18 APRIL 2024 – Besluit betreffende de financiering van de infrastructuur van diverse types instellingen behorend tot het beleid inzake bijstand aan personen en gezondheid
HOOFDSTUK 1. - Definitie
Artikel 1.
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder ordonnantie: de ordonnantie van 22 februari 2024 betreffende de financiering van de infrastructuur van diverse types instellingen behorend tot het beleid inzake bijstand aan personen en gezondheid.
HOOFDSTUK 2. - Berekening van de subsidie
Art. 2.
Volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:
1° voor wat betreft de bouwsubsidie:
a) het totaalbedrag dat verschuldigd is aan de geselecteerde onderneming van de opdracht na aftrek van de eventuele niet-subsidieerbare kosten en van de verrekeningen en wijzigingen die niet zijn aanvaard;
b) de prijsherzieningen die het gevolg zijn van de toepassing van de formules opgenomen in de opdrachtdocumenten die deel uitmaken van het goedgekeurde ontwerpdossier;
c) de belasting over de toegevoegde waarde;
d) desgevallend de kostprijs van water-, gas- en elektriciteitsaansluitingen;
e) de algemene kosten die forfaitair zijn vastgesteld op vijftien procent van de som van de kosten a) tot en met d);
2° voor wat betreft de aankoopsubsidie:
a) de verkoopprijs;
b) de aktekosten;
c) de registratierechten;
d) de erelonen van de notaris.
Art. 3.
Volgende kosten zijn niet subsidieerbaar:
1° voor wat betreft de bouwsubsidie:
a) onderhoudswerken;
b) garanties, verzekeringen en diensten na de ingebruikname;
c) huurgelden, tenzij het gaat om tijdelijke werfinstallatiekosten;
d) kosten gelinkt aan technische studies, de architectuuropdracht, de werfcoördinatie en projectbegeleiding die reeds gedekt zijn door het forfait voor de algemene kosten bedoeld in artikel 2, 1°, e);
2° voor wat betreft de aankoopsubsidie:
a) de gedeeltelijke betaling van de onroerende voorheffing;
b) vergoedingen voor vertragingen.
Art. 4.
De maximumkost van elk project wordt bepaald overeenkomstig de bijlage van dit besluit.
Art. 5.
De werkelijke infrastructuurkosten van een project worden berekend door de som te nemen van de kosten opgenomen in artikel 2, op basis van de bedragen opgenomen in het eindafrekeningsdossier en het afrekeningsdossier met betrekking tot de aankoop goedgekeurd door de administratie.
HOOFDSTUK 3. - Procedure betreffende de organisatie van projectoproepen
Art. 6.
§ 1. De ministers lanceren een projectoproep minstens via:
1° een publicatie op de website van de administratie;
2° een brief gericht aan minstens de instellingen die reeds erkend zijn door het Verenigd College of die een overeenkomst afgesloten hebben met Iriscare, in zoverre hun activiteiten een directe link hebben met het onderwerp van de projectoproep.
§ 2. Bij het lanceren van de projectoproep leggen de ministers minstens volgende zaken vast:
1° de deelnemingsvoorwaarden;
2° de selectiecriteria die toelaten om de projecten te rangschikken;
3° desgevallend, bijkomende kwaliteitsnormen die moeten bereikt worden na de aankoop en/of de werken;
4° het maximale budget voor alle geselecteerde projecten samen, rekening houdend met de bedragen die voorzien werden in de begroting;
5° het aanvraagformulier en de eventuele te vervolledigen bijlages;
6° de uiterste datum voor het indienen van de aanvragen.
§ 3. Het aanvraagformulier en de eventuele bijlages worden ingediend bij de administratie.
§ 4. Binnen dertig dagen na de ontvangst van het aanvraagformulier stuurt de administratie aan de aanvrager ofwel een bevestiging van ontvangst indien het dossier volledig is, ofwel een bericht waarbij zij verzocht wordt haar dossier te vervolledigen binnen vijftien dagen waarbij de ontbrekende stukken worden vermeld.
§ 5. De evaluatie van de selectiecriteria gebeurt door een jury die samengesteld is door op zijn minst twee leden van de administratie, eventueel aangevuld met externen, in zoverre zij enige expertise hebben voor wat betreft de evaluatie van de selectiecriteria. De evaluatie wordt gemotiveerd in een juryrapport.
§ 6. Binnen tweehonderdveertig dagen na de uiterste datum voor het indienen van de aanvraagformulieren, delen de ministers aan de aanvragers mee of hun project al dan niet opgenomen is in een door het Verenigd College goedgekeurde investeringskalender. In de kennisgeving motiveren de ministers de opname of de weigering van een project op basis van de deelnemingsvoorwaarden, het juryrapport dat de selectiecriteria evalueert en het beschikbare budget.
HOOFDSTUK 4. - Procedure betreffende de toekenning van een bouwsubsidie
Afdeling 1. - Ontwerpdossier
Art. 7.
§ 1. De aanvrager dient een ontwerpdossier in bij de administratie. Dit dossier bevat volgende documenten:
1° de plannen met de nodige afmetingen en details waaruit blijkt dat onder meer rekening gehouden werd met desgevallend de eisen inzake toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit, de brandveiligheidsnormen, de architecturale erkenningsnormen, de architecturale normen opgenomen in een overeenkomst bedoeld in artikel 2, 6°, van de ordonnantie en de bijkomende kwaliteitsnormen;
2° de planning van de werken;
3° alle opdrachtdocumenten;
4° het ramend bestek;
5° desgevallend het advies van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp;
6° desgevallend de stedenbouwkundige vergunning;
7° desgevallend een verslag met betrekking tot de geotechnische proeven of de stabiliteit van het bestaande gebouw in het licht van de toekomstige werken;
8° desgevallend een tabel met de netto vloeroppervlaktes van leefruimtes, eetruimtes en kamers en de bijhorende netto raamoppervlakte;
9° desgevallend een tabel met de bruto oppervlaktes die deel uitmaken van de werken;
10° een korte beschrijving van de ruimtelijke organisatie, de toegankelijkheid, de brandveiligheid, de ruwbouw, de speciale technieken, het meubilair, de omgevingsaanleg, het energie- en waterbeheer, de duurzaamheid, de werking van de verlichting en desgevallend van het oproepsysteem van het gebouw.
