25 OKTOBER 2007 – Besluit betreffende de erkenning en de subsidiëringswijze van de centra en diensten voor personen met een handicap
HOOFDSTUK VI. - Bijzondere normen toepasselijk op de diensten voor hulpverlening bij "activiteiten in het dagelijks leven".
Art. 93.
Onverminderd de in Hoofdstuk I van Titel III bepaalde algemene normen, moeten de diensten voor hulpverlening bij "activiteiten in het dagelijks leven", aan de hierna voorwaarden voldoen.
Afdeling 1. - Normen betreffende de opdrachten.
Art. 94.
De diensten bieden aan volwassen personen met een ernstige lichamelijke handicap, op hun aanvraag, thuishulp voor het verrichten van de activiteiten van het dagelijks leven, zonder dat die hulp een sociale, medische of therapeutische tussenkomst inhoudt.
De persoon met een handicap mag nog geen 60 jaar oud zijn op het ogenblik van de aanvraag tot inschrijving in de dienst.
Art. 95.
[De dienst wordt opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, waarvan de raad van bestuur voor meer dan de helft is samengesteld uit personen die geen deel uitmaken van de ADL-diensten die erkend zijn door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
Worden niet beschouwd als personen die geen deel uitmaken van de ADL-diensten, de gebruikers en de leden van instellingen of verenigingen die betrokken zijn bij de werking van de ADL-diensten.
De raad van bestuur legt zijn werkingswijze vast in een intern reglement, waarin onder meer de procedure in het geval van belangenconflicten tussen de bestuurders verduidelijkt wordt.
De afgevaardigd bestuurder, indien die er is, mag geen gebruiker zijn van de dienst waarin hij zetelt.
Een vertegenwoordiger van de gebruikersraad, die niet stemgerechtigd is, woont de raad van bestuur bij.
Volgens de statuten van de vereniging is het voor de leden van de raad van bestuur verboden om aanwezig te zijn bij de beraadslaging over onderwerpen die hen rechtstreeks betreffen.
De notulen van de vergaderingen van de raad van bestuur worden in een daartoe bestemd register opgenomen en zijn toegankelijk voor het bestuur van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.]1
Art. 96.
De dienst is dag en nacht, zeven dagen op zeven, toegankelijk voor personen met een handicap door middel van een individueel en aangepast oproepsysteem.
De hulp wordt uitsluitend op vraag van de persoon met een handicap geboden.
Het personeel mag slechts op uitdrukkelijk verzoek van de persoon met een handicap de woning betreden.
Afdeling 2. - Normen betreffende de omvang en de kwalificatie van het personeel.
Art. 97.
[§ 1.]2 De dienst moet alle dagen van de week, dag en nacht, beschikken over voldoende personeel, zowel kwantitatief als kwalitatief, om de vereiste hulp bij activiteiten van het dagelijks leven te kunnen verlenen, overeenkomstig bijlage II.
Het team bestaat uit een directeur en assistenten voor de activiteiten van het dagelijks leven met minstens een opleiding van bejaarden- of gezinshulp, of equivalent.
Wanneer het aantal geholpen personen met een handicap met meer dan een eenheid daalt ten opzichte van het in de beslissing tot erkenning vastgestelde aantal, wordt een halftijdse betrekking per ontbrekende eenheid afgetrokken.
Alle personeelsleden moeten de regels van het beroepsgeheim naleven en de intimiteit van de personen met een handicap, alsook de privacy van hun woning eerbiedigen.
[§ 2. De directeur neemt, krachtens een schriftelijke bevoegdheidsoverdracht van de raad van bestuur en onder diens verantwoordelijkheid, het dagelijks bestuur en de effectieve leiding van de dienst op zich.
Onder dagelijks bestuur wordt ten minste verstaan :
a) de tenuitvoerlegging van het programma inzake hulpverlening in het dagelijkse leven zoals vastgelegd door de raad van bestuur;
b) het personeelsbeheer;
c) het financieel beheer;
d) de toepassing van de geldende regelgevingen;
e) het toezicht op de organisatie en de werking van de gebruikersraad;
f) de vertegenwoordiging van de dienst in zijn relaties met het bestuur van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.]2
Afdeling 3. - Normen betreffende het aantal personen met een handicap en de minimale prestaties die bij hen moeten worden uitgevoerd.
