitgevoerd;

3° de naam, de taalrol en de contactgegevens van de onderzoekersdie door de bevoegde interne auditdienst zijn gemachtigd, metinbegrip van de deskundigen die hen bijstaan;

4° de onderzoeksvragen

Het onderzoek wordt afgesloten binnen een termijn van driemaanden vanaf de mededeling van het advies, overeenkomstig artikel 15en kan met maximaal negen maanden worden verlengd om redenendie in het onderzoeksverslag naar behoren worden gemotiveerd.

§ 2. Elke wijziging aan de onderzoeksopdracht wordt schriftelijkvastgelegd in een addendum.

§ 3. De onderzoeksopdracht en eventuele addenda worden ondertekend en gedateerd door de verantwoordelijke van de bevoegde interneauditdienst.

Art. 19.

Het personeelslid dat betrokken is bij het onderzoek wordtschriftelijk in kennis gesteld van het onderzoek door de bevoegdeinterne auditdienst.

Die kennisgeving bevat minstens:

1° een beschrijving van de vermoedelijke integriteitsschending dieaanleiding geeft tot het onderzoek;

2° de mogelijkheid dat het onderzoek wordt uitgebreid tot feiten enomstandigheden die aan het licht kwamen en die nuttig kunnen zijnom de omvang, de aard en de ernst van de vermoedelijke integriteitsschending te bepalen;

3° het recht van het personeelslid dat betrokken is bij het onderzoekom zich te laten bijstaan door een raadgever;

4° de naam, de taalrol en de contactgegevens van de onderzoekersdie door de bevoegde interne auditdienst zijn gemachtigd;

5° het recht om in de loop van het onderzoek bijkomende onderzoekstaken te vragen;

6° het recht om de terugtrekking te vragen van onderzoekers die doorde bevoegde interne auditdienst zijn gemachtigd.

Een kennisgeving van het onderzoek is niet vereist als dit strijdig ismet het belang van het onderzoek. De toepassing van deze bepalingwordt in het schriftelijke verslag van het onderzoek gemotiveerd.

Art. 20.

§ 1. De onderzoekers die zijn gemachtigd door de bevoegdeinterne auditdienst kunnen elke persoon die zij geschikt achtenuitnodigen om een individuele verklaring af te leggen. Deze heeft hetrecht om zich te laten bijstaan door een raadsman. Personeelsledenmoeten positief antwoorden op deze uitnodiging.

§ 2. De onderzoekers die door de bevoegde interne auditdienst zijngemachtigd:

1° zorgen ervoor dat de personen die voor het onderzoek wordenuitgenodigd, in alle vrijheid hun individuele verklaringen kunnenafleggen;

2° nemen de individuele verklaring af om objectieve informatie teverzamelen;

3° stellen een schriftelijk verslag op over elke individuele aangifte;

4° zorgen ervoor dat de betrokkene wordt geconfronteerd met debevindingen van het onderzoek die op hem betrekking hebben.

§ 3. De uitgenodigde personen bezorgen de onderzoekers die door debevoegde interne auditdienst zijn gemachtigd alle relevante en verhelderende informatie waarover ze in het kader van de onderzoeksopdracht beschikken.

§ 4. Personen die een individuele verklaring afleggen, kunnen hetschriftelijke verslag aanvullen en waar nodig opmerkingen maken.

§ 5. Het schriftelijke verslag van de individuele aangifte wordtondertekend en gedateerd door alle aanwezigen na de individueleverklaring. Als een uitgenodigde persoon of, in voorkomend geval, zijnraadsman echter weigert te tekenen, dan wordt deze weigering in hetverslag opgenomen

Elke bladzijde van het verslag wordt genummerd. Na het afleggenvan de individuele verklaring ontvangt elke uitgenodigde persoon eenondertekend exemplaar van zijn individuele verklaring

Art. 21.

Op elk moment tijdens het onderzoek kan de melder opeigen initiatief of op verzoek, schriftelijk of mondeling, uitleg verschaffenover de gemelde vermoedelijke integriteitsschending.

Art. 22.

§ 1. Om het onderzoek af te sluiten stellen de onderzoekersdie zijn gemachtigd door de bevoegde interne auditdienst een verslagop met hun bevindingen, hun beoordelingen om de feiten te bepalenen/of bewijselementen aan te voeren en de maatregelen die zijaanbevelen om de vermoedelijke integriteitsschending aan te pakken.

§ 2. Indien de bevoegde auditdienst meent dat het verslag van hetonderzoek, bedoeld in paragraaf 1, voldoende elementen bevat om tebesluiten dat de vermoedelijke integriteitsschending zich niet heeftvoorgedaan, dan sluit de dienst het onderzoek af.

