31 JANUARI 2019 – Samenwerkingsakkoord met betrekking tot kinderopvang in Brussel
TUSSEN
De Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Minister-president en van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin,
De Franse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Franse Gemeenschapsregering, in de persoon van de Minister-President en van de Minister van Kinderwelzijn,
De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, vertegenwoordigd door het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, in de persoon van de Voorzitter van het Verenigd College en van de Ministers voor Bijstand aan Personen,
Hun eigen bevoegdheden gezamenlijk uitoefenend, werd overeengekomen hetgeen volgt:
1) Algemene bepalingen
Artikel 1.
De bedoeling van dit samenwerkingsakkoord bestaat erin om de uitwisseling van informatie te organiseren m.b.t. de toepassing van de vergunningsplicht voor kinderopvang van kinderen zoals omschreven in artikel 2, 2° van de ordonnantie van 23 maart 2017 houdende de organisatie van kinderopvang alsook om de samenwerking te regelen voor het toezicht op de naleving van deze vergunningsplicht.
Art. 2.
In dit samenwerkingsakkoord wordt verstaan onder:
1° Kind en Gezin: het intern verzelfstandigd agentschap, opgericht bij het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin;
2° Zorginspectie: Zorginspectie van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vermeld in artikel 3, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 betreffende het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, betreffende de inwerkingtreding van regelgeving tot oprichting van agentschappen in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en betreffende de wijziging van regelgeving met betrekking tot dat beleidsdomein;
3° Office de la Naissance et de l'Enfance, afgekort ONE: de instelling van openbaar nut ingesteld bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 juli 2002 houdende hervorming van de "Office de la Naissance et de l'Enfance";
4° De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissiedienst, afgekort de GGC-dienst: de door het Verenigd College aangeduide bevoegde dienst voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
5° Ordonnantie: de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 23 maart 2017 houdende de organisatie van kinderopvang.
2) Uitwisseling van informatie
Art. 3.
§ 1. Om na te gaan welke van de partijen bevoegd is, dient nagegaan te worden wat de taal is van de organisatie van de kinderopvanglocatie. Hiertoe dient ondermeer rekening te worden gehouden met de taal van de documenten die betrekking hebben op de organisatie van de opvang, zoals het huishoudelijk reglement, de arbeidsovereenkomsten, de inlichtingenfiche en de aanwezigheidsfiche, het kwaliteitshandboek, aanduidingen in de locatie, flyers en brochures.
§ 2. Bij vaststelling van een niet-vergunde kinderopvanglocatie in het tweetalig gebied van Brussel-Hoofdstad werken Kind en Gezin, ONE en de GGC-dienst samen als volgt:
1° De administratie die kennis krijgt van een niet-vergunde kinderopvanglocatie verifieert deze informatie bij de andere administraties om te weten of er een vergunning bestaat in hoofde van hun reglementering dan wel een vergunningsaanvraag hangende is;
2° Indien er nergens een vergunning bestaat, gaat de GGC-dienst over tot vaststelling overeenkomstig artikel 8 van de ordonnantie;
3° Indien de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie bevoegd blijkt te zijn, stuurt de GGC-dienst een aanmaning om zich in regel te stellen overeenkomstig artikel 5 van de ordonnantie en zo nodig een sluitingsbevel overeenkomstig artikel 6 van de ordonnantie. Zij bezorgt eveneens aan Kind en Gezin en ONE een kopie van het proces-verbaal van vaststelling van de aanmaning en desgevallend van het sluitingsbevel;
4° Indien de kinderopvanglocatie niet onder de bevoegdheid valt van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, maakt de GGC-dienst het dossier onverwijld over aan de administratie van de bevoegde overheid, die overeenkomstig haar wetgeving overgaat tot aanmaning van de kinderopvanglocatie om zich in regel te stellen en desgevallend tot haar sluiting, en de andere administraties op de hoogte houdt van het verloop van het dossier. Kind en Gezin maakt hiertoe toepassing van de artikelen 18 t.e.m. 21 van het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters, en ONE maakt hiertoe toepassing van de artikelen 53 tot 62 van het Reglement van de "Office de la Naissance et de l'Enfance" houdende de opvangvergunning, zoals goedgekeurd door het besluit van 1 februari 2017 van de Regering van de Franse Gemeenschap;
5° Van zodra er na de aanmaning, bedoeld onder 3° en 4°, een vergunningsaanvraag wordt ingediend bij één van de administraties, wordt deze behandeld conform de regelgeving van de betrokken overheid en informeert de betrokken administratie de andere administraties daarover, alsook over het resultaat van die aanvraag;
6° Indien tijdens de aanvraagprocedure blijkt dat een andere dan de behandelende overheid bevoegd is, maakt de behandelende administratie het dossier onverwijld over aan de administratie van de bevoegde overheid, die de andere administraties informeert over het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven;
7° De administraties informeren elkaar wederzijds over elke intrekking van vergunning, schorsing van vergunning en/of sluiting van een opvanglocatie. Ze communiceren ook de motivatie van de beslissing tot intrekking of tot weigering van vergunning;
8° Indien de vergunning wordt geweigerd of ingetrokken omdat de overheid aan wie de vergunning werd gevraagd of die de vergunning heeft afgeleverd niet of niet meer bevoegd is, maakt de administratie van de betrokken overheid het dossier onverwijld over aan de administratie van de bevoegde overheid, zodat deze haar handhavingsprocedure zoals bedoeld in 3° of 4° kan toepassen.