§ 2. Binnen dertig dagen na de ontvangst van het dossier stuurt de administratie aan de aanvrager ofwel een bevestiging van ontvangst indien het dossier volledig is, ofwel een bericht waarbij zij verzocht wordt haar dossier te vervolledigen binnen vijftien dagen waarbij de ontbrekende stukken worden vermeld.
Bij de analyse van het ontwerpdossier gaat de administratie desgevallend na of het project zich inschrijft in het kader van de programmatie voor de sector in kwestie, hetgeen een voorwaarde is om het ontwerpdossier te kunnen goedkeuren.
§ 3. Binnen zestig dagen na de verklaring van de volledigheid deelt de administratie aan de aanvrager haar beslissing mee over de goedkeuring of weigering van het ontwerpdossier.
Art. 8.
§ 1. De aanvrager kan een aanvraag tot uitstel indienen bij de administratie met betrekking tot het indienen van het ontwerpdossier bedoeld in artikel 15, § 1, tweede lid, van de ordonnantie. Deze aanvraag bestaat minstens uit een nieuwe planning van het project en een motivatie voor het uitstel.
§ 2. Binnen dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag stuurt de administratie aan de aanvrager ofwel een bevestiging van ontvangst indien de aanvraag volledig is, ofwel een bericht waarbij zij verzocht wordt haar aanvraag te vervolledigen binnen vijftien dagen waarbij de ontbrekende stukken worden vermeld.
§ 3. Binnen zestig dagen na de verklaring van de volledigheid van de aanvraag delen de ministers aan de aanvrager hun beslissing mee over de goedkeuring of weigering van het uitstel. In geval van een goedkeuring, leggen de ministers de duur van verlenging vast.
§ 4. De duur van een uitstel bedraagt minstens één jaar en het totaal aan uitstel goedgekeurd door de ministers mag niet meer dan vier jaar bedragen.
Een verlenging mag het einde van de lopende investeringskalender niet overschrijden.
Afdeling 2. - Gunning van opdrachten voor werken of leveringen
Art. 9.
§ 1. De aanvrager dient een gunningsdossier in bij de administratie. Dit dossier bevat volgende documenten:
1° de gemotiveerde beraadslaging waarin de geselecteerde onderneming aangesteld wordt, desgevallend goedgekeurd door de toezichthoudende overheid;
2° de ingediende offertes en alle bijlages;
3° de samenvattende opmetingsstaat van de geselecteerde onderneming;
4° het gunningsverslag;
5° desgevallend de bewijzen van publiciteit;
6° desgevallend het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen ;
7° desgevallend een motivatie voor wat betreft het geval van dwingende spoed bedoeld in artikel 16, § 1, tweede lid, van de ordonnantie.
§ 2. Binnen dertig dagen na de ontvangst van het dossier stuurt de administratie aan de aanvrager ofwel een bevestiging van ontvangst indien het dossier volledig is, ofwel een bericht waarbij zij verzocht wordt haar dossier te vervolledigen binnen vijftien dagen en waarbij de ontbrekende stukken worden vermeld.
§ 3. Binnen zestig dagen na de verklaring van volledigheid van het dossier delen de ministers aan de aanvrager hun beslissing mee over de goedkeuring of weigering van het gunningsdossier.
Het dossier wordt in elk geval geweigerd indien niet voldaan is aan de wetgeving inzake overheidsopdrachten. Indien de aanvrager niet valt onder het toepassingsgebied van deze wetgeving, dan moeten op zijn minst drie verschillende ondernemingen geraadpleegd worden.
In het geval van een goedkeuring vermeldt de beslissing:
1° het subsidiebedrag dat vastgelegd werd op de begroting van het lopende jaar;
2° de vereffeningswijze en desgevallend het jaarlijkse bedrag dat vereffend zal worden over een periode van twintig jaar;
3° desgevallend de niet-gesubsidieerde kosten.
Afdeling 3. - De uitvoering van werken of leveringen
Art. 10.
Binnen vijftien dagen na het bevel tot aanvang der werken of tot uitvoering der leveringen dient de aanvrager een kopie van dit bevel in bij de administratie.
Art. 11.
§ 1. De aanvrager dient de vorderingsstaten in van de uitvoering van de werken of leveringen bij de administratie overeenkomstig het model dat door de administratie bepaald wordt. De documenten worden door de onderneming of haar gemachtigde en de aanvrager medeondertekend.
§ 2. In geval van een directe financiering zoals voorzien in artikel 20 en 21 worden de vorderingsstaten ten minste viermaandelijks ingediend.
In geval van een financiering over een periode van twintig jaar zoals voorzien in artikel 22 worden de vorderingsstaten minstens één keer per jaar ingediend worden en dit telkens vóór 1 december van het lopende jaar.
Indien de vorderingsstaten niet worden ingediend, kan niet worden overgegaan tot de uitbetaling van de bouwsubsidie, behalve voor wat betreft de eerste jaarlijkse uitbetaling van een subsidie bedoeld in artikel 22, § 2, 1°, a).
§ 3. Binnen de dertig dagen na hun indiening door de aanvrager kan de administratie opmerkingen maken over de vorderingsstaten.
Art. 12.
De ministers kunnen beslissen dat wijzigingen aan werken of leveringen die in uitvoering zijn in aanmerking genomen worden voor de bouwsubsidie als tegelijk voldaan is aan volgende voorwaarden:
1° de werken of leveringen hebben een uitzonderlijk en onvoorzien karakter;
2° de werken of leveringen worden vóór hun uitvoering gemotiveerd en betekend door de aanvrager aan de administratie;
3° de maximumkost wordt niet overschreden.