§ 3. De bevoegde interne auditdienst stuurt het schriftelijke verslagvan het onderzoek door, zodat passende actie kan worden ondernomen:

1° naar de hoogste hiërarchisch verantwoordelijke van één van deinstanties waar de vermoedelijke integriteitsschending werd gemeld of,indien er een redelijk vermoeden bestond dat de hoogste hiërarchischverantwoordelijke betrokken was bij de vermoedelijke integriteitsschending of wanneer de hoogste hiërarchisch verantwoordelijke betrokkenis bij de integriteitsschending ofwel naar de bevoegde leden van hetVerenigd College, ofwel naar de voorzitter van het beheersorgaan als deinstantie over een beheersorgaan beschikt.

2° naar zijn auditcomité;

3° naar de bevoegde dienst bij de Brusselse ombudsman.

§ 4. De bevoegde interne auditdienst stelt de melder en de personendie bij het onderzoek betrokken zijn, schriftelijk op de hoogte van hetresultaat van het onderzoek.

§ 5. Wanneer de bevoegde interne auditdienst in de loop van deprocedure van oordeel is dat hij over voldoende aanwijzingen beschiktom te kunnen concluderen dat hij kennis heeft gekregen van eenmisdrijf of een delict, stelt hij de procureur des Konings daarvan zo snelmogelijk in kennis overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek vanStrafvordering. De bevoegde interne auditdienst brengt de bevoegdedienst bij de Brusselse ombudsman schriftelijk op de hoogte.

HOOFDSTUK 7: Verwerking van persoonsgegevensvan de melding van een vermoedelijke integriteitsschending

Art. 23.

§ 1. De instantie die een melding ontvangt, is verantwoordelijk voor de verwerkingen van persoonsgegevens die ze uitvoert voorde doeleinden in artikel 25, § 1.

Tenzij de melder en elke derde vernoemd in de melding daarmeeinstemmen, verwerpen de interne meldingskanalen elk verzoek omraadpleging, toelichting of mededeling, in welke vorm dan ook, vaneen administratief document waaruit rechtstreeks of onrechtstreeks deidentiteit van de melder en van elke derde vernoemd in de melding kanworden afgeleid.

Art. 24.

§ 1. De bekendmakingen die gebeuren op grond van deafwijking bepaald in artikel 15, § 5, derde lid, van het gezamenlijkdecreet en ordonnantie maken het voorwerp uit van adequate beschermingsmaatregelen op grond van de regels van de Europese Unie en detoepasselijke Belgische regels

.§ 2. De bevoegde interne auditdienst die informatie ontvangt overintegriteitsschendingen die verband houden met bedrijfsgeheimen,mag deze geheimen niet gebruiken of openbaar maken voor anderedoeleinden dan de doeleinden die noodzakelijk zijn om een passendeopvolging te garanderen.

§ 3. Elke persoon die door of op grond van dit besluit niet bevoegdis om kennis te nemen van een melding of van de daarin vervatteinformatie en die echter een dergelijke melding ontvangt, valt onder debepalingen van paragraaf 1. Deze persoon doet ook alle redelijkeinspanningen om de melding in de oorspronkelijke vorm te bezorgenaan de interne actoren die bevoegd zijn voor de ontvangst van demeldingen.

Art. 25.

De doeleinden van de verwerking van de gegevens alsgevolg van een melding zijn het ontvangen en opvolgen van demeldingen van integriteitsschendingen in de zin van dit besluit, om dejuistheid van de beweringen in de melding of de bekendmaking na tegaan, zoals bedoeld in de artikelen 23 en 24, en indien nodig, om degemelde vermoedelijke integriteitsschending aan te pakken, inclusiefdoor maatregelen zoals een intern voorafgaand onderzoek, een onderzoek, vervolging, een invorderingsprocedure van gelden of het afsluitenvan de procedure.

Art. 26.

De instanties stellen hun personeelsleden in kennis van deinformatie over de inhoud en de toepassing van dit besluit en zorgenervoor dat die informatie doorlopend beschikbaar is op hun website, ineen aparte rubriek, overeenkomstig artikel 15/4, § 1, van het gezamenlijke decreet en ordonnantie.

HOOFDSTUK 8: Slotbepalingen

Art. 27.

Dit besluit heeft uitwerking op 1 januari 2025.

Art. 28.

De leden van het Verenigd College die bevoegd zijn voor hetopenbaar ambt worden belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 29 augustus 2024.