Art. 98.
Het minimum aantal personen met een handicap dat door een dienst wordt geholpen, wordt op twaalf vastgesteld.
Het minimum aantal prestaties per persoon met een handicap wordt op zeven uur per week vastgesteld; [het maximum aantal wekelijkse prestaties wordt vastgesteld op dertig uur per persoon met een handicap]3, berekend voor de hele dienst, moet minimum twintig uren bedragen.
Art. 99.
De raming van de in artikel 100 bedoelde prestaties gebeurt op basis van de als bijlage IV bij dit besluit gevoegde analytische en synthetische kaarten.
Afdeling 4. - Normen betreffende de werking van de diensten.
Art. 100.
§ 1. Bij de inschrijving van de persoon met een handicap worden volgende stukken ingevuld :
1° een overeenkomst van dienstverlening die minstens de volgende bepalingen en inlichtingen moet bevatten :
a) een raming van het aantal uren hulp bij activiteiten van het dagelijks leven op basis van de als bijlage IV bij dit besluit gevoegde synthetische en analytische kaarten;
b) de vermelding dat het personeel van de dienst geen andere hulpverlening mag verstrekken dan die bij de activiteiten van het dagelijks leven zoals omschreven in de in a) bedoelde bijlage;
De hulp bij de activiteiten van het dagelijks leven omvat elke handeling die ieder valide persoon in staat is te stellen en die een persoon met een handicap niet kan verrichten wegens zijn handicap, zoals onder meer :
- de lichaamshygiëne, het kleden, de bereiding en het nuttigen van de maaltijden, de eenvoudige handelingen, de mobiliteit en de transfers.
- elk vorm van lichamelijke hulp die de personen met een handicap in staat stelt zijn vader- of moederrol te vervullen en een fatsoenlijk sociaal- en beroepsleven te leiden;
Zijn uitgesloten :
de medische of paramedische behandelingen of onderzoeken, de verzorging door verpleegkundigen of zorgkundigen;
- de onderhoudswerken aan huis of tuin (tuinieren, timmeren, schilderen, behangen...);
- de vervoerdiensten;
c) de manier waarop de hulp bij activiteiten van het dagelijks leven wordt georganiseerd en onder meer de door de persoon met een handicap gekozen taal;
d) de vaststelling van de proefperiode bedoeld in artikel 101;
e) de wijze van herziening en van opzegging van de overeenkomst, de duur van de opzegtermijn bedoeld in artikel 101 en 102 van dit besluit;
f) de vermelding dat het personeel de woning van de persoon met een handicap slechts mag betreden op zijn uitdrukkelijk verzoek;
g) de vermelding dat het personeel de ADL-handelingen stelt volgens de door de gebruiker gegeven richtlijnen en onder diens verantwoordelijkheid, zonder de fysieke en morele integriteit van het personeel in gevaar te brengen;
h) de vermelding dat het personeel de regels van het beroepsgeheim moet naleven;
[i) de vermelding dat de begunstigde moet voorzien in een communicatieschrift tussen de hulp- en zorgverleners, dat bij zijn thuis bijgehouden wordt, om, indien de gezondheidstoestand van de begunstigde het vereist, een optimale samenwerking en een wederzijdse informatie-uitwisseling mogelijk te maken, overeenkomstig de bepalingen van artikel 8 van het protocolakkoord betreffende de relatie tussen zorg- en bijstandsverleners van de erkende diensten voor thuishulp en beoefenaars van gezondheidszorg-beroepen die werkzaam zijn in de thuiszorg.]4
2° de synthetische en analytische kaarten bedoeld in bijlage IV bij dit besluit; deze kaarten worden ingevuld onder de verantwoordelijkheid van de persoon met een handicap.
De persoon met een handicap kan zich door medisch of paramedisch personeel laten bijstaan voor de evaluatie van zijn vaardigheden bij het verrichten van de activiteiten van het dagelijks leven.
§ 2. Aan het einde van de proefperiode van zes maanden worden de in § 1, 2° bedoelde kaarten opnieuw aangepast op basis van de werkelijke behoeften van de persoon met een handicap. Ze worden jaarlijks herzien.