Art. 13.
De aanvrager maakt het de administratie mogelijk om ter plaatse de werkzaamheden of de leveringen te controleren.
Afdeling 4. - Eindafrekening
Art. 14.
§ 1. De aanvrager dient een eindafrekeningsdossier in bij de administratie. Dit dossier bevat volgende documenten:
1° het proces-verbaal van voorlopige oplevering;
2° een tabel met de vaststelling van het totaalbedrag dat verschuldigd is aan de onderneming overeenkomstig het model dat door de administratie bepaald wordt;
3° de bewijsstukken en afrekeningen vermeld in de onder 2° bedoelde tabel;
4° een samenvattende tabel van de vorderingsstaten overeenkomstig het model dat door de administratie bepaald wordt;
5° desgevallend de facturen betreffende de aansluitingen op het water-, gas -en elektriciteitsnet.
§ 2. Binnen dertig dagen na de ontvangst van het dossier stuurt de administratie aan de instelling ofwel een bevestiging van ontvangst indien het dossier volledig is, ofwel een bericht waarbij zij verzocht wordt haar dossier te vervolledigen binnen vijftien dagen en waarbij de ontbrekende stukken worden vermeld.
§ 3. Binnen zestig dagen na de verklaring van volledigheid van het dossier deelt de administratie aan de aanvrager haar beslissing mee over de goedkeuring of weigering van het eindafrekeningsdossier. In geval van een weigering kan de administratie beslissen om de verdere vereffening van de subsidie stop te zetten.
Art. 15.
§ 1. De aanvrager kan een aanvraag tot uitstel indienen met betrekking tot het indienen van het eindafrekeningsdossier bedoeld in artikel 18, § 1, tweede alinea, van de ordonnantie bij de administratie. Deze aanvraag bestaat minstens uit een nieuwe planning en een motivatie voor het uitstel.
§ 2. Binnen dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag stuurt de administratie aan de aanvrager ofwel een bevestiging van ontvangst indien de aanvraag volledig is, ofwel een bericht waarbij zij verzocht wordt haar aanvraag te vervolledigen binnen vijftien dagen waarbij de ontbrekende stukken worden vermeld.
§ 3. Binnen zestig dagen na de verklaring van de volledigheid van de aanvraag delen de ministers aan de aanvrager hun beslissing mee over de goedkeuring of weigering van het uitstel. In geval van een goedkeuring leggen de ministers de duur van het uitstel vast. In geval van een weigering kunnen de ministers beslissen om de verdere vereffening van de subsidie stop te zetten.
§ 4. De duur van het uitstel bedraagt minstens één jaar en het totaal aan uitstel goedgekeurd door de ministers mag niet meer dan drie jaar bedragen.
HOOFDSTUK 5. - Procedure betreffende de toekenning van een aankoopsubsidie
Afdeling 1. - Aankoopdossier
Art. 16.
§ 1. De aanvrager dient een aankoopdossier in bij de administratie. Dit dossier bevat volgende documenten:
1° de beraadslaging waarin de aankoop goedgekeurd wordt, desgevallend goedgekeurd door de toezichthoudende overheid;
2° desgevallend, een ontwerp van verkoopovereenkomst;
3° desgevallend, de basisakte van het gebouw;
4° een situeringsplan van het terrein en/of gebouw;
5° in het geval van een gebouw: de architectuurplannen;
6° een tekst die de aankoop rechtvaardigt en die minstens volgende elementen bevat:
a) een lijst met de adressen van de overige bezochte terreinen en/of gebouwen en de redenen waarom deze niet voldeden;
b) in het geval van een gebouw: een beschrijving van de verschillende ruimtes op vlak van ouderdom, staat, oppervlakte, ruimtelijke organisatie, buitenruimte, enzovoort;
c) in het geval van een gebouw: het EPB-certificaat;
d) in het geval van een gebouw: een beschrijving van de acties die zullen ondernomen worden om de energieprestatie en het binnenklimaat te verbeteren;
e) een beschrijving met betrekking tot de bereikbaarheid van het terrein en/of gebouw via het openbaar vervoer;
f) de verantwoording van de verkoopprijs;
g) een raming van de registratierechten, de erelonen en de aktekosten;
h) een visie van de toekomstige ruimtelijke organisatie van het gebouw waaruit onder meer blijkt dat rekening gehouden werd met desgevallend de eisen inzake toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit, de brandveiligheidsnormen, de architecturale erkenningsnormen, de architecturale normen opgenomen in een overeenkomst bedoeld in artikel 2, 6°, van de ordonnantie en de bijkomende kwaliteitsnormen;
i) desgevallend een raming en een beknopte planning van de nodige werken;
j) foto's van het terrein en/of het gebouw.
§ 2. Binnen dertig dagen na de ontvangst van het dossier stuurt de administratie aan de aanvrager ofwel een bevestiging van ontvangst indien de aanvraag volledig is, ofwel een bericht waarbij zij verzocht wordt haar dossier te vervolledigen waarbij de ontbrekende stukken worden vermeld.
Bij de analyse van het aankoopdossier gaat de administratie desgevallend na of het project zich inschrijft in het kader van de programmatie voor de sector in kwestie, hetgeen een voorwaarde is om het aankoopdossier te kunnen goedkeuren.
§ 3. Binnen zestig dagen na de verklaring van volledigheid delen de ministers aan de aanvrager hun beslissing mee over de goedkeuring of weigering van het aankoopdossier.
In het geval van een goedkeuring vermeldt de beslissing:
1° het subsidiebedrag dat vastgelegd werd op de begroting van het lopende jaar;
2° de vereffeningswijze en desgevallend het jaarlijkse bedrag dat vereffend zal worden over een periode van twintig jaar;
3° desgevallend de niet-gesubsidieerde kosten.
