25 OKTOBER 2007 – Besluit betreffende de erkenning en de subsidiëringswijze van de diensten voor thuishulp
TITEL III. - Erkenningsnormen betreffende de diensten voor [thuishulp.]1
HOOFDSTUK I. - Normen betreffende de eerbiediging van de politieke, filosofische en godsdienstige overtuiging van de gebruiker alsmede van zijn privéleven en zijn individuele rechten.
Art. 19.
De dienst helpt alle gebruikers zonder onderscheid van geslacht of van politieke, culturele, raciale, filosofische, religieuze of seksuele geaardheid. Het centrum zorgt ervoor dat de hulp en de opvang in het Nederlands of in het Frans aan de gebruikers worden geboden, in de taal van hun keuze.
Art. 20.
De dienst maakt voor elke gebruiker, bij zijn eerste aanvraag tot tussenkomst, een vertrouwelijk dossier op.
Dit dossier wordt, onder de verantwoordelijkheid van de coördinator van de dienst, in een hiervoor geschikt en gesloten meubel of in een hiertoe voorbehouden en gesloten lokaal bewaard. Indien deze dossiers op de computer verwerkt werden, worden deze gegevens beveiligd.
Art. 21.
Elke hulpverlener dient, ongeacht zijn hoedanigheid, bij de opvang en de hulpverlening aan de gebruiker het beroepsgeheim na te leven.
Mits uitdrukkelijke instemming van de gebruiker mag hij deze inlichtingen met andere hulpverleners buiten de dienst uitwisselen om samen een gemeenschappelijke opvang uit te bouwen voor de gebruiker.
Art. 22.
De dienst moet een verzekeringscontract voor civielrechtelijke aansprakelijkheid sluiten die de aansprakelijkheid van zijn personeel in het kader van de activiteit van de dienst dekt.
HOOFDSTUK II. - Normen betreffende de opdrachten.
Art. 23.
§ 1. De diensten hebben tot doel gezins-, bejaardenhelpers en poetshulpen ter beschikking te stellen van gezinnen, bejaarden, personen met een lichamelijke, mentale of psychische handicap of zwaar gehandicapte personen die erom vragen, om hen bij te staan of te vervangen bij het verrichten van de activiteiten van het dagelijks leven.
Deze hulp wordt geboden :
1° aan gezinnen die zich in één van de volgende situaties bevinden :
a) in geval van ziekte, bevalling, overlijden of langdurige afwezigheid van de moeder, de vader of de persoon die kinderen ten laste heeft;
b) wanneer de moeder, de vader of de persoon die een zwaar ziek kind of minstens drie kinderen ten laste heeft, overbelast is;
c) in een éénoudergezin, in geval van ziekte van een kind waarvan de moeder, de vader of de persoon die het kind ten laste heeft, een beroepsactiviteit uitoefent; per prestatiedag moet het contact tussen deze persoon en de hulpverlener minstens één kwartier duren;
2° aan de bedoelde bejaarden of personen die met een bejaarde leven in volgende gevallen :
a) een alleenstaande bejaarde;
b) een bejaard koppel, in geval van verlies van de lichamelijke of psychische autonomie van de ene of de andere echtgenoot;
c) een door de aanwezigheid van een bejaarde met verminderde lichamelijke of psychische autonomie overbelaste persoon;
3° personen die een zwaar gehandicapte persoon ten laste hebben of aan een zwaar gehandicapte alleenstaande;
4° bejaarden of gehandicapten die in een meergezinswoning verblijven met uitsluiting van de rusthuizen, de dagcentra voor bejaarden en de verblijfscentra voor volwassen gehandicapten - en die geen officiële hulpstructuur genieten.
5° personen die wegens een ziekte, een ongeval, hun geestelijke gezondheid of hun maatschappelijke situatie niet zelf kunnen instaan voor hun persoonlijke verzorging en voor de taken van het dagelijkse leven, voor zover deze hulp in de lijn ligt van een therapeutische en/of sociale begeleiding.
HOOFDSTUK III. - Normen betreffende de kwaliteit van de dienst en de opvang van de gebruikers.
Art. 24.
§ 1. Vóór de prestatie van de dienst wordt er een sociaal onderzoek ingesteld door een maatschappelijk werkende.
§ 2. Zo er hulp verleend wordt, wordt er een overeenkomst gesloten met de begunstigde. Deze laatste vermeldt onder meer de aanvangsdatum van de tussenkomst, de nagestreefde doelstellingen en de in dit kader te verwezenlijken taken, de door de begunstigde te betalen bijdrage en, in voorkomend geval, de einddatum van de tussenkomst.
Een exemplaar van deze overeenkomst dient aan de administratie te worden bezorgd.
Art. 25.
De hulp wordt in de eerste plaats geboden aan de aanvragers in functie van de evaluatie van hun behoeften op het vlak van de financiën, de lichamelijke en psychische gezondheid alsmede op sociaal vlak.
HOOFDSTUK IV. - Normen betreffende de nadere regels van beroep van de gebruikers.
Art. 26.
Elke dienst legt de procedure vast voor de registratie en de behandeling van de klachten van de gebruikers.
Deze procedure beschrijft de nadere regels voor de indiening van de klachten, voor de beoordeling van hun ontvankelijkheid, voor hun behandeling en voor de mededeling van hun resultaat aan de gebruikers.
HOOFDSTUK V. - Normen betreffende de kwalificatie van het personeel.
Art. 27.
De dienst beschikt over voldoende maatschappelijke assistenten om het maatschappelijk werk van de dienst uit te voeren.