§ 3. De in dit artikel bedoelde stukken worden gedurende een periode van twee jaar na het vertrek van de persoon met een handicap in de dienst bewaard.
De ambtenaren kunnen er op elk ogenblik kennis van nemen.
Art. 101.
De overeenkomst wordt voor een onbepaalde duur gesloten en voorziet in een proefperiode van zes maanden.
Elke partij kan, mits een opzegtermijn, een einde aan de overeenkomst maken.
Indien de opzegging door de dienst wordt gegeven, dan wordt de na te leven termijn op zes maanden vastgesteld, behalve bij een vrijwillige sluiting van de dienst waar deze termijn tot drie maanden wordt beperkt. Indien de opzegging door de gebruiker wordt gegeven, dan wordt de na te leven termijn op drie maanden vastgesteld.
Art. 102.
Wanneer de overeenkomst voor dienstverlening door de dienst wordt opgezegd, heeft de persoon met een handicap een evocatierecht bij het evocatiebureau.
Art. 103.
§ 1. Tijdens de evocatie moeten de twee partijen aanwezig zijn. De persoon met een handicap kan door de persoon van zijn keuze worden bijgestaan. Elke partij zet haar standpunt voor het bureau uiteen.
Het bureau leidt de partijen naar de verzoening, met inachtneming van de toepasselijke wetgeving en de billijkheid.
§ 2. Indien de verzoening een gunstig verloop kent, wordt een minnelijke schikking door de partijen ondertekend. De verschijning en het akkoord van de partijen worden in een proces-verbaal opgetekend. De partijen moeten hun akkoord nauwkeurig naleven.
§ 3. Indien de verzoening geen gunstig verloop kent, dan worden de verschijning en de mislukking van de verzoening eveneens in een proces-verbaal opgetekend en handhaaft de dienst zijn beslissing om de overeenkomst voor dienstverlening die uitwerking heeft op de dag van de kennisgeving van de opzegging, op te zeggen.
Art. 104.
Het evocatiebureau is, per erkende dienst, samengesteld uit een vertegenwoordiger van de gebruikers en een vertegenwoordiger van de organiserende instantie; bovendien maakt ook een lid van de afdeling hier deel van uit.
Deze leden worden door de Ministers benoemd, op gemotiveerd voorstel van de gebruikers en de diensten.
Het bureau duidt in zijn midden een voorzitter en een ondervoorzitter aan, die behoren tot verschillende taalrollen, alsook een secretaris.
Art. 105.
Het bureau stelt zijn huishoudelijk reglement vast, dat aan de Ministers ter goedkeuring wordt voorgelegd.
Afdeling 6. - Architectonische normen.
Art. 106.
De hulp bij de activiteiten van het dagelijks leven wordt in de privéwoning van de persoon met een handicap of in de nabije omgeving verstrekt.
Die woningen moeten worden ondergebracht in en verdeeld over gebouwen waar eveneens personen zonder een handicap wonen.
Er mogen niet meer dan twee aanpalende appartementen bewoond worden door personen met een handicap die beroep doen op de dienst.
Deze gebouwen moeten aan de lichamelijke tekortkomingen van de personen met een handicap aangepast zijn.
De dienst mag alleen hulp verlenen aan personen met een handicap waarvan de woning zich op maximaal vijfhonderd meter van het coördinatiecentrum van de dienst bevindt.
Art. 107.
Iedere dienst beschikt over :
1° een lokaal voor de coördinatie van de hulpvragen;
Dit lokaal omvat een bureau met meubilair voor het opbergen van de registers en de dossiers betreffende de personen met een handicap.
Het lokaal moet toegankelijk en aangepast zijn voor de gebruikers van de dienst.
2° een aangepaste kamer voor het personeel met wachtdienst;
3° een wasgelegenheid met een aangepast toilet en een wastafel.
Afdeling 7. [Normen betreffende de gebruikersraad.]7
Art. 107bis.
[In iedere dienst wordt een gebruikersraad opgericht. Deze raad is samengesteld uit de gebruikers van de dienst, een vertegenwoordiger van de directie en een door het personeel aangeduid personeelslid. Alle gebruikers van een dienst hebben de mogelijkheid om deel uit te maken van de gebruikersraad van die dienst. De directie van de dienst moet er de regelmatige werking van garanderen, en dit minstens een keer per semester.