Art. 17.
§ 1. De aanvrager kan een aanvraag tot uitstel indienen met betrekking tot het indienen van het aankoopdossier bij de administratie bedoeld in artikel 19, § 1, tweede alinea, van de ordonnantie. Deze aanvraag bestaat minstens uit een nieuwe planning en een motivatie voor het uitstel.
§ 2. Binnen dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag stuurt de administratie aan de aanvrager ofwel een bevestiging van ontvangst indien de aanvraag volledig is, ofwel een bericht waarbij zij verzocht wordt haar aanvraag te vervolledigen waarbij de ontbrekende stukken worden vermeld.
§ 3. Binnen zestig dagen na de verklaring van de volledigheid van de aanvraag delen de ministers aan de aanvrager hun beslissing mee over de goedkeuring of weigering van het uitstel. In geval van een goedkeuring leggen de ministers de duur van het uitstel vast.
§ 4. De duur van het uitstel bedraagt minstens één jaar en het totaal aan uitstel goedgekeurd door de ministers mag niet meer dan drie jaar bedragen.
Een verlenging mag het einde van de lopende investeringskalender niet overschrijden.
Afdeling 2. - Afrekeningsdossier met betrekking tot de aankoop
Art. 18.
§ 1. De aanvrager dient een afrekeningsdossier met betrekking tot de aankoop in bij de administratie. Dit dossier bevat volgende documenten:
1° een kopie van de geregistreerde aankoopakte;
2° een afrekening van de aankoop met inbegrip van de aktekosten, erelonen en registratierechten opgemaakt door de notaris.
§ 2. Binnen dertig dagen na de ontvangst van het dossier stuurt de administratie aan de aanvrager ofwel een bevestiging van ontvangst indien het dossier volledig is, ofwel een bericht waarbij zij verzocht wordt haar dossier te vervolledigen binnen vijftien dagen waarbij de ontbrekende stukken worden vermeld.
§ 3. Binnen zestig dagen na de verklaring van volledigheid deelt de administratie aan de aanvrager haar beslissing mee over de goedkeuring of de weigering van het afrekeningsdossier. In geval van een weigering wordt de toegekende subsidie volledig teruggevorderd.
Art. 19.
§ 1. De aanvrager kan een aanvraag tot uitstel bedoeld in artikel 20, § 1, tweede alinea, van de ordonnantie indienen bij de administratie met betrekking tot het indienen van het afrekeningsdossier met betrekking tot de aankoop. Deze aanvraag bestaat minstens uit een nieuwe planning van het project en een motivatie voor het uitstel.
§ 2. Binnen dertig dagen na de ontvangst van het dossier stuurt de administratie aan de aanvrager ofwel een bevestiging van ontvangst indien de aanvraag volledig is, ofwel een bericht waarbij zij verzocht wordt haar aanvraag te vervolledigen binnen vijftien dagen waarbij de ontbrekende stukken worden vermeld.
§ 3. Binnen zestig dagen na de verklaring van de volledigheid van de aanvraag delen de ministers aan de aanvrager hun beslissing mee over de goedkeuring of weigering van het uitstel. In geval van een weigering wordt de toegekende subsidie volledig teruggevorderd.
§ 4. De duur van het uitstel bedraagt minstens één jaar en het totaal aan uitstel goedgekeurd door de ministers mag niet meer dan drie jaar bedragen.
HOOFDSTUK 6. - Vereffening van de subsidie
Art. 20.
Als de raming van de kost van de werken en leveringen van een project bepaald bij het ontwerpdossier lager is dan of gelijk is aan 300.000 euro, zonder de belasting over de toegevoegde waarde en zonder de algemene kosten, dan wordt de bouwsubsidie als volgt vereffend:
1° ten laatste dertig dagen na de voorlegging van de vorderingsstaten en ten belope van de uitvoering van de werken of de leveringen wordt negentig procent van de bouwsubsidie vereffend;
2° ten laatste dertig dagen na de goedkeuring van het eindafrekeningsdossier wordt het saldo van de bouwsubsidie vereffend.
Art. 21.
Als de raming van de kost van de aankoop van een terrein en/of gebouw bepaald bij het aankoopdossier lager is dan of gelijk is aan 300.000 euro, zonder registratierechten, erelonen en aktekosten, dan wordt de aankoopsubsidie als volgt vereffend:
1° ten laatste dertig dagen na de goedkeuring van het aankoopdossier wordt tien procent van de aankoopsubsidie vereffend;
2° ten laatste dertig dagen na de goedkeuring van het afrekeningsdossier met betrekking tot de aankoop van het gebouw wordt het saldo van de aankoopsubsidie vereffend.
Art. 22.
§ 1. Als de in artikel 20 of artikel 21 bedoelde raming hoger is dan 300.000 euro, gebeurt de vereffening van de subsidie gespreid over een periode van twintig jaar, mits een forfaitaire interestvergoeding.
§ 2. Jaarlijks wordt eenzelfde bedrag vereffend op de volgende manier:
1° de eerste vereffening vindt plaats:
a) in geval van een bouwsubsidie: ten laatste dertig dagen na het indienen van het bevel tot aanvang der werken of der leveringen bedoeld in artikel 10;
b) in geval van een aankoopsubsidie: ten laatste dertig dagen na de goedkeuring van het afrekeningsdossier met betrekking tot de aankoop van het gebouw.
2° onverminderd artikel 11, § 2, derde lid, vinden de overige jaarlijkse vereffeningen plaats tijdens de loop van het jaar.
§ 3. Het bedrag dat jaarlijks gedurende twintig jaar vereffend wordt, wordt als volgt berekend:
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 30-08-2024, p. 100514)
A: het jaarlijkse bedrag dat vereffend wordt gedurende een periode van twintig jaar.