Art. 4.
§ 1. De partijen verbinden zich ertoe:
1° Toe te zien op een coherente toepassing van de wet- en regelgeving van de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie in het tweetalig gebied van Brussel-Hoofdstad, met het oog op het verzekeren van een effectieve controle en een effectieve vergunning van alle kinderopvangmilieus die op het betrokken grondgebied opvang van kinderen jonger dan 3 jaar organiseren, en dit met respect voor de verdeling van de bevoegdheden zoals geregeld door de artikelen 128, § 2, en 135 van de Grondwet;
2° Een systeem te organiseren waarbij er via elektronische weg op permanente en interactieve wijze informatie uitgewisseld wordt over - en een inventaris opgesteld wordt van- de vergunningen, en de weigeringen, schorsingen en intrekkingen van vergunning, afgeleverd aan de kinderopvangmilieus in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, de kenmerken van deze kinderopvangmilieus, alsook de sluitingen van deze kinderopvangmilieus;
3° Elkaar te informeren van alle wijzigingen die worden aangebracht in hun respectievelijke reglementering;
4° Minstens elk kwartaal overleg te hebben, waarbij minstens hetgeen onder 1°, 2° en 3° staat aan bod komt;
5° Ad hoc overleg te plegen indien dit nodig blijkt om in het kader van de toepassing van artikel 3 de bevoegdheid te bepalen.
§ 2. De gegevens die tussen partijen worden uitgewisseld, zijn het ondernemingsnummer, de naam, de telefoon, het e-mailadres en het adres van de organisator, en de naam en het adres van de kinderopvanglocatie. Eventuele persoonsgegevens aanwezig in documenten die worden uitgewisseld tussen de partijen en bekomen in overeenstemming met hun eigen regelgeving, zullen worden geanonimiseerd door de partij die deze documenten heeft ontvangen of opgesteld. Als het noodzakelijk is in functie van de veiligheid en gezondheid van de opgevangen kinderen, zullen de noodzakelijke persoonsgegevens, gerechtelijke gegevens inbegrepen, en daarnaast gegevens over het opvangproject en gegevens met betrekking tot de infrastructuur uit een dossier worden meegedeeld.
De gegevens zullen worden bewaard gedurende 10 jaar vanaf hun ontvangst.
De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissiedienst, ONE, Kind en Gezin en Zorginspectie zijn ieder verantwoordelijk voor de eigen verwerking van de gegeven en zijn elk voor zich verantwoordelijk voor de gegevens die ze doorgeven of uitwisselen.
3) Organisatie van de inspecties
Art. 5.
De inspecties zoals bedoeld in artikel 8 van de ordonnantie worden uitgeoefend door een hiertoe bevoegd personeelslid van de GGC-dienst, die zich hierbij laat bijstaan, hetzij door een hiertoe bevoegd personeelslid van ONE, hetzij door een hiertoe bevoegd personeelslid van Zorginspectie of Kind en Gezin. De personeelsleden van ONE dan wel Zorginspectie of Kind en Gezin begeleiden het personeelslid van de GGC-dienst op alternerende wijze, zodat de inspecties op een evenwichtige wijze verdeeld worden tussen de verschillende diensten. Deze personeelsleden hebben dezelfde toegangsrechten als de personeelsleden van de GGC-dienst, zoals omschreven in artikel 8 van de ordonnantie.
De inspecties zoals vermeld in het eerste lid vinden plaats op verzoek van de GGC-dienst telkens dit noodzakelijk is voor de toepassing van de ordonnantie.
De verslagen van de inspecties zoals vermeld in het eerste lid worden opgemaakt door het personeelslid van de GGC-dienst, in samenspraak met het aanwezige personeelslid van de andere dienst. De verslagen worden ondertekend door elke aanwezige inspecteur/inspectrice. Ingeval van een onenigheid tussen de aanwezige inspecteurs/inspectrices vindt er op initiatief van de GGC-dienst een overleg plaats tussen de betrokken partijen. Indien de GGC-dienst vaststelt dat geen consensus mogelijk is, beslist de GGC-dienst.
4) Slotbepalingen
Art. 6.
Het samenwerkingsprotocol met betrekking tot kinderopvang in Brussel van 28 april 2017 wordt opgeheven.
Art. 7.
Dit samenwerkingsakkoord treedt in werking op 1 juni 2019.
Art. 8.
Dit samenwerkingsakkoord wordt na 1 jaar geëvalueerd, ondermeer voor wat betreft de operationele en financiële aspecten verbonden aan de inspectie en voor wat betreft de impact van wijzigingen in de reglementering van één van de partijen, en daarna om de drie jaar of op vraag van één van de partijen.
Art. 9.
Elke contracterende partij kan het samenwerkingsakkoord opzeggen mits ze een opzegtermijn van 1 jaar in acht neemt.
De opzegtermijn gaat in vanaf het ogenblik dat de opzeggende partij haar intentie tot opzegging heeft bekendgemaakt aan de overige contracterende partijen.
Opgemaakt te Brussel op 31 januari 2019, in 3 exemplaren, waarvan iedere partij bevestigt een exemplaar ontvangen te hebben.