De opdracht van de gebruikersraad bestaat erin alle suggesties betreffende de levenskwaliteit en de praktische organisatie van de dienst te formuleren. Hiertoe verstrekt de directeur van de dienst hem alle informatie die nodig is voor het vervullen van zijn opdracht.
De gebruikersraad bepaalt zijn werking en kiest een voorzitter uit zijn midden. De voorzitter mag geen lid zijn van de directie en evenmin een lid van het personeel.
De raad wordt vertegenwoordigd door zijn voorzitter, of diens vervanger, tijdens de vergaderingen van de raad van bestuur van de vereniging zonder winstoogmerk.
De notulen van de vergaderingen worden in een daartoe bestemd register opgenomen en zijn toegankelijk voor alle gebruikers en voor het bestuur van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.]7
Bijlagen
[BIJLAGE II - Personeelsnormen |
Bijlage II tot het besluit van het Verenigd College van 25 oktober 2007 betreffende de erkenning en de subsidiëringswijze van de centra en diensten voor personen met een handicap |
a) Administratieve, psycho-socio-educatieve, medische normen en normen met betrekking tot onderhoudspersonnel:
ADL Diensten (art. 98) | Diensten voor begeleid zelfstandig wonen
(art. 91) |
Dagcentra (art. 67) | Aanvulling zwaar zorgbehoevend in dagcentra | Verblijfscentra (art. 43) | Aanvulling zwaar zorgbehoevend in verblijfscentra | Dagaanwezig-heid in verblijfscentra | |
Aantal voltijds equivalenten per centrum of dienst | |||||||
Administratie | 0,5 van 6 tot 12 plaatsen
0,5 van 13 tot 24 plaatsen 1 vanaf 25 plaatsen |
0,5 vanaf 10 plaatsen
1 vanaf 20 plaatsen |
1 vanaf 15 plaatsen
2 van 16 tot 40 plaatsen |
||||
Aantal voltijds equivalenten per persoon met een handicap | |||||||
Assistent | 0,89
|
||||||
Aantal jaarlijkse uren in decimalen per erkende plaats | |||||||
Educatief personeel | |||||||
- Groepschef | 0,66 | 1,33 | |||||
- Hoofdopvoeder | 1,33 | 4 | |||||
- Educatief, paramedische en sociaal | 8,5 | 9,5 | 14,25 | 9,5 | 3,9 | ||
Totaal educatief personeel | 10,49 | 9,5 | 19,58 | 9,5 | 3,9 | ||
Medisch personeel | 0,25 | 0,25 | |||||
Psycholoog | 0,25 | 0,4 | |||||
Onderhoud-personeel | 4 | 5,7 |
[b) Normen met betrekking tot de directie:
Erkende basiscapaciteit per VZW (dagcentra, ADL diensten, verblijfscentra) | Aantal Voltijds Equivalenten (directeur) | ||
1 erkenning | 2 erkenningen | Meer dan 2 erkenningen | |
Van 10 tot 39 (dagcentra)
Van 12 tot 39 (ADL diensten) Van 15 tot 39 (verblijfscentra) |
1 | 1 | 1,5 |
Van 40 tot 59 | 1 | 1,5 | 2 |
Van 60 tot 89 en meer | 1,5 | 2 | 3 |
Erkende basiscapaciteit per VZW (diensten voor begeleid zelfstandig wonen) | Aantal Voltijds Equivalenten (directeur of coördinator) | ||
Van 6 tot 12 | 0,5 | ||
Vanaf 13 | 0,5 | ||
Vanaf 25 | 1 |
]5]6
Bijlage IV. - ADL-schaal.
(zie B.S. 01-02-2008, p. 5613-5619).
- 1 <BESL 2013-03-15/13, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
- 2 <BESL 2013-03-15/13, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 3 <BESL 2009-10-22/26, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
- 4 <BESL 2013-03-15/13, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- [5]<BESL 16.02.2023; Art. 2; Inwerkingtreding 01-01-2023>
- [6]<BESL 18-07-2024; Art.1; Inwerkingtreding 01-01-2024>
- [7] <Ingevoegd bij BESL 2013-03-15/13, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2013>