K: het bedrag van de bouwsubsidie of de aankoopsubsidie.
R: de referentierentevoet: het gemiddelde van de rentevoeten van de Belgische Lineaire Obligaties (OLO) op tien jaar voor de drie volledige maanden die voorafgaan aan de indiening van het volledige gunningsdossier of aankoopdossier verhoogd met tachtig basispunten.
§ 4. Indien het bedrag van de bouwsubsidie of de aankoopsubsidie herzien wordt naar aanleiding van goedgekeurde wijzigingen tijdens de uitvoering van de werken of leveringen, de goedkeuring van het eindafrekeningsdossier of de goedkeuring van het afrekeningsdossier met betrekking tot de aankoop, wordt het jaarlijks te vereffenen bedrag A als volgt aangepast door de administratie:
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 30-08-2024, p. 100514)
A2: het aangepaste jaarlijkse bedrag dat vereffend wordt gedurende de resterende jaren.
K2: het herziene bedrag van de bouwsubsidie of de aankoopsubsidie.
R: deze waarde blijft ongewijzigd ten opzichte van § 3.
B: het totaal aan bedragen dat reeds vereffend werd de voorbije jaren.
C: het aantal resterende jaren van vereffening.
Bij de aanpassing van het bedrag A wordt, naar gelang het geval, de vastlegging verminderd of de een bijkomende vastlegging uitgevoerd op de begroting van het lopende jaar. De aanpassing naar boven toe is enkel mogelijk indien er voldoende kredieten beschikbaar zijn op de begroting.
Art. 23.
§ 1. In afwijking van artikel 22 kunnen de ministers beslissen om de vereffeningswijze bedoeld in artikel 20 in geval van een bouwsubsidie en in artikel 21 in geval van een aankoopsubsidie toe te passen als de raming hoger ligt dan 300.000 euro.
§ 2. De vereffening van de subsidie bedoeld in de artikel 20, 21 en 22 gebeurt onder voorbehoud van de beschikbaarheid van voldoende vereffeningskredieten op de begroting van het lopende jaar.
HOOFDSTUK 7. - Procedure met betrekking tot de toekenning van de waarborg
Afdeling 1. - Voorwaarden met betrekking tot de lening
Art. 24.
Een waarborg kan slechts verleend worden als voldaan is aan volgende voorwaarden met betrekking tot de lening:
1° De duur van de gewaarborgde lening wordt bepaald door de duur van de investeringen waarop deze betrekking heeft en mag in geen geval meer dan dertig jaar bedragen.
2° De waarborg dekt het saldo van het uitstaande bedrag van de lening en de verschuldigde interesten, met uitsluiting van de verwijlinteresten en de tussentijdse interesten.
3° De betaling van de waarborg door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie ontlast de instelling niet. Bij betaling van de waarborg beschikt de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie over een integraal verhaalrecht tegenover de instelling en wordt gesubrogeerd in de rechten van de financiële instelling. Ze kan slechts aanspraak maken op de waarborgen waarover de financiële instelling beschikt ten opzichte van de instelling voor andere leningen dan die gewaarborgd door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, na vereffening van alle andere schulden dan de lening die werd gewaarborgd door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
Afdeling 2. - Aanvraag principeakkoord met betrekking tot de toekenning van de waarborg
Art. 25.
§ 1. Na de opname van haar project in een investeringskalender en ten vroegste bij het indienen van een ontwerpdossier of een aankoopdossier, kan de aanvrager een aanvraag bij de administratie indienen tot toekenning van een principeakkoord met betrekking tot de waarborg. Deze aanvraag bevat volgende documenten:
1° De beraadslaging waarin beslist wordt om een principeakkoord met betrekking tot de waarborg aan te vragen.
2° Een financieel meerjarenplan waaruit blijkt dat de uitgaven gedekt zijn en er voldoende terugbetalingscapaciteit is en die de evolutie van de resultatenrekening en de balans toont tot twee jaar na de ingebruikname. Dit plan moet vergezeld zijn van een uitleg betreffende de gehanteerde financiële aannames.
3° Desgevallend: het bewijs van het beschikken over zakelijke rechten voor wat betreft de grond waarop of het gebouw waarin de werken zullen uitgevoerd worden.
4° Een verklaring van de instelling waarbij wordt verduidelijkt of de goederen waarvan zij eigenaar is al dan niet bezwaard zijn met één of meerdere hypothecaire mandaten of hypothecaire inschrijvingen. In elk geval dient bij de aanvraag een hypothecair getuigschrift te worden toegevoegd.
5° Op verzoek van de administratie voegt de aanvrager bij haar aanvraag een door een vastgoedexpert opgestelde schatting toe van de handelswaarde van alle goederen waarvan hij eigenaar is.
6° Wanneer de instelling geen publiekrechtelijk rechtspersoon is, een verklaring waarin deze er zich mee akkoord verklaart om, op eenvoudig verzoek van de administratie, een conventionele hypotheek af te sluiten ten gunste van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, of om de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie een hypothecair mandaat te verstrekken voor de onroerende goederen waarop het project betrekking heeft en, in voorkomend geval, voor een gedeelte of het geheel van zijn onroerende goederen, ten belope van het door de Commissie vastgestelde bedrag. Deze verklaring is facultatief wanneer de instelling overweegt te onderhandelen met de Europese Investeringsbank (E.I.B.) of de Ontwikkelingsbank van de Raad van Europa (C.E.B) om een leningscontract op te maken.
7° Een verklaring van de financiële instelling waarbij deze zich akkoord verklaart met een pari passu-regeling tussen de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de financiële instelling voor de opbrengst van de verkoop van het goed, die de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en/of de financiële instelling toekomt. Die pari passu-clausule wordt toegepast wanneer de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de financiële instelling een hypotheek hebben genomen op de onroerende goederen waarop het project betrekking heeft, en deze onroerende goederen het voorwerp van een gedwongen verkoop uitmaken. Deze verklaring bevat eveneens een toelichting van de modaliteiten van de pari passu-regeling die worden voorgesteld door de financiële instelling.