De dienst beschikt over minstens drie voltijds equivalenten gezins- of bejaardenhelpers.
Art. 28.
De gezins- en bejaardenhelpers beschikken over een diploma uitgereikt door een Gemeenschap, een Gewest of de Franse Gemeenschapscommissie, of over een gelijkgesteld diploma.
De Ministers kunnen een lijst vastleggen van de in aanmerking genomen diploma's.
De gezins- en bejaardenhelpers beschikken bovendien over een bekwaamheidsattest dat door de administratie wordt uitgereikt na ontvangst van de volgende documenten :
- een bewijs van goed zedelijk gedrag
- een eensluidend afschrift van het diploma
- een recente foto
- een medisch attest waaruit blijkt dat de persoon in staat is om die functie uit te oefenen
- een afschrift van het arbeidscontract of van de beslissing van de Raad voor maatschappelijk welzijn waaruit blijkt dat het personeelslid werd aangeworven.
Art. 29.
De dienst verbindt zich ertoe het statuut van de gezins- of bejaardenhelpers alsmede van de poetshulpen, zoals bepaald in bijlage II, na te komen.
Art. 30.
De dienst stelt paritair een plan van voortgezette opleiding op voor zijn personeel dat over twee jaar gespreid wordt. Dit plan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de administratie. De administratie gaat de kwaliteit na van de verstrekte opleiding.
HOOFDSTUK VI. - Normen betreffende het huishoudelijk reglement.
Art. 31.
Elke dienst dient een huishoudelijk reglement vast te stellen. Dit reglement en elke latere wijziging ervan worden aan de Ministers of hun afgevaardigden medegedeeld.
Het reglement moet bij de eerste aanvraag tot tussenkomt aan de gebruiker worden medegedeeld.
Art. 32.
Het huishoudelijk reglement dient onder meer de volgende punten te vermelden :
1° het juridisch statuut van de dienst;
2° de opdrachten van de dienst;
3° de garantie van de rechten en plichten van de partijen, met respect voor de waardigheid van de gebruiker en de werker en het beroepsgeheim;
4° de nadere regels betreffende de klachten- en beroepsprocedure, zoals bepaald in artikel 26;
5° de openingstijden van de dienst. Deze uurregeling moet goed zichtbaar buiten de dienst worden aangebracht. Men dient in een permanentie te voorzien tijdens de diensturen en bij uitzonderlijke sluiting de personalia op te geven van de bevoegde diensten;
6° een melding met betrekking tot de tarieven van de dienstverlening;
7° de vermelding van de erkenning van de dienst door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
8° de coördinaten van de administratie en van de Ministers;
9° de nauwkeurige personalia van de organiserende instantie en van de coördinator.
HOOFDSTUK VII. - Normen betreffende de veiligheid en de architectuur.
Afdeling 1. - Veiligheidsnormen.
Art. 33.
Onverminderd de veiligheidsnormen waaraan hij moet beantwoorden, moet de dienst zich tegen brand verzekeren.
Afdeling 2. - Architectonische normen.
Art. 34.
§ 1 De centra dienen te beantwoorden aan de normen bepaald in de hoofdstukken II tot V van Titel IV van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 november 2006 tot vaststelling van de Titels I tot VIII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening die van toepassing is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
§ 2 De centra mogen, in de zin van dit besluit, afwijken op de in § 1 vermelde verplichting indien zij voorzien in nadere regelen voor het onthaal of in alternatieve maatregelen met het oog op het uitvoeren van hun taken ten aanzien van personen met beperkte mobiliteit. Deze nadere regelen en maatregelen dienen te worden opgenomen in het document bedoeld in artikel 3, 8°, b), van het onderhavige besluit.
Art. 35.
Alle voorzorgen dienen te worden genomen om brandgevaar te beperken in het lokaal bedoeld in artikel 36.
Art. 36.
De dienst beschikt over een lokaal dat uitsluitend voor hem bestemd is in het vertrouwelijk karakter van de gesprekken waarborgt.
De lokalen moeten steeds zindelijk worden gehouden en beantwoorden aan hun bestemming.
HOOFDSTUK VIII. - Normen betreffende het activiteitenverslag en de boekhouding.
Art. 37.
De dienst dient jaarlijks een activiteitenverslag op te stellen, waarvan het model door de Ministers kan worden vastgesteld, na advies van de afdeling.
Dit verslag bevat onder meer de volgende inlichtingen :
1° de doelstellingen van de dienst;
2° een analyse van de gebruikers die de dienst regelmatig bezoeken en van de ondervonden problemen;
3° het aantal behandelde dossiers;
4° de gebruikte methodes en de verkregen resultaten;
5° de identificatie van de gebruikte netwerken en van hun bijdrage tot de uitvoering van de opdrachten.
Art. 38.
De dienst dient, vóór 30 april van het jaar dat volgt op het einde van het dienstjaar, de volgende documenten te versturen naar de administratie :
1° een jaarlijks activiteitenverslag;
2° een jaarrekening van de ontvangsten en uitgaven, waarvan het model door de Ministers wordt vastgesteld, en die voor wat betreft de privécentra door een bedrijfsrevisor of een zelfstandige accountant geviseerd is, overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;
3° een begrotingsontwerp voor het lopende jaar, waarvan het model door de Ministers kan worden vastgesteld, na advies van de afdeling;
TITEL V. - Slotbepalingen.
Art. 46.
Op gemotiveerde aanvraag van de bestaande centra kunnen de Ministers, na advies van de afdeling, afwijkingen toestaan op de door dit besluit vastgestelde architectonische normen.
Bijlage
-----------