§ 2. Binnen dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag stuurt de administratie aan de aanvrager ofwel een bevestiging van ontvangst indien de aanvraag volledig is, ofwel een bericht waarbij hij verzocht wordt haar aanvraag te vervolledigen binnen dertig dagen waarbij de ontbrekende stukken worden vermeld.
§ 3. Binnen zestig dagen na de verklaring van volledigheid delen de ministers aan de aanvrager hun beslissing mee over de toekenning of weigering van een principeakkoord met betrekking tot de waarborg.
Een principeakkoord met betrekking tot de waarborg vermeldt onder meer het project waarop het betrekking heeft en de eventuele opmerkingen. Daarbij wordt, in voorkomend geval, de aanvrager uitgenodigd om aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie een hypothecair mandaat of een conventionele hypotheek te verlenen voor de onroerende goederen waarop het project betrekking heeft en, in voorkomend geval, voor een gedeelte of het geheel van zijn onroerende goederen, ten belope van het door de Commissie vastgestelde bedrag. Daardoor krijgt de aanvrager de toestemming om te onderhandelen met de financiële instelling en een ontwerp van leningscontract op te maken.
Afdeling 3. - Aanvraag tot toekenning van de waarborg
Art. 26.
§ 1. De aanvrager dient een aanvraag tot toekenning van de waarborg in bij de administratie. Deze aanvraag tot toekenning van de waarborg bevat volgende documenten:
1° de beraadslaging waarin beslist wordt om de toekenning van de waarborg aan te vragen, desgevallend goedgekeurd door de toezichthoudende overheid;
2° in voorkomend geval, het hypothecair mandaat of de conventionele hypotheek;
3° de ontwerpen van de financieringscontracten die minstens volgende zaken bevatten:
a) een terugbetalingsschema met onderscheid tussen het hoofdbedrag en de interesten;
b) de duur van de lening;
c) de verplichting voor de aanvrager om alle bewijzen te leveren betreffende het gebruik van de lening voor de vooropgestelde doelstellingen en voor de goede uitvoering van het project waarvoor de lening werd toegekend;
d) het verbod voor de aanvrager om zonder voorafgaande toestemming van de ministers de onroerende goederen waarop het project betrekking heeft en, in voorkomend geval, een gedeelte of het geheel van zijn onroerende goederen, die het voorwerp uitmaken van een conventionele hypotheek of een hypothecair mandaat met de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie te vervreemden of in pand te geven aan derden, voordat de gewaarborgde lening volledig is terugbetaald;
e) een clausule die verduidelijkt dat, in geval van een gelijktijdige waarborg door de Gemeenschappelijke Gemeenschapcommissie en een borgstelling door een derde, deze laatste ten opzichte van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie beschouwd wordt als hoofdschuldenaar, hoofdelijk verbonden met de instelling, zodat die derde zich niet kan verhalen tegen de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie indien hij dient te betalen in de plaats van de aanvrager. Daarentegen zal de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommisie, indien zij de financiële instelling moet terugbetalen, integraal verhaalrecht hebben tegen de borg;
f) Een clausule die verduidelijkt dat de financiële instelling, zich het recht voorbehoudt om, zonder vooropzeg of ingebrekestelling, de onmiddellijke terugbetaling te eisen van alle bedragen die werden opgenomen van de lening in volgende gevallen:
i. indien de opgenomen bedragen niet uitsluitend worden gebruikt voor de vooropgestelde doelstellingen, tijdens de volledige duur van de leningovereenkomst;
ii. indien de verklaringen van de instelling in de leningovereenkomst of de aan de financiële instelling verstrekte inlichtingen onjuist of onvolledig blijken, hetzij tijdens het onderzoek van de leningaanvraag, hetzij tijdens de duur van de leningovereenkomst;
iii. indien de instelling niet regelmatig voldoet aan de verplichtingen waartoe hij zich contractueel verbonden heeft krachtens de leningovereenkomst.
Deze clausule vermeldt eveneens dat in één van deze gevallen de ministers aan de financiële instelling kunnen vragen om de lening op te zeggen.
g) Een clausule die verduidelijkt dat de instelling aan de administratie toestemming vraagt voor de geldopnames naarmate de werken vorderen;
h) Een verklaring van de financiële instelling waarbij deze er zich mee akkoord verklaart om :
i. al de door artikel 28 bepaalde verplichtingen na te leven;
ii. geen andere waarborg dan een hypotheek of een hypothecair mandaat te vestigen op de onroerende goederen die het voorwerp uitmaken van de door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie gewaarborgde lening;
iii. indien door de financiële instelling en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie een hypotheek zou zijn gevestigd op de onroerende goederen waarop het project betrekking heeft, de opbrengst van de gebeurlijke gedwongen verkoop van bedoelde goederen evenredig te verdelen tussen de financiële instelling en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
i) Een verklaring van de instelling waarbij deze er zich mee akkoord verklaard om al de door artikel 27 bepaalde verplichtingen na te leven.
§ 2. Binnen dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag stuurt de administratie aan de aanvrager ofwel een bevestiging van ontvangst indien de aanvraag volledig is, ofwel een bericht waarbij hij verzocht wordt haar aanvraag te vervolledigen binnen dertig dagen waarbij de ontbrekende stukken worden vermeld.
§ 3. Binnen zestig dagen na de verklaring van volledigheid delen de ministers aan de aanvrager hun beslissing mee over de toekenning of weigering van de waarborg.
Bij toekenning van de waarborg, wordt het financieringscontract medeondertekend door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie vertegenwoordigd door de ministers met vermelding van de volgende clausule: "De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie verbindt er zich toe de waarborg toe te kennen tegen de voorwaarden bepaald in het besluit van het Verenigd College betreffende de financiering van de infrastructuur van diverse types instellingen behorend tot het beleid inzake bijstand aan personen en gezondheid."
De waarborg heeft slechts uitwerking vanaf de datum van medeondertekening van het financieringscontract door de ministers.
Desgevallend wordt bij de toekenning van de waarborg eveneens de pari-passu overeenkomst medeondertekend door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie vertegenwoordigd door de ministers.
Afdeling 4. - Verplichtingen verbonden aan de toekenning van de waarborg
Art. 27.
Als er een waarborg toegekend wordt, moet de aanvrager voldoen aan volgende verplichtingen:
1° Indien er op verzoek van de administratie een hypothecair mandaat of een hypotheek wordt gevestigd of indien een hypotheek wordt ingeschreven, worden de kosten en lasten door de instelling gedragen.
2° De instelling mag het goed dat het voorwerp uitmaakt van het hypothecair mandaat of de hypotheek op geen enkele wijze bezwaren met een zekerheid ten gunste van een derde behoudens de voorafgaande toestemming van de ministers.
3° De instelling verbindt er zich toe om elke vervreemding van de goederen die het voorwerp uitmaken van het hypothecair mandaat of de hypotheek of elke bezwaring van die goederen met een zakelijk recht te onderwerpen aan de voorafgaande toestemming van de ministers, en dit gedurende een periode die minstens gelijk is aan de duur van de boekhoudkundige afschrijving van de investering, voor roerende goederen, en minstens aan de duur van de terugbetaling van de lening, voor onroerende goederen. De instelling brengt de financiële instelling op de hoogte van elke aanvraag die hij indient bij de ministers.
4° De instelling dient het goed dat het voorwerp uitmaakt van het hypothecair mandaat of van de hypotheek te beheren als een voorzichtig en redelijk persoon en moet het onderhouden gedurende een periode die minstens gelijk is aan de duur van de boekhoudkundige afschrijving van de investering, voor roerende goederen, en minstens aan de duur van de terugbetaling van de lening, voor onroerende goederen.
5° De administratie kan ten allen tijde van de aanvrager een recent attest vragen van het kantoor rechtszekerheid waaruit blijkt of er op de goederen die het voorwerp uitmaken van het project al dan niet een hypotheek is gevestigd.
Art. 28.
§ 1. Als er een waarborg toegekend wordt, moet de financiële instelling voldoen aan volgende verplichtingen:
1° Indien uit het in artikel 27, 5°, bedoelde attest blijkt dat door een derde een hypotheek werd gevestigd op de goederen in kwestie zonder de voorafgaande toestemming van de ministers, kunnen de ministers eisen dat de financiële instelling, tenzij deze afziet van de toegekende waarborg, het gewaarborgde financieringscontract onmiddellijk opzegt en aldus de onmiddellijke betaling eist van alle verschuldigde bedragen.
2° Voor de goederen die het voorwerp uitmaken van het project zal de financiële instelling geen hypothecair mandaat bekomen, noch zo'n mandaat omzetten in een hypothecaire inschrijving, noch een hypothecaire inschrijving nemen, noch de vervroegde terugbetaling van de lening eisen zonder de voorafgaande toestemming van de ministers.
3° Indien blijkt dat de instelling zijn project niet heeft uitgevoerd overeenkomstig het toegekende principeakkoord tot toekenning van de waarborg, kan de administratie eisen dat de financiële instelling, tenzij deze afziet van de toegekende waarborg, het gewaarborgde financieringscontract onmiddellijk opzegt en aldus de onmiddellijke betaling eist van alle verschuldigde bedragen.
4° De financiële instelling mag in geen geval zonder de voorafgaande toestemming van de ministers een bijkomende hypothecair mandaat of hypothecaire inschrijving bekomen op onroerende goederen waarop het project reeds betrekking heeft en die verstrekt werden tot zekerheid voor de kredieten met betrekking tot bedoeld project, waarvan de lening door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie wordt gewaarborgd. Zij zal ook niet overgaan tot de uitwinning van haar hypotheek op de onroerende goederen, die het voorwerp uitmaken van het project en verstrekt werden tot zekerheid voor de kredieten met betrekking tot het project, waarvan de lening door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie wordt gewaarborgd zonder de voorafgaande toestemming van de ministers.
5° De financiële instelling mag op de bedoelde goederen geen hypothecair mandaat of hypothecaire inschrijving bekomen als dekking van andere kredieten dan de kredieten waarop het project betrekking heeft, noch een dergelijk hypothecair mandaat omzetten in een hypothecaire inschrijving of overgaan tot de uitwinning van haar hypotheek zonder de voorafgaande toestemming van de ministers.
§ 2. De toekenning van de waarborg vervalt wanneer de financiële instelling één van zijn verplichtingen zoals bedoeld in paragraaf 1 niet nakomt.
HOOFDSTUK 8. - Sancties
Afdeling 1. - Sanctie vóór de ingebruikname van de infrastructuur
Art. 29.
Vóór de ingebruikname kunnen de ministers beslissen om de reeds toegekende subsidie volledig terug te vorderen in volgend geval: de aanvrager bekomt geen voorlopige werkingsvergunning of erkenning van het Verenigd College of sluit geen overeenkomst af met Iriscare voor wat betreft de gesubsidieerde infrastructuur in het kader van de doelstellingen waarvoor de subsidie werd toegekend binnen een termijn van acht jaar te rekenen vanaf de datum van de opname van het project in een investeringskalender.
Afdeling 2. - Sancties na de ingebruikname van de infrastructuur
Art. 30.
§ 1. Na de ingebruikname moet de aanvrager volgende bepalingen naleven met betrekking tot het gebouw en/of het terrein waarvan de werken of de aankoop het voorwerp hebben uitgemaakt van een subsidiëring door dit besluit:
1° De bestemming en het gebruik van het gebouw mogen niet gewijzigd worden tenzij het gebouw bestemd blijft voor een activiteit van openbaar nut en behoudens voorafgaande goedkeuring van de ministers.
2° Elke vervreemding of wijziging inzake zakelijke rechten is verboden, tenzij de toekomstige begunstigde van de rechten één van de rechtspersonen aanneemt bedoeld in artikel 6 van de ordonnantie en mits voorafgaande goedkeuring van de ministers.
3° Het gebouw wordt beheerd en onderhouden als een voorzichtig en redelijk persoon.
4° De normen als bedoeld in artikel 4, § 2, van de ordonnantie worden nageleefd.
5° Er is een voorlopige werkingsvergunning of erkenning van het Verenigd College of een overeenkomst met Iriscare.
In de ministeriële goedkeuring bedoeld in 1° en 2° kunnen de ministers beslissen dat de bepalingen onder 4° of 5° niet langer van toepassing zijn.
§ 2. Voor wat betreft een bouwsubsidie gelden de bepalingen opgenomen in artikel 25, § 1, van de ordonnantie en van paragraaf 1 slechts voor een periode van twintig jaar.
Voor wat betreft de aankoopsubsidie gelden dezelfde bepalingen voor de periode van de vestiging van de zakelijke rechten op het goed waarvoor een subsidie werd toegekend.
§ 3. In geval van een inbreuk tegen de bepalingen opgenomen in artikel 25, § 1, van de ordonnantie en in paragraaf 1, wordt de eventuele verdere vereffening van de subsidie stopgezet en zal de reeds toegekende subsidie als volgt door de administratie teruggevorderd worden:
1° in geval van een bouwsubsidie: ten belope van een bedrag berekend volgens onderstaande formule:
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 30-08-2024, p. 100519)
S: het bedrag van de totale bouwsubsidie, desgevallend inclusief de nog niet vereffende bedragen en de forfaitaire interestvergoeding.
A: het aantal volledige jaren te rekenen vanaf de ingebruikname.
B: het bedrag van de bouwsubsidie dat nog niet vereffend werd op datum van de terugvordering, desgevallend inclusief de forfaitaire interestvergoeding.
2° in geval van een aankoopsubsidie: ten belope van een bedrag berekend volgens onderstaande formule:
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 30-08-2024, p. 100519)
S: het bedrag van de totale aankoopsubsidie, desgevallend inclusief de nog niet vereffende bedragen en de forfaitaire interestvergoeding.
A: het aantal volledige jaren te rekenen vanaf de ingebruikname.
B: het bedrag van de aankoopsubsidie dat nog niet vereffend werd op datum van de terugvordering, desgevallend inclusief de forfaitaire interestvergoeding.
C: de duur van de zakelijke rechten.
I1: de residentiële vastgoedprijsindex gepubliceerd door Statbel, van kracht op de datum van de goedkeuring van het aankoopdossier.
I2: de residentiële vastgoedprijsindex gepubliceerd door Statbel, van kracht op de datum van de inbreuk tegen de bepalingen opgenomen in paragraaf 1.
HOOFDSTUK 9. - Opheffingsbepalingen
Art. 31.
Opgeheven worden:
1° Het koninklijk besluit van 27 april 1971 tot vaststelling van het percentage en de toekenningsvoorwaarden van de door de Staat verleende subsidies voor het bouwen, inrichten, uitbreiden, moderniseren en uitrusten van speciale inrichtingen voor intellectueel of fysisch gehandicapten, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 2 mei 1977 en van 15 april 1977;
2° Het koninklijk besluit van 11 september 1974 houdende toekenning van staatstoelagen voor de aankoop en het uitrusten van bestaande gebouwen bestemd als inrichting voor gehandicapten, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 3 september 1975 en van 2 mei 1977;
3° Het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 7 mei 2009 tot bepaling van de regels betreffende de verschillende vormen van financiële tegemoetkoming van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie in de bouw, de uitbreiding, de verbouwing of de uitrusting van gebouwen bestemd voor de uitoefening van de activiteiten van de voorzieningen bedoeld in de ordonnantie van 24 april 2008 betreffende de voorzieningen voor ouderen;
4° Het ministerieel besluit van 23 januari 1976 houdende vaststelling van de maximumprijs per bed voor het subsidiëren van de bouw, de aanpassing en de uitrusting van speciale inrichtingen voor intellectueel of fysisch gehandicapten;
5° Het ministerieel besluit van 23 januari 1976 houdende vaststelling van de maximumprijs per bed voor het subsidiëren van de bouw, de aanpassing en de uitrusting van tehuizen voor volwassen gehandicapten.
6° Het ministerieel besluit van 23 januari 1976 houdende vaststelling van de maximum kostprijs voor het subsidiëren van de bouw, de aanpassing en de uitrusting van tehuizen voor kort verblijf van mentaal of fysisch gehandicapten.
Art. 32.
De datum voor de opheffing van het koninklijk besluit van 4 juni 1969 betreffende de Staatstussenkomst inzake toelagen aan de ondergeschikte besturen, aan instellingen van openbaar nut en aan verenigingen zonder winstoogmerk voor het bouwen van tehuizen voor alleenstaande volwassen gehandicapten, voor de aanpassing met dat doel van bestaande inrichtingen, alsmede voor hun uitrusting en eerste meubilering, bedoeld in artikel 25, 3°, van de ordonnantie van 7 november 2002 betreffende de centra en diensten voor bijstand aan personen is de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.
HOOFDSTUK 10. - Uitvoeringsbepaling
Art. 33.
De Leden van het Verenigd College bevoegd voor het beleid inzake bijstand aan personen en gezondheid zijn belast met de uitvoering van dit besluit.
Bijlage.
Bijlage (zie B.S. van 30.08.2024, p. 100521)
Brussel, 18 april 2024.